Aan de kust van Malabar De Aarde en haar Volken, 1909

Chapter 5

Chapter 54,005 wordsPublic domain

In Juli en Augustus kan men des nachts op de oevers en zelfs vrij ver van de rivier de dieren vinden langs de kanalen of in de rijstvelden, waar ze spelen en springen en in grooten getale elkander in vroolijkheid achtervolgen. Wee den jager, die op dat oogenblik zijn slag wil slaan en die de gewoonten van dit wild niet kent! Want als zijn schot het dier niet terstond doodt, zoodat het geen doodschreeuw kan geven, is hij een kind des doods, even zeker, als wanneer hij een tijger had gemist in het vlakke veld. Bij het hooren van den kreet komen de andere dieren aan en zoeken den vijand, ontdekken hem en werpen zich op hem met de grootste woede in een vereenigden aanval met hun tienen, als er tien zijn, met hun honderden, als er honderd zijn, en verscheuren den jager. Zoo ten minste vertellen de inlandsche jagers.

Zoowel het vleesch van den krokodil als dat van den otter is een onthaal voor de Polea's, de concurrenten van de raven en de jakhalzen. Maar het gerecht, dat het meest hun verhemelte streelt, is een frituur van kariahs, termieten, witte mieren, die een lastige vijand zijn in de huizen. Als in het begin van den moesson, na de eerste regens die larven en poppen uit hun verstijving doen ontwaken, de warmte de eitjes doet uitkomen en bij milliarden de insecten in het leven roept; als de kariahs hun verschijning maken in hun gevleugelden vorm, dien ze slechts vertoonen in den tijd der paring, vieren de Polea's, de paria's en de raven feest. Er is mij gezegd, dat te Pondichéry de inboorlingen ook de witte mieren opeten, in boter gebakken; maar ik twijfel eraan, of het vette, glibberige insect ooit onze kolonisten heeft aangelokt.

De schildpadden, die overvloedig in de rijstvelden voorkomen, de vleermuizen, twee soorten van salamanders, een zwarte met groote, gele vlekken en een andere zeer dikke met grijze huid, waarop door honden zeer behendig jacht wordt gemaakt, zijn ook lievelingsgerechten en men kan er heerlijke kerry's van bereiden. De beet van de laatste soort, die niet gevaarlijk is en alleen zwarte builen en een soort van zweer veroorzaakt, kan enkel genezen naar het zeggen der inboorlingen door het eten van gebakken ratten, een aanwinst voor de culinaire hulpmiddelen van het land.

Ter vergoeding biedt die laatste salamander zichzelf als remedie aan, ten eerste voor een vrij veel voorkomende ziekte van het tandvleesch, veroorzaakt door een parasiet, en ten tweede om het lang uitgerekte oorlelletje te genezen, als het soms verscheurd is door het dragen van de zware oorhangers. In het eerste geval wordt het dier gebakken gegeten, zoodat het wel lijkt, dat de inboorlingen van dit land er een liefhebberij in hebben, geneesmiddelen te nemen, die tegelijk de maag vullen. In het tweede geval wordt het vleesch versch en wel op de gescheurde deelen gelegd, en trots andere ingrediënten, die eveneens voor deze bewerking worden gebruikt, wordt aan het salamandervleesch toch de aaneenhechting toegeschreven. Men bemerkt, dat de Malayali niet ver ten achter zijn bij het oude Europa ten opzichte van deze speciale chirurgie. Een afzonderlijke kaste, de Korors, die niet zeer talrijk moet wezen, daar ongelukken van dezen aard betrekkelijk zeldzaam zijn, onderneemt de kunstbewerking.

Die kaste der Korors komt uit het bergland. De menschen maken matten, laten apen dansen en eten ravenvleesch. Een andere kaste, die denzelfden naam draagt, komt uit Coïmbatore; ze spreken het Tamoel en maken graag voor hun vrouwen bonte vogels buit, als papegaaien en ijsvogels.

