# 20.000 Mijlen onder Zee: Westelijk Halfrond

## Part 18

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/20-000-mijlen-onder-zee-westelijk-halfrond-11393/index.md

Wij gingen in de bibliotheek. Op het oogenblik dat ik de deur opende, die naar de middeltrap geleidde, hoorde ik het luik plotseling toeslaan. De Amerikaan vloog de trap op, doch ik hield hem tegen. Een welbekend gesis deed ons hooren, dat het water in de vergaarbakken werd gepompt. Inderdaad, weinige oogenblikken daarna was de Nautilus eenige nieters onder het vlak der zee gezonken. Ik begreep die beweging. Het was te laat om te handelen. De Nautilus dacht er niet aan om den tweedekker in zijn ondoordringbaar pantser te treffen, maar wel onder de waterlijn, waar de metalen huid het houtwerk niet meer beschermde.

Wij waren opnieuw opgesloten en gedwongen getuigen van het treurspel dat zou aanvangen. Bovendien hadden wij nauwelijks tijd om na te denken. In mijn kamer gevlucht, keken wij elkander aan zonder een woord te spreken. Mijn geest was geheel verstomd; ik kon niet meer denken; ik was in den vreeselijken toestand, die een ontzettende uitbarsting vooraf gaat! Ik hoorde, ik luisterde; ik was geheel en al gehoor! Evenwel nam de snelheid van den Nautilus sterk toe; hij nam op die wijze zijn aanloop; het geheele vaartuig trilde. Plotseling gaf ik een schreeuw! Een betrekkelijk geringe schok had plaats. Ik voelde de doordringende kracht van de spoor; ik hoorde gekraak en geknars; maar de Nautilus, door groote kracht voortgestuwd, ging door het schip heen als een mes door een stuk deeg! Ik kon het niet langer uitstaan. Ontsteld en geheel ontdaan, vloog ik mijn kamer uit en den salon binnen. Daar was kapitein Nemo; zwijgend, somber, onverzoenlijk zag hij door het raam aan bakboordzijde. Een groote massa zonk in het water en om niets van den doodstrijd te verliezen, daalde de Nautilus met het schip naar de diepte. Op tien meter afstands zag ik de doorboorde kiel, waar het water met donderend geweld binnendrong; daarna de beide rijen geschutpoorten en de verschansingen. Het dek was vol zwarte gedaanten, die in doodsangst heen en weer liepen. Het water rees; de ongelukkigen vlogen in het want, grepen zich aan de masten vast, wrongen nog onder water de handen. Het was een menschelijk mierennest, dat plotseling door de zee werd verzwolgen!

Verstijfd van schrik, stom van angst, rezen mij de haren te berge; ik had de oogen wijd opengespalkt, haalde ter nauwernood adem, ik kon geen geluid geven en keek toe! Een onweerstaanbare aantrekkingskracht dwong mij voor het raam te blijven staan!

Het kolossale schip zonk langzaam. De Nautilus volgde het en bespiedde al zijn bewegingen; plotseling had er een ontploffing plaats. De samengeperste lucht deed het dek openbarsten, alsof de kruitkamer vuur had gevat. Het water werd zóo teruggeslagen, dat de Nautilus er door op zijde werd geduwd. Toen zonk het ongelukkige schip sneller; de masten daalden vol slachtoffers onder water, daarna de ra's, die bogen onder de menigte schepelingen, en eindelijk de top van den grooten mast. Toen verdween de sombere massa, en daarmee al de lijken, die in een ontzettend zog werden meegesleept.

Ik keerde mij naar den kapitein. De vreeselijke rechter, wezenlijke aartsengel van den haat, staarde nog altijd naar zijn slachtoffers. Toen alles gedaan was, ging kapitein Nemo naar zijn kamer en trad die binnen. Ik volgde hem met de oogen.

Op den wand, recht voor mij uit, zag ik onder de portretten zijner helden, de afbeeldsels van een nog jonge vrouw en twee kleine kinderen. Kapitein Nemo zag ze eenige oogenblikken aan, stak toen de armen er naar uit, en barstte in snikken uit, terwijl hij op zijn knieën viel.

