# 20.000 Mijlen onder Zee: Oostelijk Halfrond

## Part 7

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/20-000-mijlen-onder-zee-oostelijk-halfrond-11205/index.md

"Ja, mijnheer de professor; de zee voorziet in al mijne behoeften; dan eens werp ik mijne netten uit en haal ze tot scheurens toe gevuld op; dan weder ga ik op de jacht in dat element, hetwelk voor den mensch ongenaakbaar schijnt, en ik jaag het wild op, dat zich in mijne onderzeesche bosschen schuil houdt. Mijne kudden grazen, evenals die van den ouden herder van Neptunes, zonder eenige vrees in de onmetelijke weilanden van den Oceaan. Ik heb daar groote domeinen, welke ik zelf doorzoek, en waarop 's Heeren hand steeds alle dingen gezaaid heeft."

Ik keek kapitein Nemo met groote oogen aan, en antwoordde: "Ik begrijp volkomen, mijnheer, dat uwe netten u voortreffelijken visch bezorgen, ik begrijp minder goed dat gij het waterwild in uwe onderzeesche bosschen vervolgt, maar ik begrijp in het geheel niet dat een enkel stukje vleesch, hoe klein dan ook, op uwe tafel komt."

"Ik gebruik nimmer het vleesch van landdieren," antwoordde de kapitein.

"En dit dan toch?" hernam ik, terwijl ik op een schotel wees, waarop nog eenige plakken vleesch lagen.

"Wat gij meent dat vleesch is, mijnheer de professor, is niets anders als een stuk gebraad van een zeeschildpad. Hier zijn bijvoorbeeld eenige dolfijnenlevers, welke gij misschien voor varkensragout gehouden hebt. Ik heb een bekwamen kok, die er uitmuntend slag van heeft om deze verschillende voortbrengselen van den Oceaan toe te bereiden. Proef van al die gerechten: hier is een gelei van holothuriën, welke een Maleier onverbeterlijk zou noemen; daar hebt gij room van walvisschenmelk, en suiker uit het groote zeewier van de Noordzee, en vergun mij eindelijk u wat gekonfijte zee-anemonen aan te bieden, welke zeker tegen de sappigste vruchten kunnen opwegen."

En ik proefde meer uit nieuwsgierigheid dan uit honger, terwijl kapitein Nemo mij aangenaam bezig hield met zijne onwaarschijnlijke verhalen.

"Maar die zee, mijnheer Aronnax, die zoo wonderbaar en onuitputtelijk is, voedt mij niet alleen, doch zij verschaft mij ook kleeding. De stof welke ik draag, wordt geweven uit het bekleedsel van sommige schelpen; zij wordt geverfd met het purper van de ouden, terwijl er verschillende tinten op worden gebracht door violet, dat ik uit eene plant der Middellandsche zee (aplysis) haal. De reukwerken op uwe toilettafel worden uit zeeplanten getrokken; uw bed bestaat uit het zachtste zeegras, een walvischbaard zal uwe pen zijn, uw inkt is het afgescheiden vocht van een weekdier, dat men Spaansche zeekat noemt. Alles komt uit de zee, zooals het er eens naar zal terug keeren!"

"Bemint gij de zee, kapitein?"