De raaf gaat, om met hem deze dierenserie te besluiten, voor het listigste dier van de schepping door, en hij wordt de paria onder de vogels genoemd, zooals de ezel het is onder de zoogdieren. Er zijn legio in Indië en soms, als ze des morgens in grooten getale bijeen zijn, wordt hun geschreeuw zoo vervelend en scherp, dat het onverdragelijk is. Ze worden niet beschermd door een plaatselijk bijgeloof, zooals het geval is met den arend van Malabar, met slangen, apen en enkele visschen, en dat is eigenlijk een onrechtvaardigheid, want ze bewijzen groote diensten aan de openbare gezondheid door den reinigingsdienst, dien ze in de steden op zich nemen. Men kan ze bijna niet verjagen, en ze zijn van een wel eens amusante brutaliteit, wanneer men hen bij voorbeeld stapje voor stapje de keukenmeid ziet volgen, als ze van de markt komt, om wat uit haar mand te stelen.

De raaf wordt door de Hindoes veracht, hoe nuttig hij ook is en hoewel hij hier wordt beschouwd als de schakel tusschen de levenden en de dooden, zooals men bij de gebruiken in zake sterfgevallen heeft kunnen zien. Daarentegen zijn andere dieren, die inderdaad kwaadaardig zijn, zooals de slangen, hier het voorwerp van een eeredienst en zij zijn dat niet alleen, maar ook aan andere dieren valt die eer te beurt. Maar aan de kust van Malabar hebben de menschen niet veel op met dien dierendienst en vooral uit het binnenland komen Brahmanen, die heilige ossen rondleiden, hier herinneren aan de vereering, die men aan die beesten schuldig is. Die wandelingen zijn wezenlijk niet meer dan een der duizend middelen, door de Brahmanen aangewend, om aan geld te komen. Als de rondreis is gedaan, laten ze de heilige ossen in het veld los, waar ieder er eerbied voor moet hebben, en keeren rustig met den buit naar huis terug.

Die soort van onverschilligheid van de kasten aan de kust van Malabar, vooral voor den os, een der begunstigde goden van de aanhangers van Siva, geeft een goed denkbeeld van hun innerlijke godsdienstigheid. Buiten de vaste gebruiken, de feesten, pelgrimstochten, plichten in de pagoden, waaraan men zich sinds eeuwen trouw houdt, en die door allen worden gevolgd met mechanische regelmatigheid, denken de menschen hier weinig aan hun goden. Toch treft men hier en daar kleine pagoden aan, gewijd aan den dienst der dieren, voornamelijk aan de slangen, en ieder van die heiligdommen heeft zijn eigen jaarlijksch feest, waar bij voorbeeld de slangen zich te goed doen aan de eieren en kannen met melk, die de geloovigen hun geven. De bewaker van de pagode trekt voor dien plechtigen dag een grooten mantel van kokosbladeren aan, die hem geheel omhult en waarop, evenals op zijn lichaam, slangen ruw zijn geteekend.

Om op de slangen in de vrije natuur terug te komen, de engelsche statistiek heeft uitgemaakt, dat jaarlijks ongeveer 25000 personen in Indië door slangen worden gebeten en gedood, en het ware cijfer moet stellig vier maal grooter wezen, want vooral in de kleine dorpen, waar men het met de statistiek niet zoo nauw neemt, komen die ongelukken voor.

De olifant ontmoet men zoowat overal aan de kust van Malabar, waar hij vooral gebruikt wordt voor het vervoer van hout. De regeering onderhoudt olifanten voor de groote werken, en moet nog enkele keeren van particulieren de nuttige dieren leenen. Vooral de hooge en rijke kasten hebben olifanten, de Naïrs meer bepaald. Daar een olifant voor tien roepijen per dag wordt verhuurd of voor een roepij per uit het bosch aangevoerden boom, vertegenwoordigt zoo'n dier een niet onbelangrijk kapitaal voor zijn eigenaar.

Laat ons nu eens kijken naar de plantenwereld, de handelsflora en de industriëele. De kust van Malabar is ten gevolge van het gebrek aan havens ter verscheping, een weinig buiten de handelsbeweging in het overige Indië geraakt. Er zijn slechts drie havens, die men aantreft op ongeveer 500 kilometer afstands van elkander, Cochin, Calicut en Tellicherry, ver van elkander dus en slecht in orde. Dus zijn ook de industrie en de culturen beperkt tot de plaatselijke behoeften, en het aantal der uitgevoerde producten is zeer gering.

