20.000 Mijlen onder Zee: Oostelijk Halfrond

Part 16

Chapter 16 2,804 words Public domain Markdown

Deze woorden stopten den harpoenier den mond. Wij gingen aan tafel en aten zonder verder een woord te spreken. Ik at weinig; Koenraad deed zich, altijd uit voorzichtigheid, geweld aan, en hoezeer Ned ook geprutteld had, zoo liet hij het zich toch goed smaken; en toen het ontbijt gedaan was, ging ieder in een hoek zitten. Op dat oogenblik ging het licht, waaronder wij zaten, plotseling uit, en liet ons in de diepste duisternis. Ned sliep weldra in, en wat mij vooral verwonderde, was dat Koenraad eveneens in slaap viel. Ik vroeg mijzelven af, wat hem zoo vast had doen inslapen, toen ik zelf eenige zwaarte op mijne oogleden begon te gevoelen. Mijne oogen, die ik met geweld wilde open houden, sloten zich onwillekeurig. Ik was ten prooi aan eene smartelijke zinsverbijstering; zeker had men een slaapmiddel in de door ons genuttigde spijzen gemengd. Het was dus niet genoeg om ons op te sluiten, ten einde ons het zien te beletten, men moest ons ook in slaap hebben, om niets van des kapiteins plannen te hooren!

Ik hoorde het luik sluiten, en bemerkte dat het lichte slingeren van het vaartuig door de deining der zee ophield. Zakte de Nautilus naar de diepte?

Ik wilde aan den slaap weerstand bieden, doch dit was onmogelijk; mijne ademhaling werd zwakker; ik voelde eene kille huivering door mijn loome en als verlamde ledematen. Mijne oogleden vielen, alsof ze van lood waren, over mijne oogen; ik kon ze niet meer oplichten; een doffe slaap, vol allerlei droombeelden maakte zich van mij meester; toen verdwenen mijne visioenen en ik bleef als dood liggen.

HOOFDSTUK XXIV

Het rijk der koralen.

Den volgenden morgen werd ik zonder hoofdpijn wakker; tot mijne groote verbazing was ik in mijne kamer. Mijne makkers waren waarschijnlijk ook weder in de hunne gebracht, zonder er iets van gemerkt te hebben. Zij wisten evenmin als ik wat er gedurende den nacht gebeurd was, en ik kon slechts op een toeval rekenen om ooit achter dit geheim te komen.

Ik wilde gaarne mijne kamer verlaten, doch zou ik daartoe wel de vrijheid hebben? Ik opende de deur, ik was volkomen vrij! Ik ging door den gang naar de trap; het luik was weder geopend, en ik kwam op het plat. Ned Land en Koenraad wachtten er mij reeds; ik ondervroeg hen; zij wisten niets. In een zwaren slaap gedompeld, welke hun alle herinnering ontnam: waren zij zeer verwonderd geweest in hunne hut op bed te liggen.

De Nautilus was kalm en geheimzinnig als altijd; zij dreef op de oppervlakte, en ging slechts met matige snelheid vooruit. Niets scheen aan boord veranderd te zijn.

Ned Land liet zijn doordringend oog over de zee dwalen, maar deze was geheel verlaten; de Amerikaan zag niets aan den gezichteinder, noch land, noch schip. Er woei een stevige westewind, en groote golven door dien bries opgedreven deden het schip vrij erg slingeren. Nadat de Nautilus de lucht had ververscht, bleef zij op eene diepte van vijftien meter drijven, zoodat zij in elk geval spoedig weder aan de oppervlakte der zee verschijnen kon, iets wat tegen de gewoonte dien dag verscheidene malen gebeurde. Dan ging de stuurman op het plat, en sprak den gewonen volzin uit. De kapitein verscheen niet; van het scheepsvolk zag ik alléén den strakken hofmeester, die mij met zijne gewone nauwkeurigheid en stilzwijgendheid bediende.