"Ja, ik heb haar lief! De zee is alles; zij bedekt zeven tienden van den aardbol; haar adem is zuiver en rein; het is de onmetelijke woestijn, waar de mensch nimmer alleen is, want hij voelt rondom zich leven; de zee is slechts het voertuig van een bovennatuurlijk en wondervol leven; zij is slechts beweging en liefde; zij is 'het levende oneindige,' zooals een uwer dichters eens zeide. En inderdaad, mijnheer de professor, de natuur openbaart er zich in het delfstoffen-, planten- en dierenrijk; dit laatste vooral is rijk vertegenwoordigd door gelede en schelpdieren, door gewervelde en zoogdieren, door kruipende dieren en ontelbare scharen van visschen; het is eene eindelooze rij van dieren, waarin meer dan 13000 soorten worden aangetroffen, van welke slechts een tiende gedeelte in het zoete water te huis behoort. De zee is de uitgestrekte vergaderbak der natuur; het is uit de zee dat de aarde om zoo te zeggen, ontstaan is, en wie weet of zij niet door haar eindigen zal! Daar heerscht verheven stilte! De zee behoort niet aan de dwingelanden; op hare oppervlakte kunnen zij hunne onbillijke rechten nog uitoefenen, elkander aanvallen en verslinden, en er al de ijselijkheden der aarde overbrengen; maar tien meter beneden dat oppervlak houdt hun geweld op, dáar is hun invloed nietig, en verdwijnt hunne macht! O mijnheer, leef, leef in de diepten der zee! Daar alléén is men onafhankelijk, daar alléen heeft men geen meester! daar ben ik vrij!"

Kapitein Nemo zweeg plotseling te midden van zijne geestdrift; had hij zich buiten zijne gewoonte laten medeslepen? Had hij te veel gezegd? Hij liep gedurende eenige oogenblikken hevig ontroerd heen en weder; daarop werd hij bedaarder, zijn gelaat hernam de gewone kalmte, en zich tot mij wendende, zeide hij: "als gij nu de Nautilus wilt bezoeken, mijnheer de professor, ben ik geheel tot uw dienst."

HOOFDSTUK XI

De Nautilus.

Kapitein Nemo stond op; ik volgde hem. Eene dubbele deur achter in de zaal opende zich, en ik betrad eene kamer, welke van gelijke afmetingen was als die, welke wij pas verlaten hadden. Het was eene bibliotheek. Hooge palissanderhouten kasten met koper ingelegd bevatten op breede planken een groot aantal gelijk ingebonden boeken; zij stonden rondom in de zaal en daaronder stonden gemakkelijke met bruin leder overtrokken rustbanken. Lichte beweegbare lessenaars, welke men naar willekeur naar zich toe kon draaien of wegschuiven, waren daarin bevestigd om er de boeken, waarin men las, op neder te leggen. In het midden stond een groote tafel, met brochures en eenige oude nieuwsbladen bedekt. Het electrische licht scheen over het schoone geheel, en viel door drie matte glazen bollen van het plafond naar beneden. Ik beschouwde deze vernuftig ingerichte zaal met bewondering, en kon mijne oogen nauwelijks gelooven.

"Kapitein Nemo," zeide ik tot mijn gastheer, die op eene rustbank naast mij plaats nam, "dit is eene boekerij, welke meer dan éen paleis op het platteland tot eer zou strekken, en ik ben inderdaad verbaasd dat gij zulk een boekenschat tot in de diepten der zee met u kunt voeren."

"Waar kan ik beter de eenzaamheid en meer stilte vinden?" antwoordde de kapitein. "Is uw studeervertrek in het museum zoo rustig?"

"Neen mijnheer, en ik mag er nog wel bijvoegen, dat het in vergelijking met het uwe er zeer armoedig uitziet. Gij hebt hier zeker 6 of 7000 deelen...."

"12000, mijnheer Aronnax; het is de eenige band, welke mij nog aan de aarde hecht; de aarde bestaat voor mij niet meer van den dag af dat ik met mijn Nautilus voor het eerst in zee dook. Dien dag heb ik de laatste boeken, brochures en dagbladen gekocht; en van dien tijd is het mij alsof de menschen niet meer gedacht of geschreven hebben. Die boeken, mijnheer de professor, zijn overigens tot uw dienst; gij kunt er vrij gebruik van maken."

Ik bedankte kapitein Nemo, en bekeek de bibliotheek eens wat nauwkeuriger; zij telde overvloed van werken over allerlei wetenschappen zoowel van zede- als letterkundigen aard, in allerlei talen; maar ik zag geen enkel werk over staathuishoudkunde; die schenen streng verbannen te zijn. Zonderling was het, dat al die boeken, in welke taal ook geschreven, door elkander stonden, en die wanorde bewees dat de kapitein van de Nautilus alles vlug moest kunnen lezen wat hem in de hand kwam.

