20.000 Mijlen onder Zee: Westelijk Halfrond

Part 4

Chapter 4 3,994 words Public domain Markdown

Visschen waren er zeer talrijk; sommige soorten zeer merkwaardig. Die, welke door den Nautilus met haak en lijn werden gevangen, bijv. de rog, waaronder de gemarmerde, met blauwachtige vlekken en dubbel getanden staart, die met zilverkleurigen rug, die met een punt-staart en vinnen ter grootte van een paar meter, de tandelooze, de haaiachtige en kraakbeenachtige, tot de familie der roggen behoorende; voorts koffervisschen (osiraciou), waaronder de drommedaris met een bultvormig uitwas; uitloopende in een omgebogen stekel van anderhalven voet lengte; ook nog palingen met zilverkleurigen staart, blauwachtigen rug en bruine borstvinnen met grijs omboord; lipvisschen en een menigte andere zeedieren.

Den 9den Februari dreef de Nautilus in het breedste gedeelte der Roode zee, dat tusschen Suakin op de west- en Ghunfuda op de oostkust, ter breedte van 190 kilometer gevonden wordt. Nadat de zonshoogte genomen was, kwam de kapitein op het plat, waar ik mij op dat oogenblik bevond. Ik besloot bij mij zelven hem niet weer naar beneden te laten gaan, voordat ik iets meer van zijn verdere plannen wist. Toen hij mij zag, kwam hij naar mij toe, bood mij een sigaar aan en zei: "Welnu, mijnheer de professor, hoe vindt gij de Roode zee? Hebt gij de wonderen goed bekeken die zij bevat, de visschen en zoöphyten, de sponsenbedden en koraalbosschen? Hebt gij de steden op de kust kunnen zien?"

"Ja, kapitein," antwoordde ik, "en de Nautilus heeft die studie wonderwel bevorderd: het is een verstandig schip."

"Zeker, mijnheer, verstandig, stoutmoedig en onkwetsbaar; het is niet bevreesd voor de vreeselijke stormen, stroomen of klippen dezer zee."'

"Deze zee wordt inderdaad als een van de onstuimigste opgegeven, en indien ik mij niet bedrieg, dan stond zij in de oudheid in den slechtsten reuk."

"Afschuwelijk, mijnheer Aronnax; de Grieksche en Latijnsche geschiedschrijvers spreken niet in haar voordeel, en Strabo zegt, dat zij vooral zeer onstuimig is in den tijd van de zomerwinden en van de regens. De Arabische schrijver Edrisi verhaalt, dat tal van groote schepen op de zandbanken te gronde gingen, en dat niemand het waagde er 's nachts te varen. Het is, zooals hij zegt, een zee, waar de vreeselijkste orkanen heersenen, vol onherbergzame eilanden, en die noch in de diepte, noch op hare oppervlakte iets goeds oplevert. Zoo is toch de door Arrianus, Agatharchides en Artimidorus uitgedrukte meening.

"Men ziet het wel," antwoordde ik, "dat de geschiedschrijvers niet aan boord van den Nautilus geweest zijn."

"Zonder twijfel," antwoordde de kapitein lachend, "en in dat opzicht zijn de nieuwere schrijvers niet veel verder dan de oude. Er zijn eeuwen noodig geweest om de kracht van den stroom na te gaan; wie weet of men over honderd jaar wel een tweeden Nautilus zien zal! De wetenschap vordert slechts langzaam, mijnheer Aronnax."

"Zeker," antwoordde ik, "gij zijt met uw vaartuig een eeuw vooruit, misschien wel meer dan éen. Hoe ongelukkig, dat zulk een uitvinding met den uitvinder moet te gronde gaan!"

De kapitein gaf geen antwoord; na eenige minuten zwijgens hernam hij; "Gij spraakt van de meening der oude geschiedschrijvers over de gevaren, waarmee de vaart over de Roode zee vergezeld gaat?"

"Ja," antwoordde ik, "maar was hun vrees niet overdreven?"

