Aan de kust van Malabar De Aarde en haar Volken, 1909
Chapter 2
Die Mopla's beschouwen zich als van hoogere afkomst dan de Mohammedanen uit het Noorden van Indië, die daarentegen juist het tegenovergestelde denken. Ze zijn in het land gekomen kort na de uitbreiding van het Islamisme en hebben zich er al spoedig van al den handel meester gemaakt. Later hebben ze zich sterk vermengd met de verschillende bewoners van andere stammen en van hen veel gebruiken en gewoonten overgenomen, ook de taal is niet zuiver gebleven, zoodat ze van hun afkomst niets hebben behouden dan het eigenaardige type en hun mohammedaanschen godsdienst, ofschoon sterk veranderd. Ze noemen zich afstammelingen van Ali en Fatima, dochter van Mohammed.
Aan de kust van Malabar hebben de Mopla's allen handel in handen. Voor dat vak geboren, jagen ze de winst na en zijn hard van karakter. In het algemeen zijn het knappe menschen, meer of minder donker van tint, soms zeer licht van kleur. Ze dragen in enkele gevallen het gewone malabarsche costuum, maar meestal het korte buisje van wit katoen en een mutsje van dezelfde kleur met een doek eromheen gebonden, bij wijze van tulband. Die doek, waaraan hun sleutels hangen, speelt een zekere rol in hun leven, als het stuk vuil linnen van de Singhaleezen. Ze houden hem in de hand, over den schouder geslagen, om den hals of op het hoofd; hij doet dienst als zakdoek, als handdoek, of dient tot tijdverdrijf als de rozenkrans van de Turken.
Ik heb hooren zeggen, dat ze een afzonderlijke taal zouden hebben, die ze nooit spreken, en een schrift, dat van het malayalamsche verschilt; maar zoo iets is, hoe eenvoudig het moge schijnen, niet gemakkelijk te onderzoeken. Ze hebben hun moskeeën, die zeer eenvoudig zijn en meestal slechts uit niet veel meer bestaan dan een strooien dak bij een vijver of plas, waar ze komen bidden en hun wasschingen verrichten. Hun invloed in het land is groot, zelfs in gevallen, waarin de strenge kastenregels gelden. Zoo zal een Tive bij een bezoek vertrekken, als een Mopla binnen komt, of hij zal wachten, tot deze is vertrokken, als, wanneer hij komt, de ander er reeds is. Ze hebben hun stamtaal vergeten, want weinigen onder hen kennen nog eenige arabische woorden; maar toch kennen de meesten enkele verzen uit den Koran. Stoutmoedig tot het vermetele, hebben de Mopla's herhaaldelijk last gegeven aan de engelsche overheden door hun brutaal optreden, hun strijdlust en hun samengaan in kleine groepen opstandelingen, die moord en brand stichtten en dan zich in een moskee verscholen, waar ze zich vaak tot den laatsten man lieten doodschieten.
Dan zijn er de Tiven, oudtijds Sjenon geheeten, de talrijkste groep aan de kust van Malabar. Het zijn de dragers van de reuzenhoeden van palmbladeren, waaronder ze er zoo vreemd uitzien; ze bereiden hun toddy uit het sap van de kokosnoot tot een sterken gegisten drank. In het Fransch worden ze in Mahé "soureurs" genoemd. Hun manier, om in de kokospalmen te klimmen, met gebonden handen en voeten in een paar seconden evenals de inboorlingen van Ceylon, is zeer karakteristiek. De behandeling der boomen is dezelfde als in geheel Indië; de man slaat de bloemen, nog in hun scheeden besloten, van den boom, geeft er een snede in met een scherp stuk hout; met een mes snijdt hij dan telkens een klein stukje van de bloemscheede af en wrijft de oppervlakte in met kalk, als het sap bestemd is voor de vervaardiging van suiker, en met een blad, als er kalloe, dat is de gegiste drank, van moet worden gemaakt.
De Tiven zijn maar een kaste, en een zeer lage kaste, van de Soedra's, die hier Souderen worden genoemd. Men kan hen in twee categorieën verdeelen, de stedelingen en het landvolk; de eerste klimmen niet in de kokospalmen, maar voeren zoowat van alles uit buiten de werkzaamheden, opgedragen aan bepaalde kasten. Het zijn arme lieden, die soms werken, maar naar elke gelegenheid hunkeren, om niets te doen, over het geheel een rustig volkje.
