20.000 Mijlen onder Zee: Westelijk Halfrond
Part 12
Mijn hart klopte hevig; zouden wij boven komen en aan de Pool de vrije lucht inademen? Neen, een schok verkondigde mij, dat de Nautilus onder tegen de ijsbank gestooten had, en dat deze, blijkens het doffe geluid van den slag nog zeer dik was. Wij lagen nog op 330 meter diepte, zoodat er een dikte van 440 meter ijs boven ons hoofd lag. De ijsbank was dus hier hooger dan in het begin; dit was weinig geruststellend.
Gedurende dien dag herhaalde de Nautilus deze proef meermalen, doch stiet telkens tegen den ijsbodem boven ons. Op sommige oogenblikken vonden wij die op 900 meter diepte, zoodat de bank 1200 meter hoog of dik was; dit was dus driemaal dikker dan op de plaats waar wij naar beneden waren gegaan.
Ik teekende die verschillende diepten nauwkeurig op, en ik kreeg op die wijze als het ware een profiel van dezen onderzeeschen bergketen. 's Avonds was er nog geen enkele verandering in onzen toestand gekomen, altijd nog ijs op vier of vijfhonderd meter beneden; de dikte verminderde dus wel wat, doch hoe groot was die nog tusschen het oppervlak van de zee en ons!
Het was toen acht uur; sedert vier uren reeds had de lucht volgens de dagelijksche gewoonte ververscht moeten worden; ik had er echter niet veel last van, hoewel kapitein Nemo toch zijn toevlucht nog niet tot zijn luchtvergaarbakken had genomen. Gedurende dien nacht was mijn slaap onrustig. Hoop en vrees hielden mij beurtelings gekluisterd; ik stond verscheiden malen op, en voelde aanhoudend, dat de Nautilus de dikte van het ijs onderzocht. Tegen drie uur 's morgens zag ik dat het ondervlak der ijsbank op vijftig meter diepte lag; de bank ging dus langzamerhand in een ijsveld over, de berg werd derhalve weer vlak. Ik hield mijn oogen op den manometer gevestigd; wij rezen voortdurend in schuine richting langs het ijsvlak, dat in het licht der electrische lantaarn schitterde. De ijsbank nam van boven en van onderen telkens af; zij werd van kilometer tot kilometer dunner.
Eindelijk om zes uur 's morgens, op dien gedenkwaardigen 20sten Maart, opende zich de deur van den salon, en kapitein Nemo verscheen.
"Open zee!" zei hij.
HOOFDSTUK XXXVIII
De Zuidpool.
Ik snelde naar het plat. Het was zoo. Wij waren in open zee! Er waren maar enkele schotsen of drijvende ijsbergen zichtbaar; zoover het oog reikte, zag ik niets dan zee; in de lucht fladderden duizenden vogels; millioenen visschen zwommen in het water, dat naarmate van de diepte donker blauw of olijfgroen was. De honderdgradige thermometer wees drie boven nul. Het was achter de ijsbank, waarvan de massa zich aan den noordelijken gezichteinder uitstrekte, als het ware lente.
"Zijn wij aan de pool?" vroeg ik met kloppend hart aan den kapitein.
"Ik weet het niet," antwoordde hij. "Om twaalf uur zullen wij eens hoogte nemen."
"Maar de zon zal door dien mist niet heendringen," zei ik, terwijl ik de grauwe lucht bekeek.
"Als zij maar even schijnen wil, is het al genoeg," antwoordde de kapitein.
Tien kilometer van den Nautilus verhief zich naar het Zuiden een eenzaam eiland, tot op twee honderd meter boven de zee. Wij voeren er heen, doch met de grootste omzichtigheid, want het vaarwater kon vol klippen zijn. Een uur daarna waren wij op het eiland; twee uur daarna hadden wij het rondgevaren. Het had vijf kilometer in omtrek; een nauw kanaal scheidde het van een groot land, misschien wel een vastland, waarvan wij het einde niet konden zien. Het bestaan van dit land scheen de veronderstelling van Maury te wettigen. Die schrandere Amerikaan had namelijk opgemerkt, dat tusschen de Zuidpool en de zestigste parallel de zee met zeer groote drijvende ijsschotsen bedekt is, wat men in het Noorden nimmer ziet; daaruit had hij het gevolg getrokken, dat er aan de Zuidpool een groot vasteland moest wezen, omdat zulke ijsschotsen nimmer in volle zee, maar alleen op kusten kunnen ontstaan. Volgens zijn berekening vormt het ijs aan de Zuidpool een massa van 4000 kilometer oppervlakte.
