# 20.000 Mijlen onder Zee: Westelijk Halfrond

## Part 5

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/20-000-mijlen-onder-zee-westelijk-halfrond-11393/index.md

Den volgenden dag, 11 Februari, werd de kombuis van den Nautilus nogmaals van lekker wildbraad voorzien; een vlucht zeezwaluwen sloeg op den Nautilus neer; het was een soort zwaluw, die bijzonder in Egypte te huis behoort, met zwarten bek, grijzen en gespikkelden kop, met witte vlekjes om het oog, met grijzen rug, vleugels en staart, witte borst en buik en roode pootjes. Ook vingen wij eenige dozijnen Nijleenden, wilde vogels met sterken smaak, wier kop en hals wit met zwarte vlekken zijn.

De snelheid van den Nautilus was toen middelmatig. Hij vorderde maar langzaam; ik merkte op, dat het water der Roode zee hoe langer hoe minder zout werd, naarmate wij Suez naderden.

Tegen vijf uur 's avonds waren wij op de hoogte van kaap Ras Mohammed; zij vormt het uiteinde van Steenachtig Arabië, en ligt tusschen de golven van Suez en Akabah.

De Nautilus voer de straat van Jubal binnen, die ons in de golf van Suez brengen moest. Ik zag duidelijk een hoogen berg, die boven de kaap uitstak; het was de Horeb en de Sinaï op wiens top Mozes God van aangezicht tot aangezicht had gezien, en dien men steeds voorstelt als door bliksemstralen omhuld.

Om zes uur ging de Nautilus, dan eens op, dan onder het water, voorbij Tor, dat achter in een baai ligt, welker water rood gekleurd schijnt, zooals de kapitein reeds gezegd had. Toen viel de nacht in te midden van een doffe stilte, somtijds slechts afgebroken door het geschreeuw van den pelikaan, of van eenigen nachtvogel, of door het geluid van de branding tegen de rotsen en het verwijderd gerucht van een stoomboot, die de golven met raderen of schroef doorkliefde.

Van acht tot negen uur bleef de Nautilus eenige meters diep onder water. Volgens mijn berekening moesten wij zeer dicht bij Suez zijn; door de ramen van den salon zag ik de rotsen, die door ons electrisch licht helder werden beschenen; het was alsof het zeewater hoe langer hoe nauwer werd.

Kwart voor negen kwam het schip weer boven. Ik ging op het plat. Ongeduldig om door den tunnel te komen, kon ik niet lang stil blijven staan, en ademde de frissche zeelucht in. Weldra bemerkte ik in de duisternis een klein lichtje, dat dof door den nevel schijnend, op een kilometer voor ons zichtbaar was.

"Een drijvende vuurbaak!" zei een stem naast mij. Ik keerde mij om en herkende den kapitein.

"Het is het drijvend licht van Suez," zei hij: "wij zullen nu spoedig aan den ingang van den tunnel zijn."

"Die ingang moet niet gemakkelijk wezen?"

"Neen, mijnheer. Ook ben ik gewoon dan zelf aan het roer te gaan. Als gij nu naar beneden wilt, mijnheer Aronnax, dan kan de Nautilus in zee duiken, om niet eer weer aan de oppervlakte te verschijnen vóór wij den tunnel door zijn."

Ik volgde den kapitein. Het luik ging dicht; de waterbakken werden gevuld, en het vaartuig zonk ongeveer tien meter onder de golven. Toen ik naar mijn kamer wilde gaan, hield Nemo mij staande.

"Zeg eens, mijnheer de professor," zet hij, "zoudt gij mij gaarne in den stuurstoel willen vergezellen?"

"Ik durfde het u niet te vragen," antwoordde ik.

"Kom maar mee, dan zult gij al het mogelijke van deze onderzeesche vaart zien."

De kapitein bracht mij naar de middeltrap; halverwege opende hij een deur, volgde een bovengang, en kwam in den stuurstoel, die zooals men weet aan het einde van het plat boven in het vaartuig lag.