Tegen twee uur was ik in de salon bezig om aanteekeningen te maken, toen de deur openging en de kapitein verscheen. Ik groette hem; hij groette slechts even terug zonder te spreken. Ik ging weder aan mijn werk, hopende dat hij mij eenige verklaring zoude geven van de gebeurtenissen van den vorigen nacht, doch niets daarvan; ik zag hem eens aan. Hij scheen vermoeid, zijne roode oogen bewezen dat hij niet geslapen had; zijn gelaat drukte diepe droefheid, eene wezenlijke smart uit. Hij wandelde heen en weder, ging zitten en stond weer op, nam een boek op en legde het aanstonds weer neer, beschouwde zijne instrumenten, zonder daarbij zijne gewone aanteekeningen te maken, en scheen geen oogenblik stil te kunnen blijven.

Eindelijk kwam hij naar mij toe en zeide:

"Zijt gij geneesheer, mijnheer Aronnax?"

Ik was zoo weinig op die vraag verdacht, dat ik hem eenigen tijd zonder antwoord te geven, aankeek.

"Zijt gij geneesheer?" vroeg hij nog eens. "De meesten uwer ambtgenooten, zooals Gratiolet, Tandon en anderen, hebben in de medicijnen gestudeerd."

"Ik was inderdaad dokter aan het hospitaal," zeide ik. "Ik heb verscheiden jaren de praktijk uitgeoefend, vóór ik aan het Museum geplaatst werd."

"Goed, mijnheer."

Mijn antwoord scheen den kapitein te voldoen, maar niet wetende wat zijne vraag te beduiden had, wachtte ik en nam mij voor overeenkomstig de omstandigheden te antwoorden.

"Mijnheer Aronnax," zeide de kapitein, "zoudt gij een van mijne manschappen willen behandelen?"

"Hebt gij dan een zieke aan boord?"

"Ja."

"Ik ben gereed om u te volgen."

"Kom dan."

Ik beken dat mijn hart klopte; ik weet niet waarom ik eenig verband maakte tusschen de ziekte van dien man en de gebeurtenissen van den vorigen dag; dit geheim maakte mij niet minder nieuwsgierig dan de zieke.

De kapitein bracht mij naar het achterschip in eene hut dicht bij het matrozenverblijf. Daar lag een veertigjarig man met een krachtig gelaat, dat zijne Angelsaksische afkomst verried. Ik boog mij over hem heen; het was geene zieke maar een gewonde. Zijn hoofd was met bloedige zwachtels omwonden, en rustte op een kussen. Ik maakte het verband los; de gewonde opende zijne groote glazige oogen, en liet mij begaan zonder eenig geluid te geven.

Het was eene vreeselijke wond; de hersenpan was door een kneuzend werktuig verbrijzeld; de hersens lagen bloot, en hadden erg geleden. Geronnen bloed was in de hersens geloopen, en gaf daaraan de kleur van wijnmoer; de hersens waren dus niet alleen gekneusd, maar ook erg beleedigd; de zieke haalde langzaam adem; de spieren van zijn gelaat trokken zich nu en dan krampachtig te zamen. Hij had hersenontsteking in den hevigsten graad, hetwelk verlamming en gevoelloosheid te weeg bracht.

Ik voelde hem den pols; deze was tusschenpoozend, het uiteinde zijner ledematen werd reeds koud, en ik zag dat de dood naderde, zonder dat het mogelijk was er iets tegen te doen. Toen ik den ongelukkigen verbonden en goed gelegd had, keerde ik mij naar den kapitein.

"Hoe is deze wond toegebracht?" vroeg ik hem.

"Wat doet dat er toe?" was zijn ontwijkend antwoord. "Een schok van de Nautilus heeft een der hefboomen van de machine doen breken, en deze man werd er door getroffen. De stuurman stond naast hem, hij wilde hem met zijn lichaam beschermen.... Een broeder, die zich voor zijn broeder, een vriend, die zich voor zijn vriend opoffert; wat is eenvoudiger; het is eene algemeene wet op de Nautilus. Maar wat zegt gij van zijn toestand?"