De Nautilus was, uit vrees van op een klip te stooten, blijven liggen op drie kabellengten van een strand, waarboven, zich prachtige rotsen verhieven; de sloep werd in zee gebracht, de kapitein en twee zijner manschappen, die de instrumenten droegen, stapten erin. Koenraad en ik insgelijks. Het was tien uur in den morgen: ik had Ned Land niet gezien; de Amerikaan wilde zeker zelfs aan de Zuidpool niet erkennen, dat hij ongelijk had.
Eenige riemslagen brachten ons aan het strand. Toen Koenraad aan land wilde springen, hield ik hem tegen.
"Aan u de eer, mijnheer," zei ik tot den kapitein, "om het eerst den voet op dezen grond te zetten."
"Indien ik niet aarzel," antwoordde hij, "dit Poolland te betreden, is het, omdat tot nog toe geen menschelijk wezen hier zijn voet heeft gezet."
Toen sprong hij op het strand; hij was zichtbaar ontroerd. Hij beklom een uitstekend rotspunt, en daar stond hij met over elkander geslagen armen, een vurig oog, onbeweeglijk en stilzwijgend, als om bezit van deze streken te nemen. Toen hij zoo ongeveer vijf minuten gestaan had, keerde hij tot ons terug.
"Als gij maar wilt, mijnheer!" riep hij mij toe.
Ik ging met Koen aan land, terwijl de beide mannen in de sloep bleven.
De bodem was met roodachtig zand, als met fijn gestampte tichelsteenen bedekt; daartusschen zagen wij stukken lava, puimsteen en andere vulkanische producten. Op sommige plaatsen stegen lichte rookwolkjes, die een sterken zwaveldamp verbreidden, uit den grond, en deden dus zien, dat het onderaardsche vuur nog al zijn kracht had behouden. Toen wij evenwel op een hooge rots gekomen waren, zag ik verscheiden kilometer in de rondte geen enkelen vulkaan. Men zal zich herinneren, dat kapitein Ross in deze streken op 77° 32' breedte de vulkanen Erebus en Terror in volle werking zag.
De plantengroei was op dit land uiterst gering; op de zwarte rotsen groeiden enkele mossen, deze vormden met enkele mikroskopische plantjes de geheele flora.
Het strand was bezaaid met allerlei soort schelpen, hoorns en zeesterren. Maar in de lucht vooral was de fauna sterk vertegenwoordigd; daar vlogen en fladderden duizenden vogels van allerhande soorten, die ons met hun gekras doof schreeuwden. Anderen zaten in groot aantal op de rotsen, en lieten ons zonder vrees voorbijgaan, zoodat wij ze soms zelfs met den voet aanraakten. Het waren vetganzen, steltloopers, groote albatrossen en stormvogels; "sommige zoo vet," zei ik tot Koenraad, "dat de bewoners der Ferroe-eilanden hun maar een pit in het lichaam draaien, om die dan aan te steken."
"Als men nog een weinig verder ging, zouden het volmaakte lampen zijn," antwoordde Koenraad, "doch men kan toch niet vergen, dat de natuur ze ook nog met een pit voorziet."
Nadat wij omstreeks vijf honderd meter waren voortgegaan, vonden wij den grond als bezaaid met nesten, waaruit zwermen van vogels opvlogen. Later liet de kapitein er eenige honderden van vangen, omdat ze zeer smakelijk om te eten waren; die beesten waren zoo weinig schuw, dat men ze met steenen kon dood gooien.
De mist trok niet op, om elf uur was de zon nog niet doorgekomen; ik maakte mij daar ongerust over, want zonder zon waren geen waarnemingen mogelijk; hoe zouden wij toch nauwkeurig kunnen weten of wij de Zuidpool bereikt hadden?
Toen ik weer bij den kapitein kwam, lag hij op een stuk rots geleund en bekeek de lucht; hij scheen ongeduldig en teleurgesteld. Maar wat daaraan te doen? De stoutmoedige en veelvermogende man voerde geen bevel over de zon zooals over de zee. Het was twaalf uur, en nog had de dagvorst zich geen oogenblik vertoond; men kon zelfs niet zien waar hij ergens achter dit nevelgordijn verborgen was. Weldra loste de mist zich in de sneeuw op.