Het was een hut van zes voet in het vierkant, ongeveer zooals de stuurlieden aan boord van de stoombooten op de Mississippi en den Hudson hebben. In het midden stond een vertikaal rad, dat ingreep in de takels van het roer, dat tot achter onder den Nautilus reikte. Vier groote lenzen, in de vier zijden van de hut aangebracht, lieten den stuurman naar alle zijden vrijen uitkijk.

De hut was donker, maar weldra was ik aan de duisternis gewoon, en toen zag ik ook den stuurman, een krachtig man, die de velgen van het rad vasthield. Buiten de hut was de zee helder verlicht door de lantaarn, die achter den stuurstoel, aan de andere zijde van het plat stond.

"Nu gaan wij den doorgang zoeken," zei kapitein Nemo.

Electrische draden verbonden den stuurstoel met de machinekamer en van daar kon de kapitein aan zijn Nautilus dus zoowel richting als beweging geven. Hij drukte op een metalen knop en aanstonds werd de snelheid verminderd.

Ik beschouwde in stilte den hoogen en steilen rotsmuur waar wij langs voeren; wij volgden dien gedurende een uur en bleven er in den regel slechts een paar meter van verwijderd. De kapitein hield het oog geen enkel oogenblik afgewend van het kompas, dat in een ring aan den zolder hing; op een enkel teeken veranderde de stuurman elk oogenblik de richting van den Nautilus. Ik zat bij het glas aan bakboordzijde, en zag prachtige koralen, zoöphyten, zeegrassen, schaaldieren, die hunne lange pooten uit de spleten der rots staken, enz.

Kwart over tienen nam de kapitein zelf het stuurrad in handen. Een breede, donkere en diepe galerij opende zich voor ons; de Nautilus liep die stoutmoedig binnen. Ik hoorde langs de wanden van het schip een ongewoon geraas, het was het water van de Roode Zee, dat door den hellenden tunnel naar de Middellandsche Zee stroomde. De Nautilus volgde pijlsnel dien stroom, niettegenstaande de inspanning der machine, die de schroef in omgekeerde richting deed werken.

Op de muren van den nauwen doorgang zag ik niets dan schitterende en vurige strepen, door het electrisch licht en de snelheid van de vaart voortgebracht. Mijn hart klopte hevig; ik hield de handen tegen de borst gedrukt.

"Vijf minuten over half elf gaf de kapitein het stuurrad weer over, en zich naar mij wendend, zei hij:

"De Middellandsche Zee!"

In minder dan twintig minuten was de Nautilus, door den stroom medegesleept, onder de landengte van Suez doorgevaren.

HOOFDSTUK XXX

De Grieksche Archipel.

Den volgenden dag, 12 Februari, kwam de Nautilus bij het krieken van den dag weer boven. Ik haastte mij naar het plat. Op drie kilometer zuidwaarts van ons zag ik den vagen omtrek der kust van Pelusium; een stroom had ons van de eene zee naar de andere gevoerd; maar die tunnel, reeds moeielijk om af te varen, moest onmogelijk op te varen zijn.

Tegen zeven uur kwamen Ned en Koenraad weer bij mij; de beide onafscheidelijke vrienden hadden stil geslapen, zonder zich met de heldendaden van den Nautilus te bemoeien.

"Welnu, mijnheer de natuurkenner," vroeg de Amerikaan op spottenden toon, "waar is nu de Middellandsche Zee?"

"Wij varen op haar oppervlakte, vriend Ned."

"Wat," vroeg Koenraad, "van nacht?..."

"Jawel, van nacht zijn wij in eenige minuten onder de onovergankelijke landengte heengevaren."

"Ik geloof er niets van," antwoordde de Amerikaan.

"Gij hebt ongelijk, Ned," hernam ik; "de lage kust, daar in het zuiden zichtbaar, is de Egyptische kust."

