20.000 Mijlen onder Zee: Oostelijk Halfrond

Part 6

Chapter 6 3,930 words Public domain Markdown

"Welnu Ned, laat ons wachten," antwoordde ik, "het is duidelijk dat die onbekenden ons niet van honger willen laten sterven, want in dat geval zou het eten van gisteren avond ongerijmd zijn."

"Of men moest ons willen vetmesten," hernam Ned.

"Dat spreek ik tegen," zeide ik, "wij zijn niet in handen van menscheneters gevallen."

"Eens is nog geene gewoonte," merkte de harpoenier ernstig op "Wie weet of die kerels niet sinds lang naar versch vleesch hebben uitgezien, en in dat geval zijn drie gezonde en goed gebouwde menschen als mijnheer, Koen en ik...."

"Verban toch die gedachten Ned, en neem daaruit vooral geene aanleiding om u boos te maken tegen die menschen, want dat zou onzen toestand slechts verergeren."

"In allen gevalle," sprak Ned, "heb ik een honger als de duivel, en middagmaal of ontbijt, wij schijnen geen van beiden te krijgen."

"Zeg eens Ned," gaf ik ten antwoord, "wij moeten ons aan de scheepswet onderwerpen, en ik houd het er voor, dat onze maag vóor is bij het horloge van den kok."

"Welnu dan zal ik haar gelijk zetten," sprak Koenraad bedaard.

"Daaraan herken ik u weder, vriend Koen," zeide de ongeduldige Ned, "gij zijt niet toornig of zenuwachtig; altijd bedaard! Gij zoudt in staat zijn om te danken in plaats van te bidden en eerder van honger te sterven dan u te beklagen."

"Waartoe zou dat ook dienen?" vroeg Koenraad.

"Alléen om maar te klagen, en dat is reeds iets. Als die zeeroovers (ik noem ze zeeroovers, om mijnheer niet te ergeren, die verbiedt om ze menscheneters te noemen), als die zeeroovers zich verbeelden dat zij mij in die stinkende kooi zullen houden, zonder nog eerst te hooren met welke verwenschingen ik aan mijne woede lucht geef, dan zullen zij zich bedriegen. Spreek eens vrij uit, mijnheer, zoudt gij denken dat zij ons lang in die ijzeren kooi houden?"

"Om u de waarheid te zeggen Ned, weet ik er niet veel meer van dan gij."

"Maar wat veronderstelt gij dan?"

"Ik veronderstel dat het toeval ons in het bezit gesteld heeft van een belangrijk geheim. Indien dus de equipage van dit vaartuig er belang bij heeft om het te bewaren, dan geloof ik dat ons leven groot gevaar loopt. In het tegenovergestelde geval zal het monster, dat ons heeft ingeslokt, ons wel weder op de bewoonde aarde uitspuwen."

"Of men moest ons onder de equipage opnemen," zeide Koenraad, "en ons zóo lang houden...."

"Tot op het oogenblik," antwoordde Ned Land, "dat eenig fregat, dat harder stoomt, en behendiger is dan de Abraham Lincoln, zich van dit nest van zeeschuimers meester maakt, en de equipage en ons aan het uiteinde van de groote ra voor de laatste maal een luchtje laat scheppen."

"Mooi gezegd, Ned," hervatte ik, "maar voor zoover ik weet, heeft men ons nog geen voorstel in dien geest gedaan. Het is dus onnoodig om te twisten over de partij, welke wij moeten nemen, als dit gebeurt. Ik herhaal het u dat wij moeten wachten; laat ons met de omstandigheden te rade gaan, en niets doen, omdat wij toch niets doen kunnen."

"Integendeel, mijnheer de professor," zeide de harpoenier, die niet van zijn stuk te brengen was, "men moet iets doen."

"En wat dan, baas Land?"

"Vluchten."

"Om uit eene aardsche gevangenis te ontsnappen is soms zeer moeilijk, maar om uit eene onderzeesche gevangenis te ontkomen schijnt mij geheel onmogelijk."