Ik aarzelde om te spreken.

"Gij kunt gerust spreken," zeide de kapitein, "die man verstaat geen Fransch."

Ik keek den gewonde nog eens aan, en antwoordde:

"Die man zal binnen twee uur dood zijn."

"Kan niets hem meer redden?"

"Niets."

De hand van den kapitein wrong zich krampachtig samen, en eenige tranen sprongen hem uit de oogen, welke ik niet dacht dat ooit tranen konden storten. Ik beschouwde nogmaals den stervende, wiens leven langzaam wegvlood; zijne bleekheid werd nog vermeerderd door het electrieke licht, hetwelk dit doodbed bescheen. Ik vestigde het oog op het schrandere gelaat, waarin tal van rimpels, door het ongeluk, misschien door de ellende gegrift waren. Ik trachtte door te dringen in het geheim van dit leven door middel, van enkele woorden, welke over zijn lippen kwamen!

"Gij kunt vertrekken, mijnheer Aronnax," zeide kapitein Nemo.

Ik liet den kapitein in de hut van den stervende en ging ontroerd van dit tooneel naar mijne kamer. Ik werd gedurende den ganschen dag door sombere voorgevoelens gekweld. Dien nacht sliep ik slecht, en in mijn dikwijls afgebroken slaap meende ik in de verte te hooren zuchten en lijkzangen zingen. Was dit soms het gebed voor stervenden in die taal, welke ik niet begreep?

Den volgenden morgen ging ik op het plat; de kapitein was er reeds; toen hij mij zag, kwam hij naar mij toe.

"Mijnheer de professor," zeide hij, "hebt gij lust om heden eene wandeling onder zee te maken?"

"Met mijne makkers?"

"Als zij lust hebben."

"Wij zijn tot uw dienst, kapitein."

"Ga dan uwe scaphanders aandoen."

Van den stervende werd er niet gesproken. Ik ging naar Ned Land en Koenraad, en deelde hun des kapiteins voorstel mede. De laatste haastte zich om het aan te nemen, en ditmaal was ook de Amerikaan genegen om ons te volgen.

Het was acht uur 's morgens; een half uur daarna waren wij voor onze nieuwe wandeling gereed; en voorzien van licht- en ademhalingstoestellen. De dubbele deuren werden geopend, en in gezelschap van den kapitein, die door een twaalftal mannen gevolgd werd, stonden wij weldra op tien meter diepte op den vasten bodem, waarop ook de Nautilus lag. Eene lichte helling voerde ons naar een heuvelachtig terrein, dat op vijftien vademen diepte lag; dit was geheel verschillend van de streek, welke wij bij onzen eersten tocht gezien hadden. Hier was geen fijn zand, geen onderzeesch weiland, geen woud van zeeplanten; ik herkende onmiddellijk de verwonderlijke streek, waar kapitein Nemo ons zou rondleiden; het was het rijk der koralen.

De koraal is eene vereeniging van zeer kleine diertjes, welke zich om de brooze en steenachtige huls van een polyp verzamelen. Die polypen hebben een eenigen oorsprong en ontstaan door uitbotting; zij hebben een bijzondere natuur. Het is dus een soort van natuurlijk socialisme. Ik kende de laatste werken, welke over die zonderling gevormde schepsels geschreven waren, en niets kon mij dus meer belang inboezemen, dan een van die versteende wouden te bezoeken, welke de natuur op den bodem der zee geplant heeft.

Onze toestellen van Ruhmkorff werden in orde gebracht, en wij volgden eene koraalbank, welke nog bezig was met zich te vormen, en eens mettertijd dit gedeelte van den Indischen Oceaan zal afsluiten. Onze weg was omzoomd met onuitroeibare struiken, welke gevormd werden door heesters, die met witte stervormige bloemen als bezaaid werden. Echter groeiden die heesters, in tegenstelling van de planten op het vaste land, van boven naar beneden en zaten aan de rotsen vast.