"Vertel dat aan anderen, mijnheer," zei de stijfhoofdige Amerikaan.

"Maar als de professor het toch verzekert," bevestigde Koenraad, "moet je mijnheer gelooven."

"Bovendien, Ned, kapitein Nemo heeft mij zijn tunnel leeren kennen, en ik was bij hem in de hut van den stuurman, toen hij zelf den Nautilus door dezen nauwen doorgang stuurde."

"Hoor je het, Ned?" zei Koenraad.

"En jij, die zulke goede oogen hebt, Ned," voegde ik er bij, "kunt de havenhoofden van Port-Said zien, die ver in zee vooruitsteken."

De Amerikaan keek nauwkeurig toe.

"Inderdaad," zei hij, "gij hebt gelijk, mijnheer de professor, en uw kapitein is een baas; wij zijn waarachtig in de Middellandsche Zee; goed, laat ons dus nu eens over onze zaken spreken, maar dat vooral niemand ons hoore!"

Ik zag wel waar de Amerikaan heen wilde; in allen gevalle achtte ik het beter er over te praten, omdat hij het begeerde, en wij gingen met ons drieën bij de lantaarn zitten, waar wij minder gevaar liepen door den golfslag bespat te worden.

"Welnu, Ned, nu luisteren wij naar u," zei ik; "wat hebt gij te vertellen?"

"Wat ik u te vertellen heb is dood eenvoudig," antwoordde de Amerikaan; "wij zijn in Europa, en voordat de luimen van kapitein Nemo ons naar de Poolzeën of den Grooten Oceaan terugvoeren, wil ik den Nautilus poetsen."

Ik beken, dat dergelijke gesprekken met Ned Land mij altijd in verlegenheid brachten. Ik wilde de vrijheid mijner makkers op geenerlei wijze beletten, doch ik verlangde nog volstrekt niet den kapitein te verlaten. Door toedoen ven hem en zijn vaartuig vermeerderde ik dagelijks mijn kennis van de zee, en ik bewerkte mijn boek over de diepte in dit element zelf. Zou ik ooit zulk een gelegenheid weer vinden, om de wonderen van den Oceaan te kunnen aanschouwen? Neen, zeker niet! Ik kon mij dus niet vereenigen met het denkbeeld den Nautilus vaarwel te zeggen, voordat ik den kring mijner onderzoekingen over den geheelen omtrek der aarde voltooid had.

"Vriend Ned," zeide ik, "antwoord mij eens openhartig; verveelt gij u aan boord? Hebt j' er spijt van dat het lot je in de macht van kapitein Nemo heeft gebracht?"

De Amerikaan zweeg eenige oogenblikken; toen sloeg hij de armen over elkander en zei: "Eerlijk gesproken, heb ik geen berouw van die onderzeesche reis; ik ben in mijn schik ze meegemaakt te hebben; maar nu ik haar gemaakt heb, moet er ook een einde aan komen; zoo denk ik er over."

"Er zal een eind aan komen, Ned."

"Waar en wanneer?"

"Waar? dat weet ik niet. Wanneer? kan ik ook niet zeggen, doch ik veronderstel dat deze reis zal eindigen, als de zee ons niets meer leeren kan. Al wat in deze wereld een begin heeft, moet noodwendig ook een einde hebben."

"Ik denk als mijnheer," voegde Koenraad er bij, "en het is zeer licht mogelijk dat, na alle zeeën van den aardbol doorkruist te hebben, de kapitein ons allen drie ons afscheid geeft."

"Ja wel," zei de Amerikaan, "of de volle laag."

"Overdrijf nu niet, meester Land," hernam ik. "Wij hebben niets van den kapitein te vreezen, maar ik deel ook niet in het gevoelen van Koenraad. Wij kennen het geheim van den Nautilus, en ik denk niet dat de kapitein, door ons de vrijheid te schenken, er gemakkelijk toe zal overgaan dat geheim door ons wereldkundig te maken."

"Maar wat verwacht gij dan?" vroeg Ned.

