# 20.000 Mijlen onder Zee: Westelijk Halfrond

## Part 11

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/20-000-mijlen-onder-zee-westelijk-halfrond-11393/index.md

"Elk zijn meug!" antwoordde kapitein Nemo, terwijl hij Ned Land strak aankeek. Ik vreesde dat deze zich soms tot eenige drift liet vervoeren, wat noodlottige gevolgen had kunnen hebben; maar zijn toorn werd afgeleid door het gezicht van een walvisch, waar de Nautilus op dat oogenblik tegen aandreef. Het dier had aan den beet der potvisschen niet kunnen ontsnappen. Ik herkende den Zuidelijken walvisch, aan den afgeplatten, geheel zwarten kop. Hij is van den noordkaper of noordelijken walvisch onderscheiden door de aaneenhechting der zeven halswervels en doordat hij twee ribben meer heeft dan zijn noordelijke natuurgenoot. De ongelukkige walvisch lag op zijde; de potvisschen hadden hem verscheiden wonden in den buik toegebracht; hij was dood. Een jong, dat door de moeder niet was kunnen beschermd worden tegen den moorddadigen aanval, hing nog aan zijn gescheurde vinnen. Door den open bek liep het zeewater, en maakte tusschen de baarden binnenstroomend, een geluid als de branding der zee.

Kapitein Nemo liet den Nautilus naast het dier sturen; twee man der equipage gingen op den visch staan, en ik zag niet zonder verbazing dat zij uit de tepels van het dier al de melk haalden, welke er in was, dat is te zeggen zoo wat twee of drie tonnen vol. De kapitein bood mij een kop van die lauwe melk aan; ik kon eenigen afkeer van dien vreemden drank niet ontveinzen. Hij verzekerde mij dat de melk voortreffelijk, en er geen onderscheid met koemelk in te proeven was. Ik proefde dus en moest hem gelijk geven. Het was dus voor ons een nuttige aanwinst, want die melk maakte in den vorm van boter en kaas een aangename afwisseling met onze gewone spijzen.

Van dien dag af merkte ik, niet zonder ongerustheid, dat de verhouding van Ned Land tegenover den kapitein hoe langer hoe slechter werd, en ik nam mij voor de handelingen van den Amerikaan van nabij gade te slaan.

HOOFDSTUK XXXVII

De ijsbank.

De Nautilus had zijn vaart naar het Zuiden ongestoord weer voortgezet; het schip volgde den vijftigsten meridiaan met verbazende snelheid. Wilde de kapitein de pool dan bereiken? Ik dacht het niet, want tot nog toe hadden alle plannen om tot dit punt van den aardbol te geraken, schipbreuk geleden. Bovendien was het jaargetijde reeds vrij ver gevorderd, daar 13 Maart in het Zuiden met 13 September in het Noorden overeenkomt.

Den 14den Maart zag ik op 55° breedte drijvende ijsschotsen; het waren brokken van zes of acht meter lengte, die daar ronddreven als klippen waartegen de golven braken. De Nautilus bleef boven drijven; Ned Land die vroeger reeds in de Noordelijke IJszee gevischt had, kende die ijsbergen, maar Koen en ik bewonderden ze voor de eerste maal. Aan den zuidelijken gezichteinder strekte zich een schitterend witte streep uit. Engelsche walvischvaarders hebben er den naam van "ijsschittering" aan gegeven. Hoe dik de wolken ook zijn mogen, zij kunnen deze heldere streep niet verduisteren; zij kondigt een ijsbank aan. Inderdaad, weldra verschenen grootere stukken, welker helderheid afwisselde naar gelang van de nevels, waarin wij gehuld waren. Sommige van die gevaarten hadden groenachtige aderen, alsof zwavelzuur koper er zulke golvende lijnen op getrokken had; andere zagen er uit als verbazend groote amathysten, waar de lichtstralen doorheen vielen, wederom andere kaatsten het daglicht tegen de duizende kristalvlakjes terug; nog andere waren hagelwit als kalksteen, en zouden als ze van marmer waren geweest, bouwstof genoeg voor een geheele stad hebben opgeleverd. Hoe verder wij naar het Zuiden gingen, hoe meer de drijvende eilanden in grootte en getal toenamen. Duizenden vogels hadden er hun nesten op gebouwd; zij verdoofden ons door hun geschreeuw. Sommige zagen den Nautilus voor een dooden walvisch aan, streken er op neer en pikten op de ijzeren platen.

