20.000 Mijlen onder Zee: Westelijk Halfrond
Part 14
"Ik weet het, mijnheer. Wij moeten derhalve niet rekenen op de hulp der natuur, maar op ons zelven. Wij moeten dat invriezen beletten; niet alléen naderen ons de zijmuren, doch vóor en achter ons hebben wij niet veel meer dan tien voet water. Aan alle kanten vriezen wij in."
"Hoe lang kunnen wij met behulp van de luchtvergaarbakken nog ademhalen?" vroeg ik.
De kapitein keek mij aan en zei: "Overmorgen zijn zij leeg."
Een huivering liep mij over de leden. En toch behoefde ik mij over dit antwoord niet te verwonderen. Den 22en Maart was de Nautilus in de open Poolzee ondergedoken; wij hadden nu den 26en. Sedert vijf dagen leefden wij van saamgeperste lucht! En wat er nog overbleef moest voor de werklieden bewaard blijven. Nu ik deze dingen beschrijf, gevoel ik daarvan nog zóozeer den indruk, dat een onwillekeurige huivering zich van mij meester maakt, en ik mij verbeeld gebrek te hebben aan versche lucht!
De kapitein dacht ondertusschen na en stond onbeweeglijk. Het was duidelijk dat een denkbeeld hem door het brein voer; maar hij scheen dit weer te verwerpen, want hij schudde met het hoofd; eindelijk mompelde hij:
"Kokend water!"
"Kokend water?" vroeg ik.
"Ja, mijnheer; wij zijn in een betrekkelijk kleine ruimte opgesloten. Zouden stroomen kokend water, die de pompen van den Nautilus voortdurend kunnen aanvoeren, de temperatuur niet genoegzaam kunnen doen stijgen om bevriezing tegen te houden?"
"Wij kunnen het probeeren," zei ik vastberaden.
"Ik zal het doen, mijnheer."
De thermometer wees buiten toen zeven graden. Ik ging met den kapitein naar de keuken, waar groote distilleerketels stonden om ons drinkbaar water te bezorgen. Zij werden vol water gevuld, en daarna werd al de electrische warmte der toestellen door de slangen gelaten; binnen weinige minuten kookte het water; het werd naar de pompen geleid, terwijl er telkens weer nieuw water in de ketels kwam. De warmte was zoo groot, dat als het koude zeewater alleen door de toestellen heen was gegaan, het kokend in de pompen kwam. De werking begon, en drie uur daarna wees de thermometer zes graden onder nul aan; wij hadden dus éen graad gewonnen; twee uren later wees de thermometer maar vier graden aan.
"Wij zullen slagen," zei ik tot den kapitein, nadat ik herhaaldelijk den thermometer had waargenomen.
"Ik geloof het wel," antwoordde hij, "wij zullen niet verpletterd worden; wij hebben dus alleen nog maar voor verstikking te vreezen."
Gedurende den nacht steeg de temperatuur tot éen graad onder nul; hooger konden wij niet komen; maar daar het zeewater eerst bij een koude van twee graden bevriest, was ik eindelijk verzekerd dat wij niet konden invriezen.
Den volgenden dag, 27 Maart, was een dikte van zes meter weggehakt. Wij moesten nog door vier meter heen, dus nog 48 uren werken; in den Nautilus kon de lucht niet ververscht worden, zoodat het dien dag hoe langer hoe benauwder werd.
Een onbeschrijfelijke zwaarte drukte mij. Tegen drie uur in den namiddag werd ze onuitstaanbaar; ik deed niets als vreeselijk gapen; mijn borst hijgde naar adem; verdooving overviel mij; ik lag bijna kracht- en bijna wezenloos uitgestrekt. Mijn brave Koen had dezelfde gewaarwordingen, doch verliet mij niet; hij vatte mij bij de hand en sprak mij moed in; ik hoorde hem zelfs mompelen: "O, als ik maar niet behoefde te ademen, om mijnheer meer lucht te geven!" De tranen kwamen mij in de oogen, toen ik dit hoorde.