"Dat er zich omstandigheden zullen voordoen, waarvan wij kunnen en moeten gebruik maken, en dat evengoed over zes maanden als thans."

"'t Zou wat!" zei Ned Land. "En waar zullen wij over zes maanden zijn, mijnheer de natuuronderzoeker?"

"Misschien hier of misschien bij China. Je weet het, dat de Nautilus een groote snelheid bezit; hij doorklieft het water als een vogel de lucht; hij vreest geen druk bezochte zeeën. Wie zegt je dat hij de kusten van Frankrijk, Engeland of Amerika niet zal naderen, waar wij ten minste even goed een vlucht kunnen beproeven als hier?"

"Mijnheer Aronnax," antwoordde de Amerikaan, uw redeneering rust op verkeerden grondslag. U spreekt in het toekomende: "dan zullen wij hier of daar zijn!" maar ik spreek in het tegenwoordige; "wij zijn hier en wij moeten daarvan gebruik maken."

Ik werd door de logica van Ned Land in het nauw gebracht, en ik voelde dat ik op dat punt geslagen werd. Ik wist niet meer, welke bewijsgronden ik voor mijn stelling moest aanvoeren.

"Mijnheer," hervatte Ned, "veronderstellen wij eens het onmogelijke, dat namelijk de kapitein u heden de vrijheid aanbood, zoudt gij die aannemen?"

"Ik weet het niet," antwoordde ik.

"En als hij er bijvoegde dat het aanbod, dat u heden gedaan werd, nimmer weer herhaald zou worden, zoudt gij dat aannemen?"

Ik antwoordde niet.

"En wat denkt vriend Koen er van?" vroeg Ned Land.

"Vriend Koen," antwoordde deze bedaard, "heeft niets te zeggen. Evenals zijn meester en zijn vriend Ned, is hij ongehuwd. Vrouw, kinderen en bloedverwanten wachten in zijn vaderland niet op hem. Hij is in dienst van mijnheer, hij denkt als mijnheer, hij spreekt als mijnheer, en tot zijn spijt behoeft men op hem niet te rekenen om een meerderheid te verkrijgen. Er zijn dus maar twee personen: mijnheer aan den eenen en Ned Land aan den anderen kant. Nu hij dit gezegd heeft, luistert vriend Koen weer toe en is gereed de aanteekeningen er bij te maken."

Ik moest onwillekeurig glimlachen, toen ik Koenraad zijn persoon zoo geheel hoorde wegcijferen; de Amerikaan echter moest blijde zijn hem niet tegen zich te hebben.

"Welnu, mijnheer," zei Ned Land, "omdat Koenraad dus niet bestaat kunnen wij met ons beiden de zaak afhandelen. Ik heb gesproken, u hebt geluisterd: wat hebt u te antwoorden?"

Ik moest noodwendig een beslissing nemen, en uitvluchten stuitten mij tegen de borst.

"Vriend Ned," zei ik, "ziehier mijn antwoord: Je hebt gelijk en mijn bewijzen houden tegenover de uwe geen steek. Gij moet op den goeden wil van kapitein Nemo niet rekenen; de voorzichtigheid verbiedt hem ons de vrijheid terug te geven; derhalve gebiedt deze deugd ons om van de eerste de beste gelegenheid om den Nautilus te verlaten, gebruik te maken."

"Goed, mijnheer Aronnax, dat is verstandig gesproken."

"Slechts éen opmerking," zei ik, "een enkele: de gelegenheid moet goed zijn; onze eerste poging om te vluchten moet gelukken; want doet zij het niet, dan zullen wij de gelegenheid waarschijnlijk nooit weer krijgen, en kapitein Nemo zal het ons niet vergeven."

"Dat is alles heel juist," antwoordde de Amerikaan; "maar uw opmerking is toepasselijk op elke poging om te ontvluchten, hetzij die plaats hebbe over twee jaar of over twee dagen. Derhalve blijft altijd de vraag deze: als een gunstige gelegenheid zich voordoet, moet men er van gebruik maken?"

