20.000 Mijlen onder Zee: Westelijk Halfrond

Part 6

Chapter 6 3,904 words Public domain Markdown

"Niets is ooit in deze vulkanische streken afgeloopen," antwoordde Nemo, "en de aarde wordt hier altijd door onderaardsch vuur in beweging gebracht. In het negentiende jaar onzer jaartelling verscheen, volgens Cassiodorus en Plinius, een nieuw eiland, Theia of het Goddelijke genaamd, op dezelfde plaats waar zich kortelings nieuwe eilandjes hebben gevormd. Later verdween het onder de golven, om in het jaar 69, nog eens te verschijnen en nog eenmaal te verdwijnen. Sedert dien tijd tot op onze dagen bespeurde men geen vulkanische werking, totdat op 3 Februari 1866 een nieuw eilandje, waaraan men den naam van George gaf, in de nabijheid van Nea-Kameni, te midden van zwaveldampen opsteeg en zich drie dagen later daaraan vasthechtte. Zeven dagen later, 13 Februari, verscheen het eilandje Aphroessa, door een kanaal van tien meter breed van Nea-Kameni gescheiden. Ik was juist in deze zee toen het verschijnsel zich voordeed, en ik heb het in alle bijzonderheden kunnen nagaan. Het eilandje Aphroessa was rond, had drie honderd meter in doorsnede en was tien meter hoog. Het bestond uit zwarte, glasachtige lava, met stukken veldspaat vermengd. Eindelijk vertoonde zich den 10den Maart een veel kleiner eiland, Reka genaamd, bij Nea-Kameni, en sedert dien tijd hebben zich deze drie eilandjes vereenigd en vormen op dit oogenblik éen geheel."

"En het kanaal waarin wij ons thans bevinden?" vroeg ik.

"Hier is het," zei de kapitein, terwijl hij het mij op een kaart van den Archipel aanwees; "gij ziet, dat ik er de nieuwe eilandjes heb opgezet."

"Maar dit kanaal zal zich eens vullen?"

"Dat is zeer waarschijnlijk, mijnheer Aronnax, want sedert 1866 zijn er nog acht kleine lava-eilandjes tegenover de haven St. Nicolaas op Palea-Kameni verrezen. Het is dus waarschijnlijk dat Nea en Palea zich vrij spoedig zullen vereenigen. Indien in den Grooten Oceaan de koralen landen vormen, dan zijn het hier vulkanische uitbarstingen: zie eens, mijnheer, wat er hier onder de eilanden geschiedt."

Ik kwam weer bij het raam; de Nautilus bewoog zich niet meer; de hitte werd ondraaglijk; de zee werd rood in plaats van wit, door de aanwezigheid van ijzerzouten. Niettegenstaande de salon zeer dicht gesloten was, drong een onverdraaglijke zwavellucht tot ons door, en ik zag vuurroode vlammen, die het electrisch licht verdoofden. Ik zweette, ik stikte bijna, ik dacht dat ik gebraden werd.

"Wij kunnen niet langer in dit kokend water blijven," zei ik tot den kapitein.

"Neen, dat zou onvoorzichtig zijn," antwoordde Nemo bedaard. Een bevel werd gegeven, de Nautilus zette zich weer in beweging en verwijderde zich van dien oven, waarbij hij het niet langer ongestraft had kunnen uithouden. Een kwartier later haalden wij weer adem aan het oppervlak der zee.

Ik dacht er toen aan, dat, zoo Ned Land een dezer streken had uitgekozen om te vluchten, wij zeker niet levend uit deze vuurzee zouden gekomen zijn.

Den volgenden dag, 16 Februari, verlieten wij dit gedeelte der zee, dat tusschen Rhodus en Alexandrië soms een diepte van 3000 meter heeft, en de Nautilus Cerigo rechts latende liggen, verlieten wij den Griekschen Archipel, na om kaap Matapan te zijn heengevaren.

HOOFDSTUK XXXI

Door de Middellandsche Zee in twee dagen.

