Aan de kust van Malabar De Aarde en haar Volken, 1909
Chapter 3
In den nacht heeft het schapenoffer plaats, dat geschiedt vóór den tempel van de maagd Bagavady, aan den voet van het altaar, op de binnenplaats geplaatst. Alle Tiven van Mahé zijn tegenwoordig. De Bannan, in dezelfde kleeding van overdag, steekt de schapen dood met een mes van eigenaardigen vorm, versierd met kleine afhangende versierselen, zoodat het instrument leven maakt, als het gezwaaid wordt onder het oorverdoovend tromgeroffel. Het bloed wordt in een groot vat opgevangen, en als alle slachtoffers dood zijn, worden er bloemen bijgevoegd, rijstpoeder, santal en kurkuma, ingrediënten, die bij de plechtigheid behooren; vervolgens gaat hij op een bankje zitten tegenover de menigte en met geopende handen laat hij al het bloed uit het vat loopen, terwijl hij het links en rechts en vóór zich uit werpt. Door de vrees voor stolling van het bloed moet de bewerking snel geschieden. Eindelijk laat hij het ledige vat om zich heen rollen en werpt het weg, waarna een helper het opneemt. Hij heeft dan nog slechts een paar woorden tot de menigte te zeggen van af het altaar, om de menschen op te wekken, veel offeranden aan de godheid te brengen, en de plechtigheid is afgeloopen. De plek is, als men denken kan, ruim verlicht met een aantal lampions en er wordt bij geschoten als bij alle feestelijkheden in dit land.
Het is moeilijk, thuis te raken in de verwarring van deze ingewikkelde theogonie, die millioenen goden erkent, van Brahma en zijn vrouw Sarasswady af, de godin der welsprekendheid en der schoone kunsten, tot de kleine huisgoden, die afwisselen naar de streek, tot de dieren en de voorwerpen, die in godheden zijn veranderd en met evenveel vuur worden aangebeden als Brahma zelf, de heer der wereld. Wij bepalen ons tot wat het toeval der reis ons aanwees van de zeden en gebruiken en ceremoniën.
De plechtigheden bij de meeste der malabarsche feesten komen met elkander overeen: bezoeken en giften aan de pagode, reiniging door een bad, aalmoezen, gegeven en ontvangen, en eindelijk het vasten. De vastentijden zijn voor hen, die trouw de godsdienstige voorschriften volgen, talrijk in het Brahmaïsme; als ze angstvallig in acht worden genomen, brengen ze de dagen, waarop de geloovigen zich mogen voeden, wel tot de helft terug. Men zou een heel hoofdstuk kunnen vullen met de optelling der dagen en omstandigheden, waarbij een vrome Indiër zich van alle voedsel moet onthouden. De nieuwe en de volle maan, bepaalde dagen van de maan van een bepaalde maand, de dagen van de nachteveningen, het zonnestilstandspunt enz., de talrijke heiligendagen, de verjaardagen van den dood der ouders, ongunstige dagen enz., het zijn alles redenen van vasten. Men stelt zich schadeloos bij de veroorloofde maaltijden en wie het kunnen, maken daar ter wille van de tegenstelling dan ook groote festijnen van.
Op de kust van Malabar erkennen de strenge volgers van de Vedam, het wetboek, dat de Sastrom aanvult, drie voorname vastendagen in het jaar: de Astany-Rohiny, dag van de geboorte van Sry-Kristnine in de maand Tsjingon (13 tot 16 Augustus); er wordt gewaakt en er worden gebeden gelezen; pruimen, zelfs betel kauwen is verboden. De tweede, Goeroevayoer Egadechy is de gedenkdag van den dag, waarop Vishnoe een vrucht van zijn gouden speld liet vallen en dus een dag zonder eten bleef. Voor een god was dat allermoeilijkst, en Vishnoe beloofde daarom het paradijs aan diegenen, die ter herinnering aan de onhandigheid dien dag der maand Virchigon (14 tot 16 November) zouden vasten. De derde heet Tiroevatira in de maand Danon (13 tot 15 December); hij wordt voorgeschreven ter herdenking van Sry-Paramaitsjoerein, derde in de drieëenheid. Het is de niet zeer duidelijke geschiedenis van een jager in het bosch, die op een boom was geklommen, om het wild te bespieden. Daar de bladeren hem hinderden in het zien, begon hij ze af te plukken, en het gebeurde, dat ze vielen op het beeld van een godheid Tsjivalingon, wier beeld onbekend is gebleven. Maar dat feit beviel Brahma zoo goed, dat hij den boozen jager rechtstreeks naar het paradijs zond en dat beloofde aan allen, die den verjaardag van de gebeurtenis met vasten zouden vieren. Het is een der trouwst in acht genomen vastendagen bij de Malayali.