Het licht veroorzaakte schitterende kleurschakeeringen tusschen die heldere takjes; het was als zag ik die cylindervormige pijpjes door de golving van het water trillen; ik had lust om die frissche bloemknoppen te plukken, waarvan sommige pas geopend waren en andere ternauwernood uitbotten, terwijl kleine vischjes, als ware het een zwerm vogeltjes, met vlugge vin er tusschen doorschoten; doch als ik met de hand naar die levende bloemen, naar die bezielde takjes greep, dan was alles eensklaps in opschudding; de witte knoppen weken in roode kokertjes terug, de bloemen verdwenen en het heestertje veranderde in een met kleine uitwassen begroeid stuk steen. Het toeval had mij bij de kostbaarste zoöphyten gebracht. Deze koraalsoort was minstens evenveel waard, als die welke in de Middellandsche zee op de Fransche, Italiaansche en Afrikaansche kusten gevonden wordt. De dichters geven haar met recht de namen van "bloedbloem" en "bloedschuim," welke in den handel als de beste soort worden beschouwd. Die koralen kosten tot honderd rijksdaalders het kilogram, en op deze plek lag de fortuin van een wereld van koralenvisschers onder de zee bedolven. Tusschen deze kostbare stof, welke hier vast opeengepakt en bijna niet los te rukken was, vond ik van tijd tot tijd wonderschoone rozeroode koralen.

Weldra echter stonden de struiken dichter op elkander, en de takken werden grooter. Wij hadden wezenlijke versteende boschjes en lange galerijen van eene phantastische architectuur voor ons.

De kapitein trad eene sombere galerij binnen, welke ons langs eene helling tot op meer dan honderd meter diepte voerde. Het licht onzer lantaarns bracht soms eene tooverachtige werking te weeg als het op de ruwe punten van dit natuurlijke gewelf en op de hangende koraalbrokken scheen, wier uiteinden dan op vurige punten geleken.

Na twee uur te zijn voortgegaan, hadden wij eene diepte van omstreeks driehonderd meter bereikt; dit was ongeveer de grens der koralenvorming. Maar hier waren het niet meer enkele struikjes, of nederige boschjes, het was het groote woud, het waren kolossale voortbrengselen uit het delfstoffenrijk, prachtig versteende boomen, welke door bevallige slingers verbonden waren, waarop het licht met zijne schoonste kleuren speelde. Wij gingen vrij onder de hooge takken door, terwijl voor onzen voet zich kleinere koralen als een bloemtapijt vertoonden. Welk een onbeschrijfelijk schouwspel! Hoe jammer dat wij elkander onze gewaarwordingen niet konden mededeelen! Waarom waren wij onder dit hulsel van metaal en glas verborgen? Waarom konden wij met elkander niet spreken? Waarom leefden wij niet als visschen; welke het water bevolken, of nog liever als amphibiën, die uren lang zooals zij verkiezen op het land of in het water kunnen doorbrengen?

Ondertusschen bleef de kapitein stilstaan. Mijne makkers en ik hielden eveneens halt, en toen ik mij omkeerde zag ik dat de ons volgende manschappen een halven kring om hun aanvoerder vormden. Toen ik nauwkeuriger toekeek, zag ik dat vier hunner een langwerpig voorwerp op hunne schouders droegen.

Wij stonden hier op eene ruime open plek, welke door groote boomen van dit onderzeesche woud omringd was. Onze lampen gaven in deze ruimte een soort van schemerachtig licht, dat lange schaduwen wierp. Een weinig verder heerschte dikke duisternis; hier en daar slechts afgewisseld door de gloeiende puntjes der koraalriffen, waarop het licht zijn schijnsel wierp.

