# 20.000 Mijlen onder Zee: Westelijk Halfrond

## Part 10

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/20-000-mijlen-onder-zee-westelijk-halfrond-11393/index.md

"Zou het u aangenaam zijn," vroeg de kapitein, "er iets meer van mee te nemen dan alleen de herinnering?"

"Wat wilt gij daarmee zeggen?"

"Ik wil zeggen, dat niets gemakkelijker is dan een photogram van deze onderzeesche streken mee te nemen."

Ik had nauwelijks den tijd om mijn verbazing over dit nieuwe voorstel te toonen, toen men op een wenk van den kapitein een photografisch toestel in de zaal bracht. Door de wijd geopende ramen was de door het electrisch licht beschenen watermassa uiterst helder en doorschijnend. Er was geen schaduw, geen afwijking of trilling in ons kunstlicht zichtbaar; de zon zou voor zulk een proef niet gunstiger kunnen geweest zijn. De Nautilus werd door de schroef en de helling zijner uitstekende vlakken in toom gehouden en lag onbeweeglijk stil. Het toestel werd op de onderzeesche rotsen gericht en in weinige seconden hadden wij een buitengewoon zuiver negatief beeld. Wij maakten later afdrukken waarvan ik hierbij de afbeelding in gravure geef. Men ziet daarop die oorspronkelijke rotsen, die het daglicht nooit heeft beschenen; die benedenste granietklompen, welke de krachtigste grondslagen der aarde vormen; die diepe grotten, in de steenmassa uitgehold; die onvergelijkelijk zuivere omtrekken, zich zoo zwart afteekenend alsof een schilder uit de Vlaamsche school ze gepenseeld heeft. Verder op, een horizon van bergen; een schoone, golvende lijn, die den achtergrond van een landschap uitmaakt. Ik kan geen beschrijving geven van die gladde, zwarte, glanzige rotsen zonder mosplanten, zonder een enkele vlek, vreemd van vorm en onwrikbaar vast staande op dien zandbodem, schitterend onder de stralen van het electrisch licht. Toen de kapitein gedaan had, zei hij:

"Wij gaan weer naar boven, mijnheer de professor: wij mogen niet te lang in dezen toestand blijven, en den Nautilus niet al te zeer blootstellen aan zulk een drukking."

"Goed, laat ons dan weer naar boven gaan, antwoordde ik.

"Sta dan vast op uw beenen."

Voordat ik begreep waarom de kapitein mij dien raad gaf, lag ik reeds op den grond. Toen men op een teeken van Nemo de schroef en de buitenvlakken een andere richting had gegeven, vloog de Nautilus als een ballon in het luchtruim met bliksemsnelheid naar boven. Met hoorbare trilling boorde hij door de watermassa; wij konden niets zien. In vier minuten doorkliefde hij de zestien kilometer, die ons van het vlak der zee scheidden, en sprong toen als een vliegende visch boven het water uit, waarin het vaartuig weer nederplofte, terwijl de golven aan alle kanten ontzaglijk hoog opstoven.

HOOFDSTUK XXXVI

Potvisschen en walvisschen.

In den nacht van 13 op 14 Maart richtte de Nautilus zich weer naar het zuiden. Ik dacht dat het vaartuig op de hoogte van kaap Hoorn den steven naar het westen zou wenden, om weer koers te zetten naar de Stille Zuidzee en aldus de onderzeesche reis om de aarde te eindigen; doch dit gebeurde niet en het schip vervolgde den tocht naar zuidelijker streken. Waar wilde de kapitein toch heen? Naar de Zuidpool? Dat was onzinnig; ik begon wezenlijk te gelooven, dat de roekeloosheid van Nemo de vrees van Ned Land rechtvaardigde.