Evenals geheel Indië heeft ook de kust van Malabar haar paria's, die er Polea's heeten. Die mogen niet in Mahé komen en in geen enkele andere stad. Ze bewonen in den omtrek ellendige hutten in een buurt, die voor hen afzonderlijk wordt gehouden. Hun type verschilt eenigszins van dat der overige Malayali; ze zijn donkerder, maar niet leelijk. Ze moeten zich op grooteren afstand van de overige kasten houden dan de echte paria's, die er ook niet ontbreken. Als een Tive hen ontmoet of zich in hun tegenwoordigheid bevindt, moet hij zich onmiddellijk gaan baden. Er waren weinig, toen ik hen ging zien in hun kamp op een kwartier afstands van Mahé; ze waren bijna allen vertrokken met verlof van hun heer naar Wynaad, waar ze op plantages moesten werken. Maar ik heb hen dikwijls gezien te Pandakel, met een hakmes in de hand, staande onder een grooten boom bij een kleinen tempel bij de gemeentelijke bungalow, terwijl ze bij de brug wachtten, tot die vrij was, om er op hun beurt over te gaan, en van het pad ter zijde tredend, als er iemand van een andere kaste voorbij ging. Hun vrouwen zijn niet minder behaagziek dan andere vrouwen en sieren zich graag met kostbaarheden.
De paria's zijn in Indië de slaven van de andere kasten. Ze vormen de armste kaste, en daar ze niet meer verdienen dan de enkele korrels rijst, hun door hun meesters toegestaan, hebben ze weinig kans, zich uit hun ellendigen toestand op te heffen. Maar ze staan ten minste op zichzelf. De polea's van de kust van Malabar doen dat niet, want ze maken deel uit van het stuk grond, waar ze wonen. De eigenaar koopt hen met den grond, en ze hebben het recht niet, zich aan die lijfeigenschap te onttrekken. Dit is de eenige streek in Indië, waar de echte slavernij tot op onze dagen in stand is gebleven, trouwens een vreedzame slavernij, daar de menschen goed worden behandeld en goed voedsel krijgen, alsook de weinige kleeding, die ze behoeven. In vroeger tijden was het gebruikelijk onder de eigenaren, die paria's aan elkander te verkoopen. Voor eenige roepijen en wat rijst veranderde een mensch van meester; maar tegenwoordig is die handel, als hij nog eens plaats vindt, ver van gebruikelijk.
Er bestaat geen enkele vrije polea; ze worden allen als slaven geboren. Het is waar, dat ze hun vrijheid zouden kunnen krijgen door de vlucht; maar niemand is ooit op dat denkbeeld gekomen. Ze hebben geen voorstelling van een ander bestaan, en het is zoo goed als zeker, dat een dergelijke vraag nooit onder hen besproken wordt, noch in hun gedachten opkomt. Toen ik met hen sprak bij hun ellendige hutje met de leemen wanden, vroeg ik hen: "Maar kunt ge niet gaan werken ergens anders, te Calicut of te Tellicherry?"--"Ja," antwoordden ze, "als onze heer het goed vindt."
Bij een der woningen vond ik een hoop schelpen van zeedieren, het overblijfsel van veel maaltijden, als er gebrek was aan rijst. "Wij zijn arm," herhaalden ze graag tot mij, maar niet om te bedelen; vragen deden ze niet. Ze houden zich kalm, en hun lot is thans niet ongelukkig; maar wat moet het geweest zijn, toen een Naïr, die hen onderweg ontmoette, het recht had, ze als kwaadaardige dieren te dooden!
Tiven en Macqueezen, de visschers, over wie ik reeds heb gesproken, vormen de malabarsche onderkasten van de laatste der vier groote afdeelingen, waarin de bevolking van Indië is verdeeld, en die zijn: de Brahmanen of priesters, die den eeredienst leiden, het dogma verklaren en de eenigen zijn, aan wie de kennis van Brahma is geopenbaard, omdat ze volgens de legende uit het hoofd van den god zijn gesproten. De Ksjatria's of krijgslieden, tot wie de Radja's behooren, voortgekomen uit de schouders van Brahma en die ik heb hooren verdeelen in afstammelingen van de zon en afstammelingen van de maan, de eersten reiner en in staat, om in een grooter aantal landen koning te wezen. Dan de Vayssia's, die zich met landbouw bezig houden, met veeteelt en handel en eindelijk de Soedra's of landbouwers, arbeiders van allerlei aard, waarvan de eerste onderafdeeling die der Naïrs is, nader te vermelden om hun eigenaardige gebruiken.