"Ja en neen, mijnheer Aronnax," zei de kapitein, die de Roode zee nauwkeurig scheen te kennen. "Wat nu niet meer gevaarlijk is voor nieuwere goed gebouwde schepen, die zich door stoomkracht naar willekeur kunnen bewegen, was het wel voor alle soort van vaartuigen der ouden. Stel u die zeevaarders der oudheid voor in hun schuiten, wier planken met palmvezels aan elkander genaaid, met gesmolten hars gebreeuwd, en met zeehondenvet besmeerd waren. Zij hadden geen instrumenten om hun richting waar te nemen, en zij voeren maar op de gis, te midden van hun geheel onbekende stroomen. Onder zulke omstandigheden moesten schipbreuken dikwijls voorkomen; maar in onzen tijd hebben de stoombooten, die tusschen Suez en Indië dienst doen, niets meer van de stormen in deze zee te vreezen. Gezagvoerders en reizigers brengen voor hun vertrek geen zoenoffers meer, en als zij terugkomen, gaan zij niet meer met kransen en linten getooid, den goden in den eersten den besten tempel danken voor hun behouden aankomst."

"Ik stem dit toe, want de stoom schijnt de dankbaarheid in het hart der zeelieden te hebben uitgedoofd. Maar kapitein, daar gij deze zee bijzonder schijnt bestudeerd te hebben, zult gij mij misschien wel kunnen zeggen hoe haar naam ontstaan is?"

"Hiervoor zijn verschillende uitleggingen, mijnheer. Wilt gij de meening van een kronijkschrijver uit de 14de eeuw weten?"

"Gaarne."

"Die phantast beweert, dat die naam er aan gegeven werd na den doortocht der Israëlieten, toen de Egyptische Pharao was omgekomen in de golven, welke zich op Mozes' bevel over hem sloten; 'ten teeken van dit wonder,' zegt hij, 'werd de zee rood en vermiljoen, en men noemt haar sedert dien tijd niet anders dan de Roode zee.'"

"Dat is een dichterlijke verklaring, kapitein, maar daar ben ik niet mee tevreden. Ik vraag u dus hoe gij zelf er over denkt?"

"Ik geloof, mijnheer Aronnax, dat men in die benaming de vertaling zien moet van het Hebreeuwsche woord 'Edom' en als de ouden haar dien naam gaven, was het om de bijzondere kleur van het water."

"Tot nog toe heb ik echter enkel helder water, zonder eenige bijzondere kleur gezien."

"Zonder twijfel; maar als gij verder de zee inkomt, zult gij die zonderlinge tint opmerken. Ik herinner mij de golf van Suez bij Tor geheel roodgekleurd te hebben gezien, even alsof het een meer met bloed was."

"En schrijft gij die kleur aan mikroskopisch fijn zeewier toe?"

"Ja, het is een purperkleurige slijmachtige stof, voortgebracht door kleine plantjes, waarvan er 40.000 noodig zijn om een kubieken millimeter te vullen. Misschien zult gij er wel zien, als wij bij Tor komen."

"Het is dus de eerste maal niet, kapitein, dat gij met den Nautilus in de Roode zee komt?"

"Neen, mijnheer."

"Omdat gij straks gesproken hebt van den doortocht der Israëlieten en de vernietiging van het Egyptische leger, wilde ik van u wel eens weten of gij onder water de sporen van dit groot geschiedkundig feit ook herkend heb?"

"Neen, mijnheer de professor, en dit om een goede reden."

"Welke?"

"Omdat de plaats, waar Mozes met zijn volk is doorgetrokken, zoo verzand is, dat de kameelen er ter nauwernood tot aan de knieën door het water gaan. Gij begrijpt, dat mijn Nautilus er dus geen vaarwater vinden kan."

"En die plaats?" vroeg ik.

