20.000 Mijlen onder Zee: Westelijk Halfrond

Part 17

Chapter 17 4,042 words Public domain Markdown

De eerste kabel werd in 1857 en 1858 vervaardigd en gelegd; doch nadat men ongeveer 400 telegrammen had overgeseind, hield hij op te werken. In 1883 vervaardigden de ingenieurs een nieuwen kabel van 3400 kilometer lengte en 4500 ton zwaarte, en scheepten dien op de Great-Eastern in. Den 25sten Mei bevond de Nautilus zich op een diepte van 3836 meter, juist op de plaats waar deze draad gebroken was, waardoor de onderneming in duigen viel; het was op 638 kilometer van de Iersche kust. Men bemerkte 's middags te twee uur, dat de gemeenschap met Europa afgebroken was. De telegrafisten aan boord besloten den kabel af te hakken, voordat men dien opvischte, en om elf uur 's avonds hadden zij het beschadigde gedeelte weer binnen boord geheschen. Men herstelde de breuk en de kabel werd opnieuw in zee gelaten. Maar eenige dagen later brak hij weer en kon uit de diepte van den Oceaan niet weer worden opgevischt.

De Amerikanen verloren den moed niet. De moedige Cyrus Field, de drijver der geheele onderneming, die er zijn geheele fortuin aan waagde, opende een nieuwe inschrijving. Een nieuwe kabel werd met de meeste voorzorgen vervaardigd. De geleidingsdraden waren van elkander afgezonderd door gutta percha, en het geheel omwoeld met werk, dat weer door een metalen buis werd beschermd. De Great-Eastern stak 13 Juli 1866 weer in zee. Het werk ging goed, evenwel gebeurde er iets dat noodlottig had kunnen worden. Verscheidene malen hadden de ingenieurs opgemerkt, dat er kort te voren spijkers in den kabel waren geslagen, om dezen van binnen te vernielen of te bederven. Kapitein Anderson hield een vergadering met zijn officieren en ingenieurs, en daar werd besloten, dat als de schuldige aan boord werd gevat, hij zonder vonnis in zee zou geworpen worden. Sedert dat oogenblik werd de misdadige poging niet weer gewaagd.

Den 23sten Juli was de Great-Eastern nog slechts op 800 kilometer van Newfoundland, toen men uit Ierland de tijding overseinde van den wapenstilstand tusschen Pruisen en Oostenrijk, na den slag van Sadowa. Den 27sten zag men door den nevel heen de haven van Heart's Content. De onderneming was gelukkig geslaagd, en het jonge Amerika seinde naar het oude Europa het eerst déze wijze woorden, welke zoo zelden begrepen worden: "Eere zij God in de hoogste hemelen, en vrede op aarde, in de menschen een welbehagen" (Luk. II: 14).

Ik verwachtte wel dat ik den telegraafkabel niet in zijn oorspronkelijken toestand terug zou zien, zooals hij uit de fabriek gekomen was. De lange slang was bedekt met schelpen, en geheel bekleed met een korst van steenachtige kalk, haar beschermend tegen weekdieren, die er soms gaatjes in konden boren. De kabel lag stil, zonder iets te gevoelen van de beweging der zee, en onder een drukking, welke gunstig werkt op het overbrengen der electrische vonken van Amerika naar Europa in 32/100 van een seconde. De kabel kan oneindig lang duren, want men heeft opgemerkt, dat het omkleedsel van gutta-percha beter wordt door het zeewater. Bovendien ligt de kabel op dit zoo gelukkig gekozen plateau nimmer op zulk een diepte dat hij kan breken. De Nautilus volgde hem tot op de grootste diepte, 4431 meter, en daar zag ik hem nog liggen, zonder dat hij gespannen scheen te zijn. Daarop naderden wij de plaats, waar in 1863 het ongeluk met den tweeden kabel had plaats gehad.