Men weet, dat die kasten met hun onderverdeeling tot in het oneindige, want er zijn ongeveer negentig soorten van Brahmanen bekend en veel honderden andere, als zooveel verschillende volken zijn, van elkaar gescheiden door niet te overkomen slagboomen; dat ieder handwerk een eigen kaste vormt, of liever, dat ieder kaste en onderkaste zich enkel met een enkel bedrijf inlaat, dat ze reeds van den aanvang af beoefende en dat onder geen enkel voorwendsel iemand eraan zou denken, iets anders ter hand te nemen of zich op te werken uit den toestand, waarin zijn geboorte hem heeft geplaatst.
Sommige kasten, het grootste aantal, zijn eigen aan het geheele schiereiland, dikwijls onder verschillende namen naar de taal, die ze spreken; andere behooren bij een bepaalde streek en worden alleen daar aangetroffen. De kust van Malabar is een der gebieden, die over een kleine oppervlakte de meeste kasten herbergen van die, welke in het land voorkomen. Wij zullen ze nu en dan ontmoeten, de Vanyens, die olie bereiden en verkoopen; de Maléens, die de trom bespelen en hun haren laten groeien, terwijl ze ook jongleurs zijn; de Tyens, die Tiven door de Europeanen worden genoemd, die toddy bereiden, de huizen dekken met palmbladeren en enkele andere werkzaamheden verrichten; de Tsjaliens, die weven; de Sjetty, die platte koekjes bakken ten gebruike bij de curry, waarmee de rijst wordt gekruid en die het lekkerste eten is voor den inboorling; de Maréens, die de trommels fabriceeren, en de Ceyons, die aardewerk maken. Door deze eenvoudige optelling van slechts enkele der kasten uit het land kan men wel bemerken, hoe talrijk zij zijn.
De verwarrende overvloed van gebruiken en gewoonten, die wetten in het leven roepen, waartegen zelden wordt gezondigd, is bij deze veelheid van onderscheidingen buitengewoon. Laat ons als voorbeeld enkele regelen over de opvolging nemen in het bezit. Er zijn aan de kust van Malabar twee wijzen van erfopvolging naar de kasten. Bij de Brahmanen, de Vayssia's en tien andere zijn de kinderen de erfgenamen. Bij de Ksjatria's, de Soedra's tot aan de kaste der Palichans, de vroegere palankijndragers van den vorst, erven de zusterskinderen. Bij de Tyens en de Igeaven zijn beide manieren in gebruik; maar van de rivier Kotté af in het Zuiden zijn het de kinderen, die erven, terwijl aan den anderen kant van den stroom erven de neven en de zoons naar de bepalingen, die op het oogenblik van het huwelijk zijn gemaakt.
Het meest gevolgde gebruik is dat, hetwelk aan de kinderen van de zuster de erfenis verzekert van den broeder. Maar er zijn uitzonderingen; zoo heerscht onder de barbiers van de twee laagste kasten onder de bovengenoemde de gewoonte, dat de kinderen direct van de ouders erven.
In de families, waar de kinderen erven, zijn giften, aan de zusterskinderen geschonken, alleen van kracht, als de rechtstreeksche erfgenaam erin heeft toegestemd. De erfgenaam is dus niet gehouden, de schulden te betalen, aangegaan zonder zijn toestemming; is hij nog onmondig, dan is het consent der moeder noodig. Het gebruik wil ook, dat een goed, roerend of onroerend, aan iemand geschonken door zijn vader, rechtens toebehoort aan den zoon van dien man; de zusterszoon heeft er in het geheel geen recht op.
Naar dit eenvoudig overzicht kan men oordeelen over de moeilijkheid, die deze stammen soms moeten vinden in het bepalen van wat hun in den doolhof van regels en voorschriften te doen staat, want alles verschilt weer naar de districten, de rassen, de kasten en in eenzelfde district naar de onderscheiden plaatsen. Het is niet mogelijk voor een Europeaan, er zich in thuis te vinden.