Ned Land en Koenraad stonden naast mij; wij keken toe, en dachten wel dat wij een vreemd schouwspel zouden bijwonen. Toen ik den grond beschouwde zag ik dat er op regelmatige afstanden kleine verhevenheden lagen, welke met stukken kalksteen en koraal bedekt waren, hetwelk verried dat dit door menschenhanden geschied was.

In het midden stond op een grondstuk van ruwe rotsblokken een kruis van koraal, dat zijne lange armen uitstrekte alsof het versteend bloed ware.

Op een teeken van den kapitein naderde een der mannen, die op eenige voeten van het kruis een gat begon te graven met eene schop, welke hij aan zijn gordel gedragen had. Toen begreep ik alles! Deze open plek was een kerkhof, die kuil een graf, dat lange voorwerp het lijk van den man, die 's nachts gestorven was. De kapitein en zijne manschappen kwamen hier hun makker begraven op den bodem van den ontoegankelijken Oceaan!

Neen, nimmer was mijn geest zoo ontroerd! Nooit hadden indrukwekkender gedachten zich van mij meester gemaakt! Ik wilde niet zien, wat ik toch voor oogen zag!

Het graf werd intusschen langzaam gegraven. De visschen vluchten links en rechts uit hunne verontruste schuilhoeken; ik hoorde het houweelijzer weerklinken op den kalkachtigen bodem, waaruit soms vonken te voorschijn sprongen als het metaal een stuk kiezel trof, dat hier op den bodem der zee lag. Het gat werd langer en breeder, en weldra was het ook diep genoeg om het lijk te bevatten. Toen naderden de dragers. Het lijk in een wit kleed gehuld werd in zijn vochtig graf nedergelegd. De kapitein kruiste de armen over de borst en knielde met al zijne volgelingen naast het lijk van hun vriend in eene biddende houding neder. Mijne beide makkers en ik bogen eerbiedig het hoofd. Toen werd het graf bedekt met de rotsstukken, welke uit den grond waren gehakt, zoodat het evenzeer eene kleine verhevenheid vormde.

Nadat dit afgeloopen was, richtten de kapitein en zijne makkers zich op; toen naderden zij nogmaals het graf, bogen nog eenmaal de knie en staken de hand als tot een laatste vaarwel uit.... Daarop nam de treurige stoet den terugtocht naar de Nautilus aan, ging nogmaals onder het woudgewelf te midden van de heesters en koraalstruiken door, en steeg weder naar boven. Eindelijk zagen wij het scheepslicht, dat ons naar de Nautilus ten gids strekte. Om één uur waren wij terug.

Toen ik van kleeding veranderd had, ging ik naar het plat en zette mij bij de lantaarn neder, ten prooi aan de somberste gedachten.

De kapitein kwam bij mij; ik stond op en zeide:

"Die man is dan toch, zooals ik voorzien had, heden nacht overleden?"

"Ja, mijnheer," antwoordde Nemo.

"En nu rust hij bij zijne makkers, op het koralen kerkhof?"

"Ja door allen, behalve door ons vergeten! Wij graven het graf, en de polypen zorgen er voor om er onze dooden voor de eeuwigheid in te sluiten."

En terwijl hij plotseling het gelaat in de krampachtig samengetrokken handen verborg, trachtte de kapitein te vergeefs om zijn snikken te onderdrukken. Toen voegde hij er bij:

"Dat is ons vreedzaam kerkhof, eenige honderden voeten onder het vlak der zee!"

"Uwe dooden sluimeren er ten minste gerust, kapitein, buiten het bereik der haaien!"

"Ja mijnheer," antwoordde kapitein Nemo ernstig, "buiten het bereik der haaien en ... der menschen!" [3]

NOTEN

[1] Beweeglijk in het onbeweeglijke.

[2] Dus eene som van f 797.396.90.

[3] Zie Westelijk halfrond.