Sinds eenigen tijd sprak de Amerikaan niet meer over zijn ontvluchtingsplannen. Hij was minder opmerkzaam geworden; ik zag wel hoezeer hem die langdurige gevangenschap kwelde, en ik begreep hoeveel toorn hij opkropte. Als hij den kapitein ontmoette, blonk een dof vuur in zijn oogen en ik vreesde altijd nog dat zijn woeste natuur hem tot het een of ander uiterste zou drijven.

Dien dag, 14 Maart, kwamen Koenraad en hij in mijn kamer; ik vroeg hen naar de oorzaak van hunne komst.

"Wij wilden u een eenvoudige vraag doen, mijnheer," antwoordde de Amerikaan.

"Spreek op, Ned."

"Hoeveel man denkt gij dat er aan boord van den Nautilus zijn?"

"Dat kan ik u niet zeggen, mijn vriend."

"Het komt mij voor," hernam Ned Land, "dat er voor dit vaartuig geen talrijke equipage noodig is."

"Inderdaad," antwoordde ik, een tiental mannen moeten, dunkt me, voldoende zijn."

"Welnu," zei Ned, "waarom zouden er meer zijn?"

"Waarom?" vroeg ik.

Ik keek Ned Land strak aan, omdat zijn doel gemakkelijk te raden was.

"Omdat," zei ik, "als mijn voorgevoel mij niet bedriegt, en ik het leven van kapitein Nemo goed begrepen heb, de Nautilus niet alleen een vaartuig, maar ook een schuilplaats zijn moet voor allen, die even als de kapitein elke betrekking met het bewoonde land hebben afgebroken."

"Misschien," zei Koenraad; "maar de Nautilus kan enkel een bepaald aantal menschen bevatten, en zou mijnheer ons niet eens kunnen zeggen, wat het grootste aantal zijn kan."

"Hoe dat, Koen?"

"Door berekening. Mijnheer kent den inhoud van den Nautilus en dus ook de hoeveelheid daarin vervatte lucht; als mijnheer nu ook weet hoeveel lucht elk mensch voor de ademhaling noodig heeft en dit vergelijkt met de noodzakelijkheid waarin de Nautilus verkeert om elke vier en twintig uur eens boven te komen...."

Koenraad eindigde zijn zin niet, maar ik begreep waar hij heen wilde.

"Ik begrijp u," zei ik, "maar hoewel die berekening gemakkelijk te maken is, kan zij toch slechts een zeer onzekere uitkomst opleveren."

"Het doet er niet toe," drong Ned Land aan.

"Hoor dan eens," hernam ik: "elk mensch heeft ieder uur zooveel zuurstof noodig als er in honderd liter zuivere lucht vervat is; dus in vier en twintig uur de zuurstof van 2400 liter lucht. Nu moet men berekenen hoeveel de Nautilus van deze hoeveelheid lucht bevatten kan."

"Juist," zei Koenraad.

"De inhoud van den Nautilus is 1500 ton, en een ton bevat duizend liter; dus bevat de Nautilus 1500,000 liter lucht, dat door 2400 gedeeld...."

Ik berekende het snel op een stukje papier.

".... geeft 625; dat is dus te zeggen, dat de lucht die de Nautilus bevat, juist genoeg zou zijn voor 625 menschen gedurende vier en twintig uur."

"625!" herhaalde Ned.

"Doch gij kunt gerust aannemen," voegde ik er bij, "dat passagiers en equipage bij elkander nog geen tiende deel van dit getal uitmaken."

"Dat is nog te veel voor drie menschen," mompelde Koenraad.

"Ik moet je dus alleen geduld aanraden, vriend Ned."

"En nog meer dan geduld," voegde Koen er bij, "onderwerping."

Koenraad had het juiste woord gekozen.

"Bovendien," hernam hij, "kan kapitein Nemo toch niet altijd naar het Zuiden gaan! Hij moet toch ééns ophouden, al was het maar voor de ijsbank, en dan moet hij toch naar meer bezochte zeeën terugkeeren! Dan is het tijd genoeg om de plannen van Ned Land weer op te vatten."

De Amerikaan schudde het hoofd, streek met de hand over het voorhoofd, sprak geen woord meer en ging heen.