De Middellandsche Zee, de blauwe zee bij uitnemendheid, omringd door kusten waarop oranjeboomen, aloë's, cactussen en pijnboomen groeien en mirten hunne welriekende geuren verspreiden, waarlangs ruwe bergen hunne toppen hemelwaarts verheffen, waarboven het zuiver en doorschijnend luchtazuur zich welft, de zee, die onophoudelijk door stormen of door onderaardsch vuur in beweging wordt gebracht, is voortdurend het slagveld, waar Neptunus en Pluto elkander het wereldgebied betwisten. Aan haar oevers en op haar golven wordt de mensch in een van de krachtigste luchtstreken van den aardbodem als wedergeboren.

Doch hoe schoon die zee ook zij, ik heb maar een vluchtig overzicht kunnen nemen van dat waterbekken, dat twee millioen vierkante kilometer oppervlakte beslaat. De kennis van den kapitein hielp mij hier ook weinig, want die raadselachtige persoon verscheen bij deze snelle vaart geen enkele maal. Ik schat den afstand, dien de Nautilus onder zee aflegde, op ongeveer 2400 kilometer, en deze reis legde hij in tweemaal vierentwintig uren af. Na den 16den Februari de Grieksche wateren verlaten te hebben, waren wij den 18den, bij het opkomen van de zon, reeds door de straat van Gibraltar. Het was mij daardoor vrij duidelijk dat deze Middellandsche Zee, besloten tusschen bewoonde landen, die hij wilde ontvluchten, den kapitein bijzonder onaangenaam moest zijn. Hare golven en koeltjes wekten waarschijnlijk bij hem al te veel droeve herinneringen, mogelijk al te veel leed op. Hij kon zich hier met zijn vaartuig niet zoo vrij bewegen als in den Oceaan, en zijn Nautilus voelde zich tusschen de te nabij elkander liggende Afrikaansche en Europeesche kusten te bekneld. Wij hadden een snelheid van vijfenveertig kilometer in het uur. Het spreekt van zelf dat Ned Land, tot zijn groote spijt, zijn ontvluchtingsplannen moest opgeven; hij kon zich van de sloep niet bedienen, nu deze werd meegesleept met een vaart van ongeveer twaalf meter in de seconde. Onder die omstandigheden den Nautilus te verlaten, zou even gevaarlijk geweest zijn, als om uit een sneltrein in volle vaart te springen. Bovendien kwam ons vaartuig alleen des nachts aan de oppervlakte, om een voorraad versche lucht in te nemen, en het snelde slechts vooruit volgens de aanwijzingen van het kompas en den log.

Ik zag dus van het inwendige der Middellandsche Zee alleen wat een reiziger in een sneltrein van het landschap ziet, waardoor hij heen vliegt, dat is te zeggen, den verren gezichteinder, en niet wat onder zijn oogen langs hem gaat. Evenwel konden Koenraad en ik eenige visschen bekijken, wier snelheid ze eenige oogenblikken in het vaarwater van den Nautilus deed vertoeven. Wij bleven voor de glazen van den salon op den uitkijk staan, doch ik kon maar weinige aanteekeningen maken over de ichthyologie der Middellandsche Zee. Van de verschillende visschen, die haar bewonen, heb ik enkelen goed, anderen slechts ter loops gezien, zonder nog te spreken van hen, die door de snelheid van den Nautilus ons als voorbij vlogen. Ik zag in het door onze electrische lantaarn helder verlicht gedeelte lampreien kronkelen van een meter lang, die men bijna in alle zeeën aantreft, roggen van vijf voet breed, met witten buik en gevlekten rug. Twaalf voet lange haaien, door duikers in deze zee zoo gevreesd, wedijverden met hen in snelheid; zeevisschen, bekend om den fijnen reuk; goudvisschen, prachtige steuren, schoten langs ons glas, en raakten het somwijlen aan.