Onder die werken zag ik de meeste stukken van oude en nieuwe schrijvers, dat is te zeggen, al wat de mensch het schoonst heeft voortgebracht op het gebied van geschiedenis, dichtkunst en romantiek, van Homerus tot Victor Hugo, van Xenophon tot Michelet, van Rabelais tot Dickens. Het grootste deel der boekerij was echter aan allerlei takken van wetenschap gewijd; het waren werken over werktuig- en natuurkunde, waterbouw- en weerkunde, aardrijkskunde en natuurlijke geschiedenis: en ik begreep dat dit de voornaamste studie van den kapitein was. Ik zag er al de werken van Von Humbolt, Arago, Foucault, Henri Saint-Claire Deville, Chasles, Milne Edwards, Quatrefages, Tyndall, Faraday, Berthelot, Petermann, Kaiser, Maury, enz.; de verslagen van de academie van wetenschappen en van verschillende aardrijkskundige genootschappen, en op een der beste plaatsen zelfs de beide deelen, welke mij misschien zulk een goede ontvangst aan boord hadden doen genieten. Een werk gaf mij zelfs een juiste tijdsbepaling aan de hand, namelijk een, dat in den loop van 1865 verschenen was, waardoor ik kon opmaken dat de reizen van de Nautilus tot geen vroeger tijdperk opklommen; derhalve had kapitein Nemo zijn onderzeesch leven eerst sedert drie jaar begonnen. Overigens hoopte ik dat nieuwere werken mij dien tijd misschien nog nauwkeuriger zouden kunnen aanwijzen. Maar ik had den tijd om dit te onderzoeken, en ik wilde onze wandeling ter bezichtiging der wonderen van de Nautilus daarvoor niet ophouden.

"Ik dank u, mijnheer," zeide ik tot den kapitein, "dat gij deze bibliotheek ter mijner beschikking gesteld hebt. Er zijn daar schatten van wetenschap in verborgen, waarvan ik gebruik hoop te maken."

"Deze zaal dient niet alléen tot boekerij, maar ook tot rookkamer," zeide de kapitein.

"Eene rookkamer!" riep ik uit, "wordt er dan aan boord gerookt?"

"Zonder twijfel."

"Dan geloof ik dat gij nog betrekkingen met Havana onderhouden hebt, kapitein."

"Geenszins," antwoordde Nemo; "neem een van deze sigaren, mijnheer Aronnax, en hoewel zij niet uit Havana komt, zal u die wel smaken als gij een kenner zijt."

Ik nam de mij aangeboden sigaar aan; zij had een goudkleurig dekblad; ik stak haar op aan een klein komfoor op sierlijken bronzen voet, en deed de eerste trekken met het welgevallen van een liefhebber, die in geen twee dagen gerookt heeft.

"Zij is voortreffelijk," zeide ik, "maar het is toch geen tabak?"

"Neen," antwoordde de kapitein, "die tabak komt niet uit Havana of uit Oost-Indië; het is eene soort van nicotine-houdend zeegras, dat de zee, hoewel vrij schaars, oplevert. Betreurt gij uwe Havana's nog, mijnheer?"

"Ik laat die van nu af staan, kapitein."

"Rook dan naar hartelust zonder u over de herkomst van deze sigaren te bekommeren; geene belasting drukt ze, maar daarom zijn zij geloof ik niet minder goed."

"Integendeel."

Daarna opende kapitein Nemo eene deur tegenover die, waardoor wij de bibliotheek waren binnengetreden, en ik trad een ruim en schitterend verlicht salon binnen. Het was een groot vierkant met afgesneden hoeken, tien meter lang, zes breed, en vijf hoog. Een zacht maar zeer helder licht viel van een rijk met arabesken beschilderd plafond op al de wonderen, welke in dit museum opeen waren gestapeld; want het was waarlijk een museum, waarin eene ervaren en rijke hand al de schatten van natuur en kunst had bijeengebracht op eene wijze, welke de kunstmatige verwarring van een schildersatelier kenmerkt.

