20.000 Mijlen onder Zee: Westelijk Halfrond

Part 13

Chapter 13 3,998 words Public domain Markdown

De vergaarbakken waren vol water en de Nautilus zonk langzamerhand naar beneden. Op een diepte van 350 meter hield hij stil; de schroef begon te werken, en wij stevenden met een snelheid van vijftien kilometer in het uur naar het noorden. Tegen den avond dreven wij reeds onder de onmetelijke ijsbank. Uit voorzichtigheid waren de ramen van den salon gesloten, want de Nautilus kon wel eens tegen een drijvend ijsblok stooten; ik bracht dien dag dus door met mijn aanteekeningen in het net te schrijven. Mijn geest was nog vervuld van de wonderen der Pool; zonder moeite of gevaar hadden wij dit ontoegankelijk punt bereikt, alsof wij er over een effen spoorbaan waren heengereden. En nu keerden wij inderdaad terug. Moest ik mij nogmaals op dergelijke verrassingen voorbereiden? Ik dacht het wel, want het aantal der onderzeesche wonderen is niet te tellen. Sedert vijf en een halve maand, dat wij aan boord waren, hadden wij 14000 kilometer afgelegd en hoeveel zonderlings, wonderbaarlijks of vreeselijks had die reis reeds niet opgeleverd; de jacht in de bosschen van Crespo, de stranding in de Torresstraat, het koralen kerkhof, de parelvisscherij bij Ceylon, de Arabische tunnel, de vulkanische verschijnselen van Santorino, de schatten in de baai van Vigo, het verdwenen Atlantis, de Zuidpool! Dien nacht stonden mij al die zaken telkens in mijn droomen weer voor den geest.

Om drie uur in den morgen werd ik wakker door een hevigen schok. Ik ging in mijn bed overeind zitten en luisterde, toen ik plotseling midden in de kamer werd geworpen. De Nautilus had dus gestooten en hing blijkbaar geheel op zijde. Te midden van de grootste duisternis tastte ik langs den wand en kroop door de gangen naar den salon, die verlicht was. De meubels waren omver geworpen. Gelukkig stonden de glazen kasten met kostbaarheden overeind, omdat zij op den vloer waren vastgeschroefd. De schilderijen aan stuurboord hingen pal tegen den wand, die aan bakboord waren er bijna een halven meter van verwijderd. De Nautilus helde dus naar stuurboordzijde over en lag geheel onbeweeglijk.

Ik hoorde voetstappen en het geluid van stemmen, doch de kapitein verscheen niet. Op het oogenblik dat ik den salon, wilde verlaten, kwamen Ned Land en Koenraad binnen.

"Wat is er gaande?" vroeg ik aanstonds.

"Dat kom ik mijnheer vragen," antwoordde Koenraad.

"Duizend duivels!" bromde de Amerikaan, "ik weet het wel. De Nautilus is gestrand en nu geloof ik niet, dat de kast zich er uit zal redden, zooals de eerste keer in de Torresstraat."

"Maar wij zijn ten minste aan de oppervlakte der zee?" vroeg ik.

"Dat weten wij niet," antwoordde Koenraad.

"Dat kunnen wij gemakkelijk zien," en naar den manometer gaande, zag ik tot mijn groote verbazing, dat wij op een diepte van 360 meter lagen.

"Wat beteekent dat?" riep ik uit.

"Dat moet den kapitein gevraagd worden," zei Koenraad.

"Waar is hij te vinden?" vroeg Ned Land.

"Volgt mij," zei ik tot mijn beide makkers.

Wij verlieten den salon; in de bibliotheek was niemand. Ik dacht, dat de kapitein misschien bij den stuurman was; het beste was dus hem te wachten, waarom wij alle drie naar den salon teruggingen.