Ik geloof, dat toen wij de Adriatische Zee voorbijvoeren, ik ook twee of drie potvisschen heb gezien. Koen meende dolfijnen en zeekalven, en zelfs een voet zes lange schildpad te hebben opgemerkt.

Toen wij tusschen Sicilië en Tunis doorvoeren, verminderde de Nautilus zijn snelheid; in deze ruimte tusschen kaap Bon en de westpunt van Sicilië stijgt de bodem der zee bijna plotseling. Daar is een wezenlijke bergkam, waarboven slechts zeventien meter water staan, terwijl de diepte aan weerszijden zeventig meter bedraagt. De Nautilus moest dus zeer voorzichtig varen, om niet tegen dien onderzeeschen rotswand te stooten. Ik wees Koenraad op een kaart van de Middellandsche Zee de plaats van dezen langen rotswand aan.

"Mijnheer moet mij niet kwalijk nemen," zei hij, "maar dat is een wezenlijke landtong tusschen Europa en Afrika."

"Ja, vriend," antwoordde ik; "zij sluit dit gedeelte der zee bij de kust van Libye geheel af, en de peilingen van Smith hebben bewezen, dat de beide werelddeelen eertijds tusschen de kapen Boco en Farina verbonden waren."

"Ik geloof het graag," zei Koenraad.

"Ik zal er nog bijvoegen," hervatte ik, "dat er een dergelijke verbinding tusschen Gibraltar en Ceuta bestaat, die in een voorwereldlijk tijdperk de Middellandsche Zee geheel afsloot."

"En," vroeg Koenraad, "als eenige vulkanische uitbarsting die beide scheidingsmuren eens tot boven de golven verhief?" "Dat is niet waarschijnlijk, Koenraad."

"Laat ik eerst uitspreken, mijnheer; als dit verschijnsel eens plaats vond, zou het onaangenaam zijn voor mijnheer de Lesseps, die zich zooveel moeite geeft om de landengte door te graven."

"Dat is waar; maar ik herhaal het, Koen, dit verschijnsel zal niet plaats hebben. De kracht der onderaardsche werking vermindert voortdurend. De vulkanen, die in vroeger tijdperken zoo talrijk waren, dooven langzamerhand uit; de inwendige warmte verflauwt, de temperatuur der onderste aardlagen daalt eeuw op eeuw vrij merkbaar, en dit ten nadeele van onze aarde, want die warmte is haar leven."

"Maar de zon...."

"De zon is onvoldoende, Koen. Kan zij warmte aan een lijk geven?"

"Neen, niet zoover ik weet."

"Welnu, mijn vriend, eens zal de aarde een kil lijk worden; zij zal onbewoonbaar en onbewoond zijn als de maan, die haar levenskracht sedert langen tijd verloren heeft."

"Over hoeveel eeuwen?" vroeg Koenraad.

"Over eenige honderdduizenden van jaren, mijn jongen."

"Dan hebben wij nog tijd om onze reis te eindigen, als Ned Land zich er tenminste niet mee bemoeit," antwoordde Koenraad.

En Koenraad ging geheel gerustgesteld voort dien hoog liggenden bodem der zee te bestudeeren, waarover de Nautilus met gematigde snelheid heenstreek.

Daar vertoonde zich op een rotsachtigen en vulkanischen bodem een geheele flora met de schoonste, schitterendste en veelkleurigste gewassen; ook bewonderde hij er de tallooze week- en schaaldieren, die er zich tusschen vertoonden, en met welker rangschikking in klassen en orden hij zich bijzonder vermaakte.