Bij deze vaart tusschen de ijsbergen was kapitein Nemo dikwijls op het plat. Hij beschouwde deze eenzame stilte met de grootste oplettendheid; ik zag zijn kalm gelaat zich soms verlevendigen. Zeide hij mogelijk bij zich zelven dat hij in die poolzeeën, waar niemand kon doordringen, zich te huis gevoelde, en hij alleen de ondoordringbare ruimte beheerschte? Misschien wel, doch hij sprak niet, hij stond onbeweeglijk, en scheen nu en dan slechts tot zich zelven te komen als hij zijn schip moest besturen. Hij richtte zijn Nautilus met volmaakte bekwaamheid, en vermeed behendig den schok met de ijsgevaarten, van welke sommige verscheiden kilometer lang en zeventig of tachtig meter hoog waren. Soms scheen het alsof de gezichteinder geheel gesloten was: op 60° Z.B. was bijna alle ruimte om te varen verdwenen; maar de kapitein zocht nauwkeurig, en vond weldra weer een kleine opening, waardoor hij stoutmoedig heengleed, echter wetende, dat zij zich onmiddellijk achter hem zou sluiten.

Zoo gleed de Nautilus, door een bekwame hand bestuurd, tusschen al die ijsbergen, die eindelooze ijsvelden, die drijvende ijsschotsen, die langere of kortere ijsbrokken door. De temperatuur was vrij laag; de thermometer wees in de lucht twee of drie graden onder nul. Doch wij waren warm gekleed met bont, waarvoor zeekalven en ijsberen de huiden hadden geleverd. Het inwendige van den Nautilus werd door de electrische toestellen regelmatig verwarmd, en tartte dus de vinnigste koude. Bovendien zou het voldoende geweest zijn, eenige meters onder water te duiken, om er een dragelijke temperatuur te vinden. Twee maanden eerder zouden wij op deze hoogte aanhoudend dag hebben gehad, maar nu werd het gedurende drie of vier uur reeds nacht en later zouden deze poolstreken gedurende zes maanden in een nachtelijk duister gehuld zijn.

Den 15den Maart kwamen wij op de hoogte der Nieuw-Shetlandsche en der Orkney-eilanden. De kapitein deelde mij mede dat deze streken vroeger door een ontzaglijke menigte zeekalven werden bewoond, maar dat Engelsche en Amerikaansche walvischvaarders in hun verdelgingswoede de jongen en de wijfjes doodden, en stilte des doods hadden verwekt, waar vroeger leven en beweging was.

Den 16den Maart, tegen acht uur 's morgens, voer de Nautilus op den vijfentwintigsten meridiaan over den zuiderpoolcirkel; het ijs omringde ons van alle kanten en sloot den gezichteinder. Evenwel stuurde kapitein Nemo van spleet tot spleet en voer immer verder.

"Maar waar gaat hij toch heen?" vroeg ik.

"Recht door zee!" antwoordde Koenraad. "Als hij niet verder kan, zal hij wel ophouden."

"Daar zou ik nog geen eed op durven doen," antwoordde ik.