"Die plaats is een weinig boven Suez gelegen, in den zeearm, die vroeger een diepen inham vormde, toen de Roode zee zich nog tot aan de Bittermeren uitstrekte. Of die doortocht een wonder is geweest of niet, zeker is het dat de Israëlieten daar doorgetrokken zijn om het Heilige land te bereiken, en dat het leger van den Egyptischen koning juist op die plek is omgekomen. Ik geloof dus, dat, als men in dat zand ging graven, men een groote menigte Egyptische wapenen en werktuigen zou vinden."

"Dat is duidelijk," antwoordde ik, "en het is voor de oudheid-kenners te hopen, dat men vroeg of laat die opgravingen zal beginnen, wanneer na de doorgraving der landengte van Suez hier nieuwe steden zullen verrijzen. Voor vaartuigen als de Nautilus is het een zeer ondoelmatig kanaal!"

"Zeker, maar nuttig voor de geheele wereld; de ouden hadden het wel begrepen, dat het in het belang van hun handel zou zijn om de Roode en Middellandsche Zeeën met elkander te verbinden; doch zij dachten er niet aan een regelrecht kanaal te graven en zij gebruikten daarvoor gedeeltelijk den Nijl. Waarschijnlijk werd met het kanaal, dat deze rivier met de Roode zee verbindt, een aanvang gemaakt onder Sesostris, ten minste als men de overlevering gelooven mag. Zeker is het dat in 615 v. Chr. Necho een kanaal begon te graven, dat door het oostelijkste deel van Egypte gaande, met Nijlwater zou gevoed worden. Men kon dit kanaal in vier dagen opvaren, en het was zoo breed, dat twee roeischepen elkander gemakkelijk konden voorbijkomen. Het werd door Darius Hystaspes voortgezet en waarschijnlijk onder Ptolemaeus II voltooid. Strabo zag het gebruiken, maar de zwakke helling tusschen het punt van aanvang bij Bubastis en de Roode zee, maakte het slechts gedurende eenige maanden van het jaar bevaarbaar. Dit kanaal diende tot op den tijd van de Antonijnen voor den handel; verlaten, verzand en later hersteld op last van kalif Omar, werd het in 761 of 762 door kalif Ahnansor onbevaarbaar gemaakt, omdat hij wilde beletten, dat men levensmiddelen zou brengen naar Mohammed Ben Abdullah, die tegen hem in opstand was. Gedurende den tocht naar Egypte vond uw generaal Bonaparte de sporen dezer werken in de woestijn van Suez, en door den vloed overvallen, was hij bijna omgekomen, voordat hij Hadjaroth had kunnen bereiken, waar Mozes 3500 jaren vóór hem zijn legerkamp had opgeslagen."

"Welnu, kapitein, wat de ouden niet hebben durven ondernemen, de verbinding tusschen de beide zeeën, waardoor de weg van Marseille naar Indië 9000 kilometer korter zal worden, dat heeft de Lesseps gedaan en binnen kort zal hij Afrika tot een groot eiland gemaakt hebben."

"Ja, mijnheer Aronnax, gij hebt reden om op uw landgenoot fier te zijn. Hij is een man die eene natie meer tot eer verstrekt dan de grootste veldheeren. Hij had, evenals vele anderen, met moeielijkheden en tegenstand te kampen, maar hij heeft gezegevierd, want hij bezat een vasten wil. Het is treurig als men bedenkt dat dit werk, dat door alle natiën te zamen had moeten ondernomen worden, en dat voldoende zou geweest zijn om de regeering van een vorst beroemd te maken, slechts gelukt is door de geestkracht van een enkel man; eere zij dus aan de Lesseps!"

"Ja, eere aan dien grooten burger," antwoordde ik, verwonderd over den toon waarop kapitein Nemo gesproken had.

"Ongelukkig," hernam hij, "kan ik u niet door het Kanaal van Suez brengen; maar gij kunt overmorgen de lange havenhoofden van Port-Said zien, als wij in de Middellandsche zee zijn."

"In de Middellandsche zee?"

"Ja, mijnheer; verwondert u dat?"

"Het verwondert mij dat wij er overmorgen reeds zullen zijn."

"Zoo?"