"Juist; en zul je me nu eens zeggen, Ned, wat je door een gunstige gelegenheid verstaat?"

"Deze: dat de Nautilus wel in een somberen nacht kort bij eenige Europeesche kust komt."

"En zou je dan met zwemmen je trachten te redden?"

"Ja, als wij dicht genoeg bij de kust waren en de Nautilus aan de oppervlakte dreef; doch zeker niet als wij te ver van land waren en het vaartuig onder water voer."

"En wat zou je in dit geval doen?"

"Dan zou ik trachten me van de sloep meester te maken: ik weet ermee om te gaan; wij gaan er binnen in zitten en als wij de ijzeren bouten er uit hebben geschroefd, rijzen wij naar de oppervlakte, zonder dat zelfs de stuurman onze vlucht zou bemerken."

"Goed, Ned, loer dus op die gelegenheid; maar vergeet niet, dat een mislukking ons verderf zou zijn."

"Ik zal dit niet vergeten, mijnheer!"

"En wil je nu weten, Ned, wat ik over je plan denk?"

"Graag, mijnheer Aronnax."

"Welnu, ik denk, (ik zeg niet: ik hoop) dat deze gunstige gelegenheid zich nimmer zal voordoen."

"Waarom niet?"

"Omdat de kapitein zich niet ontveinzen kan, dat wij niet alle hoop hebben opgegeven om onze vrijheid te herkrijgen, en dat hij wel op zijn hoede zal zijn, vooral als wij in het gezicht der Europeesche kust varen."

"Ik denk zooals mijnheer," zei Koenraad.

"Wij zullen wel eens zien," antwoordde Ned Land, die met een vastberaden gelaat het hoofd schudde.

"En nu, Ned," voegde ik er bij, "zullen wij verder er over zwijgen: geen woord meer er over. Den dag waarop je gereed zult zijn, zul je ons waarschuwen en wij volgen je. Ik verlaat mij geheel op je."

Dit gesprek, dat later zulke zwaarwichtige gevolgen hebben moest, eindigde hiermede. Ik moet nu bekennen, dat de gebeurtenissen mijn voorspelling, tot groote teleurstelling van den Amerikaan, schenen te bevestigen. Wantrouwde de kapitein ons in die druk bevaren zeeën, of wilde hij zich slechts onttrekken aan het oog der tallooze schepen van allerlei natiën, die de Middellandsche Zee doorkliefden? Ik weet het niet, maar meestentijds bleef hij onder water en ver van de kust. De Nautilus kwam soms slechts even boven, zoodat de uitkijk van den stuurman ternauwernood uit het water stak, of wij voeren op groote diepte, daar wij tusschen den Griekschen archipel en Klein-Azië zelfs op 2000 meter den bodem niet konden bereiken.

Zoo wist ik niet anders dat wij het eiland Carpathos, een van de Sporaden, langs voeren, dan door het vers van Virgilius, dat kapitein Nemo aanhaalde toen hij met den vinger op de kaart wees:

"Est in Carpathio Neptuni gurgite vates, Coeruleus Proteus...."

Het was inderdaad de gewezen verblijfplaats van Proteus, den ouden herder der kudden van Neptunus, thans het eiland Scarpanto, tusschen Rhodus en Creta. Ik zag door het raam van den salon alleen de granietrotsen, waarop het rust.

Den volgenden dag, 14 Februari, besloot ik eenige uren te besteden aan het bestudeeren van de visschen uit dien archipel; maar om de een of andere reden bleven de wanden vast gesloten. Toen ik naging op welke hoogte de Nautilus zich bevond, merkte ik op, dat wij naar Candia voeren. Op het oogenblik dat ik mij op de Abraham Lincoln had ingescheept, was dit geheele eiland in opstand gekomen tegen de Turksche overheersching; maar ik wist volstrekt niet wat er van dien opstand tot heden toe geworden is, terwijl de kapitein, die geen gemeenschap met het land onderhield, mij het zeker niet zou hebben kunnen zeggen.