Een dertigtal meesterstukken hingen in gelijkvormige lijsten langs de wanden, die met een sierlijk doch deftig behangsel waren bedekt; daartusschen hingen schitterende wapentropheeën. Ik zag daaronder schilderijen van de hoogste waarde, welke ik voor het grootste gedeelte in bijzondere verzamelingen en op tentoonstellingen had bewonderd. De verschillende scholen der oude meesters waren vertegenwoordigd door eene madonna van Rafaël, eene moedermaagd van Leonard da Vinci, eene nimf van Correggio, eene vrouw van Titiaan, eene aanbidding van Paul Veronese, eene hemelvaart van Murillo, een portret van Holbein, een monnik van Velasquez, eene kermis van Rubens, een vlaamsch landschap van Teniers, genrestukjes van Gerard Dou, Metzu en Paulus Potter, zeestukjes van Bakhuijzen en Vernet; onder de nieuwere schilderijen merkte ik op van Delacroix, Rosa Bonheur, de Keijser, Ingres, Scheffer, Meyssonier, enz. Eenige prachtige nabootsingen van de schoonste modellen der oudheid in marmer of brons, stonden op voetstukken in de hoeken van dit schoone museum. De verbazing, welke de kapitein van de Nautilus mij voorspeld had, begon zich reeds van mij meester te maken.

"Mijnheer de professor", zeide die vreemde man, "gij zult de weinige complimenten, waarmede ik u ontvang, en de wanorde welke hier heerscht, wel willen verontschuldigen."

"Zonder te willen onderzoeken wij gij zijt, mijnheer," antwoordde ik, "zou ik wel willen vragen of gij kunstenaar zijt?"

"Op zijn hoogst liefhebber, mijnheer. Ik hield er vroeger veel van om die kunststukken te verzamelen, welke de menschelijke hand had voortgebracht; ik zocht ze begeerig en onvermoeid op en heb op die wijze eenige kostbare stukken bij elkander kunnen krijgen. Het zijn mijne laatste herinneringen van die aarde, welke dood voor mij is. In mijne oogen zijn uwe nieuwe artisten reeds zeer oud; bestaan reeds 2 of 3000 jaar, en ik verwar ze in mijn geest; meesters hebben geen leeftijd."

"En, die componisten?" vroeg ik, terwijl ik wees op stukken van Weber, Rossini, Mozart, Beethoven, Haydn, Meyerbeer, Herold, Wagner, Auber, Gounod en anderen, die op eene serafine van het grootste model, welke tegen een van de wanden der zaal stond, verspreid lagen.

"Die componisten," antwoordde mij de kapitein, "zijn voor mij tijdgenooten van Orpheus, want tijdrekenkundig verschil bestaat in de herinnering der dooden niet, en ik ben dood, mijnheer de professor, even goed dood als uwe vrienden, die een paar meter diep onder den grond liggen."

Kapitein Nemo zweeg en scheen in diepe mijmering verzonken. Ik beschouwde hem met levendige aandoening, terwijl ik in stilte het vreemde van zijn gelaat trachtte te ontcijferen. Tegen eene kostbare met mozaïek ingelegde tafel geleund, zag hij mij niet meer, en had hij mij geheel vergeten. Ik eerbiedigde dit stilzwijgen en beschouwde verder al de bijzonderheden, welke het salon versierden. Na de kunstwerken bekleedden zeldzaamheden uit de natuur eene belangrijke plaats. Zij bestonden voornamelijk uit planten, schelpen of andere voortbrengselen van den Oceaan, welke de kapitein waarschijnlijk zelf gevonden had. In het midden van het salon sprong een electrisch verlichte waterstraal uit eene fontein op, welke uit eene enkele schelp vervaardigd was. Deze schelp was aan de randen sierlijk uitgesneden en had een omtrek van zes meter; zij was dus grooter dan die schoone schelpen welke Frans I van de Venetiaansche republiek kreeg, en waarvan hij voor de kerk van Saint Sulpice te Parijs twee reusachtige doopbekkens liet vervaardigen.