"Ja, kapitein, hoewel ik mij eigenlijk over niets meer verwonderen moest sedert ik bij u aan boord ben."

"Maar waarom verwondert het u?"

"Over de ijzingwekkende snelheid, waarmede de Nautilus om Afrika zal moeten varen, om overmorgen in de Middellandsche zee te zijn!"

"En wie zegt u dat wij om Afrika heengaan, mijnheer de professor?

"Wie spreekt er van om langs de Kaap de Goede Hoop te varen?"

"Althans als de Nautilus niet over land of over de landengte heengaat...."

"Of er onder door, mijnheer Aronnax.

"Er onder door?"

"Zonder twijfel," antwoordde de kapitein bedaard. "Sedert lang heeft de natuur onder de landengte gevormd, wat de menschen er boven op maken."

"Hoe! bestaat er een doortocht?"

"Ja een onderaardsche doorgang, waaraan ik den naam van Arabischen tunnel gegeven heb. Deze begint even beneden Suez en eindigt in de golf van Pelusium."

"Maar de landengte bestaat enkel uit beweegbaar zand?"

"Tot op zekere diepte; maar op vijftig meter vindt men reeds een onwrikbaren rotsgrond."

"En hebt gij dien doorgang bij toeval ontdekt?" vroeg ik hoe langer zoo meer verbaasd.

"Door toeval en redeneering, of eigenlijk nog meer door de laatste dan door het eerste."

"Ik luister, kapitein, doch kan het haast niet gelooven."

"Och, mijnheer! 'zij hebben ooren en hooren niet,' zal ten allen tijde waar blijven. Niet alleen bestaat die doorgang, doch ik ben er verscheiden malen doorgegaan. Zonder dat zou ik mij nu niet in de Roode zee gewaagd hebben."

"Ben ik ook onbescheiden, als ik u vraag hoe gij dien tunnel ontdekt hebt?"

"Mijnheer," antwoordde mij de kapitein, "er kan geen geheim bestaan tusschen menschen, die elkander niet meer verlaten moeten."

Ik lette schijnbaar niet op dit gezegde en wachtte op het verhaal van den kapitein.

"Het is de redeneering van een natuuronderzoeker, mijnheer de professor," zei hij, "die mij er toe gebracht heeft dezen doorgang te ontdekken, welken ik alleen ken. Ik had opgemerkt dat er in de Roode en Middellandsche Zeeën een zeker aantal van volkomen dezelfde vischsoorten gevonden werd. Toen ik hiervan zeker was, vroeg ik mij af of er geen gemeenschap tusschen de beide zeeën bestond. Zoo ja, dan moest de onderaardsche stroom noodwendig van de Roode naar de Middellandsche Zee gaan, omdat het peil der beide zeeën verschilt. Ik ving dus een groot aantal visschen in den omtrek van Suez, deed hun een koperen ringetje aan den staart, en wierp ze toen weer in zee. Eenige maanden daarna ving ik aan de kust van Syrië eenige van die visschen met zulk een ring. De gemeenschap tusschen de beide zeeën was dus bewezen. Ik zocht haar met mijn Nautilus, ik ontdekte die, waagde mij er in, en weldra, mijnheer de professor, zult ook gij door den Arabischen. tunnel gevaren zijn."

HOOFDSTUK XXIX

De Arabische Tunnel.

Dienzelfden dag deelde ik aan Koenraad en Ned Land het gedeelte van het gesprek mede, dat hun belang kon inboezemen. Toen ik hun vertelde dat wij binnen twee dagen in de Middellandsche Zee zouden zijn, klapte Koenraad in de handen, maar de Amerikaan trok de schouders op.

"Een onderzeesche tunnel!" riep hij uit, "een gemeenschap tusschen de beide zeeën! Wie heeft daar ooit van gehoord?"

"Vriend Ned," zei Koenraad, "hadt gij ooit van den Nautilus hooren spreken? Neen! En toch bestaat die. Trek dus niet zoo lichtvaardig de schouders op, en twijfel niet aan de dingen, onder voorwendsel dat gij er nooit van hebt hooren spreken."