Ik zinspeelde dus in het geheel niet op deze gebeurtenis, toen ik dien avond met hem alleen in den salon was. Bovendien kwam het mij voor dat hij stil was en afgetrokken. Toen gaf hij, tegen zijn gewoonte, bevel om de wanden open te schuiven, en hij liep van het eene glas naar het andere, om het water nauwkeurig te beschouwen. Waarom? Ik kon het niet raden, en ik hield mij enkel bezig met de visschen te beschouwen, die ons voorbij zwommen. Ik zag onder anderen drie centimeter lange cheilonen, kleine visschen met doorschijnende schubben, loodkleurig en met roode vlekjes; zij eten veelal zeeplanten, waardoor zij een uitstekenden smaak hebben; die vischjes waren bij de lekkerbekken te Rome zeer gezocht; hunne ingewanden met zeeslakkenmelk, pauwenhersens en papegaaientongetjes klaar gemaakt, vormden den goddelijken schotel, die Vitellius in verrukking bracht. Een andere zeebewoner uit deze streken bracht mij de oudheid nogmaals in herinnering. Het was de remora, die zich aan den buik der haaien vasthecht en zóó medezwemt; volgens het beweren der ouden kon deze kleine visch, als hij zich aan de kiel van een schip hechtte, het in de vaart tegenhouden, en toen een van deze dieren in den slag van Actium het schip van Antonius tegenhield, maakte het daardoor de verovering voor Augustus gemakkelijk. Waarvan hangt toch dikwijls het lot der volken af!

Mijn oogen konden zich van al die wonderen der zee niet afwenden, toen ik door een onverwachte verschijning werd getroffen.

Midden in zee verscheen plotseling een man, een duiker, die een klein leeren zakje aan zijn gordel droeg. Het was geen lijk, dat met den stroom voortdreef, het was een levend mensch, die met krachtige hand voortzwom, en nu en dan verdween, om aan de oppervlakte adem te scheppen, doch aanstonds weer naar beneden dook. Ik keerde mij met bewogen stem tot den kapitein: "Een man een drenkeling!" riep ik, "wij moeten hem redden!" De kapitein antwoordde niet en kwam bij het raam. De man zwom naar ons toe, drukte het gelaat tegen het glas en keek ons aan. Tot mijn groote verbazing gaf de kapitein hem een teeken; de duiker gaf met een wenk antwoord, steeg onmiddellijk naar boven en kwam niet weer terug.

"Verontrust u niet," zei de kapitein. "Het is Nikolaas van kaap Matapan, de Visch bijgenaamd. Hij is op al de Cycladen goed bekend; een voortreffelijk duiker! Het water is zijn element, en hij leeft er meer in dan op het land, want hij gaat onophoudelijk van het eene eiland naar het andere, tot zelfs naar Kreta."

"Kent gij hem, kapitein?"

"Waarom niet, mijnheer?"

Toen de kapitein dit gezegd had, ging hij naar een kast, dicht bij het linker raam van den salon. Bij dit meubel zag ik een met ijzer beslagen kist staan, op wier deksel een koperen plaat was bevestigd met het opschrift: "Mobilis in mobile."

Zonder op mijn tegenwoordigheid te letten, opende de kapitein de kast; het was een soort geldkist die een groot aantal gouden staven bevatte. Waar kwam dat kostbaar metaal vandaan? Waar haalde de kapitein het en wat zou hij er mee doen?

Ik zei geen woord, ik keek slechts toe. Kapitein Nemo nam de staven éen voor éen en schoof ze geregeld in een kist, die hij er geheel mede vulde. Ik hield het er voor, dat deze meer dan duizend kilogrammen goud bevatte, dat is te zeggen voor ongeveer drie millioen franken.