Daar onze toestand in het vaartuig ondraaglijk was, trokken wij haastig en tevreden onze scaphanders aan, om op onze beurt aan het werk te gaan! De houweelslagen weerklonken op het ijs; onze armen werden moede, de handen deden ons pijn, doch wat beteekende dit? Wij ademden versche lucht is! Wij ademden!
En toch werkte niemand langer dan hij mocht. Als zijn taak volbracht was, gaf ieder aan zijn hijgenden opvolger het toestel over, dat hem nieuwe levenskracht deed toestroomen. Als het oogenblik daar was, gaf hij zijn toestel aan een ander en kwam hij weer even bedaard, zonder morren, in de bedorven atmosfeer van het vaartuig.
Dien dag werd het werk met nog grooter kracht voortgezet. Er moesten nog maar twee meter worden losgehakt. Slechts twee meter scheidden ons van de open zee. Maar de vergaarbakken waren bijna leeg; het weinigje lucht dat er nog over was, moest voor het werkvolk bewaard blijven; niets voor den Nautilus.
Toen ik weer binnen boord kwam, stikte ik bijna. Welk een nacht! Ik kan dien niet beschrijven; zulk lijden kan niet beschreven worden. Den volgenden morgen was ademhaling bijna onmogelijk. Ik had zware hoofdpijn, en alles duizelde mij alsof ik dronken was. Mijn makkers gevoelden hetzelfde; eenige matrozen der bemanning lagen stervende.
Dien dag, den zesden na onze insluiting, vond kapitein Nemo, dat het met houweelen en bijlen te langzaam ging, en wilde hij de ijsbank, die ons nog van de open zee scheidde, doorstooten. Die man had zijn kalmte en geestkracht behouden; hij onderdrukte door zijn zielskracht zijn lichamelijk lijden. Hij dacht, berekende en handelde.
Op zijn bevel werd het vaartuig verlicht, dat is te zeggen door de zwaarte te verminderen; toen het, door het uitpompen van eenig water uit de vergaarbakken, dreef, bracht hij het boven de groote opening, die men juist volgens den omtrek van den Nautilus gehakt had. Toen de vergaarbakken daarna weer vol werden gepompt, zakte het vaartuig juist in de opening. Op dat oogenblik kwam de geheele bemanning weer binnen boord, en werden de dubbele deuren gesloten. De Nautilus rustte toen op een ijskorst, die nauwelijks een meter dikte had en overal doorboord was.
De kranen der vergaarbakken werden toen wagewijd open gezet en honderd kubieke meters water stroomden naar binnen, waardoor de zwaarte van den Nautilus met 150.000 kilogrammen vermeerderde. Wij wachtten, wij luisterden en vergaten in gespannen verwachting ons lijden. Ons behoud stond als 't ware op een laatsten worp.
Niettegenstaande het gesuis in mijn hoofd, hoorde ik weldra een gekraak onder den Nautilus; wij zakten; het ijs kraakte zonderling evenals papier, dat gescheurd wordt, en de Nautilus daalde.
"Wij zijn er door!" fluisterde Koenraad mij in 't oor.
Ik kon geen antwoord geven; ik greep hem bij de hand en drukte die onwillekeurig.
Plotseling zonk de Nautilus door zijn ontzaglijke zwaarte als een kogel in het water; het was alsof het vaartuig in een leege ruimte naar beneden viel!
Toen begonnen de pompen met de grootste macht het water uit de vergaderbakken te werpen; na weinige minuten kwam het vaartuig tot stilstand, en wees de manometer aan dat wij rezen; de schroef werkte met verbazende snelheid, zoodat de Nautilus onder de krachtige bewegingen trilde; wij gingen noordwaarts.
Maar hoelang zou die vaart onder de ijsbank nog duren? Nog een dag? Dan was ik dood!