De bodem der zee vormde daar een breede vallei van 120 kilometer, waarin men den Montblanc had kunnen plaatsen, zonder dat dan de top nog boven het vlak der zee had uitgestoken. In het oosten wordt deze vallei afgesloten door een steilen muur van 2000 meter hoog. Wij kwamen er den 28sten Mei, en de Nautilus bevond zich toen op niet meer dan 150 kilometer afstand van Ierland. Zou kapitein Nemo nog verder opwaarts varen, om in de nabijheid van Groot Britannië te komen? Neen. Tot mijn verbazing wendde hij den steven zuidwaarts, en voer weer naar de Europeesche zeeën. Een oogenblik zag ik kaap Clear en den vuurtoren der Fastnetrots, die als baken dient voor de duizenden schepen van Glasgow en Liverpool.

Een belangrijke vraag deed zich toen voor mij voor: zou de Nautilus zich in het Kanaal durven wagen? Ned Land, die weer voor den dag was gekomen, sedert wij het land waren genaderd, deed mij honderden vragen. Wat kon ik hem antwoorden? Kapitein Nemo bleef onzichtbaar. Nadat hij den Amerikaan even de kusten van zijn vaderland had laten zien, wilde hij mij misschien die van Frankrijk even toonen.

Ondertusschen voer de Nautilus steeds zuidwaarts. Op 30 Mei hadden wij Landsend en de Sorling-eilanden in het gezicht. Als Nemo het Kanaal wilde binnengaan, moest hij oostwaarts varen; doch hij deed het niet. Gedurende den 31sten Mei beschreef de Nautilus een menigte kringen, welke mij zeer nieuwsgierig maakten. Hij scheen een plaats op te zoeken, die hij slechts met moeite kon vinden. Om twaalf uur nam de kapitein zelf zonshoogte, maar zei niets; hij scheen somberder dan ooit. Wat kon hem zoo treurig stemmen? Was het de nabijheid van het Europeesche strand? Herinnerde hij zich zijn vaderland? Wat gevoelde hij dan? Berouw of smart? Lang hield mij deze gedachte bezig, en ik had als 't ware een voorgevoel, dat het toeval mij binnenkort het geheim van den kapitein zou doen ontdekken.

Den volgenden dag, 31 Mei, deed de Nautilus nog hetzelfde. Het was duidelijk dat hij een bepaald punt van den Oceaan opzocht. Kapitein Nemo kwam zonshoogte nemen, evenals hij den vorigen dag gedaan had; de zee was kalm, de hemel helder. Acht kilometer oostwaarts van ons zag ik een groot stoomschip aan den gezichteinder; het toonde geen vlag, zoodat ik niet kon zien tot welke natie het behoorde. Kapitein Nemo nam eenige minuten vóordat de zon door den meridiaan ging, zijn sextant en keek met de grootste oplettendheid; de kalmte der zee maakte zijn waarnemingen des te gemakkelijker. De Nautilus lag onbeweeglijk, en slingerde of stootte niet. Ik stond op dat oogenblik op het plat. Toen de waarneming was afgeloopen, zei de kapitein slechts:

"Hier is het!"'

Hij ging door het luik naar beneden. Had hij het stoomschip gezien, dat langzamer liep en ons scheen te naderen? Ik zou het niet kunnen zeggen. Ik kwam in den salon; de luiken gingen dicht, en ik hoorde het water in de vergaarbakken stroomen. De Nautilus begon te zakken. Eenige minuten later bleef hij op een diepte van 833 meter op den bodem der zee rusten. Het licht aan de zoldering van den salon ging uit, de ramen werden geopend, en door het glas zag ik het zeewater op een halven kilometer in de rondte sterk door onze lantaarn verlicht.