"Wij zullen wel eens zien!" antwoordde Ned Land, het hoofd schuddende. "Maar ik zou niets liever dan aan dien doortocht gelooven; de Hemel geve dat hij ons inderdaad in de Middellandsche Zee brenge!"

Denzelfden avond dreef de Nautilus op 21° 30' N.B. aan de oppervlakte en naderde de Arabische kust. Ik zag Djeddah, de belangrijke stapelplaats voor de Egyptische. Syrische, Turksche en Indische waren; ik kon vrij duidelijk de gebouwen en de schepen langs de kaden en op de reede onderscheiden. De zon, die vrij laag stond, scheen vlak op de huizen der stad, en deed er de witheid des te meer van uitkomen. Buiten de stad duidden eenige houten en rieten hutten verblijf het der Bedouïnen aan.

Weldra verdween Djeddah uit het gezicht en de Nautilus dook weer onder het water, dat op dat oogenblik eenigszins phosphoriseerde.

Den volgenden dag, 10 Februari, verschenen verschillende schepen, die eene andere richting als wij volgden. De Nautilus zette haar tocht onder zee door, doch toen om twaalf uur, op het oogenblik dat de zonshoogte moest genomen worden, de zee verlaten was, kwamen wij weer boven.

Ik ging met Ned Land en Koenraad op het plat zitten. De oostkust was door den vochtigen mist nauwelijks zichtbaar.

Op den rand der sloep geleund, spraken wij over koetjes en kalfjes, toen Ned zijn hand uitstrekkende, zei:

"Ziet gij daar niets, mijnheer?"

"Neen, Ned," antwoordde ik, "maar gij weet wel dat ik uw oogen niet heb."

"Zie eens goed," hernam Ned, "daar aan stuurboord vóór ons uit, zoowat boven de lantaarn. Ziet gij daar geen voorwerp, dat zich schijnt te bewegen?"

"Waarlijk," zei ik, na nauwkeurig te hebben toegezien, "ik zie een lang zwartachtig lichaam op het water drijven."

"Een anderen Nautilus?" vroeg Koenraad.

"Neen," antwoordde Ned, "maar als ik mij niet sterk vergis, is het een zeedier."

"Zijn er walvisschen in de Roode Zee?" vroeg Koenraad.

"Ja, mijn jongen," antwoordde ik, "soms ontmoet men ze nog."

"Het is geen walvisch," zei de harpoenier, die het voorwerp niet uit het oog verloor. "De walvisschen en ik zijn oude kennissen, en ik zou mij daarin met bedriegen."

"Laten wij maar wachten," merkte Koenraad op; "de Nautilus gaat dien kant uit, en spoedig zullen wij zien wat het is."

Inderdaad, het zwarte voorwerp was weldra geen vier kilometer meer van ons af. Het geleek op een groote klip midden in zee. Wat was het? Ik kon het nog niet zeggen.

"O, het beweegt zich! het duikt!" riep Ned Land uit, "duizend duivels, wat is dat voor een dier? Het heeft geen gespleten staart zooals walvisschen of potvisschen en de zwemvliezen lijken op stompen."

"Maar....?" vroeg ik.

"Daar," riep de Amerikaan, "nu ligt het dier op den rug met de borsten in de lucht!"

"Het is een sirene!" zei Koenraad, een wezenlijke sirene, als mijnheer 't niet kwalijk neemt."

"De naam van sirene bracht mij op den weg, en ik begreep, dat dit beest tot die orde van zeedieren behoorde, waarvan de fabel sirenen, half vrouw en half visch, gemaakt heeft."

"Neen," zei ik tot Koenraad, "het is geen sirene, maar een zonderling beest, waarvan er ternauwernood eenige exemplaren in de Roode zee zijn overgebleven. Het is een dugong."