Half liggend, half zittend op een rustbank in de bibliotheek, stikte ik bijna. Mijn gelaat was paars, mijn lippen waren blauw, al mijn krachten verlamd. Ik zag noch hoorde iets meer. Ik kon aan geen tijdruimte meer denken. Ik weet dus niet hoelang dit duurde, maar ik begreep dat mijn doodstrijd begon! Ik voelde dat ik ging sterven!....
Plotseling kwam ik weer bij zinnen. Een zuivere lucht drong in mijn longen. Waren wij aan de oppervlakte? Waren wij eindelijk onder de ijsbank uit? Neen, het waren Ned en Koenraad, mijn twee wakkere vrienden, die zich opofferden om mij te redden. In éen van de toestellen bleef nog een beetje lucht over; in plaats van dit voor zich te behouden, hadden zij het voor mij bewaard, en terwijl zij zelven bijna stikten, goten zij mij het leven in. Ik wilde het toestel van mij afstooten, doch zij hielden mij de handen vast, en ik ademde eenige oogenblikken met het grootste genot.
Ik keek naar de klok, het was elf uur in den morgen. Wij moesten dus 28 Maart hebben. De Nautilus voer met een duizelingwekkende snelheid van veertig kilometer per uur.
Waar was de kapitein? Was hij bezweken? Waren zijn makkers dood evenals hij?
Op dat oogenblik wees de manometer aan, dat wij nog maar ruim zes meter ijs boven ons hadden; een betrekkelijk dunne ijskorst scheidde ons dus van den dampkring af; kon die niet doorgebroken worden? Misschien; in allen gevalle scheen de Nautilus het te zullen beproeven; ik gevoelde inderdaad dat het vaartuig een schuinen stand aannam, dat de achtersteven daalde en de spoor zich naar de hoogte hief. Er was slechts eenig water noodig geweest om deze verplaatsing van het zwaartepunt te weeg te brengen. Toen begon de krachtige schroef te werken, en werd de Nautilus als een ram tegen het ijsveld gebruikt, het vaartuig deed de ijsbank splijten door stoot op stoot; eindelijk barstte zij geheel open en de Nautilus sprong met een vreeselijken aanval op de ijsmassa, die hij door zijn ontzettend gewicht verbrijzelde.
Het luik werd geopend of liever losgerukt, en de lucht drong in alle deelen van ons vaartuig door.
HOOFDSTUK XLI
Van Kaap Hoorn naar de Amazonenrivier.
Hoe ik op het plat kwam, weet ik niet. Misschien had de Amerikaan mij er heen gebracht, doch ik haalde weer adem, de zuivere zeelucht drong in mijn longen door. Mijn twee makkers ademden evenals ik de versche lucht met volle teugen in. Ongelukkigen, die te lang honger hebben geleden, kunnen zich niet straffeloos op de hun voorgezette spijzen werpen. Wij daarentegen behoefden ons niet in te houden; wij konden volop genieten, en het was een zachte zeewind, die ons dit genot toevoerde!
"O," riep Koenraad, "wat is dat heerlijk, wat is die zuurstof goed! Mijnheer behoeft niet bang te zijn om adem te halen; er is genoeg voor ons allen."
Ned Land sprak niet, maar hij opende zijn mond zoo wijd, dat de haaien er zelfs bang voor zouden geworden zijn. En welk een ademhaling! De Amerikaan "trok" als een kachel, die fel brandde.
Spoedig hadden wij onze krachten terug, en toen ik om mij heen zag, bemerkte ik dat wij alleen op het plat waren. Niemand van de bemanning, zelfs de kapitein niet. De zonderlinge matrozen van den Nautilus waren tevreden met de lucht, die in hun vaartuig drong; niemand kwam van de vrije lucht genieten.
Het eerste dat ik sprak, waren woorden van dankbaarheid jegens mijn makkers. Ned en Koen hadden in de laatste uren van dit langdurig lijden mijn leven gerekt. Al mijn erkentelijkheid kon zulk een opoffering niet genoegzaam vergelden.