Ik besluit deze optelling van de inlandsche feesten met ons nationaal feest. Ik heb te Mahé een 14 Juli bijgewoond, en ik kan getuigen dat het geen alledaagsch schouwspel is, in de prachtige omlijsting van den weelderigen plantengroei de spelen te volgen van de mooie inlanders met hun zwarte huid; maar er is iets kouds in de uitingen, die niet begrepen, niet gevoeld worden, die uit gewoonte voortkomen, eerder dan uit innerlijken drang, die een artikel zijn van het jaarlijksch programma eerder dan vaderlandsliefde en die geen warmte ontleenen, noch aan de verhitte aangezichten, noch aan den gloed van de atmosfeer.
Den dag te voren heeft er uitdeeling van rijst plaats in het regeeringsgebouw, waar al vroeg vrouwen en kinderen zich verdringen met den zak van kokosvezels in de hand; ze zijn in lompen gehuld of ook wel behoorlijk in wit katoen gekleed, arme drommels, die van de administratieve goedgeefschheid voedsel ontvangen voor één of twee dagen. Het gebeurt langzaam, ongehaast, want ieder weet, dat er is voor iedereen. Op den avond een-en-twintig kanonschoten, die van de kerk afkomstig zijn, want de kleine mortieren behooren aan de kerkelijke gemeente, en die afgevuurd worden aan de rivier, in tegenwoordigheid van veel kleine jongens. Op den morgen van den 14den weer een salvo om half zeven. Men is hier aan de stem van het kruit gewend, die alle feesten aankondigt, de katholieke zoowel als de heidensche, de groote plechtigheden, de groote aanleidingen tot blijdschap zoowel als tot smart, een huwelijk, de canonisaties van heiligen in Rome even goed als de cholera.
Om half negen ontvangt mijnheer de Administrateur het bestuur der kolonie. In de groote zaal van het regeeringsgebouw zitten allen onbewegelijk en vormen een veelkleurig borduursel op zwarten grond. Men kan daar op de aangezichten een heele kleurengamma vinden, van de lichte café au lait tot donkere chocolade en het zwartste bruin; witte tulbanden naast roode, paarse, vergulde of verzilverde; hoeden van allerlei vorm en allerlei leeftijd en allerlei conserveering; menschen in witte overkleederen of gekleurde gewaden, met broeken, vesten en rokken, geschoeid met de kothurnen van het land, met europeesche schoenen of op bloote voeten. Op de borst van een jongen Indiër straalt een decoratietrofee, waaronder de academische palmen en de medaille voor landbouwverdiensten.
Ik vroeg: "Wie is de zoo gedecoreerde aanbidder van Brahma daarginds?"
"Dat," antwoordt mijn buurman met zijn indische pagne, "dat is de secretaris van de regeering, men zou kunnen zeggen, de gouverneur van Mahé."
Ik keek verbaasd.
"Ja, hij maakt de verkiezingen en de verkiezingen hebben hem gemaakt."
"O, maar hij lijkt mij wel jong, om reeds voor langdurige diensten aan de regeering zooveel eervolle onderscheidingen te hebben verdiend. Komt hij uit Pondichéry?"
"Neen, hij komt van Tellicherry; hij is de vroegere beambte, die uit een duitsch handelshuis is weggezonden om.... minder mooie handelingen."
"Dat lijkt mij inderdaad een buitengewone aanspraak op iets bijzonders, maar niet op den post dien hij bekleedt. En het paarse lint en de medaille voor landbouwverdienste, heeft hij die aan verdiensten van denzelfden aard te danken?"
Mijn zegsman ziet mij van ter zijde aan, want ofschoon ik ernstig ben, schijnen mijn woorden voor hem in te houden, dat ik spot met iemand of iets. "Ik weet het niet," antwoordt hij droogjes.
Werkelijk loopt mijnheer de secretaris heen en weer en voelt zich blijkbaar te huis. Ik verbaas mij niet langer; ik heb zooveel gehoord en zelfs gezien, dat ik het vermogen heb verloren, mij te verwonderen, vooral in onze koloniën.
