20.000 Mijlen onder Zee: Westelijk Halfrond
Part 9
"Vermoedelijk. Koenraad, omdat eenige aardbeving onder het oppervlak van den Oceaan de opening heeft gemaakt, waardoor de Nautilus hier binnen is gekomen. Toen is het water der zee waarschijnlijk naar binnen gestort; er is een vreeselijke strijd tusschen de beide elementen gevoerd, die ten voordeele van Neptunus is geëindigd. Er zijn evenwel reeds eeuwen overheen gegaan, en de overstroomde vulkaan is een vreedzame grot geworden."
"Zeer goed," antwoordde Ned Land, "ik geloof u; maar in ons belang betreur ik het dat die opening, waarvan mijnheer spreekt, niet boven het vlak der zee ligt."
"Maar, vriend Ned," zei Koenraad, "als die opening niet onder water was, dan had de Nautilus hier niet binnen kunnen komen."
"En ik voeg er nog bij, Land, dat het water dan ook den vulkaan niet binnengestroomd, en deze nog een vuurspuwende berg wezen zou. Je spijt is dus overbodig."
Wij begonnen te klimmen; de helling werd hoe langer zoo steiler, en de paden hoe langer zoo nauwer; soms waren er diepe spleten in den grond, waarover wij moesten heenspringen; dan moesten wij weer om ver uitstekende en overhangende rotsblokken heen; wij kropen soms op de knieën of op den buik voort. Maar met hulp van Koenraaads behendigheid en Neds kracht kwamen wij alle hinderpalen te boven.
Op een hoogte van ongeveer dertig meter, veranderde de aard van den grond, zonder dat deze daarom nog begaanbaarder werd; wij stuitten op zwarte basaltblokken; soms lagen zij met zwavel bedekt over een vlakte neergeworpen, dan weder vormden zij regelmatige prisma's, die als kolommen overeind stonden, om het groote gewelf te ondersteunen, en een prachtig schouwspel opleverden van de bouwkunst der natuur. Op andere plaatsen liepen tusschen deze basaltblokken lange stroomen van gestolten lava, waarin strepen jodenlijm of groote massa's zwavel zichtbaar waren. Het daglicht, dat door den krater naar binnen viel, verlichtte deze vulkanische overblijfselen, die voor eeuwig in dien uitgedoofden berg begraven lagen, met een onzeker schijnsel.
Weldra moesten wij op een hoogte van omstreeks 250 voet door onoverkomelijke hinderpalen ons klimmen staken. De bergwand begon over ons heen te hangen, en in plaats van te stijgen, moesten wij onze wandeling om het meer voortzetten. Op de hoogte, waarop wij ons bevonden, begon het plantenrijk met het mineraalrijk in aanraking te komen. Uit de rotsspleten kwamen hier en daar heesters en op enkele plaatsen zelfs boomen te voorschijn. Ik herkende eenige planten en bloemen, zooals heliotropen en chrysanthemums; zelfs ontdekte ik tusschen de lavastroomen in kleine, doch weinig riekende viooltjes, hoewel ik beken dat ik dit weinigje geur gretig opsnoof. De geur is de ziel der bloemen, en de bloemen der zee, hoe prachtig ook, hebben geen ziel!
Wij waren aan den voet van een boschje vrij zware drakenboomen genaderd, die door de kracht hunner sterke wortels de rots gebroken hadden, toen Ned Land uitriep: "O mijnheer, een bijennest!"
"Een bijennest," antwoordde ik, terwijl ik den schouder ongeloovig optrok.
"Ja zeker!" riep de Amerikaan, "de bijen gonzen er om heen."
Ik naderde en moest mij gewonnen geven. In een gat van een drakenboom, waren eenige duizenden van de vernuftige insecten, die op de Canarische eilanden zooveel voorkomen, en wier honig dáár zoo gezocht is.
De Amerikaan wilde natuurlijk een voorraad honig medenemen, en ik was zoo onbarmhartig niet om er mij tegen te verzetten; hij stak met behulp van zijn vuurslag, wat droge bladeren met zwavel vermengd aan, om de bijen te doen stikken; weldra hield het gegons op, en het nest leverde verscheidene ponden geurigen honig. Ned Land stak deze in zijn voorraadzak.
"Als ik den honig met het deeg van den broodboom vermeng," zei hij, "dan kan ik u een kostelijken koek aanbieden."
"Best," zei ik, "maar laat ons nu voortgaan."
