20.000 Mijlen onder Zee: Westelijk Halfrond
Part 16
"De oorzaak is," zei ik, "dat de temperatuur van het water van den Golfstroom, als hij de golf van Mexico verlaat, bijna niet verschilt van die van ons bloed. Deze Golfstroom is een groote warmteaanbrenger, waardoor sommige kusten van Europa met een eeuwigdurend groen zijn bedekt. En als wij Maury mogen gelooven, zou deze stroom, zoo men hem geheel kon benutten, hitte genoeg opleveren, om een stroom ijzer, zoo groot als de Amazonenrivier of de Missouri, in voortdurenden staat van gloeihitte te houden."
Op dat oogenblik was de snelheid van den Golfstroom 2.25 M. per seconde. De stroom is zóo te onderscheiden van de omringende zee, dat het opeengedrongen water als het ware over dat van den Oceaan heenstroomt, en dat van den Golfstroom en het koudere zeewater ongelijk van hoogte is. Bovendien is het water donkerkleurig en sterk zouthoudend, en steekt door de zuivere indigokleur tegen het omringende groene zeewater bijzonder af. De grensscheiding tusschen dit water is zoo juist afgebakend, dat de Nautilus op de hoogte van de Carolinen met den voorsteven in den Golfstroom was, terwijl de schroef nog de golven van den Oceaan doorkliefde.
Deze stroom sleept een gansche wereld van levende wezens met zich. De argonauten, die in de Middellandsche Zee nog al eens voorkomen, zwommen er bij groote troepen. Allerhande soorten van visschen, roggen, haaien enz. spartelden verder om ons heen, en 's nachts lichtte het water van den Golfstroom zóozeer, dat het in licht met onze lantaarn wedijverden, vooral als ons stormachtig weder dreigde, zooals nog al dikwijls gebeurde.
Den 8sten Mei waren wij op de hoogte van kaap Hatteras, bij de Noordelijke Carolinen. De Golfstroom is daar 300 kilometer breed en 200 meter diep. De Nautilus bleef in het onzekere rondvaren; alle waakzaamheid scheen aan boord te zijn opgeheven. Ik moet bekennen dat onder zulke omstandigheden de vlucht kon gelukken. De bewoonde kust toch bood overal een veilig toevluchtsoord aan. De zee werd onophoudelijk doorkruist door een groot aantal stoombooten, die tusschen New-York of Boston en de golf van Mexico dienst doen, en nacht en dag bevaren door schoeners, die op de Amerikaansche kust voor kustvaart worden gebruikt. Wij konden dus wel verwachten goed te worden ontvangen. Het was derhalve een gunstige gelegenheid, niettegenstaande de dertig kilometer, die den Nautilus van de kusten der Vereenigde Staten scheidden.
Een noodlottige omstandigheid echter werkte de plannen van den Amerikaan tegen: het weder was zeer slecht; wij waren in die streken waar stormen dikwijls voorkomen en de cyclonen ontstaan, die door den Golfstroom worden veroorzaakt. Het was in een zeker verderf loopen, zich in een kleine boot op zulk een zee te wagen; Ned Land moest dit bekennen; derhalve kropte hij zijn leed op, want hij had een hevigen aanval van heimwee, waarvan de vlucht hem alleen had kunnen genezen.
"Mijnheer," zei hij eens, "daar moet een einde aan komen. Ik wil eindelijk weten waar ik mij aan te houden heb. Uw Nemo gaat hoe langer hoe verder van land af, en trekt weer naar het noorden. Doch ik verklaar u, dat ik genoeg van de Zuidpool heb en ik hem niet naar de Noordpool zal volgen."
"Wat wilt gij dan, Ned, want een vlucht is op het oogenblik toch onmogelijk?"