"Mijnheer vergunt mij zeker wel om een opmerking te maken," zei Koenraad toen; "die arme Ned denkt aan alles wat hij niet krijgen kan; zijn geheele vroegere leven komt hem weer voor den geest; hij treurt om alles wat wij missen; zijn vroegere herinneringen kwellen hem, zijn gemoed is vol; men moet hem begrijpen. Wat kan hij hier uitrichten? Niets: hij is geen geleerde zooals mijnheer, en kan niet zooals wij liefhebberij hebben in al het wonderschoone, dat de zee oplevert. Hij zou er alles voor wagen om eens in zijn land in een kroeg te kunnen zitten!"

Het is zeker dat de eentonigheid van het scheepsleven voor den Amerikaan, die aan een vrij en werkzaam leven gewoon was, onverdraaglijk zijn moest; voorvallen, die hem belang konden inboezemen, vielen zelden voor; echter herinnerde hem juist dien dag iets aan zijn schoone dagen als harpoenier.

Toen wij tegen elf uur des morgens boven dreven, kwam de Nautilus tusschen een troep walvisschen, een ontmoeting, die mij niet verwonderde, omdat ik wist dat deze dieren, door felle jachten tot het uiterste gedreven, naar ver in het noorden of zuiden gelegen zeeën gevlucht zijn.

De walvisch heeft altijd een groote rol gespeeld op het gebied der scheepvaart, en ontzaglijk grooten invloed uitgeoefend op de aardrijkskundige ontdekkingen. Die visch heeft eerst de Basken, later Asturiërs, Engelschen en Hollanders aangelokt, hen tegen alle gevaren der zee gehard gemaakt en hen van het eene uiterste der aarde naar het andere gevoerd. De walvisschen leven het liefst in de Noordelijke en Zuidelijke IJszeeën. Oude legenden zeggen zelfs, dat deze dieren de visschers tot op 28 kilometer van de Noordpool hebben gevoerd! Als het feit onwaar is, zal het toch eens waar worden, en vermoedelijk zullen de walvischvaarders bij het vervolgen van die dieren in de poolzeeën eenmaal de tot nog toe onbekende punten der aarde bereiken.

Wij zaten op het plat, de zee was kalm, want de Octobermaand schonk ons op deze hemelbreedte nog eenige schoone herfstdagen. De Amerikaan bespeurde aan den gezichteinder een walvisch en hij kon zich daarin niet bedriegen. Als men goed toekeek, zag men den zwarten rug beurtelings verschijnen en verdwijnen op ongeveer vijf kilometer van den Nautilus.

"O!" riep Ned Land, "was ik maar eens aan boord van een walvischvaarder! Zulk een ontmoeting zou mij genoegen doen! Het is een groot beest; ziet eens met welk een kracht het de waterstralen opspuit! Duizend duivels, waarom zit ik ook op deze ijzeren kast vastgeketend!"

"Hoe Ned," zei ik, "heb-je de vroegere vischliefhebberij nog niet afgezworen?"

"Kan een walvischvaarder zijn oud ambacht ooit vergeten, mijnheer? Krijgt men wel ooit genoeg van het genot van zulk een jacht?"

"Heb-je in deze streken nog nooit gevischt, Ned?"

"Nooit, mijnheer; alleen in de Noordelijke IJszee, zoowel in de Behring- als Davisstraten."

"Dan is de zuidelijke walvisch je onbekend; je hebt alleen jacht gemaakt op de Noordelijke walvisschen, die zich niet wagen in de zeeën tusschen de keerkringen."

"Wat zegt gij daar mijnheer?" vroeg de Amerikaan ongeloovig.

"Ik zeg wat waar is."