"Het is de moeite niet waard om er over te spreken, mijnheer," zei Ned Land. "Welke verdienste steekt erin? Niets. Het was maar een berekening. Uw leven was meer waard dan het onze; wij moesten het uwe redden."
"Neen, Ned," antwoordde ik, "het was niet meer waard. Niemands leven is meer waard dan dat van een edelmoedig en goed mensch, en dat ben jij?"
"Goed, goed," zei Ned verlegen.
"En gij, mijn brave Koen, hebt gij veel geleden?"
"Niet al te veel, om u de waarheid te zeggen. Ik heb wel een paar monden vol lucht willen hebben, maar ik geloof dat ik mij er weldra aan zou hebben gewend. Bovendien zag ik dat mijnheer flauw viel, en ik had dus niet den minsten lust om adem te halen; mijn ademhaling werd daardoor als het ware belet."
"Vrienden," antwooidde ik hevig aangedaan, "wij zijn voor altijd aan elkander verbonden, en gij hebt recht op mij...."
"Waarvan ik misbruik zal maken," antwoordde de Amerikaan.
"Wat?" vroeg Koenraad.
"Ja," hervatte Ned Land, "het recht om u met mij te nemen als ik dezen duivelschen Nautilus zal verlaten."
"Gaan wij dus den goeden kant op?" vroeg Koenraad.
"Ja," zei ik, "omdat wij naar den zonnekant gaan, en waar zich de zon bevindt is het Noorden."
"Zonder twijfel," meende Ned Land, "maar wij moeten nu nog weten of wij naar den Grooten of den Atlantischen Oceaan gaan, dat is te zeggen naar een druk of weinig bevaren zee?"
Hierop kon ik geen antwoord geven, en ik vreesde, dat de kapitein ons eer naar dien Grooten Oceaan zou terugvoeren, die de kusten van Azië en Amerika bespoelt. Hij volbracht aldus zijn onderzeesche reis om de aarde, en keerde naar die zee terug, waar de Nautilus zijn volkomen vrijheid vond. Doch als wij naar de Stille Zuidzee terugkeerden, ver van eenig bewoond land, wat werd er dan van Ned Lands plannen? Binnen kort zouden wij omtrent dit belangrijk punt zijn ingelicht, want de Nautilus vorderde hard. Weldra waren wij over den poolcirkel, en zetten regelrecht koers naar kaap Hoorn. Wij waren den 31sten Maart, tegen zeven uur 's avonds, op de hoogte van de zuidpunt van Amerika.
Toen was al ons lijden vergeten, en de herinnering aan onze gevangenschap werd uit onzen geest als weggevaagd. Wij dachten enkel aan de toekomst. Kapitein Nemo verscheen noch in den salon, noch op het plat. De eerste stuurman nam dagelijks de hoogte der zon, en teekende die op de kaart aan, waardoor ik geheel op de hoogte bleef van de richting van den Nautilus. Dien avond werd het tot mijn groote tevredenheid duidelijk, dat wij door den Atlantischen Oceaan naar het Noorden gingen. Ik vertelde dit aan Ned en Koenraad.
"Een goede tijding," zei de eerste; "maar waar gaat de Nautilus heen?"
"Dat zou ik je niet kunnen zeggen, Ned."
"Zou de kapitein nu ook de Noordpool willen opzoeken en dan door de beruchte noordelijke doorvaart in den Grooten Oceaan komen?"
"Gij behoeft hem daarvoor niet te tarten," antwoordde Koenraad.
"Welnu," zei de Amerikaan, "dan zullen wij hem vóor dien tijd de hielen laten zien."
"In allen gevalle," voegde Koenraad er bij, "is die kapitein een baas, en wij behoeven er geen berouw over te gevoelen, hem te hebben leeren kennen."
