20.000 Mijlen onder Zee: Oostelijk Halfrond
Part 3
"Nog minder Ned. De polyp is een weekdier, en die naam alleen doet u reeds hooren hoe weinig vastheid haar vleesch heeft. Al was zij ook 500 voet lang, dan nog zou de polyp, die niet tot de klasse der gewervelde dieren behoort, geheel onschadelijk zijn voor schepen als de Scotia en de Abraham Lincoln. Verhalen van Kraken of andere monsters van die soort moet men dan ook geheel naar het gebied der fabelen verbannen.
"Dus mijnheer de natuurkenner, houdt gij het er voor," hernam Ned Land met ietwat spotachtigs in zijn toon, "dat zulk een groote eenhoorn bestaat...?"
"Ja Ned, en ik herhaal dit met eene overtuiging, die op feiten berust. Ik geloof aan het bestaan van een krachtig ontwikkeld zoogdier, dat tot de gewervelde dieren behoort, zooals walvisschen, potvisschen, en dolfijnen, en dat met een buitengewoon sterken hoorn voorzien is."
De harpoenier liet een "hm!" hooren, terwijl hij met het hoofd schudde als iemand, die zich niet wil laten overtuigen.
"Vergeet niet," hernam ik, "dat als zulk een dier bestaat, als het de diepten van den Oceaan bewoont, als het eenige kilometers onder de oppervlakte der zee zwemmen kan, dat het dan noodzakelijk een samenstel hebben moet, welks kracht alle vergelijking te boven gaat."
"En waarom dan?" vroeg Ned.
"Omdat er eene onberekenbare kracht noodig is om zich in zulk eene groote diepte op te houden, en aan den druk van de massa water boven zich weerstand te bieden."
"Zoo?" zeide Ned terwijl hij mij aankeek en een oogje knipte.
"Zeker, en eenige cijfers kunnen u dit gemakkelijk bewijzen."
"O cijfers!" antwoordde Ned, "daar doet men mede wat men wil."
"In handelszaken is dit mogelijk Ned, maar niet in de wiskunde. Hoor slechts: laat ons aannemen dat de drukking van den dampkring wordt voorgesteld door den druk van eene kolom water van 32 voet hoog; in wezenlijkheid zou de kolom minder hoog zijn, omdat wij hier te doen hebben met zeewater, waarvan de dichtheid veel grooter is dan van zoet water; welnu Ned, evenveel maal 32 voet als gij naar beneden duikt, even zooveel atmosferen drukken er dan op uw lichaam, of een even groot aantal kilogrammen op elken vierkanten centimeter van de oppervlakte uws lichaams. Daarom volgt dat op eene diepte van 320 voet die drukking gelijk staat met die van tien atmosferen, en als men eene diepte van 32000 voet of ruim tien kilometer bereiken kon, dan zouden er duizend atmosferen op u drukken; elke vierkante centimeter derhalve van uwe lichaamsoppervlakte zou een gewicht te dragen hebben van duizend kilogram; en weet gij nu wel, mijn dappere Ned, hoeveel vierkante centimeters die oppervlakte bedraagt?"
"In het geheel niet, mijnheer Aronnax."
"Ongeveer 17000."
"Nog zóoveel?"
"En daar in de werkelijkheid de drukking van den dampkring nog iets meer is dan een kilogram op de vierkante centimeter, zoo dragen uwe 17000 vierkante centimeter op dit oogenblik een gewicht van 17568 kilogram."
"Zonder dat ik er iets van merk?"
"Zonder dat gij het bemerkt. En dat gij door zulk een drukking niet verpletterd wordt, komt omdat de lucht met een even groote drukking in uw lichaam doordringt, van daar een volmaakt evenwicht hetwelk het u gemakkelijk doet dragen; maar in het water is het een ander ding."
"Ja wel, dat begrijp ik," antwoordde Ned, die wat oplettender was geworden, "omdat het water mij omringt, en niet in mijn lichaam doordringt."
"Juist Ned; derhalve ondergaat gij 32 voet onder water eene drukking van 17568 kilogram; en zoo voortgaande hebt gij bijvoorbeeld op eene diepte van 32000 voet een gewicht op u van 17,568,000 kilogram, gij zoudt dan zoo platgedrukt zijn, alsof gij uit eene hydraulische pers kwaamt."
"Drommels," zeide Ned.
