20.000 Mijlen onder Zee: Westelijk Halfrond
Part 7
Toen ik den salon doorliep, kwam ik bij de deur, die toegang verleende tot de hut van den kapitein. Tot mijn groote verwondering stond deze deur half open; ik deed onwillekeurig een schrede achterwaarts; als kapitein Nemo in zijn kamer was, kon hij mij zien. Toen ik evenwel geen enkel gerucht hoorde, naderde ik. De hut was verlaten; ik stiet de deur open en deed eenige schreden naar binnen: altijd dezelfde ernstige kloosterachtige eenvoud.
Op dit oogenblik troffen mij eenige teekeningen, die langs de wanden hingen en waarop ik vroeger niet gelet had. Het waren portretten van groote historische mannen, wier leven slechts de voortdurende opoffering aan een groote menschelijke gedachte geweest was: Kosciusko, de held, die met den Poolschen volkszang op de lippen gevallen was; Botzaris, de Leonidas van het nieuwe Griekenland; O'connell, de verdediger van Ierlands onafhankelijkheid; Washington, de grondlegger der Amerikaansche Unie; Manin, de Italiaansche patriot; Lincoln, door den dolk van een voorstander der slavernij gevallen, en eindelijk de martelaar der bevrijding van het ras der zwarten, John Brown, aan de galg hangend, zooals de pen van Victor Hugo ons dit zoo vreeselijk geschilderd heeft.
Welke band bestond er tusschen die heldenzielen en de ziel van kapitein Nemo? Kon ik uit die portrettenverzameling het geheim van zijn leven raden? Was hij de kampvechter voor de onderdrukte volken, en de bevrijder der onder slavernij zuchtende natiën? Had hij in de laatste staatkundige of maatschappelijke beroeringen van deze eeuw een rol gespeeld? Was hij een der helden geweest van den vreeselijken Amerikaanschen oorlog, die zoo ellendig was en zoo roemrijk tevens?
Plotseling sloeg de pendule acht uur; de eerste slag wekte mij uit mijn droomen op; ik beefde alsof een onzichtbaar oog mijn geheimste gedachte had kunnen doorgronden, en ik snelde de kamer uit.
Mijn oog vestigde zich toen op het kompas; wij voeren altijd naar het noorden; de log wees een matige snelheid aan, de manometer een diepte van ongeveer twintig meter. De omstandigheden begunstigden dus het plan van den Amerikaan.
Ik ging weer naar mijn kamer, trok warme kleederen aan, zeelaarzen, een muts van otterbont, een wambuis met het vel van een zeekalf gevoerd. Ik was gereed, ik wachtte; het geraas van de schroef brak alleen de stilte at, die aan boord heerschte; ik luisterde en spitste de ooren; zou mij het gerucht van stemmen niet doen vernemen, dat Ned Land in zijn plannen verhinderd en overvallen was? Een doodelijke ongerustheid maakte zich van mij meester; ik trachtte te vergeefs mijn kalmte terug te krijgen.
Eenige minuten vóór negen, hield ik het oor tegen de kamerdeur van den kapitein; ik hoorde niets; ik verliet de hut en kwam weer in den salon, die bijna donker en verlaten was. Ik opende de deur van de bibliotheek; dezelfde halve duisternis, dezelfde eenzaamheid; ik ging bij de deur staan, die naar de hoofdtrap voerde, en wachtte op het teeken van Ned Land.
Op dit oogenblik verminderden de wentelingen der schroef en hielden eindelijk geheel op. Waarom had dit plaats? Begunstigde of verhinderde dit oponthoud de voornemens van Ned Land? Ik wist het niet. De stilte werd slechts afgebroken door het kloppen van mijn hart.
Plotseling voelde ik een lichten schok; ik begreep, dat de Nautilus stil lag op den bodem van den Oceaan: mijn onrust verdubbelde; het afgesproken teeken werd door den Amerikaan niet gegeven. De lust bekroop mij om naar hem toe te gaan, hem te verzoeken zijn plan uit te stellen. Ik voelde, dat onze vaart niet meer onder de gewone omstandigheden plaats vond....
Op dit oogenblik ging de deur van den salon open, en de kapitein verscheen. Hij zag mij en zei, zonder inleiding, op aangenamen toon:
"Zoo, mijnheer de professor, ik zocht u. Kent gij de geschiedenis van Spanje?"