Gedurende den nacht van den 16den op den 17den Februari waren wij in de westelijke helft der Middellandsche Zee gekomen, waarvan de grootste diepte ongeveer 3000 meter bedraagt. De Nautilus daalde daar tot in de onderste lagen der zee. In plaats van de wonderen der natuur, aanschouwde mijn oog daar allerhande hartroerende en vreeselijke tooneelen. Wij waren toch in dat gedeelte der Middellandsche Zee, dat steeds zoo vruchtbaar is geweest aan allerlei rampen. Hoeveel schepen hebben er tusschen de kusten van Algerië en Provence geen schipbreuk geleden, hoeveel vaartuigen zijn er niet verdwenen! De Middellandsche Zee is, in vergelijking van de uitgestrektheid van den grooten Oceaan, slechts een meer, maar een meer, welks water grillig en veranderlijk is in den hoogsten graad: heden is het kalm en kabbelt het zachtkens tegen de ranke kiel eener kleine boot, dan weer woedt het en bruist het op door de stormwinden gegeeseld, zoodat zelfs de sterkste schepen door de korte golven worden stuk geslagen.

Hoeveel wrakken zag ik dan ook niet bij onzen snellen tocht door de diepte, sommigen reeds geheel door koraalgewassen, anderen slechts met wier en roest bedekt; ankers, kanonnen, kogels, schroeven, stukken van stoommachines, gebarsten ketels, en soms houten wrakken, die onder water ronddreven, hetzij recht op, hetzij onderste boven gekeerd! Van deze vergane schepen waren sommigen door aanzeiling, anderen door het stooten op rots of klip gezonken. Ik zag er, die rechtop naar beneden waren gegaan, met mast en tuig nog in behoorlijke orde; het was als of zij voor anker lagen, en gereed waren om weg te zeilen. Toen de Nautilus er tusschen doorvoer en ze met zijn electrisch licht bescheen, was het alsof zij hem met de vlag wilden begroeten en een nommervlag hijschen! Maar neen, het was niets dan de stilte des doods op dit ongeluksveld. Ik merkte op, dat de bodem der zee meer met wrakken bedekt was naarmate wij de straat van Gibraltar naderden. Daar ontmoeten elkander de kusten van Afrika en Europa, en in dit nauw gedeelte komen ongelukken talrijker voor. Ik zag daar tal van ijzeren wrakken, phantastische overblijfselen van stoombooten, sommigen op zijde liggend, anderen overeind als vreeselijk groote dieren. Van een van die stoombooten was een zijde geheel opengespleten, de schoorsteen krom gebogen, van de raderen bleef niets dan wat ijzeren stangen over, het roer was van het achterschip afgescheurd, en hing er met slechts een keten nog bij, terwijl de geheele achtersteven door zeezout was ingevreten; welk een vreeselijk schouwspel! Hoeveel fortuinen waren door die schipbreuk niet te gronde gericht, hoeveel slachtoffers mee naar de diepte gesleept? Was er nog iemand van de schepelingen gered om die ontzettende ramp te kunnen navertellen, of bewaarden de golven het geheim van dit ongeluk? Ik weet niet waarom, doch de gedachte schoot mij door het brein dat dit de Atlas wel zijn kon, die voor ongeveer twintig jaren met man en muis verdwenen is, en waarvan men nimmer meer heeft hooren spreken! O, wat zou men een treurig tafereel kunnen ophangen van de diepten der zee, van dat uitgestrekte kerkhof, waar zoovele rijkdommen verloren zijn gegaan, zooveel slachtoffers den dood hebben gevonden!

De Nautilus vervolgde kalm en snel als altijd zijn vaart, midden door al deze wrakken heen. Den 19den Februari, 's morgens om drie uur, waren wij vóór de straat van Gibraltar. Er zijn daar twee zeestroomen: de bovenstroom, dien men sedert lang kent, voert het water van den Oceaan naar de Middellandsche Zee; doch een benedenstroom doet het tegenovergestelde, zooals de wetenschap in den laatsten tijd heeft bewezen. De Middellandsche Zee toch neemt steeds toe door het water van den Oceaan en de rivieren die er in uitmonden. Haar peil zou dus jaarlijks vrij wat hooger worden, want de uitdamping is niet voldoende om het evenwicht te herstellen. Docht dit is zoo niet, zoodat men natuurlijk het bestaan van een benedenstroom heeft moeten aannemen, die door de straat van Gibraltar het overtollige water van de Middellandsche Zee naar den Oceaan voert. Van dezen onderstroom maakte de Nautilus gebruik; hij schoot snel door de nauwe zeestraat. Een oogenblik slechts zag ik de wonderschoone bouwvallen van den tempel van Hercules, die volgens Plinius en Avienus met het lage eiland waarop hij stond gezonken is, en weinige oogenblikken daarna dreven wij op de golven van den Atlantischen Oceaan.