Op enkele bochten van ons pad vertoonde zich het meer in zijn geheele uitgestrektheid; het werd door de lantaarn van den Nautilus verlicht, en wij zagen er geen enkel golfje of rimpeltje op. De Nautilus lag onbeweeglijk; op het plat liepen menschen heen en weer, als zwarte schimmen in de zee van het electrisch licht. Op dat oogenblik draaiden wij om een uitstekend rotspunt heen en zagen toen, dat de bijen niet de eenige dieren waren, die den vulkaan bewoonden. Roofvogels vlogen hier en daar in de duisternis rond, of vluchtten weg van hun nesten. Het waren sperwers en havikken; ook liepen er hier en daar, zoo snel zij konden, schoone en vette trapganzen. Men kan zich de begeerlijkheid van den Amerikaan voorstellen, toen hij dit smakelijk wild zag, en welk een spijt hij gevoelde zijn geweer niet bij zich te hebben. Hij beproefde ze met steenen te raken, en na verscheidene vruchtelooze pogingen slaagde hij er eindelijk in, een van die prachtige trapganzen te treffen. Als ik zeg, dat hij twintigmaal zijn leven waagde om het dier te grijpen, jok ik niet, maar hij vervolgde het beest zoo lang totdat hij het in zijn zak had.
Wij moesten wederom naar beneden, want wij konden onmogelijk verder. Boven ons geleek de gapende krater op de opening van een put. Wij konden den hemel vrij duidelijk zien, en ik zag de wolken oostwaarts drijven. Een half uur na de laatste heldendaad van Ned Land, waren wij weer aan den oever. Hier groeide niets meer dan wat zeevenkel, een klein plantje, dat goed is om gekonfijt te worden. Koenraad plukte er eenige bosjes van. Verder vonden wij een menigte schelpdieren.
Hier was een prachtige grot; mijn makkers en ik kregen lust ons op het fijne zand uit te strekken. Het vuur had de wanden met schitterend glazuur bedekt. Ned Land betastte ze, als wilde hij onderzoeken hoe dik zij wel waren; ik kon een glimlach niet onderdrukken. Ons gesprek viel toen weer op zijn eeuwigdurende plannen om te ontvluchten, en zonder zijn hoop al te zeer te voeden, kon ik toch deze veronderstelling maken: dat namelijk kapitein Nemo slechts naar het Zuiden gevaren was om zijn voorraad sodium te vernieuwen; ik hoopte dus dat hij nu weer naar de kusten van Europa of Amerika zou varen, waardoor de Amerikaan dus in de gelegenheid zou zijn, zijn mislukte poging met beteren uitslag te hervatten.
Wij lagen ongeveer een uur in de schoone grot uitgestrekt, toen ons gesprek, dat in den beginne vrij levendig geweest was, begon te verflauwen; zekere slaperigheid overviel ons, en daar ik geen enkele reden zag om dit tegen te gaan, dommelde ik zachtjes in; ik droomde, en wie is meester om zijn droomen te kiezen, ik droomde dat mijn geheele bestaan zich in dat van een weekdier oploste; het scheen mij alsof de grot mijn schelp was. Plotseling werd ik door het schreeuwen van Koenraad gewekt.
"Op, op!" riep de brave jongen.
"Wat is er?" vroeg ik, half opstaande.
"Het water komt op."
Ik sprong overeind, en zag dat het zeewater als een stortvloed de grot binnendrong; omdat wij in wezenlijkheid geen weekdieren waren, moesten wij trachten ons te redden. Binnen weinige oogenblikken waren wij boven in de grot in veiligheid. "Wat gebeurt er toch?" vroeg Koenraad; "is er een nieuw wonder voorgevallen?"
"Wel neen, vrienden," antwoordde ik, "het is eenvoudig de vloed die ons heeft overvallen. De zee buiten den berg rijst, en de wetten van het evenwicht leeren dat het meer binnen den berg dan ook rijzen moet. Wij zijn er met een half nat pak afgekomen, en zullen ons op den Nautilus gaan verkleeden."
Drie kwartier daarna hadden wij onzen tocht om het meer geëindigd, en waren wij weer aan boord. De mannen der equipage brachten op dat oogenblik de laatste vracht sodium binnen boord, zoodat de Nautilus aanstonds had kunnen vertrekken; doch de kapitein gaf daartoe geen bevel. Wilde hij daartoe den nacht afwachten en heimelijk door de onderzeesche opening varen? Misschien. Hoe het ook zij, den volgenden morgen had de Nautilus zijn haven verlaten, en voer, ver van elk vast land, op eenige meters voort onder de golven van den Atlantischen Oceaan.