"Welnu mijn waarde harpoenier, als gewervelde dieren van eenige honderden meter lang, en dik naar evenredigheid, zich in zulke diepten ophielden, zouden zij omdat de oppervlakte van hun lichaam zooveel grooter is, een gewicht van millioenen maal millioenen kilogrammen te dragen hebben; en bereken dan maar eens welk een weerstandsvermogen hun skelet en welke kracht hun samenstel hebben moet om zulk eene drukking te weerstaan."
"Dan zouden ze van achtduims staalplaten gemaakt moeten zijn, zooals de gepantserde fregatten."
"Zoo is het Ned, en denk dan eens aan de verwoesting, welke zulk een massa kan te weeg brengen, als zij met de snelheid van een spoortrein tegen den romp van een schip aankomt."
"Ja ... inderdaad ... misschien", antwoordde Ned, in de war gebracht door de cijfers, hoewel hij zich nog niet wilde gewonnen geven.
"Welnu, heb ik u overtuigd?"
"Gij hebt mij van eene zaak overtuigd, mijnheer de natuurkenner, en dat is dat als zulke dieren in de diepten der zee bestaan, zij noodzakelijk zoo sterk moeten zijn als gij zegt."
"Maar als zij niet bestaan, koppige harpoenier, hoe verklaart gij dan het ongeluk van de Scotia?"
"Het is misschien...." zeide Ned aarzelend.
"Wat dan?"
"Omdat ... omdat het niet waar is!" antwoordde Ned, terwijl hij zonder het te weten een beroemd antwoord van Arago herhaalde. Doch dit antwoord bewees de stijfhoofdigheid van den harpoenier en anders niets. Dien dag klampte ik hem niet verder aan boord. Het gebeurde met de Scotia kon niet ontkend worden; het gat bestond, en men had dit moeten dicht maken, dat wel het beste bewijs zal zijn voor het bestaan van het lek. Dat gat was er niet van zelf ingekomen, en omdat het niet door onderzeesche rotspunten of onzichtbare vernielingswerktuigen er ingeboord was, moest het natuurlijk aan het werktuig van een dier worden toegeschreven.
Volgens mij was het dier om alle opgesomde redenen een eenhoorn; om dien behoorlijk te kennen moest men het onbekende monster in stukken kunnen snijden; om het stuk te snijden moest men het vangen; om het te vangen harpoenen, en dat was de zaak van Ned Land, om het te harpoenen zien, dat was de zaak van de equipage, en om het te zien ontmoeten, dat was de zaak van het toeval.
HOOFDSTUK V
Op avontuur.
De reis van de Abraham Lincoln werd gedurende eenigen tijd door niets bijzonders gekenmerkt. Evenwel gebeurde er iets waardoor Ned Land een proefje van zijne bewonderenswaardige handigheid toonde, en dat bewees welk vertrouwen men in hem stellen kon.
Op de hoogte van de Malouïnen, praaide het fregat op 30 Juni Amerikaansche walvischvaarders, die ons verzekerden dat zij niets van den eenhoorn gemerkt hadden. Maar toen een hunner, de kapitein van de Monroe, hoorde dat Ned Land bij ons aan boord was, verzocht hij om zijne hulp om een walvisch te vangen, die in het gezicht was. Onze kapitein, die begeerig was om Ned Land eens in zijne kracht te zien, gaf hem verlof om aan boord van de Monroe te gaan. En het toeval begunstigde Ned zóó zeer dat hij in plaats van éen, twee walvisschen harpoende; den eenen trof hij midden in het hart, en van den anderen maakte hij zich na eene vervolging van weinige minuten meester. Als het monster ooit onder het bereik kwam van Neds harpoen zou ik waarlijk geene weddenschap vóór het monster hebben willen aangaan.
Het fregat stoomde met bijzondere snelheid langs de zuidoost-kust van Amerika. Den 3den Juli waren wij voor de straat van Magelhaen op de hoogte van de Maagdenkaap. De kapitein wilde zich echter liever niet in deze bochtige doorvaart wagen, en veeleer Kaap Hoorn omzeilen. De equipage gaf hem eenparig gelijk; en inderdaad, was het wel waarschijnlijk dat wij den eenhoorn in die nauwe straat ontmoetten? Verscheidene matrozen verzekerden dat het dier er niet door kon, "omdat het er te dik voor was!"