"Ik blijf bij mijn meening; wij moeten den kapitein er over spreken. Gij hebt niets gezegd, toen gij in de buurt van uw land waart; nu wil ik spreken, nu wij in de wateren van het mijne zijn. Als ik er aan denk dat de Nautilus over weinige dagen op de hoogte van Nieuw-Schotland zijn zal, en dat daar bij Newfoundland een groote golf gevonden wordt, waar de St. Laurens uit stroomt, en dat die St. Laurens mijn stroom is, de stroom van Quebec, mijn geboortestad; en als ik aan dat alles denk, dan stijgt mij het bloed naar het hoofd, en mijn haren rijzen te berge. Kijk, mijnheer, ik zou nog liever in zee springen dan hier blijven: ik stik!"
Het geduld van den Amerikaan was blijkbaar ten einde. Zijn krachtige natuur kon zich aan deze langdurige gevangenschap niet gewennen. Zijn gezicht veranderde bij den dag. Zijn karakter werd hoe langer hoe somberder; ik gevoelde wat hij lijden moest, want ik begon ook heimwee te krijgen. Er waren bijna zeven maanden verloopen, zonder dat wij iets van het land hadden gehoord. Bovendien begon ik de zaken op geheel andere wijze te beschouwen, nu de kapitein zich zoo afzonderde en zijn humeur, vooral sedert den strijd met de inktvisschen, zoo veranderd was. Ik gevoelde niet meer dezelfde geestdrift als in de eerste dagen. Men moest een Vlaming zijn als Koenraad, om zich in dien toestand te schikken, een toestand, die goed was voor walvisschen of andere zeebewoners. Ik geloof waarlijk, dat als die goede jongen kieuwen in plaats van longen had gehad, hij een uitstekende visch zou geweest zijn.
"Welnu, mijnheer?" hernam Ned, toen hij zag dat ik niet antwoordde.
"Welnu, Ned, wilt gij dat ik aan kapitein Nemo vraag, welke plannen hij met ons heeft?"
"Ja, mijnheer."
"En dit niettegenstaande hij het al gezegd heeft?"
"Zeker. Ik verlang een bepaalde beslissing. Spreek voor mij alleen en in mijn naam, als gij wilt."
"Maar ik ontmoet hem zelden; zelfs mijdt hij mij."
"Een reden te meer hem op te zoeken."
"Ik zal hem ondervragen, Ned."
"Wanneer?" vroeg de Amerikaan aandringend.
"Zoodra ik hem ontmoet."
"Mijnheer Aronnax, wilt gij dat ik hem ga opzoeken?"
"Neen, laat mij begaan; morgen ...,"
"Vandaag," zei Ned Land.
"Goed, vandaag zal ik hem opzoeken," antwoordde ik, daar de Amerikaan met zelf te gaan, alles zou bedorven hebben.
Ik bleef alleen. Toen de zaak beslist was, besloot ik er dadelijk een einde aan te maken. Ik heb liever dat iets achter den rug is, dan dat het nog geschieden moet. Ik kwam weer in mijn kamer; ik hoorde in die van den kapitein loopen; ik mocht dus de gelegenheid van hem te spreken te krijgen niet laten ontglippen. Ik klopte aan de deur, maar kreeg geen antwoord. Ik klopte nog eens, en draaide toen de kruk om; de deur ging open. Ik trad binnen. De kapitein zat voorovergebogen aan de tafel en had mij niet gehoord. Besloten niet heen te gaan voor ik hem ondervraagd had, naderde ik; hij hief plotseling het hoofd op, fronste de wenkbrauwen en zei op ruwen roon:
"Gij hier! wat wilt gij?"
"U spreken, kapitein"
"Maar ik ben bezig, mijnheer, ik werk. De vrijheid, die ik u geef om u af te zonderen, mag ik die zelf niet hebben?"
De ontvangst was niet zeer aanmoedigend, maar ik was besloten alles aan te hooren, ten einde alles te beantwoorden.
"Mijnheer," zei ik koeltjes, "ik heb te spreken over een zaak, die geen uitstel lijdt."