Rondom die fontein waren onder sierlijke glazen ramen de kostbaarste voortbrengselen der zee gerangschikt, welke het oog eens natuuronderzoekers ooit aanschouwd had; men kan begrijpen hoe opgetogen ik was. Een conchylioloog (schelpkenner), die wat zenuwachtig was, zou misschien van verbazing zijn omvergevallen voor andere glazen kastjes, waarin schelpen waren tentoongesteld. Ik zag er eene verzameling van onschatbare waarde, waartoe de tijd mij zou ontbreken om die geheel te beschrijven; genoeg zij het te zeggen, dat zij uit alle oorden der wereld, uit alle deelen der zee was bijeengebracht; er waren paarlen onder van allerlei kleur en grootte, zelfs zoo groot als een duivenei, welke eene waarde van ettelijke millioenen moesten hebben. Het was dus onmogelijk, om de waarde van deze verzameling te schatten; de kapitein had millioenen moeten besteden om die kostbaarheden te verwerven, en ik vroeg mij zelven af, aan welke bron hij putte om aan al die grillen van een verzamelaar te voldoen, toen ik door deze woorden uit mijne mijmering werd opgewekt:

Gij beschouwt die schelpen, mijnheer de professor; zij mogen een natuurkenner belang inboezemen, maar zij hebben voor mij een aangenamer zijde want ik heb ze allen eigenhandig verzameld, en er is geene zee op den aardbol, welke ik niet onderzocht heb."

"Ik begrijp het genot, kapitein, om te midden van zulke rijkdommen rond te wandelen. Gij behoort onder diegenen, die zelven hunne schatten verzameld hebben. Geen Europeesch museum bevat zulk eene verzameling van voortbrengselen uit den Oceaan. Maar als ik mijne bewondering daaraan geheel besteed, wat rest mij dan voor het vaartuig, waarin ze verborgen zijn. Ik wil niet doordringen in uwe geheimen, maar ik beken dat die Nautilus mijne nieuwsgierigheid in de hoogste mate opwekt, om de kracht, welke haar in beweging brengt en het toestel dat haar bestuurt; ik zie aan den muur van deze zaal instrumenten hangen, wier bestemming mij onbekend is; zou ik mogen weten...!"

"Mijnheer Aronnax," antwoordde de kapitein, "ik heb u gezegd dat gij bij mij aan boord vrij zoudt zijn, en daarom is geen deel van de Nautilus voor u verborgen. Gij kunt het vaartuig in alle bijzonderheden in oogenschouw nemen, en ik zal het mij tot een genoegen rekenen uw gids te zijn."

"Ik weet niet hoe u te danken, mijnheer, maar ik zal geen misbruik maken van uwe goedheid; alleen wensch ik u te vragen waar deze natuurkundige werktuigen voor dienen?"

"Diezelfde instrumenten bevinden zich in mijne kamer, mijnheer, en daar zal ik de eer hebben u er het gebruik van te verklaren. Bezie vooraf echter een oogenblik de hut, welke voor u bestemd is; gij moet toch weten, hoe gij op de Nautilus zult gehuisvest zijn."

Ik volgde den kapitein, die door eene andere deur mij in een der gangen van het schip bracht; hij geleidde mij naar het voorste gedeelte, en daar vond ik niet eene hut, maar eene smaakvolle kamer, met bed, toilettafel en verschillende andere meubelen. Ik kon mijn gastheer slechts danken.

"Uwe kamer is naast de mijne," zeide hij, eene deur opendoende, "en de mijne komt uit in het salon, dat wij zooeven verlaten hebben."