HOOFDSTUK XLVI

De laatste woorden van Kapitein Nemo.

De ramen waren dichtgeschoven, maar het licht scheen niet weer in den salon. In het binnenste van den Nautilus heerschte stilte en duisternis. Wij verlieten deze vreeselijke plek op honderd meter onder water met een verbazende snelheid. Waar gingen wij heen? Naar het noorden of naar het zuiden? Waarheen vluchtte die man, na zulk een vreeselijke wraak te hebben genomen?

Ik was naar mijn kamer gegaan, waar ik Ned Land en Koenraad stilzwijgend bij elkander zag zitten. Ik gevoelde nu een onoverkomelijken afkeer van kapitein Nemo. Wat hij ook van de menschen te lijden had gehad, toch had hij geen recht om zóo te vergelden. Ik had mij, zoo geen medeplichtige, ten minste getuige van zijn wraak gemaakt! Dit was reeds te veel.

Om elf uur verscheen weer het electrisch licht. Ik ging in den salon; deze was verlaten. Ik raadpleegde verschillende instrumenten. De Nautilus voer naar het noorden met een snelheid van vijfentwintig kilometer in het uur, dan eens op, dan tien meter onder de zee. Op de kaart ziende, bemerkte ik dat wij door het Kanaal met een onvergelijkelijke snelheid naar de Noordzee liepen. Wij voeren zoo snel, dat ik nauwelijks de menigte visschen kon onderscheiden, tusschen welke wij doorvlogen, 's Avonds hadden wij 300 kilometer afgelegd; het werd duister en de zee was somber, totdat de maan opkwam. Ik ging naar mijn kamer, doch kon niet slapen, want ik werd door benauwde droomen gekweld; telkens kwam mij dat vreeselijk vernielingstooneel voor den geest.

Wie zou kunnen zeggen, waar ons de Nautilus in dien Oceaan sedert dat oogenblik heensleepte? Altijd met een onberekenbare snelheid! Altijd te midden van een dikken noordschen mist! Waren wij bij Spitsbergen of bij Nova Zembla? Voeren wij door onbekende zeeën, door de Witte Zee, die van Kara of de golf van Obi, langs de bijna niet bekende kust van noordelijk Azië? Ik kan het niet zeggen; ik kon den tijd die er verliep, niet berekenen; de klokken aan boord stonden stil. Het scheen, dat evenals in de poolstreken, nacht en dag elkander niet meer geregeld opvolgden. Ik voelde mij in een vreemde wereld rondvoeren; ieder oogenblik verwachtte ik een menschelijk wezen te zien verschijnen, dat grooter dan eenig sterveling, zich voor den waterval zou stellen, die den toegang tot de noordpool verhindert.

Ik reken (maar misschien bedrieg ik mij) dat deze zwerftocht van den Nautilus vijftien of twintig dagen aanhield, en ik weet niet hoe lang hij nog zou geduurd hebben, zonder het ongeluk, dat er een einde aan maakte. Er was van kapitein Nemo geen sprake meer; evenmin van zijn stuurman. Wij zagen niemand van de bemanning; de Nautilus voer bijna aanhoudend onder water; als wij boven kwamen om de lucht te ververschen, opende en sloot het luik zich als 't ware van zelf. Op de kaart werd geen enkele aanteekening meer gemaakt; ik wist niet waar wij waren.

Ik moet ook zeggen, dat de Amerikaan, die zijn krachten en geduld scheen verloren te hebben, niet meer te voorschijn kwam. Koenraad kon geen enkel woord uit hem krijgen, en vreesde dat hij in een aanval van woede, of onder den indruk van een vreeselijk heimwee, de hand aan zich zelven zou slaan. Hij bewaakte hem dus voortdurend met de grootste bezorgdheid.

Men begrijpt, dat onder die omstandigheden onze toestand niet meer houdbaar was.