II.--Godsdienstige en andere feesten.--Dansen, liefdegaven en vasten.--Het hanenoffer.--Dat van de schapen.--De 14de Juli te Mahé.--Kleeding, haartooi.--De ringen in de oorlellen.--De versierselen van goud, zilver of lood.--Verschillende gebruiken.--Enkele van de reinigende stoffen.
De kust van Malabar is een van die gebieden in Indië, die de eigenaardigste zeden en gebruiken hebben en ook een der minst bekende en bezochte. Men kan zich niet voorstellen, hoeveel er in de bergachtige districten, waaraan ze grenst, nog te ontdekken valt uit het oogpunt der wetenschap.
In de feesten kan men de meest belangwekkende zijden van het leven der inboorlingen herkennen, omdat daarbij, hier nog meer dan elders, de bijzonderheden wortelen in den godsdienst. Er worden veel feesten gevierd; de geboorten, de sterfgevallen, de volwassen leeftijd der jonge meisjes, de verloving, de oogst geven aanleiding tot verschillende plechtigheden, dikwijls met bepaalde tusschenpoozen herhaald. Enkele daarvan zijn alleen hier in gebruik; andere worden gevierd over het geheele schiereiland van het Noorden tot het Zuiden door de Mohammedanen en de onderscheiden kasten van inboorlingen. Zonder te gewagen van de feesten, eigen aan Indië in zijn geheel, gelden er bij de Malayali zes hoofdfeesten in het jaar, die door alle kasten worden in acht genomen.
Het eerste is dat van het Nieuwe Jaar, dat den eersten van hun maand Medon (11, 12 of 13 April) begint. Het duurt twee dagen; maar de kaste van de Macqueezen begint de viering tien dagen vroeger, van acht tot tien uur des avonds in de kleine pagode te Mahé.
Op den vooravond van dien eersten dag van het jaar worden er, òf binnen de hut òf onder de varanda neergezet een kandelaar met aangestoken kaarsen, rijst, rijpe kokosnoten, komkommers, een kruik vol water, gouden en zilveren sieraden, een stuk gevouwen wit linnen, een goudstuk met de beeltenis van den een of anderen god, bloemen, een godsdienstig boek, en bij het aanbreken van den dag moet ieder inwoner van de hut die voorwerpen hebben bekeken onder het prevelen van gelegenheidsgebeden en eer hij of zij nog tot iemand heeft gesproken. Als die kleine bedevaart is volbracht, gaat men baden, om zich te reinigen en begeeft zich dan naar de pagode, waarna de armen gaan bedelen en de anderen hun bloedverwanten en vrienden op het feest noodigen.
Het Bahoefeest, dat dan volgt, valt op den avond vóór volle maan van de maand Karkadon, omstreeks 14 Juli. Op dien dag schiep volgens de Sastrom, het samenstel van alle godsdienstige en maatschappelijke voorschriften op de kust van Malabar, God den man en de vrouw, van wie hij lichaam en geest genadiglijk in het Paradijs wilde ontvangen. Toen de beide eerste menschen dezelfde gunst vroegen voor hun afstammelingen, antwoordde hun de Schepper, dat al degenen, die op den Bahoedag vurig voor hen zouden bidden en ook ter herinnering van de dooden, het Paradijs zouden winnen. Daarom beschouwen de Malabaren het Bahoefeest, dat beteekent "feest der dooden", als een van hun hoofdfeesten; slechts zeer weinigen zouden eraan denken het niet te vieren. In een expresselijk daarvoor bestemden pot koken ze de rijst voor het feest, en na de schimmen der gestorvenen te hebben aangeroepen, geven ze de rijst aan de raven. Evenals het vorige feest moet ook dit aan aalmoezen worden gewijd.
Dan is er het Onomfeest, verjaardag van de geboorte van Maa-Velly, den eersten vorst, die door den Schepper was afgezonden, om de wereld te regeeren. Het valt in de maand Tsjingon, (13 tot 16 Augustus). Het wordt vooruit wiskundig vastgesteld. Tien dagen lang zet men in de meeste huizen op den drempel bloemen neer en linten van verschillende kleuren schikt men er. Dan baadt men zich ter reiniging, gaat bidden in de pagode, trekt nieuwe kleederen aan, en zij, die het kunnen doen, deelen aalmoezen uit.