Men zou de geschiedenis van zijn eigen land volmaakt goed kunnen kennen, doch in de omstandigheden waarin ik verkeerde, met een verwarden geest en een berooid hoofd, er toch geen enkel woord van kunnen vertellen.
"Welnu," hernam kapitein Nemo, "hebt gij mijn vraag gehoord? Kent gij de geschiedenis van Spanje?"
"Zeer slecht," antwoordde ik.
"Dat zijn nu geleerden," zei de kapitein lachend, "en zij weten niets. Kom ga zitten," voegde hij er bij, "ik zal u een merkwaardig voorval uit die historie meedeelen."
De kapitein strekte zich op den divan uit, ik ging werktuigelijk naast hem, doch eenigszins meer in de schaduw zitten.
"Mijnheer de professor," zei hij, "luister goed naar mij; deze geschiedenis zal u om zekere reden belang inboezemen, want zij zal antwoord geven op een vraag, die gij tot nog toe niet hebt kunnen oplossen."
"Ik luister, kapitein," zei ik, niet wetende waar hij heen wilde, en mij zelven afvragend of het ook een zinspeling op onze vlucht zijn zou.
"Wij zullen, als gij wilt tot 1702 opklimmen, mijnheer," hervatte de kapitein. "Gij weet toch, dat op dit tijdstip uw koning Lodewijk XIV meende, dat éen wenk van dien dwingeland voldoende was om de Pyreneeën te doen wegzinken, en zijn kleinzoon, den hertog van Anjou, aan de Spanjaarden als koning op te dringen. Deze vorst, die onder den naam van Philips V meer of minder slecht regeerde, had tegen lastige vijanden buitenslands te kampen.
"Het jaar te voren hadden Holland, Oostenrijk en Engeland in den Haag een verdrag gesloten om aan Philips V de Spaansche kroon te ontnemen, ten einde deze een aartshertog op het hoofd te plaatsen, wien men voorloopig den naam van Karel III gaf.
"Spanje moest zich tegen deze beslissing verzetten, maar het was bijna geheel van soldaten en matrozen beroofd. Geld echter ontbrak niet, als de galjoenen, die met het goud en zilver van Amerika bevracht waren, maar de havens binnenliepen. Tegen het einde van 1712 wachtte men een rijk konvooi, dat de Fransche regeering door een vloot van 23 oorlogschepen, onder den admiraal de Château-Renaud, liet begeleiden, omdat de oorlogsvloten der verbondenen in den Atlantischen Oceaan kruisten.
"Dit konvooi moest zich naar Cadix begeven, maar toen de admiraal vernam, dat de Engelsche vloot in die buurt kruiste, besloot hij een Fransche haven binnen te loopen.
"De Spaansche scheepskapiteins verzetten zich tegen deze beslissing; zij wilden in een spaansche haven binnen vallen, en als dit niet te Cadix kon geschieden, wilden zij naar de golf van Vigo, die op de noordwestkust van Spanje ligt en niet geblokkeerd werd.
"De Fransche admiraal was zwak genoeg om toe te geven en de schepen liepen de baai van Vigo binnen. Deze vormt een regelmatige open reede, die moeilijk kon verdedigd worden. Men moest zich dus haasten, de galjoenen te lossen, voor dat de geallieerde vloten er de lucht van kregen, en zij zouden ook tijd genoeg voor dat lossen gehad hebben, ware niet plotseling een ellendig geschil, dat uit naijver ontsproot, ontstaan. Gij volgt mij toch goed?" vroeg de kapitein.
"Wel zeker!" zei ik, nog niet wetende waarom hij mij die les in de geschiedenis gaf.
"Ik ga dus voort; ziehier wat er gebeurde. De kooplieden van Cadix hadden een voorrecht, volgens hetwelk zij al de uit Oost-Indie komende koopwaren mochten ontvangen. Het lossen dus van die schatten in de baai van Vigo was tegen hun voorrechten. Zij beklaagden zich te Madrid en verkregen van den zwakken Philips V dat het konvooi, zonder gelost te worden, op de reede van Vigo zou blijven liggen, totdat de vijandelijke vloten zich zouden verwijderd hebben. Terwijl men deze beslissing nam, kwamen de Engelsche schepen in October 1702 in de baai van Vigo aan. De admiraal de Château-Renaud, verdedigde zich dapper, niettegenstaande zijn minderheid, maar toen hij zag dat de schatten van het konvooi den vijand in handen zouden vallen, stak hij de galjoenen in brand, zoodat zij met hunne onmetelijke rijkdommen in zee verzwolgen werden."