"Komaan, vriend Ned," vroeg Koenraad, "wat antwoordt gij daarop? Ik kan niet gelooven dat een Amerikaan ooit ten einde raad is."

De harpoenier was zichtbaar verlegen, en zweeg. Eene ontvluchting was in ons geval bepaald onmogelijk. Maar een inboorling van Canada is zoowat een halve Franschman, en dat bewees Ned Land door zijn antwoord.

"Kunt gij dan niet raden, mijnheer," vroeg Ned na eenige oogenblikken nadenkens, "wat mannen moeten doen, die niet uit hunne gevangenis kunnen ontsnappen?"

"Nog niet, mijn vriend."

"Dat is dood eenvoudig, dan moeten zij beproeven om er zoo goed mogelijk in te blijven."

"Dat geloof ik wel," zeide Koenraad, "het is toch beter er in, dan er op of er onder."

"Maar als men cipier en oppassers er uit gooit," voegde Ned Land er bij.

"Wat, Ned? Zoudt gij er wezenlijk aan denken, om u van dit vaartuig meester te maken?"

"Zeker," antwoordde de harpoenier.

"Dat is onmogelijk!"

"Waarom, mijnheer? Misschien krijgen wij wel eens eene gunstige kans, en ik zie niet in waarom wij daarvan geen gebruik zouden maken. Als er maar een twintigtal aan boord zijn, dan zullen twee Franschen en Ned Land toch voor zoo'n handjevol volks niet bang zijn?"

Het was nog beter om het voorstel van den harpoenier aan te nemen dan er over te twisten; daarom antwoordde ik:

"Laat de kans eerst komen, en dan zullen wij eens zien. Maar tot dien tijd toe verzoek ik u uw óngeduld te bedwingen; men kan slechts met list handelen, en als gij u kwaad maakt, zult gij zeker geene gunstige kans krijgen. Beloof mij dus, u zonder opgewonden drift in de omstandigheden te schikken?"

"Ik beloof het u, mijnheer de professor," antwoordde Ned op weinig geruststellenden toon. "Er zal geen driftig woord meer uit mijn mond komen, geen enkele brutale handeling zal mij verraden, zelfs als wij niet zoo regelmatig als wij wenschen de tafel voor ons zullen zien dekken."

"Ik houd u aan uw woord, Ned!" zeide ik.

Daarop zwegen wij stil, en elk onzer gaf zich aan zijne overpeinzingen over. Ik beken, dat ik niettegenstaande de verzekering van den harpoenier, mij geene illusiën maakte; ik geloofde niet aan die gunstige kans, waarvan Ned Land gesproken had. Om zoo goed bestuurd te worden, had het vaartuig zeker eene talrijke equipage noodig, en daarom zouden wij bij eene worsteling met eene veel te groote overmacht te doen hebben. Overigens moesten wij voor alles vrij zijn, en dat waren wij niet. Ik zag zelfs geen enkel middel om uit de goed gesloten ijzeren hut te geraken; en als de vreemde kapitein van dat schip een geheim te bewaren had, wat mij ten minste waarschijnlijk toescheen, dan zou hij ons niet vrij aan boord laten rondloopen. Zou hij zich nu met geweld van ons ontslaan, of zou hij ons te eeniger tijd in het een of ander land afzetten? Dit bleef de vraag. Al die veronderstellingen schenen mij even waarschijnlijk, en men moest een harpoenier zijn om ooit op eene bevrijding te hopen.