HOOFDSTUK XXXII

De Golf van Vigo.

De Atlantische Oceaan, ontzaglijke waterplas van 25 millioen vierkante kilometer; belangrijke zee, welke de ouden bijna niet kenden, behalve misschien de Carthagers, de Hollanders der oudheid, die op hun handelsreizen de westkusten van Europa en Afrika bezochten! Oceaan, wiens kusten zulk een onmetelijken omtrek hebben, waarin de grootste rivieren der wereld haar water doen stroomen; prachtige watervlakte, onophoudelijk doorkliefd door de schepen van alle natiën, versierd met de vlaggen van alle landen der wereld, en welks zuidelijk uiteinde wordt gevormd door twee kapen, bij de zeevaarders evenzeer gevreesd, de Stormkaap en kaap Hoorn!

De Nautilus doorkliefde het water van den Oceaan met zijn schroef in drie en een halve maand, na een afstand te hebben afgelegd van bijna 40.000 kilometer. Waar gingen wij nu heen, en wat zou ons de toekomst opleveren?

Toen wij de straat van Gibraltar door waren, had de Nautilus het ruime sop gekozen; hij rees naar de oppervlakte, waardoor wij dus in de gelegenheid werden gesteld onze dagelijksche wandelingen op het plat te vervolgen.

Ik ging met Ned Land en Koenraad aanstonds naar boven. Op een afstand van twaalf kilometer zagen wij flauw kaap St. Vincent, het zuidwestelijk uiteinde van het Iberische schiereiland. De wind woei vrij sterk uit het zuiden. De zee stond hol, en deed den Nautilus sterk slingeren. Het was bijna onmogelijk om op het plat te blijven staan, daar groote golven er telkens overheen sloegen. Wij gingen dus naar beneden, na een goeden voorraad versche lucht te hebben ingeademd. Ik ging naar mijn kamer, en Koenraad naar zijn hut, maar Ned Land volgde mij met een afgetrokken gelaat. Onze snelle reis door de Middellandsche Zee had hem niet in staat gesteld zijn voornemen ten uitvoer te brengen en hij ontveinsde zijn teleurstelling maar weinig. Toen hij de deur had gesloten, ging hij zitten en zag mij zwijgend aan.

"Vriend Ned," zei ik, "ik begrijp je, maar je hebt je niets te verwijten. De gedachte aan de vlucht zou een groote dwaasheid geweest zijn, nu de Nautilus zoo vreeselijk snel voorwaarts ging."

Ned Land antwoordde niet; zijne gesloten lippen en gefronste wenkbrauwen duidden genoegzaam aan, dat maar éen gedachte hem bezig hield.

"Komaan," zei ik, "niets is nog verloren; wij varen de kust van Portugal langs. Frankrijk en Engeland zijn niet ver meer verwijderd, en daar kunnen wij immers ook heen vluchten? Als de Nautilus, buiten de straat van Gibralter komende, zich naar het zuiden had gewend, als hij ons mee had gesleept naar de streken, waar bijna geen land te vinden is, dan zou ik even teleurgesteld zijn als jij; maar nu weten wij, dat kapitein Nemo de zeeën der beschaafde natiën niet ontvlucht, en binnen weinige dagen geloof ik wel, dat je met volle zekerheid kunt handelen."

Ned Land keek mij nog strakker aan, en opende eindelijk den mond.

"Van avond!" zei hij.