Toch had Mahé eenige beteekenis in het begin der 18de eeuw. Het was toen de stapelplaats voor de aan de kust voortgebrachte peper, voor het cardamon, de santal, het sapanhout; ook was het de voornaamste haven van de producten van den kokospalm en zelfs van de eetbare vogelnestjes en de vinnen van haaien. Maar toen de Engelschen de stad veroverden in 1779, vernielden ze alles, de openbare en de bijzondere gebouwen en de entrepôts. De handel met Frankrijk schijnt nooit veel te hebben beteekend. Getallen, die van 1821 dagteekenen, geven als totaal van den invoer voor een waarde van 14340 francs en van den invoer een van 58788 francs alleen met de stad Bordeaux; het laatste cijfer vertegenwoordigt enkel de waarde van de peper. In 1899 werd voor 8591 francs aan voortbrengselen uitgevoerd en voor 21564 francs ingevoerd, dus voor den geheelen handel is er een vermindering met de helft van de getallen in het begin der vorige eeuw.

In het bergland wordt de koffie gekweekt, die er door de overvloedige regens tweemaal bloeit, eerst in Maart en dan weer in April, en cardamon, dat een boschrijke omgeving noodig heeft. Zoowat overal groeit de peperboom, een der rijkste culturen. Op goede onderstammen geënt, zooals op den mangoboom en den jacquinia, brengt een peperboom van tien meter hoogte per jaar voor 15 tot 20 roepijen op, dat is 12 tot 17 gulden holl.

In alle tuinen treft men den kokospalm aan; men zou haast kunnen zeggen, dat die boomen de tuinen maken. Die palm is de boom bij uitnemendheid van dit land; hij geeft te eten en te drinken, brengt weefsel op voor de vervaardiging van touw, olie om te branden en om in de spijzen te gebruiken, het vleesch der noten, dat gedroogd uitgevoerd wordt onder den naam van copra, en hij verstrekt materiaal voor de bedekking der hutten. Alle deelen van den boom zijn bij uitstek nuttig; men heeft daar het noodige en het overtollige, van hoeden af tot een gegisten drank, dien de Malayali zeer op prijs stellen. De bladeren voorzien ook in de behoefte aan boeken en schriften van de leerlingen op school. Zelfs maakt men er toortsen van. Wanneer men des nachts een licht ziet, dat afwisselend helder en duister brandt, dat zich in geregelde beweging van beneden naar boven beweegt, is men eerst verbaasd. Het is een inboorling, die een armvol kokosbladeren zwaait van boven naar beneden of horizontaal, om ze aan het vlammen te krijgen. Dat is de landslantaarn, de tsjoeta. Als het donker is, en de maan den weg niet verlicht, is de stad Mahé stikdonker als een graf en even stil. Men ziet wel hier en daar lantaarns met petroleum, maar die schijnen wel aangebracht, om enkel den glimwormen concurrentie aan te doen; ze verlichten niets anders dan den top van hun paal. Het zou zelfs beter wezen dat ze er niet waren en dat het gemeentebestuur, door ze weg te laten, een aanzienlijke besparing vond op het budget.

Ik zag vaak op het marktplein van Mahé in de smalle zijstraatjes, die er als open tunnels uitzagen, de kleine Malayali met hun vuile lendendoeken en hun groote, verbaasde oogen op mij gevestigd, hun boeken en schriften onder den arm dragen in den vorm van kokosbladeren, elk afzonderlijk of aaneengehecht, terwijl ze op weg waren naar de school. Er wordt namelijk nog aan de kust van Malabar op die bladeren geschreven met een stalen punt, die de zonderlinge letters van de taal vormt, welke dan later met wat inkt voor den dag worden gebracht. Verscheiden van de jongste kinderen hadden enkel het alphabet, of liever slechts een deel daarvan, want de plaatselijke taal heeft niet minder dan 483 verschillende teekens voor de klinkers, de voegwoorden, de uitgangen enz. En dan te weten, dat er 130 van die talen in Indië zijn.

De kokospalm levert ook nog het brandhout. Hout is schaarsch en duur aan de kust, en voor de keuken maakt men gebruik van ledige schelpen, die heel goed branden en per honderd worden verkocht in groote netten, die op straat worden aangeboden. De Macqueezen, lieden, die de oude bijgeloofsgebruiken van Indië slecht in acht nemen, hebben de stoutmoedigheid, koeienmest te branden, dien ze eerst hebben gedroogd. Maar de Tiven zouden er een gewetensbezwaar in vinden, zich voor een zoo profaan gebruik te bedienen van de bij uitstek reinigende stof.