Op den zesden Juli zeilde de Abraham Lincoln op 15 kilometer om de zuid van het eenzame rotseilandje, dat zoo verloren tegenover het uiteinde van het Amerikaansche vasteland ligt en waaraan de Hollandsche zeevaarder Schouten den naam van zijne vaderstad Hoorn gaf. De steven werd naar het noordoosten gewend en den volgenden dag kliefde het fregat eindelijk de golven van de Stille Zuidzee.
"Nu de kijkgaten open!" zeiden de matrozen op de Abraham Lincoln, en zij spalkten de oogen wijd op. Men gunde oogen en kijkers geen oogenblik rust, omdat elk begeerig was naar den uitgeloofden prijs van 2000 dollars voor hem, die het monster het eerste zag. Nacht en dag liet men het oog over het vlak der zee weiden; en zij die beter bij nacht dan bij dag konden zien, deden al hun best om den prijs te verdienen, waardoor de kans om het monster te ontdekken 50 percent grooter werd.
Hoewel geene geldelijke belooning mij aanzette, was ik toch niet de minst oplettende aan boord. Ik besteedde maar enkele minuten aan mijn middagmaal, aan rusten slechts een uur of wat, was onverschillig voor regen of wind, en van het dek niet af te slaan. Dan hing ik eens vóór dan achter op het dek over de verschansing, en staarde met begeerige blikken op 't schuimende kielwater, dat zoover het oog reikte achter het schip te zien was. En hoe dikwijls deelde ik niet in de ontroering van de officieren en van de equipage als een dartele walvisch soms zijn zwarten rug uit de golven omhoog stak. In een oogenblik was dan het dek vol; officieren en matrozen stormden door de luiken naar boven. Elk staarde met hijgende borst en vorschend oog naar den gang van het dier. Ik keek zelf alsof ik er mijn netvlies bij wilde verslijten en blind worden, terwijl Koenraad altijd even bedaard en kalm tot mij zeide:
"Als mijnheer zoo goed wilde zijn om zijne oogen minder wijd open te spalken, dan zou mijnheer vrij wat beter kunnen zien."
Maar ijdele hoop! De Abraham Lincoln veranderde van koers, stoomde op het aangewezen dier los, en als men het naderde bleek het slechts een gewone walvisch of gemeene potvisch te zijn, die weldra onder tal van verwenschingen verdween.
Het weer bleef echter goed en de reis werd onder de gunstigste omstandigheden voortgezet. Het slechte jaargetijde was anders in die streken ingevallen, want de maand Juli komt daar met onze maand Januari overeen; maar de zee bleef kalm en men kon haar tot op grooten afstand overzien.
Ned Land toonde altijd nog het hardnekkigste ongeloof; hij hield zich zelfs alsof hij nooit naar de zee keek, behalve als hij de wacht had--ten minste als er geen walvisch in het gezicht was. En toch zou zijn scherp oog groote diensten hebben kunnen bewijzen. Maar gedurende acht uur van de twaalf was de koppige Amerikaan in zijne hut, waar hij las of sliep. Honderdmaal verweet ik hem zijne onverschilligheid.
"Och, kom," antwoordde hij "er is niemendal, mijnheer Aronnax, en al was er eens een beest, welke kans hebben wij dan nog om het te zien? Dwalen wij niet op avontuur rond? Men heeft, zegt men, dat ongenaakbare dier in de Zuidzee teruggezien, ik wil dat eens aannemen; maar er zijn reeds twee maanden voorbijgegaan sedert dit gebeurd is, en als ik let op den aard van uw eenhoorn dan houdt hij er niet van om lang in dezelfde streken te huizen. Hij verplaatst zich zeer gemakkelijk; welnu, gij weet het beter dan ik, mijnheer de professor, de natuur doet niets in verkeerden zin, en zij zou aan geen dier dat langzaam van aard is de kracht geven om zich snel te bewegen, als het beest dit niet noodig had; als derhalve uw dier bestaat, is het reeds ver weg."
Ik kon daar niets op antwoorden, want het was waar, wij zochten in den blinde rond; maar hoe kon het anders? Onze kansen waren dus zeer gering. Echter twijfelde niemand nog aan een goeden uitslag, en elk matroos aan boord zou eene weddenschap hebben willen aangaan dat de eenhoorn bestond en weldra zou opdagen.