Ik trad de kamer van den kapitein binnen; deze zag er somber, bijna als eene kloostercel uit; een ijzeren bed, eene werktafel en eenige andere benoodigheden, alles slechts ten halve verlicht; niets aangenaams, slechts het strikt noodige. Kapitein Nemo wees mij een stoel, ik ging zitten en daarop begon hij aldus:

HOOFDSTUK XII

Alles door electriciteit.

"Mijnheer," zeide kapitein Nemo, terwijl hij mij op de instrumenten aan den wand wees, "dat zijn de voor de vaart van de Nautilus vereischte werktuigen. Hier en in mijn salon heb ik ze altijd voor oogen; zij wijzen mij de plaats en de juiste richting in 't midden van den Oceaan aan. Sommigen zijn u bekend, als de thermometer, welke mij de temperatuur in de Nautilus aanwijst, de barometer, die de drukking van de lucht aanduidt, en verandering van weer voorspelt; de hygrometer, die den graad van droogte van de atmosfeer aanwijst; het stormglas, waarvan het mengsel mij door zijne veranderingen storm verkondigt, het kompas, dat mijn weg regelt; de sextant, die mij de breedte doet kennen; chronometers, welke mij de lengte laten berekenen, en eindelijk dag- en nachtkijkers, die mij dienen om alle punten van den gezichteinder te onderzoeken, als de Nautilus op de oppervlakte der zee drijft."

"Het zijn de gewone zeevaartkundige instrumenten," antwoordde ik; "ik ken er het gebruik van; maar er zijn nog anderen, welke zonder twijfel voor de bijzondere inrichting van de Nautilus bestemd zijn. Die wijzerplaat daar met beweegbare naald, is dat geen manometer?"

"Juist, mijnheer; hij staat in verbinding met het water, welks drukking hij aanwijst, zoodat ik daardoor weet op welke diepte mijn vaartuig zich beweegt."

"En die dieplooden van nieuwe soort?"

"Het zijn thermometrische dieplooden, welke mij den warmtegraad van de verschillende diepten der zee doen kennen."

"En die andere instrumenten, welker gebruik ik zelfs niet kan raden?"

"Thans moet ik u een en ander verklaren, mijnheer de professor," zeide kapitein Nemo; "hoor mij dus aan."

Hij bewaarde gedurende eenige oogenblikken het stilzwijgen, en sprak daarop het volgende:

"Er bestaat eene kracht, welke mij gehoorzaamt, die snel en met het grootste gemak werkt, welke zich voor allerlei gebruik weet te schikken, en het meesterschap bij mij aan boord uitoefent; door die kracht geschiedt alles; zij verlicht en verwarmt mij, en is de ziel van al mijne werktuigen; die kracht is de electriciteit."

"De electriciteit!" riep ik, ten hoogste verbaasd.

"Ja, mijnheer."

"Maar kapitein, uw vaartuig beweegt zich bijzonder snel, hetgeen moeielijk te rijmen is met de kracht der electriciteit; hare beweegkracht is tot heden bijzonder gering geweest, en heeft slechts weinig kunnen uitwerken!"

"Mijnheer de professor," antwoordde de kapitein, "mijne electriciteit is niet de gewone, welk elkeen kent; dit is alles wat ik er u van kan zeggen."

"Ik zal ook niet onbescheiden zijn, kapitein, en ik zal mij vergenoegen met mijne verbazing over zulk een resultaat te uiten. Eene enkele vraag evenwel, waarop gij niet behoeft te antwoorden als ik onbescheiden ben. De elementen, welke gij voor die wonderbare kracht bezigt, moeten spoedig verbruikt zijn. Hoe bijvoorbeeld vervangt gij het zink, omdat gij geene gemeenschap meer houdt met het bewoonde land?"

"Uwe vraag zal beantwoord worden," antwoordde kapitein Nemo; "ik zal beginnen met u te zeggen, dat er op den bodem der zee zink-, ijzer-, zilver- en goudmijnen bestaan, welker ontginning zeer zeker tot de mogelijkheden behoort; maar ik gebruik niets van die metalen, en ik heb aan de zee zelve de middelen ontleend, om mijne electriciteit voort te brengen."

