20.000 Mijlen onder Zee: Oostelijk Halfrond

Part 15

Chapter 15 3,731 words Public domain Markdown

Na deze woorden wilde ik heengaan, doch de kapitein hield mij terug, en verzocht mij bij hem plaats te nemen. Hij vroeg met veel belangstelling naar onzen tocht op het land, naar onze jacht, en scheen niet te begrijpen hoe die Amerikaan zoo vurig naar vleesch verlangde. Daarna spraken wij over verschillende onderwerpen, en zonder daarom veel mede te deelen, was de kapitein inderdaad veel hartelijker.

Onder anderen spraken wij over de ligging van de Nautilus, die juist gestrand was in die zeestraat, waar Dumont d'Urville op het punt was geweest van te vergaan.

"Die d'Urville was een van uwe grootste zeelieden," zeide de kapitein, "een van de verstandigste zeevaarders, Het is een Fransche Cook. Ongelukkige geleerde! De ijsbanken aan de zuidpool, de koraalriffen en de kannibalen in den Grooten Oceaan getrotseerd te hebben om ellendig in een spoortrein om te komen! Als die krachtige man in de laatste oogenblikken van zijn leven heeft kunnen denken, wie weet wat die laatste gedachten dan geweest zijn?"

Zoo sprekende, scheen Nemo bewogen.

Daarna gingen wij, met de kaart in de hand, de tochten van den Franschen zeereiziger na, zijne reis om de aarde, zijne beide pogingen om aan de zuidpool door te dringen, waardoor de landen Amalia en Lodewijk Filips ontdekt werden, en eindelijk zijne opmetingen van de voornaamste eilanden in den Grooten Oceaan.

"Wat uw d'Urville aan de oppervlakte de zee verricht heeft," zeide kapitein Nemo, "dat doe ik onder zee, en veel gemakkelijker en vollediger dan hij. De Astrolabe en de Zélee werden onophoudelijk door de golven heen en weder geslingerd en konden dus niet tegen de Nautilus opwegen, welke in het midden der wateren stil ligt, en dus een kalme studeerkamer heeten mag."

"En toch," zeide ik, "is er een punt van overeenkomst tusschen de korvetten van Dumont d'Urville en de Nautilus."

"Welk, mijnheer?"

"Dat de Nautilus evenals zij gestrand is."

"De Nautilus is niet gestrand, mijnheer," antwoordde de kapitein bedaard; "de Nautilus is gemaakt om kalm op het water te liggen, en ik zal al die moeilijke manoeuvres niet beginnen, welke d'Urville met zijn korvetten aanving om weder vlot te raken. De Astrolabe en de Zélee zijn vergaan, doch mijn Nautilus loopt geen gevaar. Morgen zal het hoogtij op het bepaalde uur het vaartuig oplichten, en wij zullen onzen tocht door de zee kunnen voortzetten."

"Kapitein," zeide ik, "ik twijfel niet...."

"Morgen," voegde de kapitein er bij, terwijl hij opstond, "morgen middag twintig minuten voor drieën, zal de Nautilus vlot worden, en zonder schade de Torrestraat verlaten."

Toen hij deze woorden kortaf gezegd had, maakte hij eene lichte buiging; hij gaf mij dus mijn afscheid, en ik ging naar mijne hut. Daar vond ik Koenraad, die wenschte te weten welken uitslag mijn gesprek met den kapitein gehad had.

"Mijn jongen," zeide ik, "toen ik de meening uitte dat zijn Nautilus door de wilden bedreigd werd, heeft de kapitein mij op schertsenden toon geantwoord. Ik kan u dus slechts éen ding antwoorden: vertrouw op hem, en ga gerust slapen."

"Heeft mijnheer mij niet noodig?"

"Neen, mijn vriend, maar wat doet Ned Land?"

"Vriend Ned maakt eene kangoeroe-pastij klaar, die verbazend lekker moet worden," antwoordde Koenraad.

Ik bleet alleen, en ging naar bed, doch sliep vrij slecht. Ik hoorde de wilden op het plat heen en weder loopen en tusschen beiden een oorverdoovend geschreeuw aanheffen. Zoo ging de nacht voorbij, zonder dat de equipage uit hare gewone traagheid scheen opgewekt te worden. Zij scheen zich evenmin om die wilden te bekreunen, als de bezetting van een geblindeerd fort om de muizen, die over de blindeering loopen.

Ik stond 's morgens om zes uur op. Het luik was niet open. De lucht werd dus niet ververscht, maar de vergaarbakken, welke om alle mogelijke gebeurtenissen te voorkomen, gevuld waren, begonnen te werken en brachten eenige kubieke meter zuurstof in de Nautilus.