Ned Land's oogen schitterden van begeerte op het zien van dit dier; zijn hand scheen gereed om het te harpoenen. Men zou zelfs gezegd hebben, dat hij in zee wilde springen, om het in zijn element te bestrijden.

"O, mijnheer!" riep hij met een stem, die van aandoening beefde, "zoo iets heb ik nog nooit gedood!"

Zijn geheele ziel lag in dit woord,

Op dat oogenblik kwam kapitein Nemo op het plat. Hij zag den dugong, begreep de houding van den Amerikaan, en vroeg hem: "Als ge een harpoen hadt, meester Land, zou die u dan niet in de hand branden?"

"Zeker, mijnheer."

"En zoudt gij gaarne voor één dag uw ambacht van visscher weer opvatten, om dit dier bij de lijst te voegen van die gij reeds getroffen hebt?"

"Zeker zou ik dat graag."

Welnu, gij kunt het eens probeeren."

"Dank u, mijnheer," riep Ned Land met schitterende oogen.

"Slechts dit raad ik u," hernam de kapitein, "dat gij het dier zeker treft, en dit in uw eigen belang."

"Is zulk een dugong dan gevaarlijk?" vroeg ik, niettegenstaande het minachtend schouderophalen van Ned.

"Ja, soms," antwoordde de kapitein. "Dit dier laat zijn aanvallers niet los, het werpt hun boot om. Maar met Ned Land is dat gevaar niet te vreezen. Zijn oog is juist, zijn arm zeker. Indien ik hem aanbeveel om dien dugong niet te missen, doe ik dat, omdat het een fijn stuk wild is, en ik weet wel, dat Ned niet afkeerig is van een lekker hapje."

"Zoo," zei de Amerikaan, "veroorlooft dit dier zich ook al de weelde van lekker te zijn?"

"Ja, Ned; zijn vleesch wordt zeer gezocht, en men bewaart het in den Maleischen archipel voor vorstelijke tafels. Men jaagt dan ook zoo fel op dit uitmuntend dier, dat het, evenals zijns gelijke, de zeekoe, hoe langer zoo zeldzamer wordt.

"Als dit dier dan eens bij toeval het laatste van zijn soort was," vroeg Koenraad ernstig, "zou het dan geen zaak zijn om het in het belang der wetenschap te sparen?"

"Misschien," hervatte de Amerikaan, "doch in het belang van den kok om het te vangen."

"Doe het dan, meester Land," antwoordde de kapitein.

Op dat oogenblik kwamen zeven mannen van de equipage, zwijgend en onverschillig als altijd, op het plat. Een van hen droeg een harpoen en een lijn zooals de walvischvaarders gebruiken. De sloep werd in zee gebracht; zes roeiers namen plaats op de banken, en de zevende ging aan het roer zitten. Ned, Koen en ik namen op een achterbank plaats.

"Gaat gij niet mee, kapitein?" vroeg ik.

"Neen, mijnheer, maar ik wensch u goede vangst."

De sloep stak af en door zes riemen voortgestuwd, naderde Zij snel den dugong, die op dat oogenblik ongeveer twee kilometer van den Nautilus af was. Op eenige kabellengten van het dier gekomen, roeiden wij langzamer, en de riemen werden zoo stil mogelijk door het kalme water bewogen. Ned Land ging met zijn harpoen in de hand op de voorplecht der sloep staan. Gewoonlijk is zulk een harpoen bevestigd aan een lang touw, dat snel afgewonden wordt als het gewonde dier met een harpoen in het lichaam vlucht. Maar thans was die lijn niet langer dan tien vadem, doch aan het einde zat een klein vaatje vast, dat drijvende de plaats moest aanwijzen, waar de dugong zich onder water bevond.

Ik was opgestaan en bekeek onzen vijand nauwkeurig. Deze dugong geleek veel op een zeekoe, het lange lichaam eindigde in een zeer langen staart, en de zijvinnen hadden wezenlijke vingers aan de toppen. Het onderscheid tusschen dit dier en de zeekoe bestond daarin, dat het in de bovenkaak twee lange en puntige tanden had, welke aan elke zijde een naar buiten staand verdedigingswapen vormden. De dugong was bijzonder groot, want hij was niet minder dan zeven meter lang. Hij bewoog zich niet en scheen op het water te slapen, een omstandigheid, die de vangst veel gemakkelijker maakte.