Doch om ronduit te spreken, moet ik bekennen, dat deze avontuurlijke tocht mij niet onaangenaam was. Ik kan niet zeggen hoe mij de schoonheden van deze nieuwe streken in verrukking brachten. De ijsbergen namen prachtige gedaanten aan. Hier vormden zij een Oostersche stad met ontelbare koepels en moskeeën, daar vormden zij als het ware een in puin gestort oord, dat door een aardbeving verwoest was. De gezichten veranderden elk oogenblik, hetzij door den schuinen stand der zonnestralen, hetzij door grauwen nevel of sneeuwstormen. Dan hoorden wij van alle kanten vreeselijke knallen, ineenstorting of val van groote ijsbergen, waardoor het landschap elk oogenblik van gedaante veranderde.

Als de Nautilus soms onder water voer, wanneer zulke kolossen in elkander stortten, dan plantte zich het gedruisch onder water met een vreeselijke kracht voort; en de val van die gevaarten bracht dan de zee tot zelfs op groote diepte in heftige beweging. De Nautilus slingerde dan als een schip, dat aan de woede der elementen is blootgesteld.

Dikwijls zag ik geen enkelen uitgang en dacht dat wij bepaald waren ingesloten; maar kapitein Nemo werd door een soort van instinct geleid, en ontdekte bij de minste sporen zelf steeds nieuwe openingen, waar hij met zijn Nautilus doorheen kon komen. Hij bedroog zich nimmer op het gezicht van het minste spoor van het blauwgekleurde zeewater tusschen de ijsvlakten. Ik twijfelde er dus niet aan, of hij had zijn Nautilus reeds meer in deze zuidelijke poolzeeën gebracht.

Den 16den Maart echter sloot de ijsmassa ons geheel en al den weg af; het was de ijsbank nog wel niet, doch groote ijsvelden, door de koude aan elkander bevestigd. Deze hinderpaal kon kapitein Nemo niet ophouden, hij dreef zijn vaartuig met vreeselijke kracht tegen de ijsvlakte in. De Nautilus drong als een wig in deze brosse massa, en spleet haar met geweldig gekraak van elkander; het was de oude stormram, door een onbeperkte kracht in beweging gebracht. De stukken ijs werden hoog in de lucht geslingerd en vielen als hagelsteenen weer op ons neer, alleen door zijn voortstuwende kracht boorde ons vaartuig zich een weg. Soms vloog de Nautilus in zijn onstuimige vaart op het ijs, en verbrijzelde dit dan onder zijn zwaarte, dan weer schoot hij er onder, doch deed de oppervlakte, door er slechts wat tegenaan te stampen, vaneen barsten. Gedurende al die dagen overvielen ons hevige sneeuwvlagen; soms mistte het zoo sterk, dat men van het eene einde van het plat niet naar het andere kon zien; de wind draaide plotseling door alle streken van het kompas. De sneeuw vroor zoo hard aan elkaar, dat wij die met het houweel vaneen moesten slaan. Bij een temperatuur van vijf graden onder nul werd de geheele buitenzijde van den Nautilus met ijs bedekt. Op een schip zou men geen enkele manoeuvre hebben kunnen uitvoeren, omdat het geheele want vastgevroren zou geweest zijn; een vaartuig zonder zeilen, door electriciteit in beweging gebracht, zoodat het geen steenkolen noodig had, kon ongestraft zich op zulk een breedte wagen.

Onder deze omstandigheden bleef de barometerstand gewoonlijk zeer laag; hij daalde zelfs tot 735 m.M. De aanwijzing van het kompas leverde geen enkelen waarborg meer op. De naalden wezen tegengestelde richtingen aan, toen wij de magnetische Zuidpool naderden, welke niet met de Zuidpool der aarde samenvalt. Volgens Hansten ligt zij op omstreeks 70° Z.B. en 130° W.L., doch volgens de waarnemingen van Duperrez op 70° 30' Z.B. en 135° W.L. Wij moesten tal van waarnemingen doen met verschillende kompassen, die in de onderscheidene deelen van het vaartuig waren neergezet, en daaruit een gemiddelde zoeken. Doch dikwijls bepaalde men den afgelegden weg slechts op de gis, hoewel die maatregel al bijzonder weinig voldoende was, te midden van die bochtige doorvaarten, welker richting ieder oogenblik veranderde.