Aan bakboordzijde bespeurde ik mets als het oneindig stille water; aan stuurboord echter zag ik iets zeer groots in de hoogte steken, dat mijn aandacht trok. Men zou gezegd hebben, dat het bouwvallen waren, begraven onder een massa witte schelpen, welke deze als een sneeuwkleed overdekten. Toen ik die massa nauwkeuriger bekeek, meende ik de vormen van een schip te herkennen, waarvan de masten gedeeltelijk gebroken waren, en dat met den voorsteven het eerst moest gezonken zijn. Dit ongeluk had zeker al zeer lang geleden plaats gehad. Dit wrak, als het ware omkorst door de uit de zee afgescheiden kalk, moest daar al heel wat jaren op den bodem van den Oceaan gerust hebben. Welk schip was dit? Waarom bezocht de Nautilus dat graf? Was het dan geen schipbreuk waardoor dit schip te gronde was gegaan? Ik wist niet wat ik er van denken moest, toen ik vlak naast mij den kapitein met langzame stem het volgende hoorde zeggen:

"Vroeger heette dat schip de Marseillais; het had 74 stukken en liep in 1762 van stapel. In 1788 streed het op 13 Augustus, onder kapitein La Poype-Vertrieux, dapper tegen de Preston. Op 4 Juli 1774 woonde het met het eskader van den admiraal d'Estaing de inneming bij van Grenada; in 1781 nam het op 5 September deel aan het gevecht, door graaf de Grasse in de Chesapeakbaai geleverd. In 1794 veranderde de regeering der Fransche republiek den naam van het schip. Den 16den April van hetzelfde jaar voegde het zich te Brest bij het eskader van Villaret-Joyeuse, die in last had een konvooi met graan te begeleiden, dat onder den admiraal van Stabel uit Amerika kwam. Op 11 en 12 Februari van het jaar II ontmoette dit eskader de Engelsche schepen. Het is heden de 13de Prairial, 1 Juni 1868, mijnheer. Het is vandaag juist 74 jaar geleden, dat op deze zelfde plaats, op 47° 24' N.B. en 17° 28' O.L., dit schip na een heldhaftigen strijd zijn drie masten verloor, dat het water in het ruim binnendrong, dat een derde van de bemanning buiten gevecht gesteld was, doch dat het liever met zijn 258 zeelieden wilde zinken dan zich overgeven! De vlag werd op den achtersteven vastgespijkerd en het slagschip verdween onder de golven met den kreet: 'Leve de republiek.'"

"De Vengeur!" riep ik.

"Juist mijnheer, de Vengeur! Een schoone naam!" mompelde kapitein Nemo, terwijl hij de armen over elkander kruiste.

HOOFDSTUK XLV

Een zoenoffer.

Deze wijze van spreken, het onverwachte van dit tooneel, het kalm verhaal van het schip, dat met zijn vaderlandslievende bemanning gezonken was, de ontroering, waarmede de zonderlinge man de laatste woorden had uitgesproken, de naam van den Vengeur, welks beteekenis mij niet kon ontsnappen, alles vereenigde zich om mij te treffen. Ik had de oogen van den kapitein niet afgewend. Hij had de handen voor zich uitgestrekt en beschouwde met een vurig oog het beroemde wrak. Misschien zou ik nimmer te weten komen wie hij was, waar hij vandaan kwam en waar hij heenging; maar ik zag meer en meer den mensch zich uit den geleerde ontwikkelen. Het was geen gewone menschenhaat, die den kapitein en zijn makkers in den Nautilus hield opgesloten, maar een monsterachtige of verheven haat, dien de tijd niet kon verzwakken. Zocht deze haat zich te wreken? Dit zou de toekomst mij weldra ophelderen.

De Nautilus steeg ondertusschen weer langzaam naar de oppervlakte, en ik zag de onduidelijke vormen van den Vengeur verdwijnen. Weldra bemerkte ik door een geringe schommeling dat wij aan de oppervlakte waren. Op dit oogenblik hoorde ik een doffen knal. Ik keek den kapitein aan, deze bewoog zich niet.

"Kapitein?" vroeg ik.

Hij antwoordde niet.

Ik verliet hem en ging naar het plat, waar Koen en de Amerikaan reeds waren.