Ieder zwijgt en zit stil; tegenover ons zit de burgemeester met zijn lint over een buis, dat hij over zijn witten schouderdoek draagt, met bottines aan en een tulband op het hoofd, zeer waardig, zeer zachtmoedig, zelfs onderworpen van gelaatsuitdrukking.
Rechts en links de leden van den gemeentelijken raad en de secretaris van den Raad in rok, maar met zeer donkere gelaatskleur. Dan de politiecommissaris, met een officieel costuum, dat groen lijkt, versierd met galon, en de directeuren van al de kleine diensten, de schatkist, de post, de domeinen enz. en de leden der plaatselijke raden. De uitnemende pater Veaux was met mij meegegaan.
De Administrateur hield zijn toespraakje, goed gevoeld, eenvoudig, en met de zwarte oogen rollend door het wit, dat nog witter lijkt dan anders. Bedienden met witte schouderdoeken, rooden gordel en rooden tulband presenteeren glazen champagne en gebakjes, en ieder drinkt en eet kalm, terwijl de leider op het welzijn van de Republiek drinkt, zonder den geringsten weerklank te vinden of te wekken in die duistere gemoederen, die den grooten dag en de vergadering met angst tegemoet hebben gezien.
Daar het tweede deel van het programma voor den morgen een ontvangst aan het gemeentehuis inhoudt, gaat ieder opstaan en wendt zich naar de deur. De drie trommels en de twee fluiten, die zooeven de gasten ontvingen aan den ingang met helsch rumoer, gaan voorop; de beide boden van het bestuur met een symbolischen staf, omslingerd met linten van de fransche kleuren in de hand, blijven in de buurt van den burgemeester en den Administrateur; de anderen volgen in losse groepen, en bij de tuinpoort scharen zich de zes soldaten met bloote voeten en rooden tulband aan weerszijden van de processie, drie aan elken kant. De smalle weg in de schaduw van de hooge kokos- en mangoboomen is met wat palmtakken versierd; de ingang van het stadhuis is bevlagd en aan den oever der rivier worden de spelen in gereedheid gebracht.
Wij stonden stil op twintig meter afstands ongeveer van een huisje van één verdieping, wit aangestreken, waar beneden het politiebureau was en boven het gemeentebestuur zetelde. Het orkest hield stand op eenige schreden afstands, en de heer burgemeester bood met uitgestoken hand een welkom aan al zijn gasten op den drempel van het gemeentehuis. Op eerbiedigen afstand stond de "menigte", een twintigtal Tiven en drie of vier Mopla's, nieuwsgierig te kijken naar die ongewone ontplooiing van zwarte jassen, naar den hoed van den Administrateur, het lint van den burgemeester en den onbewogen ernst van al die "hoogen" in de vervulling van hun nationalen plicht. Wij gingen naar boven langs een smal houten trapje, naar het kleine zaaltje met een veranda, en ieder nam plaats tegen den muur.
De zaal was versierd; daarvoor heeft de burgemeester een crediet van 8.50 francs ontvangen, heel precies. Er waren palmtakken aangebracht, cycasbladeren en ander groen; er liepen slingers van vlaggedoek naar de zoldering; kleine papieren vlagjes waren tegen de wanden bevestigd, en wijd ontplooid hing er de driekleur. Een ontroerende stilte kondigt het verwachte oogenblik aan. De heer burgemeester haalt uit zijn zak een groot papier en opstaande, leest hij een mooie toespraak over de onveranderlijke toewijding van de kolonie aan Frankrijk sedert twee eeuwen, over de vrijheid, de goede instellingen, de welvaart van het land, de erkentelijkheid jegens den gouverneur, den Administrateur, de Republiek. Hij eindigt met een "Leve!" op alle machten, door geen enkele stem na de zijne overgenomen. Die vivats zijn de herhalingen van het opschrift op een groot doek, dat een geheele zijde van de zaal beslaat, in zwarte, met rood omzoomde letters geteekend, dat luidt: "Leve de Republiek!" "leve de gouverneur!", "leve de administrateur!", "leve de kolonie te Mahé!" en nog andere vivats.