"Tot morgen!" zei de kapitein bedaard, en wij roeiden weer naar den Nautilus. In onze afwezigheid had men de netten uitgeworpen, en ik beschouwde met belangstelling de visschen, die men in deze zuidelijke poolzee gevangen had. De zuidelijke poolzee is de wijkplaats voor een groote menigte trekvisschen, die de keerkringsstormen ontwijken, maar om de prooi te worden van bruinvisschen en robben. Ik zag er eenige kraakbeenachtige schaaldieren van een decimeter lengte, witachtig met blauwe en bruine vlekken, gewapend met angels; voorts een wonderlijk soort van zeedieren, drie voet lang, met rank lichaam, een gladde, witte huid met zilveren weerschijn, drie rugvinnen, een ronden kop, wier muil uitloopt in een omgebogen snuit. Ik proefde er van, maar vond ze zeer onsmakelijk; Koen daarentegen prees ze zeer.
De sneeuwstorm duurde tot den volgenden dag; het was onmogelijk om op het plat te blijven staan. In den salon, waar ik de bijzonderheden van onzen tocht opteekende, hoorde ik het geschreeuw van stormvogels en albatrossen in den orkaan. De Nautilus bleef niet stil liggen, doch voer langs de kust voort, en ging nog een tiental kilometer verder naar het Zuiden, te midden van een halve schemering, veroorzaakt door dat de zon maar even boven den gezichteinder verscheen.
Den volgenden dag, 20 Maart, had het sneeuwen opgehouden, doch het was vinniger koud; de thermometer stond twee graad onder nul. De mist trok op, en ik hoopte, dat wij dien dag zonshoogte konden nemen.
Daar kapitein Nemo nog niet verschenen was, gingen Koenraad en ik in de sloep en roeiden naar wal. De aard van den grond was nog altijd even vulkanisch; overal zagen wij sporen van lava, basalt en andere vulkanische uitwerpselen, zonder dat wij een krater ontdekten. Hier vlogen ook weer duizenden vogels om ons heen, die dit Poolland bevolkten. Doch zij deelden hun woonplaats met groote troepen zoogdieren, die ons met hun zachte oogen aankeken. Het waren zeekalven van verschillende soorten, waarvan sommige op den grond en andere op drijvende ijsschollen lagen, terwijl wederom andere in zee rondspartelden. Zij vluchtten niet voor ons, daar zij den mensch niet kenden, en ik zag er genoeg bij elkaar om eenige honderden schepen mee van leeftocht te voorzien.
"Drommels," zei Koenraad, "het is gelukkig dat Ned Land niet bij ons is."
"Waarom, Koen?"
"Omdat die dolle harpoenier alles zou doodslaan."
"Alles, dat is nog al veel; maar ik geloof niet, dat wij onzen Amerikaanschen vriend hadden kunnen beletten eenige van die prachtige exemplaren te harpoenen. Kapitein Nemo zou daar zeer boos om zijn geworden, want hij vergiet ongaarne het bloed van weerlooze dieren."
"Hij heeft gelijk."
"Zeker, Koen. Maar zeg eens, heb jij op die schoone dieren nooit jacht gemaakt?"
"Mijnheer weet wel," antwoordde Koenraad, "dat ik niet zeer sterk ben in de practijk, maar als mijnheer mij de namen van die beesten genoemd heeft...."
"Het zijn zeekalven en robben."
"Twee soorten uit de orde de vleeschetende zoogdieren," antwoordde Koen haastig.
"Goed, Koen," zei ik, "maar laat ons nu voortgaan,"
Het was acht uur; wij moesten nog vier uur wachten voor wij de zon zouden kunnen waarnemen. Ik ging naar een uitgestrekte baai, die een inham vormde in de granietrotsen op den oever. Zoover ons gezicht reikte, waren de oevers van de ijsschotsen met zeedieren bedekt, en onwillekeurig zag ik uit naar den ouden Proteus, den herder, die volgens de fabelleer de kudden van Neptunus weidde. Het waren meestal zeekalven; de wijfjes pasten op de jongen, de mannetjes hielden de wacht. Als zij van de eene plaats naar de andere gingen, deden zij kleine sprongen, en steunden daarbij gedeeltelijk op hun zwemvliezen, die bij de met hen verwante zeekoeien veel hadden van armen. Ik moet erkennen, dat die dieren met hun bevallige bewegingen en gladharige huid verwonderlijk zwommen; als zij op het strand lagen, namen zij allerlei bevallige houdingen aan; het is dus geen wonder, dat de ouden ze dichterlijk met tritons en sirenen vergeleken. Er waren er onder, die men, omdat zij een lengte van zes tot zeven meter bereikten, zeeolifanten noemt.