Eens op een morgen (ik weet niet welke dag het was) zat ik nog zeer vroeg in droeve gepeinzen verzonken; toen ik opkeek, stond Ned Land vóór mij, en ik hoorde hem met zachte stem zeggen: "Wij zullen vluchten."

Ik stond op. "Wanneer vluchten wij?" vroeg ik.

"Van nacht. Men schijnt aan boord niet meer te waken; men zou zeggen dat ze allen verslagen zijn. Zult gij u gereed houden, mijnheer?"

"Ja, maar waar zijn wij?"

"In het gezicht van land, dat ik van morgen door den nevel heen op twintig kilometer in het oosten gezien heb."

"Welk land is het?"

"Ik weet het niet, maar wat het ook zijn moge, wij zullen er heen vluchten."

"Ja, Ned. Ja, wij zullen van nacht aan den haal gaan, al moest de zee ons ook verzwelgen."

"De zee staat hol, het waait hard, maar ik ben niet bang om twintig kilometer in de kleine sloep van den Nautilus af te leggen; zonder dat de bemanning het gemerkt heeft, heb ik er eenige levensmiddelen en een paar flesschen water in verborgen."

"Ik zal u volgen."

"Bovendien," voegde de Amerikaan er bij, "als ik overvallen word, verdedig ik mij en steek mij dood."

"Wij zullen te zamen sterven, Ned."

Ik was tot alles besloten. De Amerikaan verliet mij, ik ging naar het plat, waarop ik door den zwaren golfslag ter nauwernood kon blijven staan. De zee stond dreigend, maar omdat daar achter dien nevel land lag, moesten wij vluchten. Wij moesten geen dag, geen uur zelfs verliezen.

Ik kwam weer in den salon, waar ik tegelijk vreesde en toch verlangde om den kapitein te ontmoeten; ik wilde hem nog wel eens zien, en dan weer wilde ik dit niet. Wat zou ik hem gezegd hebben? Kon ik het onwillekeurig afgrijzen verbergen, dat hij mij inboezemde? Neen, het was beter, dat ik hem niet meer zag; het was beter hem te vergeten! En toch....

Wat duurde die laatste dag, dat ik aan boord van den Nautilus zou blijven, lang. Ik bleef alleen. Ned Land en Koenraad ontweken mij, uit vrees van zich te verraden.

Ik at om zes uur, doch had geen honger; ik deed moeite om wat te eten, hoewel het met tegenzin geschiedde, daar ik mij wilde versterken. Om half zeven kwam Ned Land in mijn kamer, en zei:

"Wij zullen elkander vóór ons vertrek niet terug zien. Om tien uur is de maan nog niet op, daarom zullen wij dan van de duisternis gebruik maken; kom dan in de sloep; Koen en ik wachten u daar."

Daarom ging de Amerikaan de deur uit, zonder mij tijd te gunnen om te antwoorden. Ik wilde eens zien in welke richting de Nautilus voer en ging naar den salon; wij liepen met verbazende snelheid naar het noord-noordoosten, op een diepte van vijftig meter.

Ik wierp een laatsten blik op al die natuurwonderen, op al die kunstschatten, welke in dit museum op elkander waren gestapeld, op de verzameling, zonder weerga, bestemd om eens in de diepte der zee te verzinken met hem, die haar gevormd had. Ik wilde een laatsten indruk van dat alles in mijn geest krijgen; zoo bleef ik een uur in den salon ronddwalen, terwijl ik, onder de stroomen van electrisch licht uit het plafond, de onder de glazen schitterende rijkdommen bekeek; toen ging ik weer naar mijn kamer. Daar deed ik dikker kleederen aan, ik verzamelde mijn aanteekeningen, en verborg die zorgvuldig. Mijn hart klopte hoorbaar. Zeker zouden mijn verwarring en onrust mij bij kapitein Nemo verraden hebben. Wat deed hij op dat oogenblik. Ik luisterde aan de deur zijner kamer. Ik hoorde iemand loopen; kapitein Nemo was daar; hij was niet naar bed gegaan. Bij elk geritsel scheen het mij toe dat hij verschijnen en mij vragen zou, waarom ik wilde vluchten. Ik was voortdurend in onrust; mijn verbeelding vermeerderde den angst; dit werd zóo sterk, dat ik mij zei ven afvroeg of het niet beter was bij den kapitein in zijn kamer te gaan, hem eens ferm onder de oogen te zien en hem met blik en gebaar te tarten!