"Welke, mijnheer?" vroeg hij op spottenden toon. "Hebt gij een ontdekking gedaan, die mij nog ontgaan was? Heeft de zee u nieuwe geheimen geopenbaard?"
Hij was ver van de wijs, maar voordat ik kon antwoorden, wees hij mij op een handschrift, dat voor hem op de tafel lag, en zei op ernstigen toon:
"Hier ligt een handschrift in verscheiden talen, mijnheer Aronnax, Het behelst het overzicht van mijn studiën over de zee, en zoo God wil, zal het niet met mij te gronde gaan. Dit handschrift, door mij onderteekend, en aangevuld met de geschiedenis van mijn leven, zal in een hermetisch gesloten kistje worden geborgen. De laatst overlevende van ons aan boord van den Nautilus, zal het in zee werpen, en dan kan het gaan waarheen de golven het voeren willen."
De naam van den man! Zijn levensgeschiedenis, door hem zelven geschreven! Zijn geheim zou dus eenmaal ontsluierd worden? Maar op dat oogenblik zag ik in die medeeling alleen een middel om het gesprek te beginnen.
"Kapitein," antwoordde ik, "ik kan de gedachte slechts goedkeuren, die u aldus doet handelen. De vrucht uwer studiën moet niet verloren gaan; maar het middel, dat gij daartoe aangrijpt, schijnt mij kinderachtig. Wie weet werwaarts de winden dit kistje zullen heenvoeren en in welke handen het zal vallen? Zoudt gij niet iets beters kunnen uitdenken? Kunt gij, of kan een uwer manschappen ...."
"Nooit, mijnheer," zei de kapitein, terwijl hij mij haastig in de rede viel.
"Maar ik en mijn makkers zijn gereed dit handschrift te bewaren, en als gij ons de vrijheid hergeeft...."
"De vrijheid!" zei kapitein Nemo, terwijl hij opstond.
"Ja, mijnheer, en het is daarover dat ik u kwam spreken. Sedert zeven maanden zijn wij bij u aan boord, en nu vraag ik u heden in naam mijner makkers en van mij zelven, of het uw plan is ons altijd bij u te houden?"
"Mijnheer Aronnax," zei kapitein Nemo, "ik zal u heden hetzelfde antwoord geven als voor zeven maanden: hij, die in den Nautilus komt, verlaat hem niet meer."
"Het is dus slavernij, waartoe gij ons veroordeelt?"
"Noem het zooals gij wilt."
"Maar de slaaf behoudt toch overal het recht om de vrijheid te herkrijgen! Welke ook de middelen zijn, die zich daarvoor aanbieden, hij mag ze allen aangrijpen."
"Wie weigert u ditzelfde recht?" antwoordde Nemo. "Heb ik er ooit aan gedacht u door een eed aan mij te binden?"
De kapitein keek mij aan, terwijl hij de armen over elkander sloeg.
"Mijnheer," zei ik, "het zou noch in uwen, noch in mijnen smaak vallen om voor de tweede maal op dit onderwerp terug te komen. Maar omdat wij er nu eenmal mee bezig zijn, kunnen wij het ten einde toe behandelen; ik herhaal u dat hier niet alleen sprake is van mijn persoon. Voor mij is studie een hulpmiddel, een krachtige afleiding, een wegslepend iets, een hartstocht, die mij alles doet vergeten. Evenals gij ben ik iemand, die gaarne eenzaam en vergeten leef, in de geringe verwachting van eens aan het nageslacht de vruchten mijner studiën na te laten, door middel van een kistje, dat ik aan de gril van golven en wind zou toevertrouwen. In éen woord, ik kan u bewonderen en zonder verdriet volgen in een rol, die ik slechts in sommige opzichten begrijp; maar uw leven heeft nog andere gezichtspunten, waardoor ik het beschouw, als omringd van moeielijkheden en geheimzinnigheden waarmede mijn makkers en ik niets te maken hebben. En zelfs als ons hart voor u heeft kunnen kloppen, bewogen als het was door innige droefheid, of getroffen door grootsche of moedige daden, hebben wij zelfs het geringste bewijs van dit medegevoel in ons hart moeten terugdringen, een medegevoel, dat het gezicht van het schoone en goede in ons opwekt, hetzij dit komt van een vriend of van een vijand. Welnu, het is dit gevoel, dat wij vreemd zijn aan al wat u betreft, dat onze toestand hier onhoudbaar en onmogelijk maakt, zelfs voor mij, maar vooral onmogelijk voor Ned Land. Ieder mensch is waard dat men aan hem denkt, alleen omdat hij mensch is. Hebt gij u zelven wel afgevraagd, welke wraakzuchtige plannen zucht naar vrijheid en afschuw van slavernij in een karakter als dat van den Amerikaan kunnen doen rijpen, wat hij kan denken, pogen, beproeven?...."