"Zijn die dieren niet gevaarlijk?" vroeg Koenraad.
"Neen," antwoordde ik, "behalve als men ze aanvalt. Als een zeekalf zijn jong verdedigt, is het beest woedend, en het is niet zelden gebeurd dat het een sloep verbrijzelt."
"Het dier heeft gelijk," zei Koen.
"Dat ontken ik niet."
Twee kilometer verder stuitten wij op een voorgebergte, dat de baai tegen den zuidewind beschutte. Het rees loodrecht uit zee op, en het zeeschuim spatte er tegen aan; aan de andere zijde der rots hoorden wij een geraas alsof er een troep vee loeide.
"Mooi," zei Koen, "een stierenconcert."
"Neen, mijn vriend, dat zijn zeedieren."
"Vechten zij?"
"Zij vechten en spelen."
"Dat moeten wij eens zien, als mijnheer het goedvindt."
"Zeker, Koen."
En wij beklommen de zwarte rotsen, waarbij dikwijls onverwacht groote steenen naar beneden vielen, terwijl het ijs ons pad hier en daar vrij glad maakte. Ik viel meermalen, en bezeerde mij dan erg. Koenraad was voorzichtiger, of stond vaster op zijn beenen, ten minste hij struikelde bijna niet en hielp mij telkens op, waarbij hij zeide: "Als mijnheer zoo goed wilde zijn om zijn beenen verder van elkaar te zetten, zou mijnheer beter blijven staan."
Toen wij boven op de rots kwamen, zagen wij een groote witte vlakte voor ons vol walrussen; de beesten speelden met elkander, en brulden van genoegen, maar niet van woede. Zij geleken wel wat op zeekalven, maar waren wat grooter; hun bovensnijtanden staken uit den bek en waren ongeveer twee en een halven decimeter lang; de tanden zijn harder dan die van den olifant en worden minder spoedig geel, waarom zij zeer gezocht zijn. Er wordt dan ook onophoudelijk jacht op gemaakt, zoodat ze weldra tot den laatste zullen uitgeroeid zijn; althans er worden er jaarlijks meer dan vierduizend gedood.
Na een tijd lang te hebben staan kijken, dacht ik er over om terug te keeren. Het was elf uur, en als kapitein Nemo een gunstig oogenblik voor waarnemingen had, wenschte ik daarbij te zijn. Ik verwachtte echter niet, dat de zon zich dien dag zou vertoonen, want de gezichteinder was met dikke wolken bedekt; het scheen alsof de zon dat ontoegankelijk punt van den aardbol voor stervelingen niet wilde aanwijzen. Ik ging echter naar den Nautilus terug en volgde een smal voetpad, dat over den top der klip liep. Om half twaalf waren wij op de landingsplaats; de kapitein had zich met de sloep aan wal laten brengen, met zijn instrumenten bij zich. Hij keek naar den noordelijken gezichteinder, waar de zon haar korte loopbaan beschreef. Ik ging naast hem staan en wachtte zonder spreken. Het werd twaalf uur, maar even als den vorigen dag bleef de zon onzichtbaar.
Het was treurig; nogmaals konden er geen waarnemingen geschieden. Als dit den volgenden dag niet gebeurde, moesten wij de zaak bepaald opgeven. Want wij hadden juist den 20sten Maart, den volgenden dag was het dag- en nachtevening en zou de zon voor zes maanden onder den gezichteinder verdwijnen; dan begon de lange Poolnacht. Sedert 21 September was zij aan den noordelijken gezichteinder verdwenen, had zich in een spiraalvormige loopbaan verheven tot 21 December en was toen weer gaan dalen, om den volgenden dag haar laatste stralen over het Poolland te werpen.
Ik deelde mijn opmerkingen en mijn vrees aan den kapitein mede.
"Gij hebt gelijk, mijnheer Aronnax," zei hij, "als ik morgen de zonshoogte niet kan waarnemen, moet ik dit zes maanden uitstellen. Maar als de zon zich morgen vertoont, zal het, juist omdat het dan 21 Maart is, gemakkelijk wezen om te twaalf uur onze waarneming te doen."