"Vooral als wij van hem af zijn," zei Ned Land.
Den volgenden dag, 1 April, toen de Nautilus weer aan de oppervlakte kwam, zagen wij eenige minuten voor twaalven de westkust. Het was het Vuurland, waaraan de eerste zeereizigers dien naam gaven, toen zij tallooze rookkolommen uit de hutten der inlanders zagen opstijgen. Het is een aaneenschakeling van eilandjes, 53° tot 56° Z.B. en 67° 50' tot 77° 15' W.L. De kust scheen lang te zijn, maar in de verte verhieven zich hooge bergen; ik geloof zelfs dat ik den Sarmiento zien kon, die 2070 meter hoog is; deze berg is een hooge piramide van leisteen, wier top, naarmate deze zichtbaar of met wolken omhuld is, fraai of leelijk weder aankondigt, zooals Ned Land zei.
"Dat is een flinke barometer, vriend."
"Ja, mijnheer, een natuurlijke barometer, die mij nog nooit bedrogen heeft, toen ik in de buurt van de straat van Magelhaen voer."
Op dat oogenblik teekende de top zich helder af tegen den blauwen hemel; dit was een voorteeken van schoon weder. Wij bedrogen ons niet. Toen de Nautilus weer onder water gedoken was, naderde hij de kust, waarlangs hij eenige kilometers ver heen voer. Door de ramen van den salon zag ik een menigte lianen en andere zeeplanten, waartusschen schelp- en weekdieren in groote menigte nestelden; otters en zeekalven speelden daartusschen rond en aten een menigte kleine dieren en planten op, zoodat zij volgens Engelsche mode, visch met groenten gebruikten.
Tegen den avond kwamen wij bij den archipel der Malouinen, wier scherpe toppen ik den volgenden morgen kon zien. De zee was hier maar middelmatig diep; ik dacht derhalve, en niet zonder reden, dat deze eilanden vroeger met het Vuurland als een groot vasteland verbonden waren. Zij werden waarschijnlijk door den beroemden John Davis ontdekt, die er den naam van Davis Zuidereilanden aan gaf. Later noemde Richard Hawkens ze Maagdeneilanden, totdat zij in 't begin der achttiende eeuw door visschers van St. Malo Malouinen, en eindelijk door de Engelschen Falklandseilanden genoemd werden.
In deze streken werden schoone visschen gevangen, eenden en ganzen vielen bij dozijnen op het plat neer; zij werden gemakkelijk gevangen en in de kombuis gebracht.
Toen de hoogste bergtoppen der Malouinen aan den gezichteinder verdwenen waren, liet de Nautilus zich tot op een diepte van twintig meter zinken en volgde nu de Amerikaansche kust. Kapitein Nemo vertoonde zich in het geheel niet. Wij bleven op de hoogte van Patagonië tot den 3den April, dan eens op, dan eens onder het zeevlak. De Nautilus dreef voorbij de groote golf, welke door de monding van den Rio la Plata gevormd wordt, en was 4 April op de hoogte der kust van Uraguay, maar bleef er omstreeks vijftig kilometer van af. Hij voer altijd nog noordwaarts en volgde de lange bochten der Zuid-Afrikaansche kust. Wij hadden sedert ons vertrek uit de wateren van Japan ongeveer 64000 kilometer afgelegd.