Ik hield op; kapitein Nemo was opgestaan.
"Laat Ned Land al denken en beproeven wat hij wil, het kan mij niets schelen! Ik heb hem niet opgezocht; het is niet voor mijn genoegen dat ik hem aan boord houd! Wat u betreft, mijnheer Aronnax, gij zijt een van die menschen die alles kunnen begrijpen, zelfs het stilzwijgen. Ik heb u niets meer te antwoorden. Laat deze eerste maal, dat gij mij over die zaak komt spreken, ook de laatste zijn, want een tweede maal zou ik u zelfs niet kunnen aanhooren."
Ik ging heen. Van dien dag af was onze toestand zeer gespannen; ik deelde ons gesprek aan mijn beide makkers mede.
"Nu weten wij," zei Ned, "dat er van dien man niets te hopen is. De Nautilus nadert Long-Island; wij zullen dus vluchten, hoe het weer ook moge zijn."
Maar de lucht werd hoe langer hoe dreigender; er waren voorteekenen van een naderenden orkaan; het zwerk werd melkachtig wit; in plaats van kleine wolkjes, rezen aan den gezichteinder dikke zwarte wolken, en dreven snel voort. De zee begon hol te staan en groote golven te vormen. De vogels verdwenen, met uitzondering van de stormvogels; de barometer daalde sterk en duidde een sterke drukking van den dampkring aan; het mengsel in het stormglas loste op door den invloed van de electriciteit, waarmee de dampkring verzadigd was. De worsteling der elementen was aanstaande.
Op den 18den Mei barstte de storm los, juist toen de Nautilus op de hoogte van Long-Island op eenige kilometers van New-York was. Ik kan dien strijd der elementen beschrijven, want in plaats van naar de diepte te gaan, wilde kapitein Nemo door een onverklaarbare gril, den storm aan de oppervlakte trotseeren. De wind woei uit het zuid-westen; eerst was het een flinke bries, die met een snelheid van 15 meter in de seconde woei; deze vermeerderde tegen drie uren des namiddags tot 25 meter; het was de snelheid van den storm.
Kapitein Nemo bleef onwrikbaar op het plat zitten. Hij had zich om het midden van het lichaam vastgesjord, om door de groote golven, die over hem heen sloegen, niet weggeslagen te worden. Ik was ook op het plat komen zitten, en had mij eveneens vastgebonden, terwijl ik gedeeltelijk den storm, gedeeltelijk dien onvergelijkelijken man bewonderde, die het hoofd bood aan zulk een orkaan!