Plotseling barst een koor los, dat begonnen is met een geluid als dat van een twist en al gauw op de Marseillaise is gaan gelijken met begeleiding van een accordeon. Het komt uit een aangrenzend vertrek, waarvan de opengelaten deur fraai is versierd. Daar houdt zich de heer burgemeester op en moedigt de zangers met blikken en bewegingen aan. En twee coupletten worden gezongen met bepaald ongebruikelijke volledigheid. Maar dan weer "Aux armes...." en velen blijven achter of kunnen die muzikale hoogten niet bereiken, en zoo goed en zoo kwaad als het gaat, door velerlei veranderingen van den toon komt men aan het eind, terwijl de accompagnateur eenige arabesken in de lucht teekent bij wijze van finale.
Nieuwe stilte, terwijl allen elkander aanzien; de oogen wenden zich naar den Administrateur, die is opgestaan en den burgemeester zal beantwoorden. Maar na enkele gelegenheidswoorden gaat die heer over de vrijheid praten, en in een warme improvisatie schildert hij aan de door het algemeen stemrecht gekozenen wat de vrijheid is, niet het recht voor ieder, om te doen wat hij verkiest, maar den plicht te betrachten, geen vooroordeelen tegen zijn naaste te koesteren; hij schetst haar in haar openhartigen, eerlijken vorm, gewaarborgd door de wetten, die allen hebben na te leven en te eerbiedigen, en waar allen zich op moeten beroepen op den grooten dag van de openbare debatten, zonder zich te bedienen van geheimzinnige en slinksche gedragingen of zijn toevlucht te nemen tot laffe beschuldigingen.
Dienzelfden dag had het hoofd der kolonie weer een anoniemen brief ontvangen, waarin van iedereen kwaad werd gezegd in een ontmoedigende overeenkomst, en hij had zich voorgenomen, de gelegenheid niet te laten voorbijgaan, om den duisterling van een briefschrijver te tuchtigen, die daar ergens moest zitten aan de wanden der zaal achter een der zwarte tronies of der bruine of gele maskers, die verschrikken zouden door de toespeling, te direct, om niet te worden begrepen, daar de zaak te zeer in de zeden lag, om iemand te verbazen. Doch toen het oogenblik der verrassing voorbij was, hervatten allen hun ernst als van standbeelden, tot er kleine glaasjes werden gepresenteerd. De burgemeester stak het zijne uit, en enkele personen kwamen aanstooten. Dat was het eind; bij het uitgaan opnieuw handen schudden met den persoon, die de driekleurige sjerp droeg, en de stoet vormde zich weer aan de deur en kwam aan de rivier onder het geroffel van trommen en fluitenmuziek.
Drie kleine eenden zwommen rustig rond en lieten zich met den stroom mee drijven, tot na de aarzeling van een kwartier de spelen begonnen, doordat een knaap het waagde, zich in het water te begeven, om ze te vangen, daarna een tweede, dan een derde. Maar de toeschouwers moeten een schuilplaats zoeken; van de zee komen zwarte wolken nader, die boven ons hoofd schijnen te zullen losbarsten. De Pater en ik werden door de bui overvallen op den schaduwrijken weg, die totaal donker was geworden, en waar het water langs gudste, dat als een hoos op de stad neerdaalde.
In den namiddag vermaakten enkele kinderen zich met een horizontalen mast, die vóór het regeeringsgebouw lag en uitstak over de rivier; met het steken naar een ton met water, wat velen een bad bezorgde, met een soort van loterij, waar prijzen van enkele centimes waren te trekken en met allerlei dergelijke spelletjes. Des avonds zou er vuurwerk worden afgestoken, maar men was op het goede denkbeeld gekomen, daarvoor in de plaats twee of drie zakken rijst meer uit te deelen den vorigen dag, toen de gewone voor de armen bestemde gaven werden uitgereikt. De één-en-twintig kanonschoten en eenige illuminatie langs de muren van het gouvernementsgebouw besloten de vermakelijkheden van dien gedenkdag, die zoo levendig en druk en in oprechte vreugde wordt gevierd in Frankrijk, en die hier in dit afgelegen hoekje van het vaderland, verloren in de oneindigheid van Engelsch Indië, zoo triest en saai was. De kleine groep Europeanen van de kolonie neemt soms aan de plaatselijke feesten deel. Zoo heeft men hen wel eens mee zien opgaan naar de pagode van Poutlett, gezeten op olifanten, die men niet dikwijls te Mahé ziet. Maar hoe zeldzaam zijn die dagen, waarop er wat afwisseling opdaagt in het stille, eentonige leven van iederen dag!