Ik stond plotseling op; ik was, ik moet het bekennen, weinig voorbereid op zulk een mededeeling; ik had den Amerikaan willen antwoorden, doch ik kon geen woord uitbrengen.

"Wij waren overeengekomen een gelegenheid af te wachten," vervolgde Ned Land. "Die gelegenheid heb ik nu; van avond zullen wij maar eenige kilometers van de Spaansche kust verwijderd zijn; de nacht is donker, de wind is west; ik heb uw woord, mijnheer Aronnax, en ik reken op u."

Daar ik bleef zwijgen, stond de Amerikaan op en naderde mij.

"Van avond om negen uur," fluisterde hij; "ik heb Koen gewaarschuwd. Dan zal de kapitein waarschijnlijk in zijn kamer en naar bed zijn; de machinisten en matrozen kunnen ons niet zien; Koenraad en ik zullen naar de hoofdtrap gaan: gij, mijnheer Aronnax, zult een paar schreden afstands in de bibliotheek wachten op ons teeken. De riemen, de mast en de zeilen zijn al in de sloep; ik heb er zelfs eenige levensmiddelen in kunnen brengen; ook heb ik mij van een sleutel meester gemaakt om de bouten los te schroeven, die de boot aan den Nautilus verbinden. Alles is dus gereed. Tot van avond."

"De zee staat hol," zei ik.

"Dat is waar," antwoordde Ned, "maar dat moet men wagen. De vrijheid is wel wat waard; bovendien, de boot is sterk, en eenige kilometers met een goeden wind beteekenen niets. Wie weet of wij morgen geen honderd kilometer ver in zee zijn? Als de omstandigheden ons begunstigen, zullen wij tusschen tien en elf uur ergens aan wal stappen of dood zijn. God behoede u dus, en tot van avond!"

Daarop ging hij heen, en liet mij versuft zitten; ik had mij verbeeld, dat als het geval eens daar was, ik den tijd zou hebben om te overdenken, en de zaak te bepraten. Mijn koppige makker liet mij daarvoor geen tijd, en wat zou ik hem ook gezegd hebben? Ned Land had honderdmaal gelijk; het was nu een vrij goede gelegenheid, en hij maakte er gebruik van. Kon ik mijn woord intrekken en de verantwoordelijkheid op mij laden van uit geheel persoonlijke belangen de toekomst mijner makkers in de waagschaal te stellen? Kon morgen de kapitein ons niet in volle zee, ver van alle land, met zich voeren?

Op dat oogenblik gaf mij een vrij sterk geruisch te kennen dat de vergaarbakken van den Nautilus vol liepen en wij weer in de diepte daalden.

Ik bleef in mijn kamer, omdat ik den kapitein wilde ontwijken, die in mijn oog en op mijn gelaat de ontroering niet mocht lezen, die zich van mij had meester gemaakt. Ik bracht dus een treurigen dag door, geslingerd tusschen de begeerte om mijne vrijheid terug te krijgen, en het leedwezen dezen wonderbaarlijken Nautilus te verlaten, zonder mijn onderzeesche studiën voleindigd te hebben. Ik zou dus dien Oceaan vaarwelzeggen, zonder er de diepten van te hebben nagespoord, zonder ook hier de geheimen te hebben ontdekt, welke de Indische en Groote Oceaan mij hadden ontvouwd! Mijn roman viel mij reeds bij het eerste deel uit de handen, mijn droom werd op het schoonste oogenblik afgebroken! Welke onaangename uren gingen er voorbij; dan zag ik mij met mijn makkers aan wal, dan weer wenschte ik tegen het gezond verstand in, dat eenige onvoorziene omstandigheden het plan van Ned Land in duigen mochten doen vallen.

Tweemaal ging ik naar den salon om het kompas te raadplegen, ten einde te zien of de Nautilus de kust bleef naderen, of er zich van verwijderde. Maar neen: de Nautilus bleef altijd bij de Portugeesche kust; hij voer steeds naar het noorden. Wij moesten er dus partij van trekken en ons voor de vlucht gereed houden; mijn bagage was niet zwaar, niets dan mijn aanteekeningen.