HOOFDSTUK XXXV
De Krooszee.
De richting van den Nautilus was niet veranderd. Wij moesten voor het oogenblik dus alle hoop laten varen om naar eenige Europeesche zee terug te keeren. Kapitein Nemo bleef den koers naar het Zuiden richten. Waar voerde hij ons heen? Ik kon het mij niet voorstellen.
Dien dag doorkliefde de Nautilus een zonderling gedeelte van den Atlantischen Oceaan; iedereen kent het bestaan van den warmen stroom, die onder den naam van Golfstroom bekend is. Nadat hij de golf van Mexico onder langs kaap Sable verlaten heeft, richt hij zich rechtstreeks naar Spitsbergen; doch op ongeveer 44° N.B., even nadat hij de golf van Mexico heeft verlaten, verdeelt hij zich in twee takken; de voornaamste richt zich naar de kusten van IJsland en Noorwegen, terwijl de andere op de hoogte der Azorische eilanden zuidwaarts stroomt, en daarna tegen de Afrikaansche kust stuitende, een ovaal beschrijft en naar de Antillen terugkeert.
Deze tweede tak van den warmen stroom gaat dus met zijn golven om een koud, bijna stilstaand en onbeweeglijk gedeelte van den Oceaan, dat men de Krooszee noemt. Het is een meer in het midden van den Oceaan, om hetwelk het water van den grooten stroom in niet minder dan drie jaar heenloopt.
De Krooszee bedekt, om zoo te zeggen, het land dat door den Oceaan is verzwolgen. Sommige schrijvers hebben zelfs beweerd, dat het zeegras, hetwelk in deze zee in groote menigte ronddrijft, van de weiden van dit vroegere vasteland afkomstig is. Waarschijnlijk echter is dit zeegras en wier afkomstig van de kusten van Europa en Amerika, en wordt door den Golfstroom tot op deze hoogte medegesleept. Dit was een van de redenen, die Columbus deden gelooven aan het bestaan van een nieuwe wereld. Toen de schepen van dezen koenen zeevaarder in de Krooszee kwamen, hadden zij werk om door dit gras heen te komen, omdat het tot groote ontsteltenis van de equipage hunne vaart tegenhield; zij besteedden zelfs drie weken er over om er doorheen te worstelen.
Zoo was de streek, door den Nautilus op dit oogenblik bezocht: het was een wezenlijke weide, zulk een dicht tapijt van gras, zeekroos en wier, dat een schip er niet zonder moeite kon doorvaren. Kapitein Nemo wilde zich met zijn schroefboot dan ook niet in deze massa gras wagen, en bleef op eenige meters diepte onder de golven.
De Krooszee wordt ook wel Sargasso-zee genoemd, naar het Spaansche woord "Sargazzo" dat zeewier beteekent, omdat deze uitgestrekte bank door deze plant gevormd wordt. Ziehier waarom deze planten volgens den geleerden Maury, den schrijver van de Natuurkundige aardrijksbeschrijving zich vereenigen in dit kalme gedeelte van den Atlantischen Oceaan.
"Men kan," zegt hij, "dat verschijnsel verklaren door een proef, die elkeen kent. Als men in een bak met water eenige stukjes, kurk of andere voorwerpen laat drijven, en men aan het water een draaiende beweging geeft, dan zal men die verspreide stukjes zich in het midden zien bijeen voegen, dat is daar waar het water het minst in beweging is. Bij het verschijnsel, waarover wij spreken, is de Atlantische Oceaan de bak, de Golfstroom is het draaiend gedeelte en de Krooszee het middelpunt, waar de drijvende voorwerpen zich vereenigen."
Ik deel Maury's gevoelen en heb het verschijnsel op de plaats zelf, waar schepen slechts zeer zelden komen, kunnen onderzoeken. Boven ons dreven voorwerpen van allerhande soort, opgehoopt tusschen het bruinachtig gras, boomstammen, die van de Andes en het Rotsgebergte waren afgescheurd en door de Amazonen-rivier of de Mississippi werden voortgestuwd; tallooze overblijfselen van wrakken, zoo met schelpen en planten begroeid, dat zij niet boven konden drijven. En de tijd zal ook eens dat andere gevoelen van Maury waar maken, dat deze eeuwenlang opgehoopte voorwerpen eenmaal versteenen en door de werking van het water een onuitputtelijke kolenmijn zullen vormen; een kostbare voorraad dus, dien de Voorzienigheid nu reeds verzamelt voor het oogenblik, dat de menschen de mijnen op het vasteland hebben uitgeput.