Ik ga de verwenschingen van Ned Land met stilzwijgen voorbij; hij kon zich naar hartelust opwinden; ik liet hem uitrazen zonder hem in de rede te vallen. Wij wachtten zoo wat twintig minuten en luisterden naar elk gerucht, toen de kapitein binnen kwam; hij scheen ons niet te zien. Zijn gelaat, dat gewoonlijk zoo kalm was, drukte nu eenige ongerustheid uit. Hij bekeek langzaam het kompas, den manometer, en wees met den vinger op een punt der wereldkaart, daar waar de zuidelijke poolzee zich bevond.

Ik wilde hem niet storen; toen hij zich echter na eenige oogenblikken naar mij toekeerde, vroeg ik hem het tegenovergestelde van mijn vraag in de Torresstraat.

"Een toeval, kapitein?"

"Neen, mijnheer ditmaal is het een ongeluk."

"Ernstig?"

"Misschien."

"Is er oogenblikkelijk gevaar?"

"Neen."

"Heeft de Nautilus gestooten?"

"Ja."

"En hoe kwam dit?"

"Door een speling der natuur, niet door menschelijke onbekwaamheid. Er is bij onze vaart geen enkele fout begaan. Doch men kan de wetten van het evenwicht niet tegengaan, men kan zich wel tegen de menschelijke wetten, maar niet tegen die van de natuur verzetten."

Het oogenblik was zonderling gekozen om zich aan wijsgeerige bespiegelingen over te geven; het antwoord verklaarde mij bovendien niets.

"Mag ik ook weten, kapitein, waardoor dit ongeluk veroorzaakt wordt?" vroeg ik.

"Een ontzaglijk ijsblok, een heele ijsberg heeft zich omgekeerd. Wanneer de ijsbergen van onder door het water of door herhaalde schokken worden ondermijnd, dan rijst hun zwaartepunt en kunnen zij omkantelen: dit is nu gebeurd. Een van die ijsgevaarten heeft bij zijn kanteling tegen den Nautilus gestooten, is daarna langs liet vaartuig heen gegleden, doch heeft, toen het na den val weer begon te rijzen, het schip met onweerstaanbare kracht naar boven geduwd; wij zitten nog eenigermate vast en liggen daarom op zijde."

"Kan dan de Nautilus niet loskomen, als de vergaarbakken leeg worden gepompt?"

"Dat gebeurt op dit oogenblik, mijnheer: gij kunt de pompen hooren werken, kijk maar eens naar den wijzer van den manometer; die wijst aan, dat de Nautilus rijst; maar de ijsberg rijst met ons, en als niets die rijzing tegenhoudt, zal onze stand niet veranderen."

De Nautilus helde altijd nog naar stuurboordzijde over; hij zou eerst recht gaan liggen als de ijsbank stuitte. Doch wie weet of wij dan de onderzijde van de ijsbank niet zouden bereiken en tusschen de beide ijsmassaas verpletterd worden?

Ik dacht over onzen toestand na; de kapitein keek enkel naar den manometer. De Nautilus was nu ongeveer vijftig meter gerezen, maar hij lag nog altijd op zijde. Plotseling voelden wij een lichte beweging in het vaartuig; het richtte zich dus een weinig op; laagzamerhand namen de schilderijen in den salon den vorigen stand weer in, en stonden de wanden weer bijna loodrecht; niemand van ons sprak een woord; met kloppend hart voelden wij ons oprichten; de vloer lag weer horizontaal onder onze voeten: tien minuten gingen zoo voorbij.

"Eindelijk liggen wij recht!" riep ik.

"Jawel!" zei de kapitein, terwijl hij naar de deur ging.

"Zullen wij weer voort kunnen varen?"

"Zeker," antwoordde hij, "omdat de waterbakken nog niet ledig zijn; als ze dat waren, moest de Nautilus naar de oppervlakte stijgen."

De kapitein ging heen, en ik bemerkte weldra dat men de stijgende beweging van den Nautilus op zijn bevel had doen ophouden. Hij zou ook weldra tegen den onderkant van de ijsbank zijn aangestooten en het was beter om het vaartuig vrij te laten drijven.

"Dat zijn wij mooi ontkomen!" zei Koenraad.