"Waar komt die knal vandaan?" vroeg ik.

Ik keek in de richting van het schip dat ik reeds had opgemerkt. Het was nabij den Nautilus gekomen en ik kon zien dat het hard aanstoomde; het was nog maar zes kilometer van ons af.

"Een kanonschot," antwoordde Ned Land.

"Als ik het tuig en de kleine masten bezie," zei de Amerikaan "dan zou ik wedden dat het een oorlogschip is. Ik wou dat het naar ons toe kwam, en dezen vervloekten Nautilus, als 't noodig was, in den grond boorde."

"Vriend Ned," zei Koenraad, "wat kan het den Nautilus voor kwaad doen? Zal dat schip ons onder water aanvallen? Zal het ons onder in zee beschieten?"

"Zeg eens, Ned," vroeg ik, "kun jij zien aan welke natie dit schip behoort?"

De Amerikaan trok de wenkbrauwen samen, kneep de oogleden op elkander en de oogen half dicht, en keek eenige oogenblikken zoo scherp als hij kon naar het schip.

"Neen, mijnheer," antwoordde hij, "ik kan het niet zien. Het heeft geen vlag in top, maar ik kan u verzekeren, dat het een oorlogschip is, want een lange wimpel waait van den grooten mast."

Gedurende een kwartier bekeken wij het vaartuig, dat naar ons toekwam. Ik kon evenwel niet gelooven, dat het op dien afstand den Nautilus had herkend, noch veel minder dus dat het wist wat dit voor een onderzeesch werktuig was. Weldra vertelde de Amerikaan mij, dat het een groote gepantserde, met een spoor gewapende tweedekker was. Een dikke rookwolk steeg uit de beide schoorsteenen op. De gereefde zeilen zaten op de ra's vastgebonden; het vertoonde geen vlag. De afstand verhinderde ons de kieur van den wimpel te onderscheiden, die als een dun lintje in de lucht wapperde. Het naderde met groote snelheid. Als kapitein Nemo het schip liet naderen, bood zich een kans tot redding aan.

"Mijnheer," zei Ned Land, "als dit schip ons op éen kilometer afstands voorbijkomt, spring ik in zee, en noodig u uit hetzelfde te doen."

Ik antwoordde niets op het voorstel van den Amerikaan, en ik ging voort met het schip te bekijken, dat zichtbaar grooter werd. Of het een Engelschman, Franschman, Amerikaan of Rus was, het is zeker, dat het ons goed zou opnemen, als wij het konden bereiken.

"Mijnheer zal zich wel willen herinneren," zei Koenraad toen, "dat wij nog al iets van zwemmen kennen. Hij kan zich op mij verlaten om hem naar dit schip te sturen, als hij het goedvindt om vriend Ned te volgen."

Ik wilde antwoorden, toen een lichte witte rookwolk uit een van de zijden van het schip te voorschijn kwam, doch eenige seconden later spoot het water door toedoen van een zwaar vallend voorwerp over de achterplecht van den Nautilus en nog iets later trof een knal mijn oor.

"Wat? schieten zij op ons!" riep ik.

"Brave lui!" mompelde de Amerikaan.

"Zij zien ons dus niet voor schipbreukelingen aan op een vlot!"

"Als mijnheer het niet kwalijk neemt...."

"Mooi," riep Ned, terwijl hij het water van zich afschudde, waarmee een nieuwe kogel hem bespat had.

"Als mijnheer het niet kwalijk neemt, hebben zij den eenhoorn herkend, en zij schieten op hem!"

"Maar zij kunnen toch zien, dat zij met menschen te doen hebben," antwoordde ik.

"Het is misschien juist daarom!" hernam Ned Land, terwijl hij mij aankeek.