Kapitein Nemo zweeg. Ik moet bekennen dat ik nog niet begreep, waarom de geschiedenis mij belangstelling moest inboezemen.
"Welnu?"
"Welnu, mijnheer Aronnax," was het antwoord, "wij zijn in die baai van Vigo, en het hangt maar van u af om er de geheimen van te doorgronden."
De kapitein stond op en verzocht mij hem te volgen. Ik had den tijd gehad weer op mijn verhaal te komen; ik gehoorzaamde. De salon was in duisternis gehuld, maar door de glazen zag ik het verlichte zeewater; ik keek toe. Rondom den Nautilus was het water op een afstand van vijf honderd meter helder door de electrische lantaarn verlicht; de bodem was met fijn en helderwit zand bedekt; mannen van de equipage met scaphanders aan, waren bezig om half verrotte tonnen, en stuk gevallen kisten te midden van zwarte wrakken op te ruimen. Uit de kisten en vaten vielen zilveren en gouden staven; stapels piasters en edelgesteenten. Het zand was er mee bedekt. Vervolgens kwamen de mannen met rijken buit beladen op den Nautilus terug, legden er hun vracht neer en begonnen opnieuw dien oogst van goud en zilver te innen.
Nu begreep ik alles: hier was het tooneel van den zeeslag van 22 October 1702, hier waren die voor rekening van de Spaansche regeering geladen galjoenen gezonken, hier kwam kapitein Nemo, naarmate van zijn behoeften, de millioenen halen, waarmee hij zijn Nautilus bevrachtte. Het was voor hem, voor hem alléen dat Amerika zijn kostbare metalen had opgebracht; hij was alleen en onverdeeld erfgenaam van die aan de Incas en hun door Ferdinand Cortez onderworpen volken ontroofde schatten!
"Wist gij, mijnheer de professor," vroeg hij mij glimlachend, "dat de zee zoovele rijkdommen bevatte?"
"Ik wist alleen," antwoordde ik, "dat men het zilver, dat in het zeewater is opgelost, op twee millioen centenaars schat."
"Zonder twijfel, doch om het er uit te halen zou meer kosten dan het waard was. Hier integendeel behoef ik maar op te rapen wat de menschen verloren hebben, en niet alleen in de baai van Vigo, maar op duizend andere plaatsen van schipbreuken, die ik allen op mijn kaarten heb aangeteekend. Begrijpt gij nu dat ik meer dan millionnair ben?"
"Ik begrijp het, kapitein. Vergun mij evenwel de opmerking dat, nu gij de baai van Vigo op deze wijze onderzoekt, gij de werkzaamheden eener maatschappij voorkomt."
"Welke?"
"Een maatschappij, die van de Spaansche regeering concessie heeft gekregen om de gezonken galjoenen op te sporen. De aandeelhouders worden uitgelokt door het vooruitzicht van grove voordeelen, want men schat de waarde der verzonken schatten op 250 millioen gulden."
"Die waren er," antwoordde kapitein Nemo, doch nu niet meer."
"Ik geloof dat graag," zei ik; "een goede raad aan die aandeelhouders zou dan ook een daad van welwillendheid zijn. Wie weet echter of men dien raad wel zou aannemen? Want wat spelers vooral betreuren, is niet zoozeer het verlies van hun geld als wel dat van hun dwaze verwachtingen. Ik beklaag ze dan ook minder, dan die duizenden ongelukkigen voor wie deze rijkdommen bij een verstandige verdeeling, van groot nut zouden geweest zijn, terwijl ze nu nutteloos voor hen blijven!"
Ik had deze woorden niet uitgesproken of ik begreep dat ik kapitein Nemo had moeten grieven.
"Nutteloos!" antwoordde hij, terwijl hij in vuur geraakte. "Gelooft gij dan, mijnheer, dat die rijkdommen verloren zijn, nu ik ze verzamel? Is het volgens uw oordeel voor mij, dat ik mij de moeite geef die schatten op te rapen? Wie zegt u dat ik er geen goed gebruik van maak? Gelooft gij dan, dat ik niet weet dat er een lijdende menschheid bestaat, dat er slaafs onderdrukte volken op deze aarde leven, dat er ongelukkigen geholpen, slachtoffers gewroken moeten worden? Begrijpt gij mij niet? ..."