Overigens begreep ik dat Ned Lands verbittering toenam, naarmate zijne overdenkingen zich geheel van zijne drift meester maakten. Ik hoorde hem nu en dan half verstaanbare vloeken mompelen, en ik zag dat hij op nieuw dreigende gebaren maakte. Hij stond op, liep als een wild dier in eene kooi rond, en stampte met handen en voeten tegen den muur. Bovendien verliep de tijd, de honger deed zich erg gevoelen en de hofmeester verscheen nog niet. Als men ons goed wilde behandelen, dan vergat men ons, ongelukkige schipbreukelingen, toch wat al te lang. Ned Land, wiens sterke maag hem begon te plagen, werd hoe langer hoe driftiger, en hoewel hij mij zijn woord gegeven had, vreesde ik inderdaad eene uitbarsting, als hij een van de equipage onder handen kon krijgen. Zijn toorn vermeerderde nog gedurende twee lange uren; hij riep en schreeuwde, maar te vergeefs. De ijzeren muren waren doof. Ik hoorde geen het minste geluid in het vaartuig, welks bemanning dood scheen te zijn. Het schip bewoog zich niet, anders zou ik de trillingen wel bemerkt hebben, welke het draaien eener schroef veroorzaakt. Het was zonder twijfel in de diepte der zee afgedaald en behoorde niet meer tot deze aarde; die doodsche stilte was vreeselijk! Ik durfde er zelfs niet naar te raden hoe lang onze verlatenheid, of onze eenzaamheid nog duren zou; langzamerhand verdwenen de verwachtingen, welke ik na onze ontmoeting met den kapitein gekoesterd had. De zachte blik van dien man, de edelmoedige uitdrukking van zijn gelaat, de waardigheid in zijne houding, dit alles verdween uit mijne herinnering. Ik beschouwde het raadselachtige wezen slechts als onmeedoogend en wreed: ik stelde mij hem voor als onmenschelijk, ongevoelig voor eenig medelijden, hard jegens zijne medemenschen aan wie hij een eeuwigen haat scheen te hebben gezworen. Maar zou die man ons van honger doen sterven, opgesloten in deze enge gevangenis, en overgegeven aan die vreeselijke gedachten, welke woedende honger bij den mensch soms opwekt? Dit ontzettende denkbeeld kwam langzamerhand bij mij tot rijpheid, en in mijne verbeelding gevoelde ik, dat eene onzinnige vrees mij bekroop. Koenraad bleef kalm, Ned Land brulde nu en dan van woede.

Op dat oogenblik hoorden wij eenig geraas buiten onze gevangenis; voetstappen weerklonken op den metalen vloer; sloten werden omgedraaid, de deur ging open en de hofmeester verscheen. Voordat ik iets kon doen om het te verhinderen, had Ned Land zich op den ongelukkige geworpen; hij wierp hem op den grond en greep hem bij de keel; de hofmeester stikte bijna onder die geweldige vuisten. Koenraad trachtte het halfdoode slachtoffer aan de handen van den woedenden harpoenier te onttrekken, en ik wilde hem helpen, toen ik plotseling aan mijne plaats genageld bleef staan door het uitspreken van deze woorden in de Fransche taal:

"Wees bedaard, mijnheer Land, en gij, mijnheer de professor, hoor mij aan."

HOOFDSTUK X

De man der zee.

Hij, die zoo sprak was de gezagvoerder van het vaartuig.

Bij die woorden stond Ned Lang plotseling op; de bijna geworgde hofmeester ging met wankelende schreden de deur uit, toen zijn meester dit met een wenk beval; en zóo groot was de invloed van den kapitein op zijne onderhoorigen, dat geen enkele trek op het gelaat van den hofmeester de wraak aanduidde, welke die man tegen den harpoenier moest koesteren. In de grootste verbazing wachtten Koenraad en ik af hoe dit tooneel zou afloopen. De kapitein leunde tegen een hoek van de tafel, sloeg de armen over elkander en bekeek ons met de grootste aandacht. Aarzelde hij om te spreken, of had hij berouw over de pas in het Fransch gesproken woorden? Ik kon het niet gelooven. Na eenige oogenblikken van een stilzwijgen, dat geen onzer durfde af te breken, zeide hij met bedaarde doch doordringende stem:

"Mijne heeren, ik spreek Fransch, Engelsch, Hoogduitsch en Latijn. Ik had u dus bij ons eerste samenzijn reeds kunnen antwoorden, doch ik wilde u eerst kennen en dan eens nadenken. Uw viervoudig verhaal, dat in den grond volkomen gelijk was, heeft mij u doen kennen. Ik weet nu, dat het toeval mij samen heeft gebracht met den heer Pierre Aronnax, hoogleeraar in de natuurlijke geschiedenis aan het Museum te Parijs, Koenraad zijn bediende en Ned Land uit Canada, harpoenier aan boord van de Abraham Lincoln, een stoomschip van de nationale marine der Vereenigde Staten."