Hier moet worden opgemerkt, dat aalmoezen geven en ze ontvangen een voorrecht is van de kaste der Brahmanen. Bedelen heeft dus voor hen volstrekt niets vernederends, en dat is gemakkelijk waar te nemen, zoowel aan de vrijmoedige manier, waarop ze vragen, als aan de onverschilligheid, die ze aan den dag leggen, nadat ze iets hebben ontvangen en zelfs nadat ze niets hebben gekregen. Het zijn trouwens niet enkel arme Brahmanen, die giften in ontvangst nemen; de vijf goede gaven, dat zijn koeien, kleeren, grond, graan en goud, worden met evenveel genoegen aangenomen door de rijken; ze vragen er wel om, als het noodig is. Dansers verschijnen op het Onomfeest, door van hut tot hut te gaan dansen ter herinnering aan het bevel, gegeven door Maa-Velly, zich aan die kunst te wijden. Dit deel van de plechtigheden wordt zelfs aanbevolen in de Sastrom.
Het Naravatryfeest valt in de maand Kanny, de zesde van het jaar, van den 15 tot den 17den September. Het duurt negen dagen en wordt vastgesteld als het vorige door berekeningen van hindoesche wiskunde. Het is het feest van de maagd Sarasswady, godin der wetenschap en ook van de welsprekendheid, de muziek en de kunst, de vrouw van Brahma. Van den eersten dag af worden alle boeken van de Sastrom in de huizen op een afzonderlijke plaats neergezet, waar ook alle soorten van wapenen worden bijeengebracht en alle werktuigen van landbouwer en handwerksman. Zoo gebeurt eveneens in de pagoden, en niemand mag die plek naderen, buiten dengene, die er de wacht moeten houden. Aan den persoon, die het grondigst onderlegd is in de kennis van de godsdienstige gebruiken, wordt die zorg toevertrouwd. Men moet gedurende die negen dagen zich voorbeeldig gedragen, zich wijs en godsdienstig toonen, omzichtig in zijn woorden en eerlijk in zijn zaken zijn, wat wel eenigszins doet vermoeden, dat het tegenovergestelde dikwijls voorkomt in gewone tijden. Er zijn ook personen die in de feestdagen vasten. De radja's of vorsten laten het aanbreken van de negen dagen begroeten met geweerschoten. Alle kasten, waar men aan muziek doet, grijpen naar hun instrumenten. Eindelijk worden weer aalmoezen aanbevolen..... vooral door de Brahmanen, die ze ontvangen.
Het vijfde feest is dat van Pattamoedeon in de maand Toelaon, de zevende van het jaar (15 tot 17 October). Het duurt twee dagen, de tiende en elfde dag van de maand zijn ervoor bestemd. Het is ingesteld ter eere van prins Arjoenein, die, om de gave te erlangen van onkwetsbaarheid in het gevecht, zich had onderworpen aan een langdurige overpeinzing in het bosch. De Schepper nam, om hem op de proef te stellen, de gedaante aan van een jager, die de bosschen afzocht en juist een wild zwijn met zijn pijlen had neergelegd. Deze man kwam zich onder de bescherming van Arjoenein stellen, die, nadat hij zich van het dier had meester gemaakt, weigerde, het terug te geven. Er brak een twist uit, die eindigde met een eigenaardig gevecht van twee dagen, waarna de Schepper, getroffen door de zielskracht en de rechtvaardigheid van den boetvaardige, hem het voorrecht verleende, onkwetsbaar te wezen. Oudtijds vermaakte men zich met de jacht; maar tegenwoordig, nu het bezit van wapenen aan de autoriteiten moet worden opgegeven, wordt er weinig meer gejaagd.
Het zesde en laatste feest is het Oetsjal. Het valt op den 30sten van de maand Magueron, (11 tot 13 Januari) en duurt ook twee dagen, den eersten dag der genoemde maand en den eersten van de volgende, Koembon. De beide dagen worden door de Malabaren Tsangrandi genoemd, dat wil zeggen het eind der maand en het begin der volgende. Ze beweren, dat dan de zon haar loop naar het Noorden hervat, en naar de Sastrom zullen diegenen, die in deze periode sterven, gered worden. Het feest wordt gevierd met een bezoek aan de pagoden, met een reinigingsbad, met het geven van aalmoezen, als bij alle andere feesten. Werklieden en geletterden moeten bij zich tehuis hun gebruiksvoorwerpen welriekend maken, de eersten hun gereedschap en hun werktuigen, de laatsten hun boeken, en niemand mag zich aan eenigen arbeid overgeven. Ook de landbouwers staken den veldarbeid.