De woeste zee werd door de regenvlagen gezweept; ik zag geen van de kleine golven meer, die zich in de laagte tusschen twee groote gewoonlijk vormen. Niets als lange donkerkleurige baren, wier kruinen zich dreigend verhieven. Zij werden hoe langer hoe hooger, en schenen als in woede elkander te vervolgen. Nu eens lag de Nautilus op zijde, dan stond hij recht overeind, slingerde en stampte verschrikkelijk. Tegen vijf uur viel de regen bij stroomen neer, doch wind noch golven werden er door tot bedaren gebracht. De orkaan woedde met een snelheid van 45 meter in de seconde, dat is ongeveer 160 kilometer in het uur. Als een orkaan zóo hevig is, dan werpt hij huizen omver, licht daken op, verbreekt ijzeren hekken, en kan zelfs 24-ponders van hunne plaats brengen. En toch rechtvaardigde de Nautilus in dien storm het gezegde van een bekwaam scheepsbouwmeester, die eens zei: "Er is geen goed gebouwd vaartuig, dat aan de woede der zee geen weerstand kan bieden." Het was geen vaste rots, waarop die golven zouden breken, maar wel een stalen spil, die zich kon bewegen en aan een roer gehoorzaamde, en zonder tuig of masten, de woede der elementen straffeloos kon trotseeren.
Ik bekeek de vreeselijke zeeën zoo nauwkeurig als onze toestand dit toeliet. Zij waren tot zelfs vijftien meter hoog, 150 tot 175 meter lang, en rolden voort met een snelheid van vijftien meter in de seconde. De watermassa en de kracht ervan nam toe met de diepte van het water. Ik begreep toen welke rol de golven speelden, daar zij lucht opnemen en die met geweld naar de diepte der zee dringen, waar ze met de zuurstof dus het leven aanbrengen. De kracht van die golven heeft men berekend; zij kan zich zelfs verheffen tot 27000 kilogrammen op den vierkanten meter; wanneer zij ergens tegen aanklotsen. Het waren zulke baren, die op de Hebriden een rotsblok van 48000 kilogrammen hebben omvergeworpen, of die in den storm van 23 December 1864 een gedeelte van de stad Yeddo omverwierpen, en met een snelheid van 200 kilometer in het uur, dienzelfden dag nog de kust van Amerika bereikten.
Gedurende den nacht nam de hevigheid van den storm nog toe. De barometer daalde, evenals in 1860 op het eiland Bourbon, gedurende een cykloon tot 710 m.M. In de schemering zag ik aan den gezichteinder een groot schip, dat met den storm worstelde; het voer onder halven stoom, om zich op de golven overeind te houden; waarschijnlijk was het een van de stoombooten van de lijn van New-York naar Liverpool of Havre. Het verdween weldra in de duisternis.
Om tien uur 's avonds stond de hemel in vuur; vreeselijke bliksemstralen doorkliefden de lucht; ik kon het schitterend licht aan de oogen niet uitstaan, terwijl kapitein Nemo het zonder blikken beschouwde, en als 't ware den stormwind in zich opnam. Een vreeselijk gebulder vervulde de lucht; het was een geraas dat ontstond door het gebrul der golven, door het geloei van den storm en het ratelen der donderslagen. De wind barstte aan alle kanten tegelijk los, en de cykloon, die in het oosten onstond, keerde daarheen door het noorden, westen en zuiden terug, juist andersom als met zulke draaiende stormen in het zuidelijk halfrond het geval is.
O, wat rechtvaardigt die Golfstroom zijn naam: het vaderland der stormen te zijn! Hier worden die vreeselijke cyklonen gevormd, door het verschil in de temperatuur van de luchtlagen, die boven de stroomen liggen.
Op den regen volgde een stroom van vuur; de regendruppels veranderden in vurige vonken; men zou gezegd hebben dat kapitein Nemo een hem waardigen dood had willen sterven, en hij daarom gaarne door den bliksem getroffen wilde worden. Bij het ontzettend stampen en slingeren van den Nautilus, verhief deze zich een oogenblik met de voorpunt in de lucht, en ik zag er evenals van een bliksemafleider tal van vonken afspringen.