Den 20sten Juli passeerden wij op 105° W.L. den Steenbokskeerkring, en den 27sten van diezelfde maand den evenaar op 110° W.L. Toen hiervan hoogte was genomen, richtte het fregat zijn koers meer naar het westen en stoomde naar het middelste gedeelte van den Grooten Oceaan. De kapitein dacht met reden dat het beter was om het diepste gedeelte van den Oceaan te bevaren, en zich van het vasteland of de eilanden verwijderd te houden, omdat het dier deze altijd scheen te vermijden, "zonder twijfel omdat hij daar geen water genoeg heeft," zeide de equipagemeester. Na kolen geladen te hebben stoomde het fregat in de verte langs de Pomotu-eilanden, de Markiezen- en de Sandwichseilanden, passeerde den Kreeftskeerkring op 132° W.L., en zette koers naar de Chineesche zee. Eindelijk waren wij dan in die streken, waar het monster zich het laatst vertoond had; om de waarheid te zeggen, men had aan boord maar een half leven. Elks hart klopte vreeselijk en menigeen haalde zich daardoor voor het vervolg eene ongeneeslijke kwaal op den hals; de geheele equipage verkeerde in zulk eene zenuwachtige spanning dat men er zich ter nauwernood een denkbeeld van kan maken. Men at niet meer, men sliep bijna niet, twintig keer daags veroorzaakte eene vergissing of een zinsbedrog van een der matrozen in de raas eene ondraaglijke teleurstelling, en die zoo dikwijls herhaalde aandoeningen hielden ons voortdurend in een staat van al te groote opgewondenheid dan dat er niet spoedig eene reactie komen moest. En inderdaad bleef deze niet uit. Gedurende drie maanden, waarvan elke dag eene eeuw duurde, kliefde de Abraham Lincoln de golven van het noordelijk deel der Stille Zuidzee; het fregat vervolgde walvisschen, maakte eensklaps allerlei omwegen, ging soms plotseling over stag of keerde op zijn koers terug, spande alle stoomkracht in, op gevaar af van de ketels te doen springen, en liet geen enkel punt van de zee tusschen Japan en Amerika onbezocht. En niets! niets dan de onmetelijke uitgestrektheid der verlaten zee! niets wat geleek op een reusachtigen eenhoorn of op eene onderzeesche rots, of op een wrak, of op een klip, of op iets bovennatuurlijks, wat het ook zij!
Er was dus reactie; moedeloosheid maakte zich van elkeen meester, en opende ruim baan aan het ongeloof. Een nieuw gevoel maakte zich van het scheepsvolk meester, dat voor drie tienden uit schaamte en voor zeven tienden uit woede bestond. Men was dom genoeg om zich door een hersenschim te laten misleiden, maar ontstak er over in toorn. Plotseling stortten alle bewijzen in elkander, welke men sedert een jaar had uitgedacht, en iedereen spande zich slechts in om in te halen, wat men door opoffering van tijd aan eten en slaap was te kort gekomen. Met de natuurlijke wispelturigheid van den menschelijken geest wierp men zich van het eene uiterste op het andere. De warmste voorstanders van de onderneming werden noodlottigerwijze hare hevigste tegenstanders. De tegenstand begon bij het mindere deel der equipage en drong eindelijk zelfs bij de officieren door; zonder eene bijzondere stijfhoofdigheid van den kapitein zou het fregat zeker den steven weder naar het zuiden hebben gewend.
Dat nutteloos zoeken kon echter niet lang meer worden voortgezet; de Abraham Lincoln had zich niets te verwijten, daar alles gedaan was om te slagen. Geene equipage van eenig Amerikaansch schip toonde ooit zooveel geduld en zooveel ijver; het mislukken kon haar niet geweten worden; men kon niets anders doen dan terugkeeren.
Er werd een verzoek in dien zin aan den kapitein gericht; hij hield zich evenwel goed; de matrozen ontveinsden hunne ontevredenheid niet, en de dienst leed er onder. Ik zal niet zeggen dat er een opstand aan boord uitbrak, maar nadat de kapitein lang genoeg tegenstand had geboden, vroeg hij, evenals in der tijd Columbus, drie dagen uitstel. Indien in dien tijd het monster niet verschenen was zou de Abraham Lincoln naar den Atlantischen Oceaan terug keeren.
Deze belofte werd op den 2den November gedaan; zij had ten minste ten gevolge, dat de moed van het scheepsvolk er een weinig door werd opgebeurd. Men bekeek den Oceaan weder met vernieuwde oplettendheid. Elkeen wilde er nog een laatsten blik op slaan; de kijkers werden weder met koortsige bedrijvigheid aan het oog gebracht; het was eene laatste uitdaging aan den reus, en deze kon redelijkerwijze niet nalaten daaraan te beantwoorden door te verschijnen.