Kapitein Nemo zweeg plotseling en had er misschien berouw over te veel gezegd te hebben. Ik had het echter geraden: welke ook de beweegredenen mochten geweest zijn, die hem gedrongen hadden op zee de onafhankelijkheid te zoeken, hij was toch voor alles mensch gebleven! Zijn hart klopte nog warm voor het lijden der menschheid en zijn oneindig groote liefde strekte zich over slaafsche volken zoowel als over enkele personen uit!
En toen begreep ik voor wie de millioenen waren bestemd geweest, door Nemo weggezonden, toen de Nautilus in den omtrek van het opgestane Creta dreef!
HOOFDSTUK XXXIII
Een verdwenen land.
Den volgenden dag, 19 Februari, zag ik den Amerikaan in mijn kamer komen; ik verwachtte hem; hij zag er zeer teleurgesteld uit.
"Welnu, mijnheer?" zei hij.
"Welnu, Ned, het lot is ons gisteren niet gunstig geweest."
"Die vervloekte kapitein hield ook juist stil op het oogenblik dat wij zijn schuit zouden ontvluchten."
"Ja, Ned, hij moest bij zijn bankier zijn."
"Zijn bankier!"
"Of liever zijn bank; ik versta daardoor dezen Oceaan, waar schatten beter in veiligheid zijn dan in de schatkist van den Staat."
Toen vertelde ik Ned wat er den vorigen dag gebeurd was, met de stille hoop van hem van het denkbeeld af te brengen om te vluchten, maar mijn verhaal had geen ander gevolg, dan dat Ned Land zijn spijt uitdrukte voor eigen rekening ook niet eens een wandeling in de baai van Vigo te kunnen doen.
"Komaan," zei hij, "alle hoop is nog niet verloren. Het is maar een misstoot met den harpoen! Een andermaal zullen wij slagen, en van avond zal ik als het moet...."
"Welke is de richting van den Nautilus?" vroeg ik.
"Ik weet het niet," antwoordde Ned.
"Welnu, om twaalf uur zullen wij het te weten komen, als de zonshoogte wordt genomen."
De Amerikaan ging naar Koenraad terug. Toen ik aangekleed was, trad ik den salon binnen; het kompas stond niet zeer uitlokkend; de richting was zuid-zuidwest; wij verwijderden ons dus van Europa.
Ik wachtte met zeker ongeduld dat onze richting op de kaart zou worden aangeteekend. Tegen half twaalf, liepen de vergaarbakken ledig, en het vaartuig kwam weer aan de oppervlakte. Ik ging naar het plat: Ned Land was er reeds vóor mij.
Wij hadden geen land meer in het gezicht, niets dan de oneindige zee. Eenige zeilen aan den gezichteinder, zeker van schepen die tot kaap San-Roque varen om een gunstigen wind te zoeken, die hen om de Kaap de Goede Hoop voert. De hemel was bewolkt; een storm was ophanden.
Ned beproefde in zijn woede om met het oog door den benevelden gezichteinder te boren; hij hoopte nog dat zich achter dien nevel het zoo begeerde land uitstrekte. Om twaalf uur scheen de zon maar een oogenblik; de stuurman maakte daarvan gebruik om de hoogte te nemen; daar echter de zee te onstuimig werd, gingen wij naar beneden en het luik werd gesloten.
Toen ik een uur later op de kaart zag, bemerkte ik dat de Nautilus er op 16° 17' N.B. en 33° 22' W.L. stond aangeteekend, dus op bijna zeshonderd kilometer van de naaste kust. Het was nu onmogelijk aan de vlucht te denken, en ik waag het dus niet de woede van den Amerikaan te beschrijven, toen ik hem de hoogte mededeelde, waar wij ons bevonden.
Wat mij aangaat, ik troostte mij spoedig; ik voelde mij als bevrijd van een last, die mij drukte, en ik kon met betrekkelijke kalmte mijn gewone werk weer opvatten. Des avonds, te elf uur, ontving ik onverwacht een bezoek van kapitein Nemo. Hij vroeg mij zeer beleefd of ik moede was van het waken gedurende den vorigen nacht. Ik antwoordde ontkennend.