"Ja zeker; wij konden tusschen die ijsblokken verpletterd of ten minste vastgekneld zijn, en dan zonder versche lucht!"

"Ja, ja, wij zijn er best afgekomen!"

"Als het gedaan is!" mompelde Ned Land.

Ik wilde met den Amerikaan niet gaan twisten en antwoordde derhalve niet. Bovendien openden zich op dit oogenblik de zijwanden, en viel het electrisch licht naar binnen. Wij waren in het ruime sop, maar op tien meter afstand verhief zich aan elke zij van den Nautilus een schitterende ijsmuur; dit was boven en onder ons evenzeer het geval. Boven ons, want de onderzijde der ijsbank vormde een reuzengewelf; onder ons, omdat de losgeraakte ijsberg bij zijn rijzen gestuit was tegen een paar naar beneden uitstekende wanden, en dus een vasten stand had ingenomen. De Nautilus bewoog zich nu in een tunnel van ijs; het was gemakkelijk om er uit te komen, hetzij het vaartuig voor- of achteruit ging, om dan later weer in eenige honderden meters dieper vaarwater den vrijen tocht onder de ijsbank door voort te zetten.

Het licht in het plafond was uit en toch was de salon schitterend verlicht; dit kwam omdat de ijswanden het licht van de lantaarn krachtig terugkaatsten. Ik zou geen woorden kunnen vinden om de prachtige uitwerking der lichtstralen op die grillig gevormde ijsblokken te beschrijven; elke hoek, elke spleet, elk kristal wierp een ander schijnsel van zich, dat verschilde naarmate er gekleurde aderen door het ijs liepen. Het was een mijn van de schitterendste edelgesteenten; vooral waren het de blauwe lichtstralen van de saffier, die zich aan het groen der smaragden paarden. Hier en daar was het alsof er diamanten tusschen waren gestrooid, zoodat het oog den glans ternauwernood kon verdragen. Het licht van de lantaarn werd honderd malen versterkt, evenals het licht eener lamp door allerlei lenzen in een vuurtoren.

"Wat is dat schoon!" riep Koenraad.

"Ja," zei ik, "het is een prachtig schouwspel; dunkt je ook niet, Ned?"

"Ja, voor den drommel!" antwoordde Ned Land. "Het is prachtig, maar ik ben woedend dat ik het bekennen moet. Zoo iets heb ik van mijn leven niet gezien; maar dat moois kan ons duur te staan komen, want ik geloof dat wij nu dingen zien, die God voor het oog der menschen heeft willen verbergen!"

Ned had gelijk; het was al te prachtig. Plotseling keerde ik mij om op een kreet van Koenraad.

"Wat is er?" vroeg ik.

"Mijnheer moet zijn oogen dicht doen en niet kijken!" Koen hield zelf de handen voor de oogen.

"Maar wat is er dan?"

"Ik ben blind!" riep hij.

Ik keek onwillekeurig naar het raam, maar kon mijn oogen niet naar die zijde gericht houden. Ik begreep wat het was: de Nautilus had zich met groote snelheid in beweging gezet; alle schitterende kristallen der ijsmuren waren daardoor voor het oog vurige strepen geworden, de schittering dezer millioenen diamanten smolt tot één vuur te zamen. De Nautilus voer daardoor als het ware in een zee van vuur. De wanden van den salon werden daarop dichtgeschoven; wij hielden de handen voor de oogen, omdat ons netvlies aangedaan was alsof wij in het al te felle zonlicht hadden zitten staren; er was eenige tijd noodig voordat onze oogen aan de duisternis gewend waren. Eindelijk namen wij de handen voor de oogen weg.

"Zoo iets had ik nooit kunnen gelooven," zei Koenraad.

"En ik geloof het nog niet," antwoordde de Amerikaan.

"Als wij weer aan land komen," voegde Koenraad er bij, "zullen wij verzadigd zijn van al die wonderen: maar wat zullen wij dan wel denken van die ellendige landjes en al dat nietige werk van menschenhanden! Neen, de bewoonde aarde is onzer niet meer waardig."