"Komaan! Ik zelf heb in '65, dus nu derdehalf jaar geleden, bij Groenland een walvisch gevangen, met een harpoen in zijn lichaam die een walvischvaarder aan de Behringstraat er in had gegooid. Nu vraag ik eens hoe het mogelijk is dat een walvisch, die aan de westkust van Amerika gewond wordt, zich aan de oostkust laat dooden, als hij niet om kaap Hoorn of om de kaap de Goede Hoop, en over den evenaar is heen gezwommen?"

"Ik denk er over zooals vriend Ned," zei Koenraad, "en ik ben nieuwsgierig wat mijnheer zal antwoorden."

"Mijnheer zal u antwoorden," hervatte ik, "dat de walvisschen volgens hun soorten in bepaalde zeeën te huis behooren, die zij niet verlaten. En indien een van deze dieren uit de Behring- en de Davisstraat gekomen is, dan is dit heel eenvoudig, omdat er een doorvaart van de eene zee naar de andere bestaat, hetzij langs de noordkust van Amerika, hetzij langs die van Azië."

"Moet ik u gelooven?" vroeg Ned, terwijl hij een oogje knipte.

"Gij moet mijnheer gelooven," antwoordde Koenraad.

"Dan besluit ik hieruit," hernam de harpoenier, "dat ik de walvisschen van deze zee niet ken, omdat ik hier nog niet geweest ben."

"Zooals ik u zei, Ned."

"Een reden te meer om er kennis mede te maken," antwoordde Koenraad.

"Kijk eens, kijk eens!" riep de Amerikaan met bewogen stem, "hij nadert, hij komt naar ons toe, hij daagt mij uit! Hij weet wel, dat ik onmachtig tegenover hem ben!"

Ned stampte op den grond en kneep zijn vuist samen alsof hij een harpoen drilde.

"Zijn die dieren ook zoo groot als in de noordelijke poolzeeën?" vroeg hij.

"Bijna, Ned."

"Want ik heb groote walvisschen gezien, mijnheer, beesten van ruim dertig meter lang. Zelfs heb ik wel hooren zeggen, dat de walvisschen bij de Aleutische eilanden soms vijftig meter lang waren."

"Dat komt mij overdreven voor," antwoordde ik. "Bij de Aleuten is een soort van walvisschen met rugvinnen, die even als de potvisschen kleiner zijn dan de gewone walvisch."

"O!" riep de Amerikaan, die de oogen niet van de zee afwendde, "hij komt in ons vaarwater!"

Daarna hervatte hij het gesprek aldus: "Gij noemt den potvisch een klein dier; men verhaalt toch van reusachtige potvisschen; het zijn slimme beesten; sommige, zegt men, bedekken zich met zeeplanten en wier; men denkt dan dat het eilanden zijn; men landt er op, men vestigt er zich, legt vuur aan...."

"En men bouwt er huizen op!" zei Koenraad lachende.

"Jawel, grappenmaker," antwoordde Ned Land, "en dan op een mooien dag duikt het beest, en sleept al wat er op is mee naar beneden."

"Precies als in de reisavonturen van Simbad den zeevaarder," hernam ik lachend. "Kom, Ned, het schijnt dat je van wonderverhalen houdt! Wat moeten dat wel voor potvisschen zijn! Ik hoop toch dat je die verhalen niet gelooft!"

"Mijnheer de professor," zei Ned Land ernstig, "men moet van de walvisschen alles gelooven.--Wat een gang heeft deze! Wat schiet hij vooruit! Men zegt dat die dieren in veertien dagen om de aarde kunnen."

"Ik ontken het niet."

"Maar wat gij zeker niet weet, mijnheer Aronnax, is, dat de walvisschen bij de schepping der wereld veel sneller zwommen."

"Zoo Ned en waarom?"

"Omdat zij even als de andere visschen den staart toen dwars hadden staan, dat is te zeggen dat hun staart vertikaal stond, en het water links en rechts weg sloeg. Maar toen de Schepper zag dat zij te snel zwommen, draaide hij hun den staart om, en sedert dien tijd slaan zij van boven naar beneden in het water, tot groot nadeel voor hun snelheid."