Een goede kokospalm in volle opbrengst geeft een honderdtal noten, die voor vijf of zes centimes worden verkocht; dus brengt een enkele boom zoowat vijf francs op per jaar. De mangoboom is voordeeliger. Men kent die vrucht; de vrucht met goudgeel vruchtvleesch heeft een groote, platte pit en smaakt pittig en frisch. Ze kosten van één tot twintig centimes naar de hoedanigheid; als de boom van de goede soort is en dus gewoonlijk twee- tot driehonderd vruchten oplevert, kan hij van 25 tot 40 roepijen inbrengen, dus 42 tot 68 francs. Maar goede mangoboomen zijn zeldzaam.

De jacquinia, die de verbazend groote vruchten oplevert van 7 tot 8 kilogram, maar welke vrucht 25 kilo kan wegen, met zacht, geel vruchtvleesch, waarin veel pitten liggen, en die kwalijk riekt, brengt ten hoogste 16 tot 20 francs op, want hij geeft tot 50 vruchten, die voor 3 tot 4 anna's per stuk worden verkocht, dat is 30 tot 40 centimes. De arecapalm, die zoo geliefd is in het Uiterste Oosten, is niet voordeelig. De opbrengst is 30 of 40 centimes per jaar, maar men moet er rekening mee houden, dat vier of zes noten slechts één centime kosten, een goedkoopheid, die noodzakelijk is, want ieder heeft de noot noodig bij het betelkauwen, dat ieder doet, mannen, vrouwen en kinderen.

Eindelijk worden de katoenstruiken nog verbouwd, enkel voor de behoeften van het land zelf, ofschoon ze zeer goed gedijen. Dan de muskaat en de kruidnagelen, de sesam om de olie, de tamarinde, die veel gebruikt wordt voor inmaken en de tabak, die gepruimd wordt. Ook doet men aan de cultuur van een soort van hennep, die als opium wordt gerookt in kleine pijpjes, en van de bananen, waarvan er evenals van de mangoboomen veel variëteiten bestaan. De vanilleplant wil zeer goed voort en geeft goede resultaten, maar men doet niet veel aan het kweeken.

De industrie is zeer beperkt. Ze bepaalt zich tot de gewone katoentjes, die ter plaatse worden verkocht en geweven worden op kleine weefgetouwen, die in de hutten hier en daar worden gebruikt; tot de oliebereiding, die ook op de plaats wordt aangewend; tot de vervaardiging van matten, van rijstbrandewijn, aardewerk, voorwerpen van koper, bij de inboorlingen in gebruik, en tot het drogen van visch, waarvan een kleine hoeveelheid naar Colombo wordt uitgevoerd. Het land brengt niet genoeg rijst voort voor de bevolking, en dat hoofdvoedsel wordt nog uit Bengalen ingevoerd.

Het hout van den mango is het voorwerp van een vrij belangrijken handel, want het is uitstekend timmerhout. De Arabieren komen eens per jaar het hier inslaan, namelijk tegen November. Ze komen uit Arabië in hun groote schepen, die met twintig of vijf-en-twintig man bemand zijn, en blijven tot in April. Ze doen aan vrachtvaart tot aan de Perzische Golf en nemen galanteriewaren mee, die ze te Bombay inslaan, evenals dadels en andere vruchten.

Het klimaat is niet slecht, het behoort zelfs tot de beste in Voor-Indië. In het vochtige seizoen heerscht er een soort van influenza, maar die is niet kwaadaardig. Aan de kust komt weinig of geen koorts voor, maar zoo is het niet in het bergland, waar de malaria in het warme jaargetijde nog al gevaarlijk is. De moesson, die einde Mei begint of in het begin van de maand Juni, is het frissche en minst droge seizoen, maar meer vochtig dan koel. Het regent in stroomen in opeenvolgende buien, soms afgewisseld met een vluchtigen zonnestraal. Dit jaargetijde wordt met ongeduld verwacht door de bezitters van rijstvelden en door de dieven, want terwijl het de planten doet groeien en de oppervlakte weer met groen bekleedt, doet die moesson ook de dieven te voorschijn komen. Men zou zeggen, dat ze met de rijst uit den grond komen, dat ze een product van het plantenrijk zijn, net als de bloemen; maar het zijn vreesachtige dieven, die alleen hun werk durven ondernemen met de zekerheid dat men hen niet kan zien, daar ze den stok, de vuurwapens en de gevangenis vreezen. Er worden in dezen tijd dan ook zelden dieven betrapt, en die ongestraftheid vergemakkelijkt hun nachtelijke industrie.