Twee dagen gingen voorbij: de Abraham Lincoln bleef onder halven stoom; men gebruikte duizenderlei middelen om de opmerkzaamheid van het dier op te wekken, of zijne lusteloosheid te doen verdwijnen, voor het geval, dat het zich soms in deze streken mocht ophouden. Vreeselijke stukken spek werden aan touwen achter aan het schip gehangen, tot groote vreugde van de haaien. Sloepen zwierven in elke richting rondom het fregat, terwijl dit opbraste en lieten geen enkel punt der zee ondoorzocht; maar de avond van den 4den November kwam, zonder dat men iets gevonden had. Den volgenden dag om 12 uur des middags was de bepaalde tijd om. Na dit oogenblik moest de kapitein, als hij trouw bleef aan zijne belofte, naar het zuidoosten stoomen en de noordelijke streken van den Grooten Oceaan verlaten. Het fregat bevond zich toen op 31° 15' N.B. en 136° 42' W.L. De Japansche kust lag minstens 200 mijl ver van ons verwijderd. De duisternis viel; het was acht uur; groote wolken dreven voorbij de schijf der maan, welke toen in haar eerste kwartier was; de zee kabbelde kalm tegen den voorsteven van het fregat. Op dat oogenblik leunde ik op de verschansing aan stuurboordzijde; Koenraad stond naast mij, en keek voor zich; de equipage zat in het want, en beschouwde den horizon, die door het vallen van den nacht hoe langer hoe kleiner werd. De officieren keken met hunne nachtkijkers in de toenemende duisternis. Soms schitterde de sombere Oceaan door een straal der maan, welke tusschen twee wolken doorscheen, en dan verdween weder alle licht in de duisternis van den nacht.
Toen ik Koenraad aankeek, merkte ik dat die brave jongen eenigermate onder den algemeenen invloed stond, ten minste ik meende het. Misschien trilden zijne zenuwen voor het eerst door een gevoel van nieuwsgierigheid.
"Komaan Koen," zeide ik, "nu hebt gij voor het laatst de gelegenheid om 2000 dollars in uw zak te steken."
"Mijnheer zal mij vergunnen hem te zeggen," antwoordde Koenraad, "dat ik nooit op die belooning gerekend heb; de regeering der Unie kon even goed honderdduizend dollars beloofd hebben, zij zou er geen duit armer door zijn geworden."
"Gij hebt gelijk, Koen; het is eene dwaze onderneming, waarin wij ons te lichtvaardig begeven hebben. Wat een tijd is er verloren gegaan, wat eene nuttelooze inspanning! Sinds zes maanden zouden wij reeds naar Frankrijk zijn teruggekeerd...."
"In mijnheers kleine kamer," antwoordde Koenraad, "in mijnheers museum! En ik zou al de fossilen van mijnheer reeds hebben gerangschikt! En de hertever (babiroussa) zou in den Plantentuin reeds in zijn hok zitten, en al de nieuwsgierigen tot zich trekken."
"Het is zoo als gij zegt Koen, en ik verbeeld mij dat men ons hartelijk zal uitlachen."
"Zeker," antwoordde Koenraad bedaard, "ik denk wel dat men mijnheer zal uitlachen, en--mag ik het zeggen?
"Wel zeker, Koen."
"Welnu, dan heeft mijnheer slechts wat hij verdient."
"Waarlijk?"
"Wanneer men zoo geleerd is als mijnheer, dan stelt men zich niet bloot aan...."
Maar Koenraad kon zijn zin niet voleinden: te midden van de algemeene stilte liet zich eene stem hooren. Het was de stem van Ned Land, die schreeuwde:
"Ohé, daar is het ding, onder den wind, dwars voor ons!"
HOOFDSTUK VI
Met vollen stoom.
Op dat geroep stormde de geheele equipage naar den harpoenier; kapitein, officieren, bootslieden, matrozen, kajuitsjongens, tot zelfs de machinisten, die de machine, en de stokers die hunne vuren in den steek lieten. Er was bevel gegeven om te stoppen, en het fregat liep nog slechts langzaam vooruit.