Het werd in mijn geest plotseling helder; zonder twijfel wist men nu waaraan men zich met het bestaan van het zoogenaamde monster houden moest. Zonder twijfel had kapitein Farragut van de Abraham Lincoln, toen hij er zoo dicht bij was en de Amerikaan er met den harpoen naar wierp, gezien dat de eenhoorn een onderzeesch schip was, dat veel gevaarlijker kon zijn dan een bovennatuurlijk zeemonster. Ja, zoo moest het zijn en overal vervolgde men nu zonder twijfel dit verschrikkelijk vernielingswerktuig.

Het was inderdaad verschrikkelijk als kapitein Nemo, zooals men wel veronderstellen kon, den Nautilus gebruikte als een werktuig tot wraakoefening. Had hij ook in dien nacht, toen hij ons in den Indischen Oceaan in onze hut opsloot, geen schip aangevallen? Was die op het koralen kerkhof begraven man geen slachtoffer geweest van een schok door den Nautilus teweeggebracht? Ja, ik herhaal het; zoo moest het zijn. Een deel van het geheimzinnig leven van kapitein Nemo werd daardoor ontsluierd. En indien men al niet kon ontdekken wie hij was, dan vervolgden de tegen hem verbonden natiën niet meer een denkbeeldig wezen, maar een man, die hun een onverzoenlijken haat had gezworen.

Het geheele vreeselijk verleden kwam mij weer voor den geest. In plaats van vrienden op het naderend schip te ontmoeten, konden wij er alleen vijanden zonder genade op aantreffen.

Ondertusschen regende het kogels rondom ons. Eenige troffen slechts even de oppervlakte der zee, en sprongen dan op opzettenden afstand weg. Maar geen enkele trof den Nautilus. Het gepantserde vaartuig was nog maar drie kilometer van ons af. Niettegenstaande het hevig kanonvuur verscheen de kapitein niet op het plat, en als toch een van die kegelvormige kogels den Nautilus vlak op een der platen getroffen had, zou dit noodlottig hebben kunnen worden.

Toen zei de Amerikaan:

"Mijnheer, wij moeten alles beproeven om uit dien ellendigen toestand te geraken. Laten wij seinen geven! Duizend duivels, men zal misschien dan toch begrijpen dat wij eerlijke lieden zijn!"

Ned Land nam zijn zakdoek om er mee in de lucht te zwaaien; doch nauwelijks had hij dien ontplooid, of een ijzeren hand wierp hem, niettenstaande Neds verbazende sterkte, tegen den grond.

"Ellendeling!" riep de kapitein, "wil je dan dat ik je op de spoor van den Nautilus vastspijker, voordat ik dat schip aangrijp?"

Kapitein Nemo was vreeselijk om aan te hooren, doch nog verschrikkelijker om aan te zien. Zijn gelaat was doodsbleek van woede; zijn oogen waren verschrikkelijk samengetrokken; hij sprak niet meer, hij brulde; hij stond daar voorover gebukt en drukte den Amerikaan bijna in elkander. Eindelijk liet hij hem los, en zich naar het oorlogschip wendend, waarvan de kogels om hem heen regenden, riep hij met krachtige stem:

"O, je weet wie ik ben, vervloekt schip, ik heb je vlag niet te zien en te herkennen! Zie, ik zal je de mijne toonen!" En kapitein Nemo ontrolde voor op het plat een zwarte vlag, gelijk aan die, welke hij aan de Zuidpool geplant had.

Op dit oogenblik raakte een kogel het bekleedsel van den Nautilus, echter zonder het te beschadigen, en sprong dicht bij den kapitein terug in zee. Deze trok de schouders op en zei toen kortaf tegen mij:

"Ga naar beneden met uw makkers!"

"Mijnheer!" riep ik, "wilt gij dit schip aanvallen?"

"Ik ga het in den grond boren, mijnheer."

"Dat zult gij niet."

"Ik zal het wel doen," antwoordde de kapitein koeltjes. "Krijg het niet in uw hoofd, om mij te beoordeelen, mijnheer. Het noodlot toont u iets, wat gij niet moest zien. De aanval is begonnen, de verdediging zal verschrikkelijk zijn. Ga naar binnen."