Eindelijk lag de Nautilus den 18den Maart, na tal van nuttelooze pogingen om verder te komen, geheel ingesloten. Het waren geen ijsvelden of ijsklompen meer, doch het was een eindelooze en onbewegelijke hinderpaal, welke uit aan elkander vastgevroren bergen bestond.

"De ijsbank!" zei de Amerikaan.

Ik begreep dat dit voor Ned Land evenals voor alle zeevaarders, die ons voor waren gegaan, een onoverkomelijke hinderpaal was. Toen de zon tegen den namiddag een oogenblik verscheen, nam kapitein Nemo vrij nauwkeurig onze hoogte; wij waren op 51° 30' lengte en 67° 30' breedte. Het was in deze zuidelijke poolzeeën een vrij ver gevorderd punt; van een zee was er evenwel niets te zien. Vóór den Nautilus strekte zich een groote vlakte uit, bezaaid met grillig gevormde ijsblokken, in de zonderlinge wanorde, die het bevroren vlak eener rivier kenmerkt, eenigen tijd voordat zij aan het kruien gaat, maar hier in veel geduchter afmetingen, zooals zich laat begrijpen.

Hier en daar staken scherpe punten tot op twee honderd voet hoogte uit; verder zag ik een rij scherpe en hoekige grijs getinte klippen, waarop enkele zonnestralen als in een spiegel door den mist heen terugkaatsten. En in die eenzame natuur heerschte een doodsche stilte, ter nauwernood soms afgebroken door het geklapwiek van een stormvogel. Alles was bevroren, zelfs het geluid.

De Nautilus moest dus op zijn avontuurlijken tocht in het midden van deze ijsvelden blijven steken.

"Als uw kapitein nog verder gaat, mijnheer,".... zei mij dien dag Ned Land.

"Welnu?"

"Dan is hij een baas."

"Waarom, Ned."

"Omdat niemand over de ijsbank kan heenkomen. Uw kapitein is bij de hand, maar hij is voor den duivel niet sterker dan de natuur, en waar deze een grens heeft gesteld, moet men, of men wil of niet, ophouden."

"Je hebt gelijk, Ned, en toch zou ik wel eens willen weten, wat er achter die ijsbank zit! Er is niets dat mij boozer kan maken dan een muur."

"Mijnheer heeft gelijk," zei Koenraad; "muren zijn maar uitgevonden om geleerden te hinderen; er moesten nergens muren zijn."

"Goed," antwoordde de Amerikaan. "Achter de ijsbank weet men wel wat er te vinden is."

"Wat dan?" vroeg ik.

"IJs en nog eens ijs!"

"Gij zijt daar zeker van, Ned," antwoordde ik, "doch ik niet; daarom juist zou ik het wel eens willen onderzoeken."

"Welnu, mijnheer," hervatte de Amerikaan, "laat dat denkbeeld varen. Gij ligt hier voor die ijsbank, laat u dat genoeg zijn, want gij noch uw kapitein Nemo, noch zijn Nautilus kunnen verder. En of hij wil of niet, hij zal naar het noorden, dat is naar het land der fatsoenlijke menschen, moeten terugkeeren."

Ik erken dat Ned Land gelijk had, en zoolang er geen schepen gebouwd worden, om over die ijsvelden te varen, zullen wij wel altijd voor die ijsbank blijven steken.

Niettegenstaande zijn pogingen en krachtige middelen, die hij inspande om het ijs te doen barsten, was de Nautilus tot onbeweeglijkheid gedoemd. Als iemand niet verder kan, is hij gewoonlijk van de zaak af door terug te keeren; maar hier was het even onmogelijk om terug te keeren als om vooruit te komen, want alle doorgangen waren achter ons gesloten, en als ons vaartuig nog eenigen tijd stil bleef liggen, zou het wel geheel in en onder het ijs besloten zijn. Dit gebeurde zelfs tegen twee uur 's middags, en het ijs vormde zich tegen de wanden van den Nautilus met verbazende snelheid. Ik moet erkennen, dat het gedrag van kapitein Nemo op zijn minst genomen onvoorzichtig was.