"Dan zal ik u een merkwaardigen tocht voorstellen, mijnheer Aronnax."
"Welken kapitein?"
"Gij hebt de diepte der zee alleen bij dag en zonlicht bezocht. Zoudt gij ze niet eens bij een duisteren nacht willen zien?"
"Heel graag."
"Ik zeg u, dat die wandeling zeer vermoeiend zal zijn. Gij moet lang loopen en een berg beklimmen, en de wegen zijn niet zoo bijzonder goed onderhouden," voegde hij er glimlachend bij.
"Wat gij mij daar zegt, kapitein, verdubbelt mijn nieuwsgierigheid. Ik ben gereed u te volgen."
"Kom dan mee, mijnheer de professor, om onze scaphanders te gaan aandoen."
In de kleedkamer gekomen, zag ik dat noch mijn makkers, noch iemand van de bemanning ons op dien tocht zouden volgen. De kapitein had mij zelfs niet voorgesteld Ned of Koen mee te nemen. Binnen weinige oogenblikken hadden wij onze toestellen aan. Men plaatste de luchtschouders op onzen rug, doch de electrische lampen werden ons niet gegeven; ik merkte dit den kapitein op. "Zij zullen ons geen nut doen," zei hij.
Ik meende niet goed te hebben verstaan, doch kon mijn opmerking niet herhalen, omdat het hoofd van den kapitein reeds in den helm was verdwenen. Ik zette mijn metalen hoofddeksel op, en voelde dat men mij een met ijzer beslagen stok in de hand gaf; eenige minuten later stonden wij, na de gewone verschijnselen, op den bodem van den Oceaan, ter diepte van driehonderd meter.
Middernacht naderde. Het water was zeer donker, doch de kapitein wees mij in de verte een roodachtig punt, een soort van breede schemering, op ongeveer twee kilometer van den Nautilus zichtbaar. Ik had niet kunnen zeggen wat dit voor vuur was, waardoor het gevoed werd, en hoe en waarom het in de watermassa kon opflikkeren. In alle gevalle gaf het ons licht, wel zwak, doch ik gewendde mij weldra aan die bijzondere schemering, en ik begreep in deze omstandigheid de nutteloosheid der toestellen van Ruhmkorff. De kapitein en ik liepen, dicht naast elkander, recht op het aangewezen vuur af. De bodem rees langzaam; wij maakten met behulp onzer stokken groote stappen, doch wij vorderden toch niet hard, want onze voeten zakten dikwijls in de modder, die met zeewier vermengd, en hier en daar met platte steenen bezaaid was.
Onder het voortstappen hoorde ik iets als gekletter boven mijn hoofd. Soms verdubbelde dit geluid en bracht een onophoudelijk leven voort. Weldra begreep ik de oorzaak; het was de regen, die in den stroom neerviel en op de oppervlakte der zee dit geraas maakte. Onwillekeurig dacht ik, doornat te zullen worden! Ik kon niet nalaten over dit dwaze denkbeeld te lachen. Nat door het water, in het midden van het water! Maar tot mijn verontschuldiging voer ik aan, dat men met den dikken scaphander aan het lijf, het vochtig element niet meer voelt, en men zich slechts in een weinig dichter atmosfeer dan die van de oppervlakte der aarde waant.
Na een half uur te hebben geloopen, werd de grond rotsachtig. Allerlei kleine dieren verlichtten den bodem door hun lichtgevend vermogen. Ik zag hoopen steenen, die door eenige millioenen diertjes en een net van zeewier bedekt waren. Dikwijls gleed mijn voet op den gladden bodem uit, en zonder mijn stok zou ik meer dan eens gevallen zijn. Als ik mij omkeerde, zag ik altijd het licht van den Nautilus, dat in de verte evenwel begon te verflauwen.
Die steenhoopen, waarvan ik zooeven sprak, waren op den zeebodem met een zekere regelmaat verspreid, waarvan ik mij geen verklaring wist te geven. Ik zag reusachtige groeven, die zich in het duister verloren, welker lengte ik niet kon schatten; zoo merkte ik ook andere bijzonderheden op, waarvan ik geen verklaring wist te geven. Het kwam mij voor, dat mijn zware schoenzolen een veld met beenderen verbrijzelden, die dof kraakten. Welke was dan die uitgestrekte vlakte waar wij gingen? Ik had het den kapitein willen vragen, maar de teekens, door middel waarvan hij met zijn makkers bij hun onderzeesche tochten sprak, waren voor mij onbegrijpelijk.