"Goed, Ned," zei ik, en dezelfde woorden als de Amerikaan gebruikende, vroeg ik, "moet ik je gelooven?"

"Niet al te veel," antwoordde Ned, "niet meer ten minste dan toen ik u zei, dat er walvisschen van honderd meter lang en honderdduizend kilo zwaar zijn."

"Dat is werkelijk nog al veel," zei ik, "maar men moet toch erkennen dat sommige walvisschen verbazend groot worden, als men hoort, dat zulk een beest soms tot honderdtwintig ton traan geeft."

"Dat heb ik met eigen oogen gezien," zei de Amerikaan.

"Ik geloof het graag, Ned, zoo goed als ik geloof dat sommige walvisschen even groot zijn als honderd olifanten. Ga nu eens na welk een stoot het geven moet, als zulk een massa zoo snel mogelijk vooruitschiet."

"Is het waar," vroeg Koenraad, "dat zij schepen kunnen doen zinken?"

"Schepen geloof ik niet," antwoordde ik. "Men verhaalt echter dat in 1820 in deze zuidelijke Poolzee een walvisch zich op de Essex wierp, en het schip met een snelheid van vier meter in de seconde achteruit deed stuiven. De golven drongen het achterschip binnen, en deden de Essex bijna oogenblikkelijk zinken?"

Ned zag mij aan met een schalksch gelaat.

"Wat mij aangaat," zei hij, "ik heb ook eens een slag van een walvischstaart gehad, maar.... in mijn sloep, dat spreekt. Mijn makkers en ik werden zes meter in de hoogte gesmeten, maar bij dien walvisch van mijnheer was de mijne nog maar een kleintje."

"Leven die beesten lang?" vroeg Koenraad.

"Duizend jaar," antwoordde Ned zonder aarzelen.

"En hoe weet jij dat, Ned?"

"Omdat men het zegt."

"En waarom zegt men dat?"

"Omdat men het weet."

"Neen, Ned, men weet het niet, maar men veronderstelt het slechts en ziehier hoe men de gevolgtrekking maakt. Toen vier honderd jaar geleden de visschers voor het eerst jacht maakten op walvisschen, waren die beesten grooter dan nu. Men veronderstelt dus vrij logisch, dat de mindere grootte der tegenwoordige walvisschen daaraan is toe te schrijven, dat zij den tijd niet hebben om zich volkomen te ontwikkelen. Dat is de oorzaak waarom Buffon gezegd heeft, dat deze dieren duizend jaar konden en moesten leven. Begrepen?"

Ned Land luisterde niet naar mij; de walvisch kwam steeds nader; Ned verslond het dier met de oogen.

"O," riep hij uit, "het is niet éen walvisch, het zijn er tien, twintig, een heele troep! En niets kunnen doen, aan handen en voeten gebonden te zijn!"

"Maar vriend Ned, waarom vraag je den kapitein geen vergunning om er jacht op te maken?"

Koenraad had zijn volzin nog niet geëindigd, toen Ned Land al door het luik naar beneden sprong, om den kapitein te zoeken. Eenige oogenblikken daarna verschenen beiden op het plat. Kapitein Nemo beschouwde den troep walvisschen, die op een kilometer afstand van den Nautilus dartelden.

"Het zijn zuidelijke walvisschen," zei hij, "de geheele fortuin van een vloot walvischvaarders zwemt vóór ons."

"Nou dan, mijnheer," vroeg de Amerikaan, "mag ik er eens jacht op maken, al was het alleen maar om mijn ambacht van harpoenier niet te vergeten?"

"Waarvoor zou dat dienen?" antwoordde de kapitein, "alléen jagen om te vernielen; wij hebben geen walvischtraan noodig."

"En in de Roode Zee," hernam Ned, "hebt u ons verlof gegeven om een dugong te verdelgen."