"Welk schip is het?"

"Weet gij dat niet? des te beter, dan zal ten minste de herkomst er van een geheim voor u blijven. Ga naar beneden!"

Wij konden niets anders doen dan gehoorzamen. Een vijftiental matrozen van den Nautilus omringden den kapitein en beschouwden het naderend vaartuig met een onverzoenlijk gevoel van haat. Men begreep, dat dezelfde dorst naar wraak hen allen bezielde; ik ging naar beneden! op het oogenblik dat een nieuwe kogel weer op den Nautilus afsprong, en hoorde den kapitein roepen:

"Schiet, dwaas vaartuig! Verspil nutteloos je kogels! Je zult aan de spoor van den Nautilus niet ontsnappen. Maar hier moet je niet te gronde gaan! Ik wil niet dat je wrak op dezelfde plaats ligt als dat van den roemrijken Vengeur!"'

Ik ging weer naar mijn kamer; de kapitein en de stuurman waren op het plat gebleven. De schroef werd in beweging gebracht en de Nautilus verwijderde zich met groote snelheid, om buiten het bereik der kogels te komen. Doch de vervolging duurde voort, en kapitein Nemo vergenoegde zich toen met den afstand in het oog te houden.

Tegen vier uur des namiddags kon ik het ongeduld en de onrust, die mij kwelden, niet meer bedwingen, en ik ging naar de middeltrap. Het luik stond open, ik waagde mij op het plat. De kapitein liep er in ontroering heen en weer. Hij keek naar het schip, dat op vijf of zes kilometer onder den wind van ons afbleef. Hij draaide er als een wild dier omheen, en het oostwaarts achter zich aanlokkend, liet hij zich vervolgen. Evenwel viel hij niet aan; misschien aarzelde hij nog. Ik wilde een laatste poging aanwenden; maar nauwelijks had ik den mond opengedaan, of hij legde mij het zwijgen op, door te zeggen: "Ik ben de rechtvaardigheid, ik ben het recht! Ik ben de verdrukte, daar is de onderdrukker! Daardoor is al wat ik heb liefgehad, bemind en geëerd, vernietigd; vaderland, vrouw, kinderen, vader en moeder! Al wat ik haat is daar vóor mij. Zwijg dus!"

Ik wierp een laatsten blik op het schip, dat de snelheid vermeerderde. Daarna ging ik weer naar Koenraad en Ned Land.

"Wij zullen vluchten!" zei ik.

"Goed," antwoordde Ned! "maar wat is het voor een schip?"

"Ik weet het niet; maar waar het ook vandaan zij, vóór middernacht is het in den grond geboord. In allen gevalle is het beter met dit schip te zinken, dan deelgenooten te zijn van een wraak, waarvan wij de billijkheid niet kunnen beoordeelen!"

"Zoo denk ik er ook over," antwoordde Ned Land bedaard. "Wij moeten den nacht afwachten."

De nacht kwam. Er heerschte doodelijke stilte aan boord. Het kompas deed ons zien, dat de Nautilus niet van richting veranderd was. Ik hoorde het geraas van de schroef, die zich met groote regelmatigheid bewoog. Het vaartuig bleef op de oppervlakte, en een lichte deining deed het heen en weder schommelen. Mijn makkers en ik hadden besloten om te vluchten, op het oogenblik dat het schip dicht genoeg bij was, hetzij om ons te hooren, hetzij om ons te zien, want de maan, die over drie dagen vol moest zijn, stond helder aan den hemel. Als wij maar eerst aan boord van het schip waren, zouden wij, als wij den slag, waar het mede bedreigd werd, niet konden afwenden, alles doen wat in ons vermogen stond en de omstandigheden ons zouden veroorloven. Verscheidene malen meende ik dat de Nautilus zich gereed maakte tot den aanval, maar hij vergenoegde zich met zijn vijand te laten naderen, en dan zette hij na weinige oogenblikken zijn vlucht voort.