Buiten die door de godsdienstige boeken voorgeschreven feesten moet men nog verscheiden door het gebruik verplichte bezoeken brengen aan enkele tempels, bij voorbeeld aan dien van het district Arcalet, op een dagreis afstands van Mahé, waar Tiven en Naïrs, mannen en vrouwen, eenmaal per jaar naar een oud tempeltje moeten gaan en er een gift offeren van minstens een fanon, ongeveer een kwart franc, en naar de drie pagoden van Poutlett te Mahé, gewijd de eene aan de Maagd Bagavady, de andere aan Goelien-Devon, haar bewaker, en de derde aan Koetichatin-Devon, een andere beschermende godheid. Onder alle kasten te Malabar heeft men pagoden, aan die drie goden gewijd, zoowel als aan vele andere, maar die van Poutlett worden door de Tiven hoog vereerd, en elk jaar, op den 22sten Koembon (2 Maart) vieren ze er hun driedaagsch feest; ze komen van zeer ver, om hun offeranden te brengen. Ze beweren op dit stuk, dat als iemand voorbij die tempels gaat na middernacht, wanneer de plechtigheid is afgeloopen, dat dan de god niet verzuimt, met steenen te gooien. Er zijn er op die manier menschen verjaagd, zonder dat ze konden zien, waar de projectielen vandaan kwamen, wat, op den tijd van het etmaal gelet, niets onwaarschijnlijks heeft en wat aantoont, hoe groot de waakzaamheid is der dienaren in de buurt van den god en hoe goed ze zorgen voor de geheimzinnige gebruiken en.... voor hun kas.
Ziehier, waarin die plechtigheid bestaat of liever die plechtigheden, want er zijn twee, één overdag, de andere 's nachts, beide al even weerzinwekkend. Bij dag heeft het hanenoffer plaats. Het gebeurt vóór het altaar van den god Koetinchatin, die, naar men mij gezegd heeft, de duivel is en tevens een beschermgod. De toeloop is groot, en velen brengen één of meer hanen mee. Op die wijze stellen de geloovigen hun kippen en gevogelte onder de bescherming van den god, die ze moet verdedigen tegen de aanvallen der vijanden, vooral raven, die de kuikentjes stelen. Er worden den god één of verscheiden hanen beloofd tegen het feest.
De Peroe-Bannan, de danser, die den god-duivel voorstelt, treedt al dansend buiten de pagode, schreeuwt en gesticuleert, en gaat op het een paar treden hooge altaar staan, tegenover het gebouw. Hij is geel, zwart, rood en groen geverfd en draagt een mantel met roode strepen. De eerst aangekomenen stellen hem de vogels ter hand, den eenen na den anderen, en na enkele gillen als van een bezetene, vat hij een der vogels bij de pooten aan met de eene en bij den kop met de andere hand, slaat dan de oogen ten hemel en bijt in den hals van het dier, waarvan hij het bloed drinkt. Daarna ontrukken de geloovigen elkander de brokken van het slachtoffer. Er wordt den danser een andere haan toegereikt, de lucht weerklinkt weer van rauwe kreten, en de daad wordt herhaald; de Bannan drinkt of schijnt te drinken het bloed van het tweede offer, dat weer verdeeld wordt. Dat afschuwelijke schouwspel duurt drie of vier uren; al dien tijd slurpt de man zonder ophouden en zonder vermoeienis, zonder weerzin schijnbaar, het warme bloed, en de toeschouwers betwisten elkander de doode dieren. Honderden hanen worden zoo om hals gebracht.
Daarna begint de muziek; de Bannan zet een ronden hoed op met vreemde zilveren versierselen en pauwenveeren, schreeuwt, tiert draait en wendt zich, gooit de booze geesten met steenen, die wel eens terecht komen op het hoofd der Mopla's en wapent zich met een doosje vol steenen, waarmee hij al springend en gillend naar buiten stort, voorafgegaan door de muziek en gevolgd door de menigte, die hij op een afstand houdt door de bedreiging met de steenen. Na een loopje naar de rijstvelden komt men bij de pagode terug.
Gedurende de geheele plechtigheid hebben de geloovigen offeranden gebracht aan den god, die ze zelf aan den bewaker der pagoden ter hand stelt, volgens de verzekering van een Tive, die mij de zaak uitlegde. De beiden verdeelen den buit, en de geloovigen gaan uiteen.