Den geheelen 22sten Februari brachten wij in die Krooszee door, waar de visschen, die zooveel van zeeplanten houden en de schaaldieren overvloedig voedsel vinden. Den volgenden dag had de Oceaan wederom zijn gewone voorkomen. Van dit oogenblik af bleef de Nautilus gedurende negentien dagen van 23 Februari tot 12 Maart in het midden van den Atlantischen Oceaan, en voerde ons mee met een doorloopende snelheid van zestien kilometer in het uur. De kapitein wilde waarschijnlijk het geheele programma zijner onderzeesche reis afloopen, en ik twijfelde er niet aan, of hij zou, na om kaap Hoorn te zijn gestevend, naar de Stille Zuidzee terugkeeren. Ned Land had dus wel gelijk met bang te zijn. In deze uitgestrekte zee zonder eilanden behoefde men het niet te beproeven om van boord te gaan; wij hadden dus geen middel om ons tegen den wil van kapitein Nemo te verzetten. Het eenige wat wij doen konden, was ons te onderwerpen; maar wat men van geweld of list niet meer te wachten had, dacht ik dat door overreding kon verkregen worden. Als de reis was afgeloopen, zou dan de kapitein er niet in toestemmen ons de vrijheid terug te geven, onder eede van zijn bestaan nimmer te verraden? Wij zouden dien eed zeker hebben gehouden, maar ik moest die teedere zaak met den kapitein zelf behandelen. Zou ik hem echter die vrijheid wel kunnen vragen? Had hij bij het begin der reis niet op stelligen toon verklaard, dat het geheim van zijn leven onze levenslange gevangenschap aan boord van de Nautilus eischte? Moest mijn stilzwijgen gedurende vier maanden hem niet doen gelooven, dat ik mij zonder morren in dien toestand schikte? Als ik die zaak weder aanroerde, zou het dan geen achterdocht bij hem opwekken, die onze plannen kon benadeelen, als zich daartoe later eenige gunstige omstandigheid voordeed! Ik overdacht en overwoog al die redenen, en ik onderwiep ze aan Koenraads oordeel, die niet minder verlegen stond dan ik. Kortom, hoewel ik niet gemakkelijk uit het veld was te slaan, begreep ik toch dat de kans om mijn vrienden en bloedverwanten ook terug te zien, van dag tot dag verminderde, vooral nu kapitein Nemo als een rechte waaghals stuurde naar het zuidelijk gedeelte van den Atlantischen Oceaan.
Gedurende de bovengemelde negentien dagen, had er op onze reis niets bijzonders plaats. Ik zag den kapitein maar zelden; hij zat te werken; dikwijls vond ik in de bibliotheek boeken, die hij geopend had laten liggen, en vooral werken over natuurlijke geschiedenis. Mijn werk over de diepten der zee, was door hem doorbladerd en met kantteekeningen overladen, die mijn stellingen dikwijls weerspraken. Doch de kapitein stelde zich slechts tevreden met aldus mijn werk te verbeteren, zonder met mij te twisten. Soms hoorde ik de droefgeestige tonen van zijn orgel, dat hij met veel gevoel bespeelde, maar altijd des nachts, te midden van de grootste duisternis, als de Nautilus op de groote verlaten vlakte van den Oceaan als ingeslapen scheen te zijn.
Gedurende dit gedeelte der reis voeren wij soms dagen lang aan de oppervlakte der zee; zij was als verlaten; wij zagen slechts nu en dan een zeilschip, dat voor Indië bevracht, koers zette naar de Kaap de Goede Hoop. Eens werden wij vervolgd door de sloepen van een walvischvaarder, die ons zonder twijfel aanzag voor een reusachtigen walvisch van groote waarde. Maar kapitein Nemo wilde die wakkere zeelieden hun tijd en moeite niet laten verliezen en eindigde de jacht met onder water te duiken. Dit voorval scheen Ned Land bijzonder belang in te boezemen. Ik geloof niet dat ik mij bedrieg, als ik zeg, dat de Amerikaan er spijt over gevoelde, dat onze metalen huid niet door een der harpoenen van die visschers doodelijk werd getroffen.