Die woorden, in den mond van een kalmen Vlaming, bewezen genoegzaam in welke mate zijn opgewondenheid gestegen was.

Maar de Amerikaan koelde hem wat af door te zeggen:

"De bewoonde aarde!" en schudde het hoofd. "Wees maar bedaard, vriend Koen, die zullen wij niet weerzien!"

Het was toen vijf uur in den morgen. Op dat oogenblik stiet de voorsteven van den Nautilus. Ik begreep dat de ijzeren spoor tegen een ijsblok had gestooten. Misschien was het een klein toeval, want die onderzeesche tunnel, hier en daar door ijsblokken verstopt, moest niet gemakkelijk te bevaren zijn. Ik dacht dus dat kapitein Nemo zijn tocht zou wijzigen en de hinderpalen te boven komen, of al de kronkelingen van den tunnel zou volgen. In allen gevalle kon onze tocht voorwaarts niet geheel en al verhinderd worden; doch tegen mijn verwachting begon de Nautilus achteruit te loopen.

"Wij gaan terug!" riep Koenraad.

"Ja," antwoordde ik, "de tunnel schijnt aan die zijde geen opening te hebben."

"En dan?"

"Dan is onze beweging gemakkelijk te verklaren. Wij gaan achteruit en zullen er door de zuidelijke opening uitkomen. Dat is alles."

Toen ik zoo sprak, wilde ik kalmer schijnen dan ik het inderdaad was. Echter ging de Nautilus hoe langer hoe sneller achterwaarts en sleepte ons in razende vaart mee.

"Dat is een oponthoud," zei ik.

"Wat komen er eenige uren op aan, als wij er maar uitkomen!"

Ik liep gedurende eenige oogenblikken van den salon naar de bibliotheek heen en weer; mijn makkers zaten zwijgend te peinzen; ik viel op een rustbank neer en nam een boek in de hand, waar ik slechts werktuiglijk een oog in wierp.

Een kwartier daarna naderde Koenraad mij en zei:

"Leest mijnheer daar een belangwekkend boek?"

"Zeer belangwekkend," antwoordde ik.

"Dat geloof ik wel, het is mijnheers eigen boek," zei hij lachend.

"Mijn boek?"

Waarlijk, ik had mijn werk over de groote diepten der zee in handen. Ik had dit zelf niet gezien. Ik sloeg het boek dicht, en hervatte mijn wandeling. Ned en Koen wilden weggaan.

"Blijft hier, vrienden," zei ik, terwijl ik hen tegenhield. "Wij moeten bij elkander blijven totdat wij uit den tunnel zijn."

"Zooals mijnheer goedvindt," antwoordde Koenraad.

Er verliepen eenige uren. Ik zag dikwijls naar de instrumenten die aan den wand hingen. De manometer wees aan dat de Nautilus voortdurend op een diepte van 300 meter bleef; het kompas dat hij steeds zuidwaarts voer; de log, dat hij met een snelheid van twintig kilometer in het uur achteruitging, een snelheid, die in zulk een nauw vaarwater buitensporig was. Maar kapitein Nemo wist, dat hij zich niet te zeer kon haasten, en dat minuten voor hem eeuwen waren.

Vijf minuten voor half negen, stootte de Nautilus ten tweeden male, doch ditmaal van achteren. Ik verbleekte; mijn makkers kwamen dichter bij mij; ik greep Koenraads hand; wij ondervroegen elkander met de oogen, en dat op welsprekender wijze dan wij het met woorden hadden kunnen doen.

Op dat oogenblik kwam de kapitein in den salon, en ik trad op hem toe.

"Is onze weg naar het Zuiden versperd?" vroeg ik.

"Ja, mijnheer; de ijsberg heeft zich omgekeerd en alle uitgangen gestopt."

"Zijn wij dus ingesloten?"

"Ja."

HOOFDSTUK XL

Geen lucht.