Ik boog ten teeken van toestemming; het was geene vraag, welke hij mij deed; derhalve was er ook geen antwoord noodig. Die man sprak met eene bijzondere gemakkelijkheid, zonder eenig merkbaar accent; zijne volzinnen waren afgerond, zijne woorden juist gekozen, en hij had eene opmerkelijk goede uitspraak, en toch gevoelde ik dat het geen landgenoot van mij was. Hierop vervolgde hij aldus:

"Gij hebt waarschijnlijk gedacht, mijnheer, dat het lang duurde voor ik u een tweede bezoek bracht; dit was omdat ik, toen ik niet wist wie gij waart, eerst rijpelijk wilde overdenken, welke partij ik ten uwen opzichte nemen moest; ik heb lang geaarzeld. De meest toevallige omstandigheden hebben u bij een man gebracht, die met de menschheid gebroken heeft. Gij zijt mijn leven komen storen...."

"Onwillekeurig", zeide ik.

"Hoe, onwillekeurig?" vroeg de onbekende met verheffing van stem. "Is het onwillekeurig dat de Abraham Lincoln mij in alle zeeën heeft opgezocht? Is het onwillekeurig dat gij aan boord van dat fregat gekomen zijt? Is het onwillekeurig dat de kanonkogels afgestuit zijn op den romp van mijn vaartuig? Is het onwillekeurig dat Ned Land zijn harpoen op mij heeft afgeworpen?"

Ik bemerkte in de woorden een kwalijk bedwongen toorn. Maar op die beschuldigingen had ik een zeer natuurlijk antwoord, en ik gaf dit in deze woorden: "Gij weet zeker niet, mijnheer, welke twistvragen er in Amerika en Europa ten uwen opzichte gerezen zijn; gij weet waarschijnlijk niet dat verschillende ongelukken, die het gevolg waren van botsingen met uw onderzeesch vaartuig, de openbare meening in beide werelddeelen hevig geschokt hebben. Ik zal u niet vermoeien met al de veronderstellingen, welke men maakte om daarmede het onverklaarbare verschijnsel te verklaren, waarvan gij alleen het geheim bezit, maar gij zult mij wel willen gelooven als ik u verzeker, dat toen de Abraham Lincoln u in het noorden der Stille Zuidzee vervolgde, wij een sterk zeemonster meenden na te jagen, van hetwelk men den Oceaan, het kostte wat het wilde, moest verlossen."

Een glimlach speelde om de lippen van den kapitein, die op kalmer toon vroeg: "Mijnheer Aronnax, zoudt gij durven verzekeren dat uw fregat niet even goed een onderzeesch vaartuig als een monster zou hebben vervolgd en beschoten?"

Deze vraag bracht mij in verlegenheid, want kapitein Farragut zou zeker niet geaarzeld hebben. Hij zou gewis gemeend hebben dat het zijn plicht was om dit toestel even goed als een reusachtigen eenhoorn te vernielen.

"Gij begrijpt dus, mijnheer", hervatte de onbekende, "dat ik het recht heb om u als vijanden te beschouwen."

Ik antwoordde niets, en met reden; waarom zou ik over zulke woorden twisten, als het geweld de beste bewijsgronden smoren kan?