De visschen, die ik met Koenraad gedurende dit gedeelte onzer reis opmerkte, verschilden weinig van die wij reeds vroeger gezien hadden. De voornaamste waren eenige exemplaren van de vreeselijke afdeeling kraakbeenachtige dieren, die niet minder dan twee en dertig soorten bevat: gestreepte haaien van vijf meter lang en met platten kop, breeder dan het lichaam, en een ronden staart; op den rug hebben zij overlangs zeven breede evenwijdige zwarte strepen, en dan grijze haaien met slechts een rugvin. Er kwamen ook groote zeehonden voorbij, en dat wel van de meest verslindende soort; men behoeft alle verhalen van visschers niet te gelooven, doch ziehier eenige staaltjes van hetgeen zij vertellen: in het lichaam van een van die dieren heeft men den kop van een buffel en een geheel kalf gevonden, in een ander twee konijnen, en een matroos met kleeren en al, in een ander een soldaat met den sabel in de hand, en in nog een ander een ruiter met zijn paard! Men behoeft aan dat alles geen geloof te hechten, doch zeker is het, dat geen van die dieren zich in de netten van den Nautilus lieten vangen ik dus hunne vraatzucht niet kon nagaan.
Dagen lang hielden troepen bevallige en dartelende dolfijnen ons gezelschap. Zij zwommen met troepjes van vijf of zes, en joegen de andere visschen na, evenals een troep wolven in het veld; overigens zijn zij niet minder vraatzuchtig dan de zeehonden, als ik ten minste geloof moet slaan aan het verhaal van een hoogleeraar te Kopenhagen, die verzekert dertien walrussen en vijftien robben in de maag van een dolfijn gevonden te hebben.
Ik zag ook zeldzame exemplaren van de klasse der stekelvinnigen en der zaagvisschen. Sommige schrijvers, trouwens meer dichters dan natuurkenners, beweren dat deze visschen liefelijk zingen en een vereeniging van hun stemmen een muziek voortbrengt, waarbij de menschelijke stem niet kan halen. Ik ontken het niet, maar die dieren gaven ons tot ons groot leedwezen geen enkele serenade. Eindelijk zagen wij nog een groote menigte vliegende visschen; niets was aardiger dan te zien hoe de dolfijnen ze met groote juistheid wisten na te jagen. Hoe hoog zij zich ook uit zee konden verheffen, welken boog zij ook beschreven, tot zelfs over den Nautilus heen, de ongelukkige visschen vonden den bek van den dolfijn altijd geopend om ze op te vangen.
Tot op 13 Maart ging onze tocht op dezelfde wijze voort. Dien dag werd de Nautilus gebezigd om proeven van peiling te doen, welke mij het grootste belang inboezemden. Sedert ons vertrek uit de Stille Zuidzee hadden wij ongeveer 52,000 kilometer afgelegd; wij waren nu op 45° 37' Z.B. 37° 53' W.L. Het was omstreeks dezelfde plaats, waar kapitein Denham van de Herald op 14.000 meter geen grond vond. Daar had luitenant Parker van het Amerikaansche fregat Congres op 15,140 meter den bodem niet kunnen peilen. Kapitein Nemo besloot om den Nautilus naar de grootste diepte te doen dalen, om die verschillende peilingen eens na te gaan. Ik maakte mij gereed den uitslag van dit onderzoek op te teekenen. De zaalwanden openden zich, en het vaartuig begon zich in beweging te stellen, ten einde die verbazende diepte te kunnen bereiken. Men kan nagaan dat er geen sprake kon zijn van door middel van het vullen der vergaderbakken naar den afgrond te zinken. Misschien zou dat water de specifieke zwaarte van den Nautilus toch niet genoeg hebben kunnen vermeerderen. Bovendien zou men om weer te stijgen, het water moeten uitpompen, en dan zouden zeer zeker de pompen niet krachtig genoeg geweest zijn, om den druk van buiten te overwinnen. De kapitein besloot dus om de zwaarden of vleugels van zijn Nautilus in een hoek van 45° te plaatsen en aldus schuins naar beneden te varen. De schroef kreeg bovendien de grootste snelheid van beweging en draaide met onbeschrijfelijke kracht door het water.
Op deze wijze, met de grootste kracht voortgestuwd, trilde de Nautilus als een snaar en daalde regelmatig naar de diepte. De kapitein en ik volgden in den salon de naald van den manometer, die zich vrij snel verplaatste. Weldra waren wij dieper dan dat gedeelte der zee, waar de meeste visschen hun verblijf houden. Terwijl sommigen van die dieren slechts aan de oppervlakte van het water kunnen leven, zijn er daarentegen anderen, hoewel minder talrijk, die zich in grootere diepte ophouden; er waren er zelfs op 1200 meter diepte, onder een druk van honderd twintig atmosferen. Ik vroeg den kapitein of hij ooit visschen op nog grooter laagte gevonden had.