Het was een dwaze inval, ik hield mij gelukkig in, en ging op mijn bed liggen om die onrust een weinig te doen bedaren! Langzamerhand werd ik wat kalmer, maar mijn al te opgewonden geest deed mij als 't ware mijn geheele verblijf aan boord van den Nautilus vluchtig overzien. Alle gelukkige of ongelukkige gebeurtenissen, die mij sedert mijn verdwijning van de Abraham Lincoln waren overkomen, de onderzeesche jacht, de Torresstraat, de woeste Papoea's, de stranding, het koralen kerkhof, de Arabische tunnel, het eiland Santorino, de duiker van Creta, de baai van Vigo, Atlantis, de ijsbank, de Zuidpool, de insluiting in het ijs, het gevecht met de inktvisschen, de storm in den Golfstroom, de Vengeur en het verschrikkelijk tooneel van het schip, dat met zijn geheele bemanning in den grond werd geboord!.... Al die gebeurtenissen kwamen mij achtereenvolgens voor oogen, evenals een beschilderd doek, dat achter op het tooneel voorbijschuift. Kapitein Nemo werd in mijn verbeelding ontzaglijk groot te midden van al die vreemde voorvallen. Zijn vormen werden breed, hij nam een bovenmenschelijke gedaante aan. Hij was niet meer mijns gelijke, het was de waterbewoner, de beheerscher der zeeën.

Het sloeg toen half tien; ik zat met het hoofd tusschen de handen, uit vrees dat het anders uit elkander zou barsten, en sloot de oogen. Ik wilde niet meer denken. Nog een half uur wachten. Een half uur van angst, dat mij krankzinnig kon doen worden!

Op dat oogenblik hoorde ik de akkoorden van een orgel, een treurige harmonie, als de droeve klacht eener ziel, die haar aardsche kluisters wil verbreken. Ik luisterde zoo scherp mogelijk toe, haalde nauwelijks adem, en was evenals kapitein Nemo weldra in een muzikale verrukking, die ons de wereld met al wat haar aankleeft doet vergeten. Daarna ontstelde ik door een plotseling invallende gedachte; kapitein Nemo had zijn kamer verlaten, hij was in den salon, waar ik doorheen moest om te vluchten. Daar zou ik hem dus een laatste maal ontmoeten. Hij zou mij zien en misschien toespreken! Een beweging van hem kon mij vernietigen, een enkel woord mij aan boord kluisteren!

Ondertusschen zou het tien uur slaan, het oogenblik was gekomen waarop ik mijn kamer verlaten, en mij bij mijn makkers moest voegen. Ik mocht niet meer aarzelen, al stond de kapitein ook vóor mij. Ik opende voorzichtig de deur, en toch dacht ik, toen zij opendraaide, dat de scharnieren een vreeselijk geweld maakten. Misschien bestond dat geraas slechts in verbeelding!

Ik sloop door de donkere gangen van den Nautilus en bleef bij eiken stap staan, om het kloppen van mijn hart te onderdrukken. Ik kwam bij de deur van den salon en opende die zachtjes; in den salon heerschte een volslagen duisternis; slechts zeer zwak klonken de tonen van het orgel; kapitein Nemo zat dáar; hij zag mij niet; ik geloof dat hij mij niet gezien zou hebben, als alles helder verlicht ware geweest, zoo geheel was hij in verrukking geraakt! Ik sloop voorzichtig over het tapijt, en paste wel op nergens tegen te stooten, daar het minste geraas mijn tegenwoordigheid had kunnen verraden. Ik had vijf minuten noodig om de deur te bereiken, waardoor ik in de bibliotheek kon komen. Ik zou deze juist openen, toen een zucht van kapitein Nemo mij als op de plaats vastnagelde. Zelfs kon ik hem even zien, daar eenige lichstralen uit de bibliotheek onder de deur doordrongen. Hij kwam met over elkander geslagen armen naar mij toe, en gleed, meer dan hij liep, zwijgend evenals een spook voorwaarts. Hij snikte nu en dan, en ik hoorde hem deze woorden mompelen (de laatste welke ik van hem vernam); "Almachtige God! Genoeg! Genoeg!"