Ik bleef tot twaalf uur in mijne kamer zitten werken, zonder den kapitein slechts een oogenblik gezien te hebben. Men scheen aan boord geen enkel toebereidsel te maken om te vertrekken. Ik wachtte nog eenigen tijd en ging toen naar het salon. De pendule wees half drie; in tien minuten moest de vloed zijne grootste hoogte bereikt hebben, en als de kapitein geen dwaze belofte gedaan had, dan zou de Nautilus onmiddellijk vlot raken; anders zouden er heel wat maanden verloopen, voordat zij deze klippen verlaten kon.

Weldra voelde ik echter eenige trilling in het vaartuig; ik hoorde de kalk- en koraalpunten tegen den buitenwand schuren.

Vijf minuten over half drie kwam kapitein Nemo in het salon.

"Wij gaan vertrekken," zeide hij.

"Zoo?" antwoordde ik.

"Ik heb bevel gegeven, om het luik te openen."

"En de Papoea's?"

"De Papoea's?" antwoordde de kapitein schouderophalend.

"Zullen zij niet in de Nautilus komen?"

"Hoe zoo?"

"Wel, door het luik, als gij het laat open zetten."

"Mijnheer Aronnax," zeide Nemo bedaard, "men komt het luik van de Nautilus zoo maar niet binnen, al staat het open."

Ik keek hem eens aan.

"Begrijpt gij mij niet?" vroeg hij.

"Geenszins."

"Welnu, kom dan mede en zie."

Ik ging naar de groote middeltrap; daar stonden Ned Land en Koenraad zeer nieuwsgierig naar eenige matrozen te kijken die het luik openden, terwijl kreten van woede en afgrijselijk geschreeuw daar buiten weerklonken. Eindelijk was het luik open, en een twintigtal afschuwelijke tronies verschenen. Maar de eerste van die wilden, die de hand aan de trapleuning sloeg, werd door ik weet niet welke onzichtbare kracht achteruitgeworpen, en vluchtte onder vreeselijk geschreeuw en met ontzaglijke sprongen. Tien van zijne makkers wilden ook naar binnen komen, en ondergingen hetzelfde lot.

Koenraad was in verrukking; Ned Land, slechts aan zijne hevige driften gehoor gevende, vloog naar de trap, maar, nauwelijks had hij de trapleuning aangegrepen, of hij werd op zijne beurt terug geslingerd.

"Duizend duivels!" riep hij, "ik ben door den bliksem getroffen!" Die uitroep verklaarde mij alles; het was geene trapleuning meer, maar een metalen ketting met electriciteit geladen, welke tot op het plat ging. Ieder die er aan raakte kreeg een vreeslijken schok, en zulk een schok zou doodelijk geweest zijn als de kapitein dien geleider met den geheelen electrieken stroom van zijne machine geladen had. Men kon letterlijk zeggen dat hij tusschen zijne aanvallers en zich een elektriek net gespannen had, waar niemand ongestraft over heen kon.

Ondertusschen hadden de ontstelde Papoea's de vlucht genomen; wij troostten en wreven half lachende den ongelukkigen Ned Land, die vloekte als een bezetene. Doch op dit oogenblik werd de Nautilus door de laatste vloedgolven opgelicht van het rif, en dat juist op dezelfde minuut waarop de kapitein het voorspeld had. De schroef begon langzaam te werken; de snelheid nam hand over hand toe, en aan de oppervlakte van het water blijvende verliet het vaartuig onbeschadigd de gevaarlijke Torresstraat.

HOOFDSTUK XXIII

Slaapdronken.

Den volgenden dag, 10 Januari, hervatte de Nautilus haar tocht weer onder water, maar met zulk eene snelheid dat ik haar op niet minder dan 35 kilometer in het uur schatte. De snelheid van de schroef was zoo groot dat ik de omwentelingen niet tellen kon.

Als ik er aan dacht dat deze voortreffelijke electrieke machine, beweging, warmte en licht aan de Nautilus schonk, en haar bovendien nog verdedigde tegen aanvallen van buiten, zoodat het vaartuig in eene heilige ark veranderd werd, welke niemand kon aanraken zonder verpletterd te worden, kende mijne bewondering geene grenzen meer, en van de machine ging die over op den bouwmeester, die dit alles gewrocht had.

Wij liepen recht naar het westen en den 11den Januari voeren wij om Kaap Wessel, die op 135° O.L. en 10° N.B. de westpunt van de golf van Carpentaria vormt. Er waren nog tal van klippen, doch zij lagen verder uit elkander, en waren op de kaart met buitengewone nauwkeurigheid aangeteekend. De Nautilus vermeed gemakkelijk de branding van Money aan bakboord, en de klippen Victoria aan stuurboord, en bleef den tienden parallel volgen.