"Ik heb lang geaarzeld", vervolgde de gezagvoerder, "niets noodzaakte mij om u gastvrijheid te verleenen: als ik mij van u wilde ontdoen had ik geen enkel belang om u te houden; ik had u dan weer op het plat gezet, dat u reeds eens tot schuilplaats diende, ik zou het vaartuig in zee hebben doen zinken, en ik zou vergeten hebben, dat gij ooit bestaan hadt. Had ik daartoe geen recht?"

"Dit was misschien het recht van een wilde", antwoordde ik, "maar zeker niet van een beschaafd mensch."

"Ik ben geen beschaafd mensch", hernam de kapitein driftig, "zooals gij mij gelieft te noemen, mijnheer de professor; ik heb met de geheele maatschappij gebroken om redenen, welke ik alleen het recht heb te beoordeelen. Ik gehoorzaam dus niet aan de wetten dier maatschappij, en ik verzoek u die nimmer in mijne tegenwoordigheid in te roepen."

Dit was duidelijk; toorn en verachting straalden uit het oog van den onbekende, en ik vermoedde dat die man een vreeselijk verleden achter zich had. Niet alleen gehoorzaamde hij niet meer aan de menschelijke wetten, maar hij had zich vrij en onafhankelijk gemaakt in de strengste opvatting van het woord, zonder dat iemand hem bereiken kon. Wie toch zou hem in de diepten der zee durven vervolgen, daar zelfs aan de oppervlakte alle tegen hem in het werk gestelde pogingen een ijdel spel bleken te zijn! Welk schip zou weerstand kunnen bieden aan den schok van dien onderzeeschen monitor? Welke pantsering, hoe dik ook, zou een stoot van dit vaartuig weerstaan? Geen enkel mensch kon hem rekenschap vragen van zijne daden; de eenige rechters, welke iets op hem vermochten, waren God, zoo hij in Hem geloofde en zijn geweten, indien hij er een had. Deze opmerkingen kwamen mij voor den geest, terwijl die vreemde man eenige oogenblikken als in zich zelven gekeerd zweeg. Ik beschouwde hem, waarschijnlijk evenals Oedipus den Sfinx, met belangstelling en afgrijzen tevens.

Na een vrij lang stilzwijgen nam hij wederom het woord: "Ik heb dus geaarzeld, maar dacht eindelijk dat mijn belang wellicht overeenstemde met dat natuurlijke medelijden, waarop elk sterveling recht heeft. Gij zult bij mij aan boord blijven, omdat het toeval u daar toch heeft heengevoerd; gij zult er vrij zijn, doch in ruil voor die vrijheid, welke trouwens zeer betrekkelijk is, leg ik u slechts éene voorwaarde op; het is mij genoeg als gij mij daarop uw woord geeft."

"Spreek, mijnheer," antwoordde ik, "ik stel mij voor dat dit eene voorwaarde is, welke elk eerlijk man zal kunnen aannemen."

"Dat is zoo, mijnheer; het is de volgende: het is mogelijk, dat zekere onvoorziene omstandigheden mij verplichten, om u gedurende eenige dagen of uren in uwe hutten op te sluiten. Daar ik nimmer geweld wil gebruiken, verwacht ik van u in dat geval nog meer dan anders lijdelijke gehoorzaamheid. Door zoo te handelen ontsla ik u van alle verantwoordelijkheid, want het is mijne zaak om u in de onmogelijkheid te stellen van datgene te zien, wat gij niet zien moogt. Neemt gij die voorwaarde aan?"

Er gebeurden dus aan boord op zijn allerminst zonderlinge zaken, welke niet gezien mochten worden door menschen, die zich nog niet geheel en al buiten de wetten der maatschappij gesteld hadden. Onder al de verrassingen, welke de toekomst voor ons opleverde, zou dit zeker niet de minst belangrijke zijn.

"Wij nemen haar aan," antwoordde ik; "ik verzoek u echter mij, te vergunnen, mijnheer, u éene enkele vraag te doen."

"Spreek op, mijnheer!"

"Gij hebt gezegd dat wij vrij zouden zijn?"

"Geheel vrij!"