Was dit een bekentenis van het berouwvol geweten van dien man?....

Ontsteld vloog ik de bibliotheek binnen; ik beklom de middeltrap en kwam door de bovengang bij de sloep; ik kroop er binnen door de opening, waardoor mijn twee makkers reeds heen gekomen waren.

"Vluchten! vluchten!" riep ik.

"Aanstonds!" antwoordde de Amerikaan.

De opening in het pantser van den Nautilus werd eerst gesloten; daarna de opening in de sloep, en toen begon Ned Land de schroeven los te draaien, welke ons nog aan het onderzeesche vaartuig vasthechtten.

Plotseling hoorde wij daarbinnen een rumoer. Luide stemmen gaven elkander antwoord. Wat was er gebeurd? Had men onze vlucht bemerkt? Ik voelde dat Ned Land mij een dolk in de hand stopte.

"Ja!" mompelde ik, "wij zullen weten te sterven."

De Amerikaan hield met zijn werk op, maar een twintigmalen herhaald, een verschrikkelijk woord deed mij de oorzaak van het rumoer kennen, dat aan boord van den Nautilus heerschte. Het was niet op ons, dat haar bemanning het gemunt had!

"De Maalstroom! de Maalstroom!" werd er geroepen.

De Maalstroom! Verschrikkelijker naam in vreeselijker toestand kon ons zeker niet in de ooren klinken. Waren wij dan op die gevaarlijke plek aan de kust van Noorwegen? Werd de Nautilus naar dien afgrond gesleept op het oogenblik dat wij de sloep zouden losmaken?

Men weet, dat op het oogenblik van den vloed, het water dat tusschen de eilanden Ferroë en de Loffoden opeengedrongen is, met onweerstaanbaar geweld voortstroomt; het vormt een draaikolk, waar nimmer een schip uit is kunnen komen. Van alle kanten stroomen monsterachtige groote golven aan; zij vormen den afgrond, die den juisten naam draagt van "navel van den Oceaan," en wiens aantrekkingskracht zich nog op een afstand van vijftien kilometer laat gevoelen. Daar worden schepen, ja zelfs walvisschen en ijsberen uit de poolzeeën in meegesleept.

Hierheen was nu de Nautilus (misschien wel met opzet) door den kapitein heengevoerd en beschreef een spiraal waarvan de kringen al kleiner en kleiner werden; de sloep, die nog vast zat, werd met duizelingwekkende snelheid meegevoerd. Ik voelde het, ik ondervond de onaangename gewaarwording, die het gevolg is van een langdurig draaiende beweging. Wij waren vreeselijk ontsteld, en onze angst zoo hoog mogelijk geklommen. Het bloed stolde ons in de aderen, onze zenuwen waren gespannen, het koude zweet brak ons uit! Wat vreeselijk geweld rondom onze sloep; welk geloei, dat de echo zeker eenige kilometers ver herhaalde! Welk getier maakte het water, als het tegen de scherpe rotspunten op den bodem aansloeg, waarop zelfs de hardste voorwerpen verbrijzeld worden. Welk een toestand! Wij werden vreeselijk heen en weer geslingerd. De Nautilus verdedigde zich als een mensch: de stalen banden en platen kraakten; soms verhief hij zich weer, en wij met hem!

"Houd u goed vast!" riep Ned; "ik zal de schroeven weer aanzetten. Als wij aan den Nautilus vastblijven, kunnen wij misschien nog gered worden....!"