De kist werd goed gesloten, en de kapitein schreef er een adres op met Grieksche letters. Toen dit gedaan was, drukte hij op een knop, die door middel van een draad gemeenschap had met het verblijf der equipage. Er verschenen acht man, die niet zonder veel moeite de kist uit den salon droegen; toen hoorde ik dat zij die met takels de groote trap optrokken.

Op dit oogenblik wendde kapitein Nemo zich tot mij:

"En gij zeidet, mijnheer de professor?" vroeg hij.

"Ik zei niets, kapitein."

"Dan wensch ik u een goeden nacht, mijnheer," en daarop verliet hij den salon. Ik ging, zooals men denken kan, zeer nieuwsgierig naar mijn kamer. Ik zocht verband tusschen de verschijning van den zwemmer en die met goud gevulde kist. Weldra voelde ik aan eenige slingering, dat de Nautilus uit de diepte naar boven kwam en aan de oppervlakte dreef. Toen hoorde ik op het plat loopen; ik begreep, dat men de sloep los maakte en in zee bracht; een oogenblik stiet zij tegen den Nautilus en toen was alles stil. Twee uren daarna hoorde ik weer hetzelfde geraas en hetzelfde geloop. De sloep werd aan boord geheschen en vastgeschroefd, waarna de Nautilus weer in de diepte zonk.

Derhalve waren die schatten aan hun adres bezorgd. Waar en wie was de zaakgelastigde van den kapitein?

Den volgenden dag vertelde ik aan Ned en Koenraad wat er dien nacht gebeurd was en mijn nieuwsgierigheid zeer had opgewekt. Mijn makkers waren niet minder verbaasd dan ik.

"Maar waar haalt hij die millioenen van daan?" vroeg Ned Land. Daarop kon ik geen antwoord geven. Ik ging na het ontbijt naar den salon en zette mij aan het werk; ik bleef tot vijf uur zitten schrijven. Of ik het aan mijn lichaamstoestand moest toeschrijven wist ik niet, doch ik voelde op dat oogenblik een groote hitte, zoo zelfs, dat ik mijn bovenkleed moest uitdoen. Ik begreep er niets van, want wij waren op geen hooge breedte, en bovendien kon de Nautilus, die op vrij groote diepte voer, geen hinder hebben van hooge temperatuur. Ik keek eens op den manometer; deze wees een diepte van twintig meter, waar dus de warmte van den dampkring niet meer kon doordringen.

Ik ging voort met mijn werk, doch de hitte werd bijna onverdraaglijk.

"Zou er brand aan boord zijn?" vroeg ik mij zelven af.

Ik wilde den salon verlaten, toen kapitein Nemo binnentrad; hij ging naar den thermometer, keek dien na en zei:

"Twee-en-veertig graden."

"Dat merk ik, kapitein," antwoordde ik; "en als die warmte nog toeneemt, zullen wij die niet meer kunnen verdragen."

"Och, mijnheer, die warmte zal niet vermeerderen, als wij het niet willen."

"Kunt u die dan naar willekeur regelen?"

"Neen, maar ik kan mij van het punt verwijderen waar zij ontstaat."

"Komt zij dan van buiten?"

"Zonder twijfel; wij varen in een stroom van kokend water."

"Is het mogelijk?" riep ik uit.

"Kijk maar."

De wanden openden zich, en ik zag dat het water om den Nautilus geheel wit was. Zwaveldampen ontwikkelden zich in de zee, die als in een ketel kookte. Ik hield mijn hand tegen het glas, doch dit was zóo heet, dat ik de hand terugtrok.

"Waar zijn wij?" vroeg ik.

"Bij het eiland Santorino, mijnheer de professor," antwoordde de kapitein, "en juist in het kanaal dat Nea-Kameni van Palea-Kameni scheidt. Ik heb u het zonderling schouwspel van een onderzeesche vulkanische uitbarsting willen doen zien."

"Ik dacht," zei ik, "dat de vorming van deze nieuwe eilanden afgeloopen was."