"Visschen?" antwoordde hij, "zelden; maar wat vermoedt of weet men bij den tegenwoordigen staat der wetenschap?"
"Het volgende, kapitein. Men weet, dat als men naar de diepten van den Oceaan afdaalt, het plantenleven eerder ophoudt dan het dierlijk leven. Men weet, dat, waar men nog levende wezens vindt, er geen enkele plant meer groeit. Men weet dat de oesters twee duizend meter diep onder water leven, en dat Mac Clintock, de held van de poolzeeën, een levende zeester van een diepte van 2500 meter naar boven heeft gehaald. Men weet, dat de equipage van de Bull-Dog van de koninklijke Engelsche marine, een zeester op meer dan vier kilometer diepte gevischt heeft; maar misschien zult gij zeggen, kapitein, dat men niets weet."
"Neen, mijnheer," antwoordde de kapitein, "zoo onbeleefd zal ik niet zijn. Ik zal u echter vragen, hoe gij het verklaart, dat die dieren op zulk een diepte kunnen leven?"
"Ik verklaar dit uit twee oorzaken," antwoordde ik; "vooreerst omdat de vertikale stroomen, ontstaan door het verschil in zoutgehalte en door de dichtheid van het water, een beweging veroorzaken, die genoegzaam is om het leven van zeesterren te onderhouden."
"Juist," zei de kapitein.
"Ten anderen omdat, als de zuurstof een levensbehoefte is, men weet dat de in zeewater opgeloste hoeveelheid zuurstof in de diepte toeneemt in plaats van te verminderen, en dat de grootere waterdruk in de diepte de samenpersing daarvan in de hand werkt."
"Zoo, weet men dat?" antwoordde de kapitein een weinig verwonderd. "Welnu, mijnheer de professor, dan weet men het goed, want het is de waarheid. Ik voeg er nog bij, dat de zwemblaas der visschen meer stikstof dan zuurstof bevat, wanneer zij aan de oppervlakte van het water gevangen worden, doch daarentegen meer zuurstof dan stikstof, als men ze uit grootere diepte ophaalt, wat een bewijs is voor uw stelling. Maar laten wij ons onderzoek voortzetten."
Ik keek weer op den manometer; deze wees een diepte van zes kilometer aan; wij waren sedert een uur aan het dalen. De Nautilus daalde altijd door; het ontvolkte water was bijzonder doorschijnend, en onbeschrijfelijk helder. Een uur later waren wij dertien kilometer diep, en nog bemerkten wij niets van den bodem der zee! Toen wij echter veertien kilometer gedaald waren, begon ik zwarte bergtoppen te zien, die naar boven staken; maar dat konden wel toppen van bergen zijn zoo hoog als de Himalaya of de Mont-Blanc, misschien nog hooger, en dan bleef de diepte van deze afgronden onberekenbaar.
De Nautilus zonk nog lager, niettegenstaande de vreeselijke drukking die hij onderging. Ik voelde de stalen platen in de voegen trillen; de steunbouten bogen zich, de geheele romp kraakte; de glazen van den salon schenen onder dien druk naar binnen te buigen; en het krachtige vaartuig zou zeker bezweken zijn, als het geen weerstand had kunnen bieden als een massief blok, zooals de kapitein mij eenmaal verzekerd had.
Terwijl wij rakelings langs de rotsen voeren, zag ik nog eenige schelpen en sommige exemplaren van zeesterren. Maar weldra verdwenen ook deze laatste vertegenwoordigers van het dierlijk leven, en op grooter diepte dan twaalf kilometer overschreed de Nautilus de grenzen van het onderzeesche leven, even als een luchtballon, die zich in de lucht hooger dan de voor het leven geschikte dampkring verheft. Wij hadden een diepte van zestien kilometer bereikt; de Nautilus onderging een druk van 1600 atmosferen, dat is te zeggen van 1600 kilogram op elken vierkanten centimeter van zijn oppervlakte.
"Welk een toestand!" riep ik uit. "Deze laagten te bezoeken waar de mensch nog nooit is doorgedrongen!" Zie eens, kapitein, zie die prachtige rotsen, die onbewoonde grotten, die verborgen schuilhoeken der aarde, waar het leven onmogelijk is! Hoe jammer, dat wij van deze onbekende oorden niets anders mee kunnen nemen dan de herinnering!"