Derhalve een ondoordringbare ijsmuur boven, beneden en rondom den Nautilus; wij zaten in de ijsbank gevangen! De Amerikaan sloeg met de vuist op de tafel; Koenraad zweeg, ik keek den kapitein aan; zijn gelaat had de gewone kalmte hernomen. Hij had de armen over elkander geslagen, en scheen na te denken. De Nautilus bewoog zich niet. Daarna nam de kapitein het woord:

"Mijne heeren," zei hij op bedaarden toon, "er zijn twee wijzen van sterven in de omstandigheden waarin wij verkeeren."

Deze onverklaarbare man had iets van een hoogleeraar in de wiskunde, die voor zijn leerlingen de een of andere stelling bewees.

"De eerste manier," vervolgde hij, "is om te sterven door verplettering, de tweede door verstikking. Ik spreek niet van de mogelijkheid om den hongerdood te sterven, want de proviand van den Nautilus zal langer duren dan wij. Laten wij dus alleen over de beide eerste gevallen spreken."

"Voor stikken behoeven wij niet bang te zijn, kapitein," antwoordde ik, "want onze vergaarbakken zijn vol."

"Juist," hernam Nemo, "maar dat is maar voor twee dagen genoeg. Wij zijn nu al zes en dertig uren onder water, zoodat het zeer noodig is de lucht in den Nautilus te ververschen. Over tweemaal vier en twintig uren zal onze voorraad uitgeput zijn."

"Welnu, kapitein, dan moeten wij vóor dien tijd bevrijd zijn."

"Wij zullen het tenminste beproeven, door den muur te doorboren, die ons insluit."

"Aan welken kant?" vroeg ik.

"Dat zal de peiling leeren. Ik zal den Nautilus op den onderkant van den tunnel laten rusten, en dan zullen mijn manschappen met hun scaphanders aan, den ijsberg aan de minst dikke zijde aantasten."

"Mogen de wanden van den salon open?"

"Zeker, want wij liggen stil."

De kapitein ging heen. Een gesis onderrichtte mij weldra dat de waterbakken volstroomden. De Nautilus daalde langzaam, en stuitte eindelijk op den ijsvloer op een diepte van 350 meter.

"Vrienden," zei ik, "de toestand is ernstig, doch ik reken op uw moed en geestkracht."

"Mijnheer," antwoordde de Amerikaan, "ik zal u nu niet vervelen met mijn klaagliederen. Ik ben bereid om alles te doen voor het algemeen behoud."

"Goed zoo, Ned," zei ik, terwijl ik hem de hand toestak.

"En ik voeg er nog bij," hernam hij, "dat ik even goed het houweel als den harpoen hanteer, en dat als de kapitein denkt dat ik hem nuttig kan zijn, hij over mij kan beschikken."

"Hij zal je hulp niet weigeren; kom maar mee."

Ik bracht den Amerikaan naar het vertrek waar de mannen van den Nautilus bezig waren de scaphanders aan te doen. Ik deelde den kapitein Neds voorstel mede, dat hij aannam. De Amerikaan trok een scaphander aan en was even spoedig als de anderen gereed. Elk hunner droeg een toestel van Rouquayrol met een voorraad zuivere lucht op den rug. De vergaarbakken van den Nautilus werden daardoor nog al beroofd, doch, 't was noodig. De lampen van Ruhmkorff waren onnoodig in dit electrisch verlichte water.

Toen Ned was aangekleed, ging ik naar den salon terug, waar de wanden geopend waren, en naast Koenraad staande, bekeek ik de ijsmuren eens, waartusschen de Nautilus lag.

Eenige oogenblikken later zagen wij een twaalftal mannen op het ijs komen; Ned Land was door zijn lengte te herkennen. De kapitein was er ook bij.