"Daarom vraag ik u wat gij onder die vrijheid verstaat."

"Wel, de vrijheid van te gaan, te komen, te zien en alles na te gaan wat hier gebeurt, uitgezonderd in eenige zeer enkele gevallen, kortom de vrijheid, welke mijne makkers en ik zelf genieten."

Het was duidelijk dat wij elkander begrepen.

"Vergeef mij, mijnheer," hernam ik, "maar dat is slechts die vrijheid, welke elke gevangene heeft om in zijne gevangenis rond te loopen; dat is voor ons niet genoeg."

"Gij zult u daarmede toch tevreden moeten stellen.".

"Wat? moeten wij dan het denkbeeld laten varen om ooit ons vaderland, onze vrienden en bloedverwanten terug te zien?"

"Ja mijnheer: maar het is misschien niet zoo moeielijk als gij denkt, om het onverdraaglijke aardsche juk af te schudden, hetwelk de menschen meenen dat vrijheid is."

"Welnu komaan," riep Ned Land, "ik zal nooit mijn woord van eer er op geven, dat ik niet eens beproeven zal om te ontvluchten."

"Ik vraag uw woord van eer niet, meester Land," antwoordde de kapitein koeltjes.

"Mijnheer," hernam ik, terwijl ik onwillekeurig driftig werd, "gij maakt misbruik van onzen toestand, dat is wreed."

"Volstrekt niet, mijnheer, dat is goedheid. Gij zijt na den strijd mijne gevangenen geworden; ik houd u, ofschoon ik u met een enkel woord weder in zee kon doen werpen. Gij hebt mij aangevallen; gij hebt een geheim ontdekt, hetwelk geen sterveling ooit mag doorgronden, want het is het geheim van mijn bestaan; en gij gelooft nog dat ik u naar de bewoonde aarde zou terug zenden, welke mij niet meer kennen mag?... Nooit; als ik u hier houd, bewaar ik niet u, maar mij zelven."

Deze woorden duidden genoegzaam aan dat de kapitein eene partij gekozen had, tegen welke geen praten iets zou vermogen.

"Gij geeft ons dus eenvoudig weg te kiezen tusschen het leven en den dood?" hernam ik.

"Ja, dood eenvoudig."

"Vrienden," zeide ik, op zulk eene vraag is er niet veel te antwoorden. Maar ons woord van eer bindt ons niet aan den kapitein van dit vaartuig."

"Het is zooals gij zegt," antwoordde de onbekende. Daarop vervolgde hij met zachte stem:

"Laat ik nu verder gaan met hetgeen ik u te zeggen had; ik ken u, mijnheer Aronnax, gij zult u wellicht niet zoozeer als uwe makkers te beklagen hebben over het toeval, dat u tot mij heeft gebracht. Gij zult onder de boeken, welke voor mijne lievelingsstudie dienen, het werk vinden, hetwelk gij over de diepten der zee hebt uitgegeven. Ik heb het dikwijls gelezen; gij hebt in dat werk alles medegedeeld, wat de aardsche wetenschap kent, maar gij weet niet alles, gij hebt niet alles gezien. Ik zeg u, mijnheer de professor, dat gij u den tijd niet zult beklagen, welken gij bij mij aan boord doorbrengt; gij zult eene reis door eene wereld van wonderen doen. Gij zult waarschijnlijk voortdurend verwonderd, ja zelfs verstomd staan; vermoedelijk zult gij niet spoedig genoeg hebben van het schouwspel hetwelk u voortdurend wordt aangeboden. Ik ga op eene nieuwe onderzeesche reis om de aarde, welke misschien de laatste zal zijn, al datgene nog eens weder beschouwen, wat ik in die zoo dikwijls bezochte diepten bestudeerd heb, en gij zult daarin mijn deelgenoot zijn. Van heden af betreedt gij eene nieuwe wereld; gij zult zien, wat geen mensch nog gezien heeft, want ik en mijne equipage behooren niet meer tot de menschen, en onze planeet zal u door mij hare innigste geheimen laten zien."