Tegen elf uur des morgens gingen wij onder den Steenbokskeerkring door op ongeveer 37° W.L. en stevenden om kaap Frio. Tot groote spijt van Ned Land scheen de kapitein de bewoonde kuststreek van Brazilië te willen ontvlieden, want de Nautilus stoof met duizelingwekkende snelheid vooruit. Geen visch, geen vogel, hoe snel ook, kon ons volgen, en alle natuurlijke bijzonderheden dezer zeeën ontsnapten aan ons oog. Deze snelheid werd gedurende verscheidene dagen volgehouden, en in den avond van 9 April verkenden wij reeds kaap Roque, de oostelijke punt van Zuid-Amerika. Doch toen week de Nautilus opnieuw af, en zocht een grootere diepte te bereiken in de vallei tusschen deze kaap en Sierra Leone in Afrika. Op de hoogten der Antillen verdeelt deze vallei zich in tweeën en eindigt aan de noordzijde in een verbazende diepte van 9000 meter. Op deze plaats ligt op de hoogte der kleine Antillen een klip van zes kilometer lengte, terwijl er bij de Kaap-Verdische eilanden een andere rotswand van geen mindere grootte wordt aangetroffen, die aldus het geheele verzonken Atlantis insluit. Beneden in deze uitgestrekte vallei liggen eenige berghoogten, welke in de onderzeesche streken schoone gezichten opleveren. Ik kan daarover spreken na inzage van de geteekende kaarten, die in de boekerij van den Nautilus te vinden waren, en zeker door kapitein Nemo zelven volgens persoonlijke waarneming waren opgemaakt.
Gedurende twee dagen voeren wij door dit onbevolkt en diep water. Maar den 11den April verhief het vaartuig zich plotseling en wij zagen wederom land in den omtrek van de monding der Amazonenrivier, die zulk een breede zoutwatergolf vormt, dat de zee verscheidene kilometers ver vóor die monding geen zout water bevat.
Wij gingen onder den evenaar door. Twintig kilometer westwaarts van ons hadden wij Guyana, waar wij bij onze vlucht zeker een goede ontvangst zouden genoten hebben, maar de wind stak hevig op, en de woede der golven zou ons met een sloep aan groote gevaren hebben blootgesteld. Ned Land begreep dit zonder twijfel en sprak nergens van. Ik maakte ook van mijn kant geen enkele toespeling op zijn ontvluchtingsplannen, want ik wilde hem tot geen poging aanmoedigen, waarbij hij zeker schipbreuk zou geleden hebben.
Voor dit uitstel kon ik mij gemakkelijk schadeloos stellen door belangwekkende studiën, want gedurende den 11den en 12den April bleef de Nautilus op de oppervlakte drijven, en haalden zijn netten telkens een wonderbaarlijke hoeveelheid visch naar boven; ook kruipende dieren en zoöphyten zaten daartusschen. Er waren er onder van allerlei zeldzame soorten, wier opsomming te lang zou duren. Een geval wil ik echter mededeelen.
Een der netten bevatte een soort van zeer platten rog, die, als men hem den staart had afgesneden, een volkomen schijf zou gevormd hebben, en die ongeveer twintig kilogram woog. Deze visch was van onder wit en van boven rood, met groote ronde donkerblauwe vlekken, en half dubbele vinnen. Op het vlak geworpen, sprong die visch zoo vreeselijk en maakte zooveel geweld, dat hij met een laatsten sprong in zee zou geweest zijn. Maar Koenraad, die den rog wilde behouden, wierp zich er op, en greep het dier, voordat ik het beletten kon, met twee handen vast. Plotseling werd hij met de beenen in de lucht achterover geworpen, en viel hij als verpletterd neer.
"Help, mijnheer, help mij!" riep hij; het was de eerste maal dat de arme jongen mij niet in den derden persoon aansprak.
Ned Land en ik hielpen hem op de been, wreven hem zoo hard als wij konden, en toen hij weer bij zijn zinnen was gekomen, mompelde die eeuwige klassenindeeler:
"Klasse der kraakbeenigen, familie der roggen, soort krampvisch!"
"Juist, mijn vriend," zei ik, "het is een krampvisch, die je zoo toegetakeld heeft."
"O, mijnheer kan mij vrij gelooven," antwoordde Koen, "ik zal mij duchtig wreken,"
"En hoe?"
"Door hem op te eten." En dit deed hij dienzelfden avond nog, maar alléen uit weerwraak, want het was inderdaad een taaie kost.