Mannen en vrouwen aan de kust van Malabar dragen een dubbelen lendendoek, een, die meer of minder schoon is boven en een altijd vuilen eronder. De mannen trekken daarbij bovendien, daar de toeni, zooals het kleedingstuk wordt genoemd, vaak doorschijnend is, een smal stuk katoen, dat aan den gordel van voren bevestigd is en daar ook van achteren wordt vastgemaakt, aan. Dat is de langoeti of de konon der inboorlingen. Een ander stuk fijne, witte stof, de moendu, bedekt de borst der vrouwen, als ze die verbergen, maar heel kiesch zijn ze niet op dat punt aan de kust van Malabar. Onderweg, op reis, het grootste deel van den tijd hangt die lap over één schouder of is totaal afwezig; enkele malen bedekken ze zich in de straten der stad of bij het voorbijgaan van een Europeaan; maar veelal loopen ze volkomen onverschillig voort of wel ze draaien zich om. Ik was verbaasd die onverschilligheid waar te nemen te Calicut, een voor deze streek betrekkelijk groote stad en bovendien een engelsche plaats. Men ziet er mooie, jonge meisjes van veertien of vijftien jaar, die aan de deur der woning werken, naar de markt gaan of daarvan terugkeeren en geen de minste bewustheid schijnen te hebben van haar naaktheid; maar over het algemeen kleeden zich de jonge vrouwen nog het meest; bij de oude is het uitzondering.
De Mohammedanen en de Naïrs dragen geen langoeti; de eersten dragen op het hoofd een wit mutsje met of zonder tulband; die laatste is bijna altijd rood. De lendendoek is ook tehuis vrij vaak gekleurd of heeft boven en onder een gekleurden rand, waarin ook het rood overheerscht. Ook hebben ze dikwijls een buis aan. Hun vrouwen bedekken zich het hoofd, niet het gelaat, met een doek en zijn meestal in een wit jakje gekleed.
Het kapsel is zeer eenvoudig; een kegeltje achter op het hoofd of ter zijde, of ze laten de haren samengeknoopt op den rug hangen. Bij de mannen is naar gelang van de kaste het hoofd geheel geschoren, met uitzondering van een langen lok, die op de kruin is ineengedraaid, of wel het hoofd is slechts gedeeltelijk kaal in een kring, met den langen lok, vallend naar één kant of geknoopt op de kruin. Enkele kasten scheren zich het hoofd niet, bij voorbeeld de Maleeërs of trommelspelers. Alle haar wordt afgeschoren van het lichaam bij de Tiven, terwijl de Muzelmannen het hoofd scheren, maar niet het gelaat, behalve de jongleurs, die een geschoren gezicht vertoonen.
Als overal elders leggen de vrouwen de meeste behaagzucht aan den dag in het dragen van sieraden. Die zijn niet overvloedig in deze arme streek, en er is niet veel verscheidenheid; ook zijn ze niet altijd echt, maar hetzij voor de kinderen, die door de ouders soms als kleine heiligenbeeldjes worden opgesierd, hetzij voor de jonge meisjes, er worden altijd wel eenige roepijen uitgegeven voor versiering. Ze dragen zilveren ringen om de enkels, of maar eenvoudig kralen of kleine koperen voorwerpjes om den hals, kunstelooze dingetjes, maar die versiering zijn in haar oogen. Zoo hebben de Polea's, die al niet armer kunnen zijn dan het geval is, want ze hebben heelemaal geen bezit en missen de vrijheid, in de ooren kleine koperen ringen; hun vrouwen dragen ook koperen sieraden om den hals of glazen kralen, aan een kokosvezel geregen, en hun kinderen eveneens. Intusschen is de thali, een sieraad voor de getrouwden, altijd van goud, zelfs bij de armsten en wordt met een touwtje om den hals gedragen. In de ooren hangt de groote takka, die alleen aan deze kust wordt gedragen. De hanger is niet zoo zwaar, als men zou denken naar de afmetingen te oordeelen, doordat de gouden plaat over een vorm van was is gespannen. De ringen van lood of de stukjes van hetzelfde metaal, die ze vervangen bij de armen en die alle morgen gewreven worden, om ze doen glimmen, zijn veel zwaarder. Ze worden reeds in de kindsheid gedragen, en de ringen worden talrijker, als het meisje grooter wordt, zoodat de opening al wijder wordt en eindelijk de takka kan doorlaten, als die kan worden gekocht. De kleine looden ringen en de gouden, gestoken in de uitgerekte lel van het oor, komen minder dikwijls voor. Als de hangers eruit zijn genomen, is de aanblik van het verlengde oor verschrikkelijk leelijk; het hangt bijna tot op de schouders, en dat ze het zelven ook zoo vinden, blijkt wel hieruit, dat men de vrouwen zelden zonder de hangers ziet. Ook boven in het oor zijn soms sieraden gestoken, kleine langwerpige aan weerszijden, of vastgehecht op de manier van een hemdsknoop in een knoopsgat.