En bovendien, bestaat er niet in Indië een kaste van dieven? Ze vormen een kaste op zichzelf, even goed als de barbiers en de wevers, en er zijn zelfs verscheiden kasten, wier levensonderhoud door diefstal wordt gevonden. Zij zijn zeer behendig en een van hun voornaamste methoden is, dat ze den buitenmuur van de hutten doorboren, waar ze willen binnendringen, een werk, dat zoo stil wordt gedaan en zoo netjes en voorzichtig, dat het waarlijk jammer is, hen die behendigheid niet aan een betere zaak te zien besteden. Om te vermijden, dat ze worden gepakt in geval van ontdekking, smeren ze zich het lichaam in met olie; dan wordt het bijna onmogelijk, hen te grijpen, zoo glad voelen ze aan.

Ik vergat nog te zeggen, maar het laat zich wel begrijpen, waarom die dieven alleen in den natten moesson werken. Het is dat dan regen valt, vooral in den nacht, en zoo hevig, zoo kletterend, dat er een helsch lawaai ontstaat, waardoor het werk begunstigd wordt aan deuren en vensters en aan de wanden.

Die moesson eindigt tegen December, wanneer het droge jaargetijde aanvangt met warmte, die het hevigst wordt in Maart en April. De grond is dan de prooi van droogte; het plantenkleed, dat hem bedekte in den regentijd, verdwijnt onder de brandende stralen van de zon.

IV.--Uitstapjes langs de kust.--Aanzien van het land.--De rijst.--In een mohammedaansch dorp.--De Mopla's.--Cannanore.--Ontspanning voor het engelsche garnizoen.--Reis in een bootje.--De kokospalm en de kokosnoten.--Aankomst te Elatur.--Terugkeer naar Pondichéry.

Van Mahé is over een lengte van zeven kilometer de weg schilderachtig. Nu eens is hij ingesloten tusschen ware wanden van groen, dan weer gaat hij over zandige stranden langs hagen en reeksen van kokospalmen. Of wel het zijn onder water staande streken, waar de boomen op stelten schijnen te staan of liever op voetstukken, die vierkant zijn en door diepe geulen van elkaar zijn gescheiden, open terreinen, hutten, schuren, waar de basten van kokosnoten liggen te drogen, en lage heuvels, waar een armelijke vegetatie op de weelderigste tuinen volgt. Van tijd tot tijd staan groote ficusboomen met eerwaardige stammen, omringd door hun hooge luchtwortels, langs den weg als getuigen uit een andere eeuw. Ik kwam nog juist bijtijds, om in de Club te ontbijten, waar ik vriendelijk werd ontvangen, nadat een mooie Hindoe met prachtigen witten tulband zich had overtuigd, dat ik in het vreemdelingenboek ingeschreven en dat ik gepresenteerd was.

Ik vertrok zonder verwijl in den namiddag, mij niet ophoudend om de stad te bezoeken, die niets bijzonders kan vertoonen dan een ouden muur dichtbij de zee, door de Portugeezen opgericht. Het groote, groene plein vóór de Club was brandend heet; er was geen wind, en de straten waren zoo goed als verlaten. Wij verlieten de stad langs een weg aan zee, ingesloten door een soort van snijding, die wel een overblijfsel leek van oude vestingwerken, en daarna daalden we in de tuinen af, die elkander opvolgden en waarin hutten verborgen lagen onder het frissche groen.

We gingen door Kodowellé. In de rijstvelden bewogen witte figuren met langzame bewegingen. Ze waren bukkend bezig, waarschijnlijk aan het verplanten der kleine plantjes, en het scheen alsof ze de aarde aanbaden, die hen voedt. Weer groote ficussen, wier stammen door wortels zijn omgeven, dan onbebouwde terreinen, die steenachtig zijn en waar men zich bij verbaast, dat ze zoo dicht op de prachtigste landen volgen. Te Manneada waren we aan de monding van de rivier Kuda-Kadawe, die wij overtrokken over een mooie ijzeren brug. Er lagen prauwen op het zand, en in de buurt der manden vol visch die er stonden, zoowel als in de heele omgeving, rook het naar een visschersdorp, die goede reuk van algen, terwijl men aan de vischnetten, overal langs de hutten gespannen, het visschersdorp kon herkennen. Rechts zagen we op den top van een kaal heuveltje de ruïnen van een kasteel, de oude residentie van een radjah.