Nauwelijks had hij dit gezegd, of een vreeselijk gekraak liet zich hooren. De schroeven braken af, en de sleep van het schip afgescheurd, werd te midden van de draaikolk als een steen weggeslingerd.

Ik sloeg met het hoofd tegen een ijzeren bout, en verloor door dien schok mijn bewustzijn.

HOOFDSTUK XLVII

Besluit.

Dit is nu het einde van onze onderzeesche reis. Wat er gedurende dien nacht gebeurde, hoe de sloep uit dien vreeseüjken Maalstroom geraakte, hoe Ned Land, Koenraad en ik uit dien afgrond gered werden, zou ik niet kunnen zeggen, doch toen ik de oogen weer opende, lag ik in de hut van een visscher, op een der Loffodeneilanden. Mijn beide makkers stonden frisch en gezond bij mij en drukten mij de handen; wij omhelsden elkander hartelijk.

Op dit oogenblik kunnen wij er nog niet aan denken om naar Frankrijk terug te keeren. De middelen van gemeenschap tusschen het noorden van Noorwegen en de zuidelijker streken zijn zeldzaam. Ik moet dus wachten totdat de boot voorbijkomt, die tweemaal in de maand geregeld naar de Noordkaap vaart.

Het is dus bij de brave lieden, die ons hebben opgenomen, dat ik het verhaal onzer lotgevallen nog eens nalees; het is nauwkeurig; geen enkel feit is vergeten, geen enkele bijzonderheid overdreven. Het is het getrouw verhaal van dien onwaarschijnlijken tocht onder een element, dat nog ontoegankelijk is voor den mensch, doch waarin de vooruitgang der wetenschap wel eenmaal den weg zal aanwijzen.

Zal men mij gelooven? Ik weet het niet. Het kan mij evenwel niet veel schelen. Wat ik nu kan bevestigen, is, dat ik recht heb te spreken over die zeeën, onder welke ik in minder dan tien maanden tijds een afstand van 80000 kilometer heb afgelegd, over die onderzeesche reis om de aarde, die mij in den Grooten en Indischen Oceaan, in de Roode en Middellandsche Zeeën, in den Atlantischen Oceaan en in de Noordelijke en Zuidelijke Ijszeeën zoovele wonderen heeft doen zien!

Maar wat is er van den Nautilus geworden? Heeft hij aan den Maalstroom kunnen weerstand bieden? Leeft kapitein Nemo nog? Vervolgt hij onder de zee zijn vreeselijke wraakoefening, of is hij met het laatste zoenoffer geëindigd? Zal de zee eens het handschrift op het strand werpen, dat de geschiedenis van zijn leven bevat? Zal ik eindelijk den naam van dien man te weten komen? Zal het gezonken schip ons door zijn herkomst ook zeggen tot welke natie kapitein Nemo behoort?

Ik hoop het. Ik wensch ook, dat zijn krachtige machine het geweld der zee, in haren vreeselijksten afgrond overwonnen heeft, en dat de Nautilus behouden is gebleven, daar waar zooveel schepen zijn vergaan! Als dit zoo is, als kapitein Nemo den Oceaan, zijn aangenomen vaderland, nog bewoont, moge dan de haat in zijn woest hart zijn uitgedoofd! Moge het aanschouwen van zooveel wonderen den geest van wraak in hem hebben vernietigd. Moge de rechter dan plaats gemaakt hebben voor den geleerde, die voortgaat de zeeën bedaard te onderzoeken! Als zijn bestemming vreemd is, dan is zij toch ook verheven. Heb ik dit niet bij ondervinding? Heb ik niet gedurende tien maanden zelf op die zonderlinge wijze geleefd? Op de vraag, die vóór zesduizend jaren door den Prediker gedaan is: "Wie heeft ooit de diepten van den afgrond kunnen peilen?" hebben nu maar twee menschen het recht te antwoorden: Kapitein NEMO en ik.