"Hoe zoo?" vroeg ik.
"Ik heb den chronometer alleen noodig," antwoordde hij. "Als morgen om twaalf uur de zonneschijf door den noordelijken horizon juist midden door gedeeld wordt, zijn wij aan de Zuidpool. Het spreekt van zelf, dat ik de straalbreking daarbij in rekening moet brengen."
"Juist," zei ik. "Maar toch is deze waarneming niet wiskundig zeker, omdat de dag- en nachtevening niet precies om twaalf uur plaats heeft."
"Zonder twijfel, mijnheer, maar ik zal mij toch geen honderd meter vergissen, en meer hebben wij niet noodig; tot morgen dus."
De kapitein keerde naar boord terug. Koenraad en ik bleven tot vijf uur aan land, om te ontdekken en ons te oefenen. Ik kreeg geen enkel merkwaardig voorwerp in handen, behalve het bijzonder groot ei van een vetgans, waarvoor een liefhebber misschien vijfhonderd gulden zou betaald hebben. Het ei was van Isabella-kleur en zeldzaam door de streepjes en figuurtjes, die er als hieroglyphen op stonden. Ik gaf het aan Koenraad, en deze bracht het met de noodige voorzichtigheid ongeschonden aan boord. Ik legde dit zeldzame ei onder een van de glasramen in den salon. Daarna soupeerde ik met een heerlijk stukje lever van een zeekalf, dat wel wat naar varkensvleesch smaakte. Toen ik naar bed ging, deed ik als de Hindoes, en riep voor den volgenden dag de gunsten in van de zon.
Den volgenden morgen, 21 Maart, was ik op het plat, en vond er kapitein Nemo.
"Het weer klaart wat op," zei hij. "Ik heb goeden moed. Na het ontbijt zullen wij aan land gaan om een geschikte plaats voor onze waarneming uit te kiezen."
Toen zocht ik Ned Land op en wilde hem overhalen met ons mee te gaan, maar de koppige Amerikaan weigerde, en ik zag wel dat zijn stilzwijgen en zijn halsstarrigheid met den dag toenamen. Evenwel betreurde ik in deze omstandigheden zijn koppigheid niet, want er waren te veel zeekalven aan land, en men moest zulk een harpoenier niet aan onweerstaanbare verzoeking blootstellen.
Na het ontbijt ging ik aan wal. De Nautilus was des nachts nog eenige kilometers opgevaren. Hij lag op ruim vier kilometer van de kust, boven welke een bergtop van vier- of vijfhonderd meter uitstak. Behalve mijn persoon bevonden zich in de sloep de kapitein, twee zijner manschappen en de instrumenten, dat is te zeggen: een chronometer, een kijker en een barometer.
Gedurende onzen overtocht zag ik tal van walvisschen. Drie soorten treft men in de zuidelijke Poolzee aan; de Engelschen noemen ze right-whale, hump-back, en fine-back. De eerste heeft geen rugvinnen, de tweede groote plooien in den buik en witachtige vinnen, de derde is geelbruin van kleur en de vlugste van alle walvisschen. Men kan deze reusachtige dieren reeds in de verte ontwaren aan het water, dat zij tot aanmerkelijke hoogte opspuiten, met een kracht die wolken van damp doet opgaan. Deze dieren dartelden in het stille water, zoodat ik begreep, dat de Poolzee hun een toevluchtsoord was tegen de vijanden, die hen met hevigheid vervolgden.
Ik onderscheidde ook lange schoolen visschen, tot de klasse der kabeljauwen behoorende, benevens groote troepen weekdieren en zeekwallen, wiegelende tusschen de kammen der golfjes.
Om negen uur waren wij aan land. De hemel werd helderder en de wolken dreven naar het Zuiden. De mist, die op het water lag, trok op. Kapitein Nemo richtte den steven naar den bergtop, waarvan hij misschien zijn observatorium wilde maken. Het beklimmen daarvan koste veel moeite, door de puntige stukken lava en puimsteen, te midden eener atmosfeer, bedorven door opstijging van zwavelachtige dampen, die in hun kolommen tusschen de rotsspleten naar boven drongen. Voor iemand, op het land niet meer gewoon, beklom de kapitein de steile hellingen met een vlugheid en behendigheid, die ik niet kon nabootsen en een gemzenjager hem zou benijd hebben.