Het was zeer donker, en hoe goed of de oogen van den harpoenier ook waren, vroeg ik mij zelven af hoe en wat hij dan toch gezien had; mijn hart klopte alsof het barsten moest. Maar Ned Land had zich niet bedrogen, en wij zagen allen het voorwerp, dat hij met de hand aanwees.
Aan stuurboordszijde op twee kabellengten afstands van de Abraham Lincoln scheen de zee van onderen verlicht te zijn. Het was niet het eenvoudige verschijnsel van het lichten der zee; men kon zich daarin niet bedriegen. Het monster, dat eenige vademen diep onder het watervlak dreef, gaf dien helderlichtenden, maar onverklaarbaren glans van zich, waarvan in het rapport van verscheidene kapiteins gesproken werd. Deze prachtige lichtuitstraling moest door eene groote lichtgevende kracht worden voortgebracht. Het lichtende gedeelte beschreef op zee een zeer groot langwerpig ovaal, in welks midden zich een schitterend brandpunt bevond, welks onbeschrijfelijke glans langzamerhand verminderde.
"Het is slechts eene ophooping van lichtgevende deeltjes," riep een van de officieren.
"Neen mijnheer," antwoordde ik met overtuiging, "nooit hebben steenboorders of salpen zulk eene lichtgevende kracht. Deze glans moet volstrekt van electrieken aard zijn; bovendien, zie maar eens, het verandert van plaats, het beweegt zich naar voren ... naar achteren ... het snelt naar ons toe!"
Een algemeene kreet verhief zich van het fregat.
"Stilte," beval de kapitein, "het roer in den wind, achteruit!"
De matrozen snelden naar het roer, de machinisten naar de machine; deze werkte aanstonds achteruit, en de Abraham Lincoln naar bakboordszijde wendende, beschreef een halven cirkel.
"Roer recht! Vooruit!" riep de kapitein.
Zijne bevelen werden ten uitvoer gebracht, en het fregat verwijderde zich snel van het lichtende brandpunt. Neen, ik bedrieg mij: het wilde zich verwijderen, maar het bovennatuurlijke dier naderde met dubbele snelheid.
Wij waren buiten adem, verbazing, nog meer dan vrees, maakte ons stom en onbeweeglijk. Het dier won spelenderwijze op ons; het zwom om het fregat heen, dat toch veertien knopen in het uur liep, en wikkelde het in zijn electrieken stroom als in eene lichtende stof. Daarop verwijderde het zich twee of drie kilometer, en liet eene lichtgevende streep achter, evenals een wolk van stoom, welke de locomotief van een sneltrein achter zich laat. Plotseling toen het monster aan den gezichteinder gekomen was, alsof het zich wilde verwijderen, wierp het zich met ijzingwekkende snelheid op de Abraham Lincoln, hield eensklaps twintig voet van den voorsteven op, en doofde zijn licht uit, niet door dieper onder water te zakken, want het verminderde niet langzamerhand, maar plotseling, even alsof de bron van dien schitterenden lichtstroom op eens werd afgebroken. Daarna verscheen het aan de andere zijde van het fregat, hetzij dat het er omheen was gedraaid, of dat het onder de kiel was door gegleden. Ieder oogenblik kon er eene botsing komen, welke ons noodlottig zou geweest zijn.
Met dat al verwonderde ik mij over de wendingen van het fregat; het vluchtte en viel niet aan; het werd vervolgd, terwijl het zelf vervolgen moest; ik deelde deze opmerking den kapitein mede. Op zijn gelaat, dat gewoonlijk zeer kalm was, stond nu stomme verbazing te lezen.
"Mijnheer Aronnax," antwoordde hij, "ik weet niet met welk verschrikkelijk wezen ik te doen heb, en ik wil mijn fregat in deze duisternis niet onvoorzichtig blootstellen: hoe moet ik dat onbekende dier bovendien aanvallen, hoe mij verdedigen? Laat ons het daglicht afwachten, en dan zullen de rollen wel veranderen."
"Twijfelt gij niet meer aan den aard van het dier, kapitein?"
"Neen mijnheer, het is duidelijk genoeg een reusachtige eenhoorn, maar een electrieke tevens."
"Misschien kan men dit dier evenmin naderen als een sidderaal?"
"Misschien," antwoordde de kapitein, "maar als het electrieke kracht bezit, dan is het gewis het verschrikkelijkste beest, dat de Schepper ooit gewrocht heeft. Daarom zal ik oppassen, mijnheer."