"Toen had ik behoefte aan versch vleesch voor mijn manschappen, maar hier zou het alléen zijn om het genot te hebben van te moorden; ik weet wel dat dit een voorrecht van den mensch is, maar ik houd niet van dat moorddadig vermaak. Uws gelijken begaan een laakbare daad, meester Land, met den zuidelijken evenals den noordelijken walvisch, zulke goede en weerlooze dieren, te vernietigen. Zoo hebben zij de geheele Baffinsbaai reeds ontvolkt, en zullen een geheele soort van nuttige dieren uitroeien. Laat ons dus die arme walvisschen met vrede laten; zij hebben reeds genoeg met hunne natuurlijke vijanden, de pot- zwaard- en zaagvisschen te doen, zonder dat gij er u mee hoeft te bemoeien."

Men kan zich voorstellen welk gezicht de Amerikaan bij deze zedeles trok. Het was den moriaan gewasschen, om zulk een reden aan een visscher te willen opgeven. Ned Land keek den kapitein eens aan, en begreep zeker niet wat hij zeggen wilde. De kapitein had echter gelijk; de woeste en onnadenkende vervolgingszucht der walvischvaarders zal eens den laatsten walvisch uit den Oceaan doen verdwijnen.

Ned Land floot de Yankee-doodle, stak de handen in de zakken en keerde ons den rug toe. Kapitein Nemo bleef evenwel den troep walvisschen bekijken, en zei, terwijl hij zich tot mij richtte:

"Ik had gelijk met te zeggen, dat zonder eens den mensch mee te tellen, de walvisschen genoeg natuurlijke vijanden hebben; deze zullen hier heel spoedig met een sterke tegenpartij te doen hebben. Ziet gij daar op acht kilometer onder den wind, mijnheer Aronnax, die zwarte beweegbare punten?"

"Jawel, kapitein," antwoordde ik.

"Dat zijn potvisschen, vreeselijke dieren, die ik soms bij troepen van twee en drie honderd ontmoet heb. Men heeft gelijk die monsters te vernielen, omdat zij wreed en kwaadaardig zijn."

De Amerikaan keerde zich bij deze woorden driftig om.

"Welnu, kapitein," zei ik, "dan is het nog tijd, in het belang der walvisschen,"

"Het is onnoodig zich bloot te stellen, mijnheer de professor: de Nautilus is voldoende in staat om die potvisschen te verdelgen. Hij is met een stalen spoor gewapend, die, naar ik mij verbeeld, wel tegen den harpoen van meester Land kan opwegen."

De Amerikaan ontzag zich niet de schouders op te halen. Deze beesten met spoorslagen aanvallen! wie had dat ooit gehoord?

"Wacht maar, mijnheer Aronnax," zei de kapitein, "wij zullen u op een jachtpartij onthalen, die u nog niet kent; geen medelijden met die woeste visschen; het zijn enkel bek en tanden!"

Bek en tanden! Men kon den grootkoppigen, soms vijf en twintig meter langen potvisch geen beteren naam geven. De verbazend groote kop van dit monster vormt ongeveer een derde deel van zijn lichaam. Flinker gewapend dan de walvisch, wiens bovenkaak alleen met baarden voorzien is, heeft hij vijf en twintig groote tanden, twintig centimeter lang, kegelvormig, en elk twee kilo wegend. In het bovendeel van den kop, tusschen de kraakbeenderen, bevinden zich drie of vier honderd kilo van de kostbaarste blanke traan. De potvisch is een wanstaltig dier, eerder zoogdier dan een visch; hij is slecht gebouwd, en vooral aan den linkerkant geheel misvormd, terwijl hij alleen met het rechteroog kan zien.

De monsterachtige troep bleef steeds naderen; zij hadden de walvisschen gezien en maakten zich gereed die aan te vallen. Men kon vooruit berekenen, dat de potvisschen het zouden winnen; niet alleen omdat zij beter gevormd zijn om hun weerlooze tegenstanders te overmeesteren, maar ook omdat zij langer onder water kunnen blijven zonder aan de oppervlakte te komen ademhalen. Het was meer dan tijd om de walvisschen te hulp te komen. De Nautilus dook een weinig onder water. Koenraad, Ned en ik gingen aan de ramen van den salon zitten. De kapitein begaf zich naar den stuurstoel om met zijn vaartuig als met een verdelgingstoestel te manoeuvreeren. Weldra voelde ik de schroef vlugger draaien en onze snelheid vermeerderen.