Ik stond op dit oogenblik op het plat; de kapitein beschouwde onzen toestand gedurende eenige minuten, en zei toen:

"Welnu, mijnheer, wat denkt gij er van?"

"Ik denk dat wij vast zitten, kapitein."

"Vast, hoe meent gij dat?"

"Ik meen dat wij noch voor noch achteruit, noch ergens heen kunnen; dit noemt men geloof ik 'vast zitten,' ten minster onder beschaafde natiën."

"Gij denkt dus, mijnheer Aronnax, dat de Nautilus niet meer los kan komen?"

"Moeilijk, kapitein, want het jaargetijde is reeds te vergevorderd om te verwachten, dat het ijs nog zal losgaan?"

"O, mijnheer de professor," antwoordde kapitein Nemo op spottenden toon, "gij verandert nooit! Gij ziet slechts hinderpalen en moeilijkheden! Ik verzeker u daarentegen, dat de Nautilus niet alleen los zal komen, maar ook nog vrij wat verder gaan."

"Nog verder naar het Zuiden?" vroeg ik, terwijl ik den kapitein aankeek.

"Ja, mijnheer, wij gaan naar de Zuidpool!"

"Naar de Pool!" riep ik uit, terwijl ik een teeken van ongeloof niet kon onderdrukken.

"Ja," antwoordde de kapitein koeltjes, "naar de Zuidpool, naar dat onbekende punt, waar alle meridianen samenvallen. Gij weet, dat ik met den Nautilus doe wat ik wil."

Ja, ik wist het. Ik wist dat die man stoutmoedig tot roekeloosheid toe was. Maar om de hinderpalen te overwinnen, die het bereiken van de Zuidpool beletten, die vrij wat ongenaakbaarder is dan de Noordpool, tot welke koene reizigers nog niet eens hebben kunnen doordringen, scheen mij een onzinnige onderneming, welke alleen in het brein van een krankzinnige kon opkomen! Ik vroeg den kapitein of hij die pool reeds ontdekt had, waar geen sterveling nog ooit den voet zette.

"Neen, mijnheer," antwoordde hij, "maar wij zullen die samen ontdekken. Waar anderen schipbreuk hebben geleden, zal ik slagen. Ik heb den Nautilus nog nimmer zoover in de Zuidelijke IJszee gewaagd, doch ik herhaal het u, wij zullen nog verder gaan."

"Ik wil u gelooven, kapitein," hernam ik op eenigszins spottenden toon. "Ik geloof u! Komaan, voorwaarts! Er bestaan voor ons geen hinderpalen! Laten wij deze ijsbank doorbreken! Laten wij haar in de lucht doen springen, en als zij dan nog weerstand biedt, moeten wij den Nautilus vleugels aandoen, om er overheen te vliegen."

"Er overheen, mijnheer?" antwoordde kapitein Nemo bedaard, "neen, niet er overheen, maar er onder door!"

"Er onder door!" riep ik uit.

Plotseling trof mij een denkbeeld, dat mij het geheele plan van den kapitein openbaarde. Ik had hem begrepen. De wonderbare hoedanigheden van den Nautilus zouden hem in deze bovenmenschelijke onderneming wel te hulp komen!

"Ik zie dat wij elkander beginnen te begrijpen, mijnheer de professor," zei de kapitein glimlachend; "gij doorziet reeds de mogelijkheid, ik zou zeggen het welslagen dezer onderneming. Wat voor een gewoon vaartuig onmogelijk is, wordt voor den Nautilus gemakkelijk. Indien er aan de Pool eenig vasteland is, zullen wij daarvoor blijven steken; is er daarentegen open zee; dan gaan wij naar de Pool zelf!"