Voordat hij in de muren liet hakken, beval hij boringen te doen om den goeden uitslag te verzekeren en te verhaasten. Er werden diepe gaten in de zijmuren gemaakt, doch na vijftien meter diep geboord te hebben, stiet men nog altijd op den ijsmuur. Het was onnoodig den muur boven ons te onderzoeken, omdat zich daar de ijsbank zelf bevond, die meer dan vierhonderd meter dik was. Toen liet de kapitein den bodem onderzoeken; daar scheidden ons maar tien meter ijs van het water; er moest dus een stuk worden uitgehakt, dat zoo groot was als de doorsnee van ons vaartuig; er waren dus 6500 kubieke meter op te ruimen, om daardoor een gat te krijgen, waardoor wij onder het ijsveld weer in het vaarwater zouden kunnen komen.

Het werk werd onmiddellijk aangevangen en met onvermoeide werkzaamheid voortgezet. In plaats van om den Nautilus te graven, want dit zou een zeer moeielijk werk zijn geweest, liet de kapitein een groote geul op acht meter afstands rondom den Nautilus afbakenen; daarna boorden zijn manschappen er op verschillende punten te gelijk in. Weldra viel men met het houweel op deze vaste massa aan, waarvan men spoedig groote blokken loshakte. Volgens de wetten der zwaartekracht vlogen de blokken, die minder wogen dan het water, om zoo te zeggen naar het gewelf, dat daardoor zooveel dikker als de bodem dunner werd. Doch dit kwam er niet op aan, als de bodem maar slonk.

Na twee uren van onafgebroken arbeid kwam Ned Land afgemat weer binnen. Zijn makkers en hij werden door anderen vervangen, waartoe ook Koenraad en ik behoorden. De stuurman van den Nautilus bestierde onzen arbeid.

Het scheen mij toe dat het water erg koud was, doch ik werd spoedig warm door het werk. Ik was vrij in mijn bewegingen, hoewel mijn lichaam een drukking van dertig atmosferen ondervond. Toen ik na twee uren werkens weer binnen kwam om wat te eten en te rusten, vond ik een merkbaar verschil tusschen de lucht uit het toestel van Rouquayrol en de atmosfeer die ons in den Nautilus omringde. Sedert tweemaal vier en twintig uur was de lucht niet ververscht en de levenskracht er dus van afgenomen.

Echter hadden wij in twaalf uren tijds maar één meter dikte van het ijs opgeruimd; als dus het werk op dezelfde wijze werd door-gezet, dan zouden wij nog vijf nachten en vier dagen hebben noodig gehad om te eindigen.

"Vijf nachten en vier dagen!" zei ik tot mijn makkers, "en wij hebben maar voor twee dagen lucht in onze vergaarbakken."

"Zonder nog te rekenen, dat, als wij uit die vervloekte gevangenis verlost zijn," zei Ned, "wij dan nog onder de ijsbank zitten en geen gemeenschap hebben met de buitenlucht."

Die opmerking was juist, want wie kon berekenen hoeveel tijd wij op zijn minst noodig hadden voor onze bevrijding? Zouden wij niet gestikt zijn voordat de Nautilus weer de oppervlakte kon bereiken? Was het vaartuig bestemd in dit ijsgraf te verdwijnen met allen die er in waren? Onze toestand scheen verschrikkelijk. Maar ieder onzer staarde die toekomst moedig tegen, en allen waren vast besloten om ten einde toe hun plicht te doen.

Zooals ik dacht, was er gedurende den nacht weer een meter dikte van het ijs afgehakt. Doch toen ik den volgenden morgen met mijn scaphander aan, onder een temperatuur van zes tot zeven graden onder nul door het zeewater liep, zag ik dat de zijmuren ons langzamerhand naderden. Het water, dat op eenigen afstand niet verwarmd werd door onzen arbeid en door de beweging, begon langzamerhand te stollen. Wat beteekenden tegenover dit nieuw en dreigend gevaar onze kansen op behoud, en hoe zouden wij deze ijsvorming kunnen tegengaan, die de Nautilus als een stuk glas uit elkander zou doen springen?