Ik wil niet ontkennen dat die woorden van den kapitein grooten indruk op mij maakten; ik was in mijn zwak getast, en ik vergat voor een oogenblik dat het zien van al die verheven zaken tegen onze verloren vrijheid toch niet kon opwegen. Overigens rekende ik op de toekomst om die vraag uit te maken; daarom antwoordde ik: "Indien gij met de menschheid hebt gebroken, mijnheer, wil ik toch wel gelooven, dat gij van elk menschelijk gevoel nog geen afstand gedaan hebt. Wij zullen het niet vergeten dat gij ons arme schipbreukelingen liefderijk aan boord hebt opgenomen; ik voor mij wil niet ontveinzen, dat als het belang van de wetenschap het verlangen naar vrijheid kon vernietigen, al hetgeen gij mij belooft daarvoor ten minste een groote vergoeding zou aanbieden."

Ik dacht dat de kapitein mij de hand zou toesteken om ons verbond te bevestigen, doch dit deed hij niet; het speet mij voor hem.

"Eene laatste vraag," zeide ik, op het oogenblik dat dit onverklaarbare wezen weg scheen te willen gaan.

"Spreek op, mijnheer."

"Hoe moet ik u noemen?"

"Ik ben voor u kapitein Nemo, en gij en uwe metgezellen zijt voor mij slechts de passagiers van de Nautilus."

De kapitein riep; een hofmeester verscheen, aan wien hij in zijne vreemde, voor mij onverstaanbare taal eenige bevelen gaf; daarop wendde hij zich naar Ned Land en Koenraad en zeide: "Een maal wacht u in uwe hut; volgt dien man slechts."

"Dat weiger ik niet," antwoordde de harpoenier.

Koenraad en hij gingen eindelijk uit de cel, waarin zij meer dan dertig uur hadden opgesloten gezeten.

"En nu, mijnheer Aronnax, is ons ontbijt ook gereed; ik zal u slechts voorgaan."

"Gaarne, kapitein."

Ik volgde kapitein Nemo, en zoodra ik over den drempel trad, kwamen wij in een soort van electrisch verlichten gang; na eenige schreden voortgegaan te zijn, opende zich eene tweede deur. Ik kwam toen in eene eetzaal, welke met smaak versierd en gemeubeld was. Aan de beide uiteinden der zaal stonden hooge eikenhouten buffetten, met ebbenhout ingelegd, op wier uitgeschulpte planken kostbaar aardewerk, porselein en glaswerk prijkte. Het servies schittterde onder de lichtstralen, die naar beneden vielen van eene zoldering, waarvan de zachte kleuren het scherpe licht eenigszins temperden.

In het midden der zaal stond eene rijk voorziene tafel. Kapitein Nemo wees mij een stoel aan.

"Neem plaats, mijnheer, en eet als iemand die van den honger sterven moet."

Het ontbijt bestond uit een aantal schotels, welker inhoud door de zee geleverd was, en uit eenige gerechten, waarvan ik den aard en de herkomst niet kende. Ik moet bekennen dat ze goed smaakten, doch zij hadden allen een bijzonderen smaak, waaraan ik mij slechts langzaam gewende; die verschillende spijzen schenen phosphorhoudend te zijn, en ik meende dat zij uit zee afkomstig moesten wezen.

De kapitein keek mij aan; ik vroeg hem niets, maar hij raadde mijne gedachten, en antwoordde op de vragen, welke ik van verlangen brandde om tot hem te richten.

"De meesten van deze gerechten," zeide hij, "zijn u onbekend; evenwel kunt gij er zonder vrees van eten; zij zijn gezond en voedzaam; sedert lang heb ik afgezien van landvoedsel, en ik bevind mij er niet slecht bij; de krachtige mannen van mijne equipage voeden zich niets anders als ik."

"Zijn dus al die spijzen voortbrengselen van de zee?" vroeg ik.