Dood moede en bijna machteloos, kroop ik langzaam naar het luik; ik opende het en ging naar den salon. Toen kreeg de storm zijn grootste kracht; het was onmogelijk op de beenen te blijven staan. Kapitein Nemo kwam tegen middernacht binnen; ik hoorde dat de vergaarbakken vol water werden gepompt, en de Nautilus zonk langzaam onder het vlak der zee.
Door de geopende ramen van den salon zag ik groote visschen als spoken schuw voorbijsnellen; enkele werden onder mijn oogen door den bliksem getroffen. De Nautilus daalde nog altijd; ik dacht dat wij op vijftien meter diepte in kalm water zouden zijn, maar neen, de bovenvlakte was in al te heftige beweging; wij moesten de kalmte in een diepte van vijftig meter opzoeken. Maar welk een rust, welk een kalmte heerschte ook daar! Wie zou gezegd hebben, dat op dat oogenblik een orkaan woedde aan de oppervlakte van den Oceaan?!
HOOFDSTUK XLIV
47° 24' N.B. en 17° 28' O.L.
Door dien storm waren wij oostwaarts geworpen, waardoor de hoop op een ontvluchting, naar New-York of de St. Laurens, in rook verdween. De arme Ned was wanhopig en zonderde zich evenals kapitein Nemo af. Koen en ik verlieten elkander niet meer.
Ik heb gezegd dat de Nautilus oostwaarts was gedreven; het zou nauwkeuriger geweest zijn, als ik gezegd had noordoostwaarts. Gedurende eenige dagen dwaalde ons vaartuig, dan op dan onder de golven, terwijl er op zee een mist hing, die voor de scheepvaart zoo gevaarlijk is. Deze mist ontstaat door het smelten van het ijs, waardoor de dampkring zeer vochtig blijft. Hoeveel schepen zijn er in deze streken niet vergaan, terwijl zij de onzekere lichten aan de kust opzochten. Welke rampen werden niet door die dikke misten veroorzaakt! Hoe menig schip stiet op een klip, omdat de bemanning door het gebulder van den wind de branding niet hoorde! Hoeveel schepen stieten niet tegen elkander, hoewel zij de lichten ontstoken hadden en aanhoudend door schel fluiten of klokluiden waarschuwden!
De bodem der zee geleek dan ook veel op een slagveld, waar al de overwonnenen waren gezonken; sommige schepen reeds oud en met zeeplanten begroeid, andere nog nieuw, zoodat de lichtstralen van onze lantaarn op het ijzer- en koperwerk weerkaatsten. Hoeveel schepen waren daar niet onder, die met man en muis met een scheepslading landverhuizers waren vergaan, omdat zij op die gevaarlijke plaatsen op riffen en banken hadden gestooten! Want sedert verscheiden jaren waren er heel wat slachtoffers, gevoegd bij al hetgeen de zee reeds had verzwolgen; de koninklijke Mail, de Inmann- en Montreallijnen hadden daartoe tal van booten geleverd; de Solway, de Isis, de Paramata, de Hungarian, de Canadian, de Anglo-Saxon, de Humboldt, de United-States, die alle gestooten hadden, de Arctic, de Lyonnais, die door aanzeiling vergaan, de President, de Pacific, de City-of-Glasgow die door onbekende oorzaken verdwenen waren; dit waren alle sombere wrakken, tusschen welke de Nautilus doorvoer, alsof zij tusschen een rij dooden doorging.
Den 10den Mei waren wij tegenover de zuidelijkste punt van Newfoundland; de zich daar bevindende zandbank bestaat uit een opeenstapeling van allerlei aanslibsel van de zee, uit een verzameling van de organische bestanddeelen, welke òf door den Golfstroom van den evenaar, òf door den koudwaterstroom, die langs de Amerikaansche kust gaat, van de Noordpool worden aangevoerd. Daar stapelden zich ook die groote zwerfblokken op, door de ijsschollen meegesleept. Dáar is het groote knekelhuis van visschen, weekdieren of zöophyten, welke er met millioenen omkomen.