De sloep naderde voorzichtig tot op drie vadem; de riemen bleven stil liggen; ik stond half op; Ned Land drilde een weinig achterover gebogen, zijn harpoen met geoefende hand. Plotseling snorde deze, en het dier verdween; het wapen, hoe krachtig ook geworpen, had zonder twijfel niet getroffen.

"Duizend duivels!" riep de woedende Amerikaan, "ik heb hem niet geraakt!"

"Jawel," zei ik, "het dier is gewond, daar drijft bloed; maar je wapen is hem niet in het lichaam blijven zitten."

"Mijn harpoen! mijn harpoen!" riep Ned Land.

De matrozen begonnen weer te roeien, en de stuurman richtte de boot naar het drijvende vaatje. Toen dit was opgevischt, begonnen wij het dier weer te vervolgen. Dit kwam van tijd tot tijd boven om adem te halen. De wond had het niet verzwakt, want het zwom bijzonder snel. De sloep, door krachtige armen geroeid, vloog den dugong achterna. Verscheidene malen naderden wij hem tot op eenige vademen, en de Amerikaan hield zich gereed om hem te treffen, maar het beest dook dan plotseling, zoodat het onmogelijk was het te bereiken.

Men begrijpe de woede van Ned Land. Hij wierp het ongelukkige dier de krachtigste Amerikaansche vloeken naar den kop. Wij vervolgden het een uur lang, en ik begon te gelooven, dat het moeielijk zou zijn het te vangen, toen de dugong op het noodlottig denkbeeld kwam zich te wreken; dit zou hem weldra berouwen. Hij snelde op de sloep aan om die aan te vallen. Dit ontging niet den Amerikaan.

"Let op!" riep hij.

De stuurman zei eenige woorden in zijn vreemde taal, en waarschuwde daarmee zijn mannen, zeker om op hun hoede te zijn. Toen de dugong op 7 meter van ons af was, hield hij stil, blies plotseling de lucht uit door zijn groote neusgaten, die niet vooraan maar boven op zijn snuit geplaatst waren, en snelde met een sprong plotseling op ons aan.

De sloep kon den schok niet vermijden; half op zij geworpen, schepte zij water, dat moest worden uitgehoosd; gelukkig was zij, dank zij de behendigheid van onzen stuurman, alleen in de schuinte en niet recht tegen een der zijden door het dier getroffen, zoodat zij niet was gekanteld. Ned Land stond altijd op de plecht en doorkerfde het reusachtig monster met harpoensteken, doch het had de tanden over den rand der sloep geslagen en lichtte deze uit het water op, zooals de leeuw een bokje zou doen. Wij werden op elkander geworpen, en ik weet niet hoe dit wel zou geëindigd zijn als de Amerikaan, die altijd nog woedend op het beest was, het eindelijk niet in het hart had getroffen.

Ik hoorde de tanden langs de ijzeren platen der sloep knarsen, en de dugong verdween met den harpoen in het lichaam. Maar weldra kwam het vaatje weer boven, en weinige oogenblikken daarna verscheen het lichaam van het dier, doch op den rug gekeerd. De boot roeide er heen, nam den dugong op sleeptouw, en keerde naar den Nautilus terug.

Men moest zware en sterke takels gebruiken om het dier op het plat te hijschen; het woog 5000 kilogram; men sneed het in tegenwoordigheid van den harpoenier in stukken, omdat deze er op gesteld was al de bijzonderheden van die bewerking te volgen. Denzelfden dag diende de hofmeester mij aan het diner eenige plakken van het vleesch van den dugong voor, dat door den kok zeer lekker was gereed gemaakt. Ik vond het uitmuntend en beter dan kalfs- zelfs rundvleesch.