Weer een rivier en een dorp, de Koendji en het dorp Dharmadhom. Boven het lage en zandige strand zag men de toppen der hooge kokospalmen, die op het zuivere blauw des hemels hun fijn gebladerte afteekenden. Er lag een lange slang van groen aan weerszijden van het grijze effen water van den stroom. Men ontmoet slechts Mopla's in dit dorp, dat als alle bestaat uit twee rijen winkeltjes, waar men vruchten, droge visch, arecanoten, betel en alles, wat men onderweg kan noodig hebben, verkoopt, evenals lendendoeken van allerlei kleur, glaswerk en het aardewerk van de streek. Daarachter liggen enkele hutten en de tuinen of landen. Op den gewitten muur van een huisje kan men op een groote, cylindervormige, ijzeren bus het woord "letters" (brieven) lezen. Het is de brievenbus, en de hut is het postkantoor. Maar men moet er den postdirecteur niet zoeken. Voor zijn vier francs per maand kan hij geen uren op het kantoor zitten, en dat wordt ook niet van hem geëischt.

Hier passeert de wagen, die den dienst onderhoudt tusschen Cannanore en Calicut, verscheiden keeren per dag. De weg loopt recht uit, en de horizon getuigt in het minst niet van de veel bewonderde natuur van Indië. Het is alles zand aan den rechterkant in de buurt van de zee, die hier niet te zien is, en links ligt een reeks lage, kale heuvels, met enkele kokospalmen boven een dorren plantengroei. Wij hadden nog eenmaal een oase van tuinen, waar groote jacquinia's schaduw gaven.

Een groot aantal vrouwen ging ons voorbij in groepjes, kuisch in haar betrekkelijke naaktheid, die snel den afgegleden doek over haar borst trokken, of er haar armen voor hielden als een schild bij mijn voorbijgaan. Ze kwamen van het werk op het veld terug, praatten onder het loopen; anderen waren er nog bezig. De rijst groeit veertig dagen, dan wordt ze bij kleine handen vol uitgerukt, en de wortels worden zorgvuldig gewasschen met kleine herhaalde onderdompelingen, waarna de voorraad wordt opgestapeld.

Den volgenden dag zal men weer aan het planten gaan in hoopjes van enkele voeten oppervlakte, door de plantjes één voor één in de slijkerige aarde te drukken onder de waterlaag. Dat is het voornaamste werk van de vrouwen, dat bukken in het rijstveld en het verplanten, waarbij ze met de beenen in het water staan. De kleeding wordt opgeschort en babbelend en zingend zijn ze bezig. Hier is men aan den oogst of die heeft reeds plaats gehad, en de omgewoelde aarde, die onder water staat, van het rijstveld ruikt naar een moeras; daar wachten hooge stapels op hun beurt; iets verder is het werk al gedaan en de nieuwe rijst biedt den aanblik aan van een mooi groen tapijt, waardoorheen men hier en daar den waterspiegel kan waarnemen.

Men onderscheidt aan de kust van Malabar twee-en-dertig soorten van rijst, die ieder een eigen naam hebben, en zeven ervan bezitten een kleinen en fijnen korrel. Te Mahé brengen de rijstvelden twee oogsten voort per jaar, in Januari en in September; maar te Mangalore evenals ten zuiden van Mané op een twintigtal mijlen afstands, kan men drie keeren per jaar oogsten, in Januari, April en September.

Des avonds waren we te Hekadod, een muzelmansch dorp, een weinig belangrijker dan de andere, die we al waren gepasseerd. Wij hielden stil aan den politiepost. Een ambtenaar met rooden tulband, donkerblauwe broek en tunica, met een gordel en bloote voeten, Nr. 826 volgens het nommer, dat hij op zijn borst droeg op de plaats van de medaille, gaf ons inlichtingen; maar hij was in slecht humeur en daar hij mij midden op den weg liet staan, noodigde ik mijzelven in den politiepost. Ik had groote behoefte aan dat donkere hoekje, want den geheelen dag was de zon achter een koepel van witte wolken verstikkend heet geweest. De adigari, of het hoofd van het dorp, een Naïr, die het nog al verdelend vond, dat men hem dérangeerde op een halve mijl afstands, kwam in niet al te beste stemming aan, maar met hem kon ik mij toch eindelijk onderhouden.