Bij die zandbank is de zee niet diep; eenige honderden vademen op zijn hoogst. Maar zuidwaarts wordt de diepte plotseling zeer aanzienlijk, namelijk 3000 meter. Daar verbreedt zich de Golfstroom; hij verliest zijn snelheid en temperatuur, hij wordt een zee.
Onder de massa visschen, die wij in dichte drommen voorbij de ramen zagen zwemmen, trokken vooral de kabeljauwen onze aandacht, die zich bij voorkeur op de zandbanken van Newfoundland ophouden. Men kan dezen kabeljauw den bergvisch noemen, want Newfoundland is niets anders dan een onderzeesche berg. Toen de Nautilus door de dichte scholen van die dieren heenstoof, kon Koenraad de volgende opmerking niet voor zich houden: "Wat! kabeljauwen! ik dacht dat ze zoo plat waren als bot of tong?"
"Wat zijt gij onnoozel," zei ik. "De kabeljauw is plat bij den kruidenier, waar ze opengesneden, platgeslagen en gedroogd als stokvisch voor de ramen ligt; maar in het water zijn zij rond en juist geschikt om te zwemmen,"
"Ik wil het wel gelooven, mijnheer," antwoordde Koenraad, "maar wat een zwerm, 't lijkt wel een mierennest!"
"En er zouden er nog veel meer zijn," merkte ik op, "zonder hun vijanden de zeeschorpioenen en de menschen. Weet gij wel hoeveel eieren een enkel wijfje bij zich heeft?"
"Ik zal eens goed raden," zei Koenraad, "500,000."
"Elf millioen, mijn vriend!"
"Elf millioen! dat geloof ik niet, of ik moet ze zelf tellen."
"Tel ze maar, Koen, maar gij doet beter met mij maar te gelooven. Bovendien vangen de Franschen, Engelschen, Hollanders, Amerikanen, Denen, Nooren en anderen ze bij duizenden. Men eet ze in verbazende massa, en zonder de wonderbaarlijke vruchtbaarheid van die visschen, zou de zee weldra ontvolkt zijn. Zoo zijn er bijvoorbeeld in Engeland alleen 5000 schepen met 75000 zeelieden voortdurend met deze vischvangst bezig. Elk schip brengt er gemiddeld 4000 mede, en dat maakt reeds 20 millioen. Op de kusten van Noorwegen is het hetzelfde."
"Goed," antwoordde Koenraad, "ik geloof mijnheer, ik zal ze niet natellen."
"Wat?"
"De elf millioen eieren; maar ik wilde toch éen opmerking maken."
"Welke?"
"Dat als alle eieren uitkwamen, vier kabeljauwen genoeg waren om Engeland, Amerika en Noorwegen van een voldoenden voorraad te voorzien."
Terwijl wij strijkelings over de bank van Newfoundland heen liepen, zag ik duidelijk de lange zetlijnen, elk met tweehonderd haken, welke elk schip met een paar dozijn tegelijk uithangt. Elke lijn zat aan de oppervlakte der zee vast aan een groot stuk kurk. De Nautilus moest behendig tusschen dit onderzeesche net doorvaren; doch hij bleef niet lang in deze streken, want het schip zette den koers voort tot op 42° N.B. Het is op de hoogte van St. John, dat de onderzeesche telegraafkabel aan land komt.
In plaats van verder noordwaarts te varen, ging de Nautilus meer naar het oosten, alsof hij de richting van den telegraafkabel wilde volgen. Den 17den Mei zag ik op ongeveer 500 kilometer van Newfoundland, en op een diepte van 2800 meter den kabel op den grond liggen. Koenraad, dien ik niet gewaarschuwd had, zag het ding eerst voor een reusachtige zeeslang aan, en wilde het op zijn gewone wijze in een klasse indeelen. Doch ik hielp hem spoedig uit zijn dwaling en om hem te troosten, vertelde ik hem verscheidene bijzonderheden van het leggen van dien kabel.