Wij hadden twee uur noodig om den top dezer rots van porfier en basalt te bereiken. Van daar strekte onze blik zich uit over een zee, die aan den noordelijken gezichteinder duidelijk van de lucht was afgescheiden. Voor onze voeten strekte zich een schitterend witte vlakte uit, boven ons hoofd welfde zich een lichtblauwe hemel zonder eenigen nevel; in het noorden vertoonde zich de zonneschijf als een vurige bol, waarvan de gezichteinder aan de onderzijde een stuk scheen te hebben afgesneden. Uit de zee werden prachtige waterstralen als fonteinen door de walvisschen opgespoten. In de verte lag de Nautilus als een slapende walvisch op het water. Achter ons, in het Zuiden en Oosten, strekte zich een verbazend groot land uit, dat met een ontzaglijke menigte rotsblokken en ijsschotsen bedekt was en waarvan men het einde niet kon bespeuren.
Toen kapitein Nemo op den top kwam, ging hij met den barometer zorgvuldig de hoogte na, omdat hij dit bij zijn waarneming in rekening moest brengen. Kwartier voor twaalven scheen de zon, die slechts door straalbreking zichtbaar was, als een gouden schijf en wierp haar stralen op dit eenzaam land en over die zee, door den mensch nog nooit met schepen doorkliefd.
Kapitein Nemo bekeek met een kijker, die door middel van spiegels de straalbreking verbeterde, het hemellichaam, dat in zeer schuine richting langzamerhand onder den gezichteinder wegzonk. Ik had den chronometer in de hand; mijn hart klopte hevig: indien het verdwijnen van de benedenste helft der schijf samenviel met het twaalfde uur op den chronometer, dan waren wij aan de POOL.
"Twaalf uur!" riep ik.
"De Zuidpool!" antwoordde de kapitein met ernstige stem, terwijl hij mij den kijker gaf, waardoor ik kon zien, dat de dagvorst door den gezichteinder juist in twee helften verdeeld was. Ik zag de laatste stralen op de rotspunten terugkaatsen en de schaduwen langzamerhand toenemen.
Op dat oogenblik legde de kapitein de hand op mijn schouder en zei: "In 1600 bereikten de Hollanders, door een zeestroom meegesleept, den 64sten graad; de beroemde Cook drong door tot 67° 30' en in 1774 zelfs tot 71° 15'; de Engelschman Weddel kwam tot 74° 15' en James Ross bereikte in 1842 met de Erebus en Terror 78° 4'; welnu ik, kapitein Nemo, heb op 21 Maart 1868 de Zuidpool op 90° bereikt, en ik neem bezit van dit gedeelte van den aardbol, dat als zesde werelddeel gelden kan."
"In wiens naam, kapitein?"
"In mijn naam, mijnheer!"
Terwijl hij dit zei, ontrolde kapitein Nemo een zwarte vlag, waar midden in een witte N was geborduurd. Daarop keerde hij zich naar de zon, wier laatste stralen nog aan den gezichteinder verschenen, en riep hij uit:
"Vaarwel, zon! Verdwijn, schitterende dagvorst! Verberg u achter deze vrije zee, en laat een nacht van zes maanden met zijn schaduwen neerdalen over mijn nieuw gebied!"
HOOFDSTUK XXXIX
Ongeluk of toeval.
Den volgenden dag, 22 Maart, maakte men zich te zes uur des morgens reeds tot het vertrek gereed. De laatste schemering verdween; het was scherp koud; de sterren flikkerden zeer helder; boven ons schitterde het wonderschoone Zuiderkruis, de poolster der zuiderstreken.
De thermometer stond op twaalf graden onder nul, en als de wind wat aanwakkerde, sneed deze ons het gezicht bijna stuk. De zee scheen overal te zullen dichtvriezen. Tallooze zwarte plekken toonden reeds de vorming van het jonge ijs; de zee zou dus gedurende de zes wintermaanden waarschijnlijk geheel ontoegankelijk zijn. Waar bleven de walvisschen in dien tijd? Zonder twijfel zochten zij, onder de ijsbank door, een open zee. De zeekalven en walrussen, die beter tegen het ruwe klimaat konden, bleven in deze bevroren streken. Deze dieren graven, door instinct gedreven, gaten in het ijs en weten die open te houden. Door die gaten kunnen zij ademhalen, en als dan de vogels ook voor de koude vluchten, dan zijn deze dieren de eenige bewoners dezer poolstreken.