"Als het oppervlak der zee," zei ik, medegesleept door de redeneering van den kapitein, "door het ijs onbevaarbaar is, dan is de diepte toch vrij, omdat de wetten der natuur daar het water door zijn grootere dichtheid een warmtegraad boven het vriespunt hebben gegeven. En indien ik mij niet bedrieg, dan staat het ijs van deze bank, dat onder water is, tot dat wat er boven uitsteekt als vier tot één?"

"Bijna, mijnheer. Als deze ijsbergen éen meter boven water uitsteken, dan zijn zij drie meter ingedompeld; omdat nu deze ijsbergen niet hooger zijn dan honderd meter, zijn zij maar drie honderd meter diep onder water. En wat is drie honderd meter voor den Nautilus!"

"Niets, kapitein."

"Wij kunnen zelfs op veel grooter diepte die gelijkmatige temperatuur van het zeewater opzoeken, en daar tarten wij ongestraft de dertig of veertig graad koude van de oppervlakte."

"Juist, kapitein, zeer juist!" antwoordde ik, in vuur gerakend.

"De eenige moeilijkheid," hernam kapitein Nemo, "zal zijn om verscheiden dagen onder water te blijven, zonder onze lucht te kunnen ververschen."

"Anders niet?" vroeg ik. "De Nautilus heeft groote vergaarbakken, wij zullen die vullen, en deze kunnen ons al de zuurstof, die wij noodig hebben, verschaffen."

"Goed gevonden, mijnheer Aronnax," antwoordde de kapitein glimlachende; "doch omdat ik niet wil, dat ge mij van roekeloosheid beschuldigt, moet ik u al mijn zwarigheden tegenwerpen."

"Hebt gij die nog?"

"Eén enkele; het is mogelijk, dat, als er aan de Zuidpool een zee is, deze geheel bevroren is, en wij derhalve niet aan de oppervlakte kunnen komen!"

"Goed, kapitein, maar vergeet gij, dat de Nautilus met een geducht spoor is gewapend, en kunnen wij daarmee niet schuin tegen de ijsmassa rammelen, om deze door den schok open te boren?"

"Komaan, mijnheer de professor, gij zijt van daag vindingrijk!"

"Bovendien, kapitein," zei ik, mij opwindend, "waarom zou er niet even goed aan de Zuid- als aan de Noordpool een open zee zijn? In geen van beide halfronden valt de Pool der aarde samen met die der strengste koude, en men moet, totdat het tegendeel bewezen is, veronderstellen, dat er op die beide punten òf een vasteland, òf een open zee bestaat."

"Ik geloof het ook, mijnheer Aronnax," antwoordde kapitein Nemo. "Ik zal u alleen nog doen opmerken, dat gij, na zoovele zwarigheden tegen mijn plan gemaakt te hebben, mij nu met bewijsgronden ten voordeele daarvan overstelpt."

Kapitein Nemo sprak de waarheid; ik was zoover gekomen dat ik nog stoutmoediger werd dan hij! Ik sleepte hem mee naar de Pool! Ik liep hem reeds vooruit, en dat nog wel zeer verre!.... Maar neen, onnoozele dwaas! Kapitein Nemo kende beter dan ik het voor en tegen in deze zaak, en hij schepte er vermaak in, om mij door hersenschimmen in vervoering te zien.

Hij verloor echter geen oogenblik; op een gegeven teeken verscheen de eerste stuurman; de twee mannen spraken eenige oogenblikken met elkander in hun onbegrijpelijke taal, en hetzij de stuurman reeds vooruit gewaarschuwd was, hetzij hij het plan voor uitvoerbaar hield, hij liet geen de minste verwondering blijken.

Doch hoe onverschillig hij ook geweest mocht zijn, hij was het toch niet zoozeer als Koenraad, toen ik den braven jongen ons voornemen meedeelde, om tot aan de Zuidpool door te dringen.