Echter nam de rosse schijn, die ons leidde, toe en vertoonde zich reeds met vlammen aan den gezichteinder. De aanwezigheid van dien vuurhaard onder water maakte mij in de hoogste mate nieuwsgierig. Was het een uitstrooming van electriciteit? Zou ik een natuurlijk verschijnsel zien, waarvan de geleerden nog niets wisten? Of zou, en deze gedachte schoot mij door het hoofd, 's menschen hand in dit vuur zichtbaar zijn? Blies hij dien brand aan? Zou ik in de diepte wellicht makkers of vrienden van kapitein Nemo ontmoeten, die even vreemd als hij leefden, en die hij ging opzoeken? Zou ik daaronder misschien een volkplanting van bannelingen aantreffen, die de ellende der aarde moede, in de diepten van den Oceaan de onafhankelijkheid gezocht en gevonden hadden? Al die dwaze, ongerijmde denkbeelden kwamen mij voor den geest, en in die gemoedstemming, onophoudelijk verbaasd door de wonderen, die voor mijn oogen voorbijgingen, zou ik niet verwonderd geweest zijn, als ik in de diepte der zee een van die onderzeesche steden had ontdekt, waarvan kapitein Nemo droomde.
Onze weg werd langzamerhand lichter. Het witte licht straalde boven een berg van ongeveer 800 voet hoog; maar wat ik zag, was eigenlijk niets als een eenvoudige terugkaatsing van licht tegen het kristal van water. De bron van dat overklaarbaar licht was aan de andere zijde van den berg.
De kapitein stapte zonder aarzelen voort tusschen het doolhof van steenen, die den bodem van den Atlantischen Oceaan bedekten; hij kende dien somberen weg; hij had dien zonder twijfel dikwijls bewandeld en kon er niet verdwalen; ik volgde hem met onwankelbaar vertrouwen; hij scheen mij toe een der geesten der zee te zijn, en als hij voor mij uitging, bewonderde ik zijn hooge gestalte, die als een zwart beeld tegen den lichten gezichteinder afstak. Het was éen uur na middernacht; wij waren de onderste helling van den berg genaderd, maar om dien te beklimmen, moesten wij ons langs moeilijk begaanbare wegen door een dicht bosch wagen. Het was een bosch van doode boomen, zonder bladeren, zonder sap, boomen die door het water waren gedood en waarboven hier en daar reusachtige dennen uitstaken. Het was als 't ware een kolendomein, waarin de verkoolde boomen overeind stonden, omdat ze in den gedeeltelijk losgewoelden grond nog vastgeworteld zaten, en wier takjes, als fijn knipwerk van zwart papier, tegen het heldere water juist waren afgeteekend. Men stelle zich een woud in den Harz tegen een berghelling voor, doch in het water verzonken. De paden waren met wier en allerlei zeeplanten volgegroeid en daartusschen wemelde het van dieren. Ik klom tegen de rots op, doch moest telkens over uitstekende wortels heenstappen, en zeeplanten scheuren, die mij in den weg dreven, of tusschen de boomtakken hingen, terwijl ik een heirleger van visschen verschrikt opjoeg, die tusschen de takken door wegzwommen. Meegesleept door de schoonheid van dit tooneel, voelde ik geen afgematheid meer; ik volgde mijn onvermoeiden gids.
Welk een schouwspel! Hoe het terug te geven? Hoe het gezicht te beschrijven van die bosschen en rotsen te midden van het water, van onder in vrees aanjagende en sombere duisternis gehuld en wier toppen van rosachtig licht omringd waren, voortkomend uit die onbekende bron van gloed, waarvan de schijn door de terugkaatsing van het water verdubbelde? Wij beklommen rotsen, waarvan onder dof geluid brokken afgescheurd werden en naar beneden stortten. Rechts en links waren donkere galerijen, waarin zich het oog verloor. Daar waren groote groeven, door een menschenhand schijnbaar gegraven, en ik vroeg mij zelven af of ik niet plotseling een bewoner dier onderzeesche streken voor mij zou zien verschijnen.