Om den hals is het voornaamste sieraad dat de vrouwen dragen, een arabisch muntstuk of een pond sterling, dat altijd op dezelfde wijze is gevat.
Aan de voeten, het minst edele deel van het lichaam, worden slechts zilveren sieraden gedragen, voornamelijk groote holle ringen, die vaak gevuld zijn met hagel, om door het oor de aandacht van het oog te trekken. Aan den gordel, gedragen onder den rok, dus onzichtbaar, zou men soms een zwaren zilveren ketting vinden, waarvan de aanwezigheid zich openbaart door het geklingel van de holle schakels tegen elkander, alle ook weer met hagel gevuld. Als men er nu nog de zilveren ringen bij voegt, de armbanden aan polsen en om den bovenarm, zal men een volledige lijst bezitten van de luxe uit het land. Men ziet dikwijls ook aan de bovenarmen bij de Mopla's een klein zilveren doosje, dat door een touwtje wordt vastgehouden; dat is geen voorwerp van behaagzucht, maar het is een porte-bonheur, een geluksdoosje, want het bevat een vers uit den Koran of eenvoudig maar een paar woorden, op een stukje papier geschreven. Of wel men ziet een zwart band van drie draden aan de polsen van de Tiven. Dat is bestemd, om het booze oog te bezweren, waaraan het geloof in Indië al evenzeer verbreid is als in vele beschaafde landen van Europa. Alle mannen, behalve de Mopla's, hebben in de ooren kleine hangers van zilver, koper of goud van eenvoudig model. Dat is geen zaak van versiering, maar eenvoudig van gebruik, een uitvloeisel van een algemeene gewoonte.
In tegenstelling met de gewoonten aan de tegenoverliggende kust eerbiedigen de malayali-vrouwen haar neuzen, hangen er geen voorwerp in en bevinden zich er goed bij. Maar daarentegen maken de uitgetande gouden banden en de spelden van hetzelfde metaal, die ze vaak op het hoofd dragen, in het kapsel of op het voorhoofd en die door kleine kettinkjes verbonden zijn, een zeer aardig effect.
Zelfs de rijke lieden maken hier niet zooveel misbruik van sieraden als in de overige deelen van Indië; men ziet minder gouden halsketenen of parelsnoeren, minder gouden of zilveren gordels en dergelijke.
In tegenstelling met de inboorlingen der andere districten, waar de mannen op het voorhoofd onderscheidingsteekenen voor hun secte vertoonen en verschillende andere teekeningen als tatouages, beschilderen de Malayali zich het lichaam niet en dragen geenszins de naamam. Dat teeken is het embleem van de aanhangers van Vishnoe en wordt gevormd door drie strepen op het voorhoofd, de eerste een loodlijn van af den neuswortel, de beide andere aan elken kant, schuine lijnen, die er een stompen hoek mee vormen. De eerste is rood, de beide andere zijn wit of wel men ziet een enkele roode verticale lijn.
De lingam is het teeken der adepten van Siva, een reliek in een klein zilveren busje, gedragen om den hals of aan den arm; ook zijn er aanhangers van Siva, die zich ten bewijze van groote vroomheid het heele lichaam insmeren met asch en koemest. Hoogstens zullen de Malayali soms bij plechtige gelegenheden, als vele andere Indiërs, een klein, wit of rood puntje aanbrengen aan den neuswortel, een teeken, dat ze slechts tijdelijk dragen en niet houden. Ook de vrouwen smeren het lichaam niet met curcuma in, als elders geschiedt ter verhooging van de schoonheid, en daar hebben ze gelijk in.