De ongelukkige Koenraad had te doen gehad met een krampvisch van de gevaarlijkste soort, namelijk de cumana. Dit wonderlijk dier treft te midden van zulk een sterken geleider als het water de visschen op verscheiden meters afstand; zoo groot toch is de kracht van zijn electrisch vermogen, waarvan de beide voornaamste oppervlakken niet minder dan drie vierkante meter groot zijn.
Den volgenden dag, 12 April, naderde de Nautilus de Amerikaansche kust, bij de monding der Maroni; op die hoogte hielden zich groote troepen zeekoeien op, die, zooals ik aan mijn beide makkers vertelde, door de natuur als met opzet in deze streken geplaatst waren om de onderzeesche weiden af te grazen en daardoor de te groote opeenhooping van zeegras tegen te gaan.
"En weet gij," voegde ik er bij, "wat er gebeurd is, nu de mensch die nuttige dieren bijna geheel heeft uitgeroeid. Het rottende gras heeft de lucht verpest, en de vergiftigde lucht heeft de gele koorts doen ontstaan, die deze prachtige streken soms zoo deerlijk teistert. In deze warme streken heeft zich het vergif uitgebreid, en de kwaal is nu verbreid van de monding van den Rio de la Plata tot aan Florida. En als wij Toussenel moeten gelooven, is die ramp nog niets in vergelijking van hetgeen onze nakomelingen zullen ondervinden, wanneer er geen walvisschen en walrussen meer te vinden zijn; dan zal de zee vol weekdieren, inktvisschen en ander tuig van dat soort zijn, zoodat zij dan een middelpunt van besmetting zal worden, omdat men er dan 'de groote magen' niet meer aantreft, aan welke de Voorzienigheid de taak had opgedragen om de zee te zuiveren."
Zonder zich aan die theorie te storen, ving de bemanning van den Nautilus een half dozijn van die dieren, omdat hun vleesch een heerlijken voorraad voor de kombuis opleverde, veel lekkerder dan kalf- of rundvleesch. Deze jacht was alles behalve belangwekkend, omdat die zeekoeien zich zonder tegenstand laten dooden; verscheiden duizenden kilogrammen vleesch werden aan boord gebracht om gedroogd te worden.
Toen de vangst was afgeloopen, naderde de Nautilus de kust. Hier lag een groot aantal zeeschildpadden op de golven te slapen; het zou moeielijk zijn geweest zich van die dieren meester te maken, omdat het minste geritsel ze doet ontwaken, en hun stevige schaal ondoordringbaar is voor den harpoen. Ze werden evenwel gevangen door middel van zuigervisschen, dien men een ring met een koord aan den staart vastmaakte. Toen deze visschen in zee werden geworpen, begonnen zij aanstonds hun werk en hechtten zich aan den buik der schildpadden vast; zij klemden zich zoo aan, dat zij zich eerder zouden hebben laten verscheuren dan loslaten. Men trok ze weer naar boord, en daarmee de schildpadden, waar zij zich aan vast hadden gehecht. Men ving er op die wijze verscheidene, die een meter breed waren en 200 kilo wogen. De schaal, in groote dunne bruine en doorschijnende vakken afgedeeld, maakte ze nog kostbaarder. Bovendien leverden zij een voortreffelijke spijs op.
Deze vischvangst was het einde van ons verbijf in die streken van de Amazonen-rivier, en toen de duisternis inviel, begaf de Nautilus zich weer in volle zee.
HOOFDSTUK XLII
De inktvisschen.
Gedurende eenige dagen verwijderde de Nautilus zich hoe langer hoe meer van de Amerikaansche kust. Waarschijnlijk wilde hij niet in de golf van Mexico of in de zee der Antillen komen; echter zou het hem daar met aan water ontbroken hebben, want de gemiddelde diepte dezer zeeën is 1804 meter; doch waarschijnlijk beviel deze streek vol eilanden, en waar het van stoombooten wemelde, niet aan kapitein Nemo.