Ik vroeg mij zelven af wat kapitein Nemo wel van onze ontsnapping zou denken, welke ongerustheid, welk leedwezen deze hem misschien zou veroorzaken, en wat hij doen zou, ingeval hem ons plan bekend werd, of het mislukte! Ik had mij ongetwijfeld niet over hem te beklagen; integendeel. Nimmer werd gastvrijheid gulhartiger aangeboden dan de zijne; doch als ik hem verliet, kon ik toch niet van ondankbaarheid worden beschuldigd, want geen eed verbond ons aan hem. Hij rekende alléén op den drang der omstandigheden, niet op ons woord, om ons voor altijd aan hem te verbinden; hij had ronduit bekend, dat hij ons altijd gevangen zou houden, en dit rechtvaardigde ons voornemen.

Ik had den kapitein sedert ons bezoek aan het eiland Santorino niet terug gezien. Zou het toeval ons voor mijn vertrek nog bij elkander brengen? Ik begeerde en ik vreesde het te gelijk. Ik luisterde of ik hem niet in zijn hut, naast de mijne hoorde loopen, doch geen geluid trof mijn oor; zijn hut moest ledig zijn.

Toen vroeg ik mij zelven af of die vreemde man wel aan boord was. Sedert dien nacht, waarin de sloep den Nautilus had verlaten om die geheimzinnige reis te doen, waren mijn denkbeelden te zijnen opzichte wel eenigszins gewijzigd. Ik dacht dat kapitein Nemo, wat hij ook mocht zeggen, met het bewoonde land nog wel in eenige betrekking zou staan. Verliet hij nooit den Nautilus? Weken waren soms voorbij gegaan, dat ik hem niet gezien had. Wat deed hij in dien tijd, en bedreef hij geen daden, waarvan ik den aard niet kon gissen, terwijl ik nog altijd meende dat hij een eeuwigen haat aan het menschdom had gezworen? Duizenden gedachten van dien aard bestormden mij. Het veld mijner veronderstellingen moest zich uitbreiden in de omstandigheden, waarin ik mij bevond: ik voelde mij zeer onaangenaam: ik dacht dat aan den dag geen einde zou komen. De uren sloegen te langzaam voor mijn ongeduld.

Mijn middagmaal werd mij, als naar gewoonte, in mijn kamer gebracht. Ik at slecht, daar ik veel te afgetrokken was. Ik ging te zeven uur van tafel. Honderd twintig minuten--ik telde ze--scheidden mij nog van het oogenblik, dat ik met Ned Land zou meegaan. Mijn angst verdubbelde, mijn pols sloeg hevig: ik kon niet op mijn plaats blijven zitten. Ik liep heen en weer, omdat ik daardoor de onrust van mijn gemoed hoopte te doen bedaren. Het denkbeeld in onze gewaagde onderneming niet te slagen was de minste mijner zorgen, maar de gedachte ons plan ontdekt te zien vóór wij den Nautilus verlaten hadden, en gebracht te worden voor den toornigen, of, wat nog erger was, den door onze vlucht treurigen kapitein, dat deed mijn hart hevig kloppen.

Ik wilde den salon een laatste maal weerzien; ik ging door de gang, en kwam in het museum, waar ik zoo vele aangename en nuttige uren had doorgebracht. Ik bekeek al die rijkdommen, al die schatten, als iemand die den volgenden dag in levenslange ballingschap wordt weggevoerd, of die vertrekt om niet weer terug te komen. Die wonderen der natuur, die meesterstukken der kunst, tusschen welke ik reeds zoovele dagen mijns levens sleet, zou ik voor altijd verlaten. Ik zou nog eens door de glazen van den salon in het water van den Oceaan hebben willen zien, maar de wanden bleven vast gesloten, en een ijzeren plaat scheidde mij van de zee, die ik nog niet kende.