De strijd tusschen walvisschen en potvisschen was reeds begonnen toen de Nautilus er bij kwam. Het vaartuig sneed den troep potvisschen af: deze waren eerst niet zeer verwonderd over de verschijning van een nieuw monster dat zich in den strijd mengde, doch moesten zich weldra voor zijn slagen vrijwaren.

Welk een strijd! Ned Land zelf was in verrukking en klapte in de handen. De Nautilus was slechts één reusachtige harpoen, door de hand van den kapitein gedrild. Het schip vloog tegen die vleezige massa's aan, doorboorde ze geheel en al, zoodat er na dien stoot slechts twee afzichtelijke helften van het dier overbleven. Het had geen gevoel van de vreeselijke slagen, welke de potvisschen er met den staart tegen gaven, evenmin van de stooten, die het uitdeelde. Als een potvisch gedood was, wierp de Nautilus zich op een ander, ten einde zijn prooi niet te missen, vloog, gehoorzaam aan het roer, voor- en achteruit, dook als de visch naar de diepte zwom, kwam er weer mee boven als de potvisch naar de oppervlakte vluchtte, trof hem in 't midden of schuins, sneed het beest in tweeën of scheurde het van elkander, sloeg de monsters in allerlei richtingen en allerhande houdingen met zijn geweldige spoor.

Welk een slachting! wat een geweld aan de oppervlakte van den Oceaan; wat lieten de ontstelde dieren een scherp geblaas en een bijzonder gebrul hooren! In 't midden van deze gewoonlijk zoo kalme zee, zweepten zij met den staart het water in hooge golven op.

Deze Homerische slachting, waaraan de potvisschen niet konden ontkomen, duurde ongeveer een uur; meermalen beproefden een tien- of twaalftal met vereende krachten den Nautilus onder hun gewicht te verpletteren; wij konden door het glas hun vreeselijken muil, hunne groote tanden, hun woest oog zien; Ned Land was zich zelven niet meer meester, dreigde ze en schold ze uit. Men voelde dat zij zich aan ons vaartuig vastklampten, evenals honden, die een stuk wild in het kreupelhout vastpakken. Maar de Nautilus bracht de schroef slechts wat sneller in beweging, sleepte hen mee of voerde ze naar het oppervlak der zee, zonder zich om hun verbazend gewicht of om hun krachtige aanvallen te bekreunen. Eindelijk was de menigte potvisschen wat opgedund, en werd de zee wederom kalm; ik voelde dat wij weer boven kwamen. Het luik werd geopend, en wij snelden naar het plat.

De zee was met verminkte krengen bedekt. Een geweldige uitbarsting zou de vleeschklompen niet beter gedood, vaneengescheurd en vernield hebben. Wij dreven te midden van reusachtige lichamen die blauwachtig op den rug, wit aan den buik en met groote builen of uitwassen bedekt waren. Eenige potvisschen zagen wij, zoover het oog reikte, angstig vluchten; de golven waren verscheiden kilometer in den omtrek rood geverfd, de Nautilus dreef te midden eener zee van bloed.

Kapitein Nemo kwam bij ons.

"Welnu, wat zegt gij er van, Ned?" vroeg hij.

"Het is een verschrikkelijk schouwspel," zei de Amerikaan, wiens geestdrift vrij wat bekoeld was. "Maar ik ben geen slager, ik ben slechts jager, en dit is een slachting."

"Het is een verdelging van schadelijke dieren," antwoordde de kapitein, "en de Nautilus is geen slachtersmes."

"Ik houd meer van mijn harpoen," hervatte Ned.