"Aan de zee?"

"Ja, professor, en de middelen daartoe ontbraken mij niet; ik zou bijvoorbeeld electriciteit hebben kunnen verkrijgen door de verschillende temperaturen, welke metaaldraden ondervinden, als ik ze op verschillende diepten indompel; maar ik heb de voorkeur gegeven aan een meer practisch middel."

"En welk is dat?"

"Gij kent de samenstelling van het zeewater; op éen kilogram vindt men 0,965 water, en ongeveer 0,0267 chloorsodium, verder in zeer geringe hoeveelheid chloorpotassium, chloormagnesium, zwavelzure kalk, zwavelzure magnesia, broommagnesium en koolzure kalk; gij ziet dus dat chloorsodium er in merkbare hoeveelheid in voorkomt; dit sodium haal ik uit het zeewater en ik stel er mijne elementen uit samen."

"Uit sodium."

"Ja mijnheer, met kwik vermengd vormt het een amalgama, dat in de Bunsensche elementen het zink kan vervangen; het kwik wordt nooit opgelost; dit is slechts het geval met het sodium, doch dit levert de zee mij telkens weder op; bovendien moet ik u zeggen, dat de sodiumzuilen als zeer sterk werkend moeten beschouwd worden en dat hare electrieke kracht dubbel zoo groot is als die van zuilen van zink."

"Ik begrijp, kapitein, dat het sodium in uwe omstandigheden voortreffelijke diensten bewijst. Gij vindt het in de zee, goed; maar gij moet het er uithalen, en hoe doet gij dat? Uwe zuilen zouden misschien daartoe kunnen dienen, doch als ik mij niet bedrieg, dan moet het verbruik van sodium in uwe elementen de voortgebrachte hoeveelheid verre overtreffen."

"Daarom verschaf ik het mij niet op die wijze, mijnheer, en ik gebruik daarvoor zeer eenvoudig steenkolen."

"Die gij in den grond vindt?" vroeg ik.

"Neen, in zee," antwoordde kapitein Nemo.

"Kunt gij dan uwe onderzeesche kolenmijnen ontginnen?"

"Wacht maar, mijnheer Aronnax, en gij zult ons bezig zien. Ik vraag u slechts wat geduld, omdat gij daartoe toch den tijd hebt. Herinner u evenwel voortdurend, dat ik alles aan den Oceaan verschuldigd ben; de zee verschaft mij electriciteit, en deze geeft aan de Nautilus warmte, licht, beweging, kortom het leven."

"Maar toch niet de lucht, welke gij inademt?"

"O, ik zou zelfs de noodige lucht kunnen vervaardigen, doch dit behoeft niet, omdat ik naar de oppervlakte der zee terug keer, als ik het goed vind. Wanneer de electriciteit mij niet al de noodige zuivere lucht verschaft, dan brengt zij toch pompen in beweging, welke de lucht in een vergaarbak te zamen perst, waardoor ik, als ik wil, mijn verblijf in de diepte kan verlengen."

"Kapitein," antwoordde ik, "ik kan u slechts bewonderen. Gij hebt zeker de ware kracht der electriciteit uitgevonden, welke de menschen zonder twijfel later zullen vinden."

"Ik weet niet of zij die wel zullen vinden," antwoordde de kapitein koel. "Hoe het ook zij, gij kent nu het voornaamste gebruik, hetwelk ik van deze kracht maak; zij verlicht ons met eene gelijkmatigheid en een duur, welke het zonlicht niet bezit; ziehier, dit uurwerk, het is electriek en loopt regelmatiger dan de beste chronometers; ik heb het op de Italiaansche wijze in vierentwintig uren verdeeld, want voor mij bestaat geen dag of nacht, geen zon of maan, maar alleen dit kunstlicht, dat ik tot in de diepten der zee met mij kan medevoeren. Zie, op dit oogenblik is het tien uur in den morgen."

"Juist."