Een "zooals mijnheer goedvindt," was zijn antwoord op deze mededeeling, en daarmee kon ik mij tevreden stellen. Wat Ned Land aangaat, deze trok den schouder zoo hoog op als ooit iemand gedaan had.

"Ziet gij, mijnheer," zei hij, "ik heb medelijden met u en uw kapitein Nemo!"

"Maar wij gaan naar de Pool, Ned."

"Wel mogelijk, maar dan komt gij niet terug."

En Ned Land ging naar zijn hut "om geen ongeluk te begaan," zooals hij zei.

Ondertusschen werden er reeds toebereidselen voor deze koene onderneming gemaakt. De krachtige pompen van den Nautilus persten de lucht in de vergaarbakken. Tegen vier uur deelde kapitein Nemo mij mee dat het luik van het plat zou gesloten worden. Ik wierp een laatsten blik op de dikke ijsbank, waar wij onder door zouden gaan; het was helder weer; de lucht was zuiver, de koude vinnig, 12° onder nul; maar omdat de wind was gaan liggen, scheen mij deze temperatuur niet onverdragelijk.

Een tiental mannen beklommen de zijwanden van den Nautilus en hakten het ijs rondom het vaartuig weg, zoodat zij het weldra los hadden; het was spoedig gedaan, omdat het pas gevormde ijs nog dun was. Toen gingen wij allen naar binnen, de gewone vergaarbakken werden gevuld met het water, dat onder de kiel nog niet bevroren was.

Ik had met Koenraad in den salon plaats genomen. Door het open raam beschouwden wij de diepten van de Zuidelijke IJszee. De thermometer rees weer, en de naald van den manometer begon af te wijken.

Op omstreeks drie honderd meter diepte, dreven wij, zooals kapitein Nemo voorspeld had, onder het gegolfde ondervlak der ijsbank. Maar de Nautilus zonk nog dieper; wij bereikten een laagte van acht honderd meter. De temperatuur van het water, die aan het oppervlak 12° was, bedroeg nu niet meer dan 10°; wij hadden dus reeds 2° gewonnen. Het spreekt van zelf, dat de temperatuur in den Nautilus door verwarmingstoestellen vrij wat hooger liep. Het vaartuig gehoorzaamde aan alle bewegingen met de grootste nauwkeurigheid.

"Wij zullen er wel onder door komen, als mijnheer het goedvindt," zei Koenraad.

"Ik reken er op!" antwoordde ik, op den toon der grootste overtuiging.

Onder de open zee had de Nautilus regelrecht koers naar de Zuidpool gezet, zonder van den twee en vijftigsten lengtegraad af te wijken. Van 67° 30' tot 90° bleven er ons nog 20° 30' te doorloopen; dat is nog ongeveer 2500 kilometer. De Nautilus had een gemiddelde snelheid van 60 kilometer in het uur, dus ongeveer van een sneltrein. Indien wij deze snelheid behielden, waren veertig uur voldoende om de Pool te bereiken.

Gedurende een gedeelte van den nacht bleven Koen en ik, door het ongewone van onzen toestand teruggehouden, vóór het raam van den salon zitten. De zee werd door onze electrische lantaarn verlicht, maar zij was geheel verlaten; de visschen hielden zich in deze altijd bevroren zeeën niet op, zij gebruikten die alleen om er uit de IJszee naar de open poolzee door te zwemmen; wij liepen verbazend snel; ik voelde dit aan het trillen van het lange ijzeren vaartuig.

Tegen twee uur in den morgen ging ik eenige uren rust nemen. Koenraad deed hetzelfde. Toen ik door de gangen ging, ontmoette ik den kapitein niet; ik veronderstelde dat hij aan het roer stond.

Den volgenden dag, 19 Maart, ging ik om vijf uur 's morgens reeds weder in den salon zitten. De electrische log wees aan dat de snelheid van den Nautilus wat gematigd was; het vaartuig rees, maar zeer voorzichtig; de vergaarbakken werden langzaam ledig gepompt.