Een gedeelte van den nacht ging voorbij, zonder dat er iets voorviel. Wij loerden op een gelegenheid om ons plan te volbrengen. Wij spraken weinig, want wij waren te ontroerd. Ned Land had wel in zee willen springen. Ik dwong hem te wachten. Volgens mijn gevoelen zou de Nautilus den tweedekker op de oppervlakte aanvallen, en dan ware het niet alleen mogelijk, maar zelf gemakkelijk om te vluchten. Om drie uur 's morgens ging ik vol ongerustheid naar het plat; kapitein Nemo had het niet verlaten; hij stond overeind, voorop, bij zijn vlag, welke een zacht koeltje boven zijn hoofd deed wapperen. Hij verloor het schip niet uit het oog. Zijn buitengewoon scherpe blik scheen het aan te trekken, te begoochelen, en zekerder met zich mee te sleepen, dan dat hij het op sleeptouw had. De maan was toen op haar grootste hoogte. Jupiter kwam in het oosten op. Te midden van die stille natuur wedijverden lucht en zee in kalmte, en de nachtvorstin liet haar stralen schitteren in den schoonsten spiegel, waarin hare stralen ooit weerkaatst hadden. En als ik dacht aan deze kalmte der elementen, en deze vergeleek met al den hartstocht en gramschap, die in den onbegrijpelijken Nautilus waren opgesloten, dan voelde ik een rilling door mijn leden gaan.

Het schip bleef op twee kilometer afstands. Het was naderbij gekomen, altijd vooruitstoomende in de richting van dien lichtglans, die de tegenwoordigheid van den Nautilus aanduidde. Ik zag het groene en roode seinlicht der stoomboot, en de helderwitte lantaarn, die aan den fokkemast hing. Het tuig werd door den maneschijn slechts flauw in zee teruggekaatst, en ik kon zien, dat het de vuren vreeselijk opstookte. Een menigte vonken, stukjes brandende kool, vlogen uit de schoorsteenen als sterren door de lucht.

Ik bleef tot zes uur 's morgens op het plat, zonder dat de kapitein mij scheen gezien te hebben. Het schip hield op anderhalven kilometer achter ons, en met het krieken van den dag opende het opnieuw zijn kanonvuur. Het oogenblik kon niet ver meer af zijn, dat de Nautilus zijn vijand zou aanvallen en mijn makkers en ik den man, dien ik niet durfde beoordeelen, voor altijd zouden verlaten. Ik wilde naar beneden gaan, om hen te waarschuwen, toen de stuurman op het plat kwam; verscheiden matrozen kwamen mee. Kapitein Nemo zag hen niet, of wilde ze niet zien. Er werden eenige toebereidselen voor het gevecht gemaakt; deze waren zeer eenvoudig. De leuning om het plat werd neergeslagen, eveneens werden de lantaarn en het uitstek van den stuurstoel naar binnengeschoven, zoodat zij niet boven het buitenkleedsel van den Nautilus uitstaken: op de oppervlakte van den langen ijzeren cylinder stak niets meer uit, wat in de beweging kon hinderen. Ik ging weer naar den salon. De Nautilus dreef altijd boven; het zeewater werd door de morgenschemering reeds eenigszins verlicht; bij de deining der golven werden de ramen van den salon van tijd tot tijd rood gekleurd door de stralen der opkomende zon. De vreeselijke dag van 2 Juni brak aan. Om vijf uur wees de log, dat de Nautilus zijn snelheid verminderde, ik begreep dat hij het stoomschip liet naderen; daarenboven konden wij de kanonschoten duidelijker hooren. De kogels vielen in het water en drongen daar met zonderling gesis in door.

"Vrienden," zei ik, "het oogenblik is gekomen, een handdruk, en God helpe ons!"

Ned Land was vastberaden, Koenraad kalm, ik zenuwachtig, ik kon mij ternauwernood inhouden.