Ik deelde mijn makkers dit nieuw gevaar niet mede. Waarom behoefde ik de geestkracht uit te dooven, die zij voor hun reddingswerk zoozeer noodig hadden? Doch toen ik weer aan boord kwam, deelde ik den kapitein deze omstandigheden mede.

"Ik weet het," antwoordde hij op dien kalmen toon, die de vreeselijkste omstandigheden niet konden doen veranderen. "Het is een gevaar te meer, maar ik zie geen middel om het te verhoeden. Onze eenige kans op behoud is sneller te werken dan de vorst; het is er om te doen de eersten te zijn; dat is alles!"

De eersten te zijn! Ik had mij toch reeds moeten gewennen aan die wijzen van spreken!

Dien dag werkte ik verscheiden uren, zoo hard ik kon. Dit werken gaf mij moed. Bovendien, met werken kon ik den Nautilus en die bedorven atmosfeer van ons vaartuig verlaten, en dus wat zuivere lucht inademen.

Tegen den avond was de groeve nog een meter dieper gemaakt. Toen ik weer aan boord kwam, stikte ik bijna door het koolzuur waarmee de atmosfeer daar binnen verzadigd was. O, waarom hadden wij geen scheikundige middelen om dit gas te verdrijven! Aan zuurstof hadden wij geen gebrek, het water bevatte een groote hoeveelheid, en als wij dit door onzen toestand wisten te ontbinden, zou het ons door de zuurstof nieuwe levenskracht hebben geschonken! Ik dacht er wel aan, doch waartoe zou het gediend hebben, daar het koolzuur in alle deelen van ons vaartuig was doorgedrongen. Om het koolzuur weg te nemen, hadden wij groote vazen met bijtende potasch moeten vullen en die aanhoudend schudden; en juist deze stof ontbrak aan boord.

Dien avond moest de kapitein de kranen van zijn luchtvergaderbakken openen, om zoodoende de atmosfeer in den Nautilus eenigszins te ververschen. Zonder die voorzorg zouden wij den volgenden morgen niet zijn opgestaan.

Den volgenden morgen, 26 Maart, begon ik weer te werken. Wij waren aan den vijfden meter bezig. De zij- en bovenmuren van de ijsbank naderden ons van oogenblik tot oogenblik. Het was duidelijk dat zij ons zouden insluiten voordat de Nautilus los was. Ik werd éen oogenblik wanhopend; het houweel viel mij bijna uit de handen. Waarom behoefde ik nog te hakken, als ik toch moest stikken in het water dat tot ijs stolde; het was een straf, die de grootste wreedaard niet zou hebben uitgedacht. Ik dacht dat ik tusschen de vreeselijke kaken van een monster zat, die onweerstaanbaar tot elkander naderden.

Op dat oogenblik kwam de kapitein, die het werk bestierde, doch zelf ook meewerkte, langs mij heen; ik stiet hem aan den arm en wees hem op de muren onzer gevangenis. Aan stuurboordzijde was de muur tot op vier meter van den Nautilus genaderd. "Wij gingen naar binnen en trokken onze scaphanders uit, waarna ik met hem in den salon ging.

"Mijnheer Aronnax," zei hij, "wij moeten iets groots wagen of wij zullen in dit water evenals in cement worden vastgemetseld."

"Ja," antwoordde ik, "maar wat dan?"

"O," riep hij uit, "als mijn Nautilus aan die drukking weerstand kon bieden zonder verpletterd worden!"

"Welnu?" vroeg ik, daar ik hem niet begreep.

"Begrijpt gij niet dat die vorst ons dan te hulp zou komen? Ziet gij niet, dat zij dan die ijsbank, die ons ingesloten houdt, zou doen vaneenspringen, evenals het ijs de hardste steenen doet splijten? Gevoelt gij niet dat die vorst dan ons reddingsmiddel zijn zou, in plaats van ons te verdelgen?"

"Ja, kapitein, misschien; maar welke groote kracht de Nautilus ook bezit, zoo zou hij toch aan die verbazende drukking geen weerstand kunnen bieden, en geheel platgedrukt worden."