Den 13den Januari kwamen wij in de zee van Timor, en de kapitein verkende het eiland van dien naam op 122° O.L. Dit eiland, dat eene oppervlakte heeft van 36000 vierkante kilometer, wordt door radjah's bestuurd. Die vorsten noemen zich zonen van krokodillen, dat is te zeggen van de hoogste geboorte waarop een sterveling aanspraak kan maken. Ook wemelt het van die dieren in de stroomen van dit eiland, waar zij bijzonder vereerd worden. Men beschermt en vereert ze, men bidt ze aan en voedt ze; men geeft hun zelfs jonge meisjes ten voedsel, en wee den vreemdeling, die de hand aan een dier gewijde monsters slaat.

Maar de Nautilus had niets met die leelijke dieren uit te staan. Timor was voor een oogenblik slechts zichtbaar, namelijk om twaalf uur, toen de eerste stuurman de hoogte der zon nam. Ook zag ik slechts even het kleine eiland Rotti, dat tot dezelfde groep behoort, en welks vrouwen op de Maleische slavenmarkten een grooten naam van schoonheid bezitten.

Van nu af richtte de Nautilus zich naar het zuidwesten, en zette koers naar den Indischen Oceaan. Waar zou de kapitein ons nu heen voeren? Zou hij de Aziatische kust weder opzoeken, of zou hij naar Europa gaan? Dit was niet zeer waarschijnlijk van iemand, die het bewoonde land vermeed. Zou hij den steven zuidwaarts richten? Zou hij om de Kaap de Goede Hoop en verder om Kaap Hoorn varen om tot aan de Zuidpool door te dringen. Zou hij soms ook naar den Grooten Oceaan terug keeren waar zijn Nautilus zulk een gemakkelijk vaarwater vond? De toekomst zou het ons leeren.

Den 14den Januari waren wij tusschen alle klippen en eilanden door eindelijk weder in volle zee. De snelheid van de Nautilus werd aanmerkelijk minder, en zeer wispelturig in hare bewegingen, dreef zij dan eens onder dan op de zee.

Gedurende dit gedeelte der reis nam de kapitein belangrijke proeven voor den verschillenden warmtegraad der zee op onderscheiden diepte. Gewoonlijk verkrijgt men die gegevens met vrij samengestelde instrumenten, wier opgaven op zijn minst genomen twijfelachtig zijn, hetzij men daartoe peilingen doet met thermometers; wier glazen buizen dikwijls door den druk van het water breken, hetzij men dit ten uitvoer brengt met werktuigen wier samenstelling gegrond is op de veranderlijkheid van weerstand der metalen tegen de electrieke stroomen. De aldus verkregen resultaten kunnen niet genoegzaam worden nagerekend. Kapitein Nemo ging die temperatuur daarentegen in de diepten der zee zelve zoeken; zijn thermometer daar met het water in aanraking gebracht, gaf hem aanstonds en met groote juistheid de verlangde aanwijzing.

Zoo ging de Nautilus soms langzaam, soms snel naar beneden, en bereikte achtereenvolgens eene diepte van drie, vier, vijf, zeven, negen tot zelfs tienduizend meter, en de uitslag van deze proeven was, dat de zee op duizend meter diepte onder alle breedten eene vaste temperatuur van 4 1/2° had. Ik volgde die proefnemingen met de grootste belangstelling: de kapitein legde er zich met den meesten ijver op toe. Dikwijls vroeg ik mij zelven af, waarom hij deze proeven nam; was het ten voordeel van zijne natuurgenooten? Dit was niet waarschijnlijk, want den eenen of anderen dag zouden zijne aanteekeningen met hem in eenige onbekende zee verzinken. Of hij moest den uitslag zijner onderzoekingen soms voor mij bestemmen. Doch dit kon niets beteekenen als ik niet aannam dat mijne reis eens eindigen zou, en dat einde zag ik nog niet.

Hoe het ook zij, de kapitein deelde mij ook verschillende cijfers mede, welke het resultaat waren van zijn onderzoek naar de dichtheid van het water in verschillende zeeën der aarde. Eens op een morgen, het was op den 15den Januari, wandelde ik met den kapitein op het plat; hij vroeg mij of ik de verschillende dichtheid van het zeewater kende; ik antwoordde ontkennend, en voegde er bij dat de wetenschap daarvoor nog geen juiste gegevens had.

"Ik heb de proeven genomen," zeide hij, "en ik kan de zekerheid mijner gegevens bevestigen."

"Goed," antwoordde ik, "maar de Nautilus is eene wereld op zich zelf, en de geheimen van uwe geleerdheid zullen op de bewoonde aarde nooit bekend worden."

"Gij hebt gelijk, mijnheer," zeide hij, na eenige oogenblikken gezwegen te hebben; "het is eene wereld op zich zelf. Mijn vaartuig is voor de aarde hetzelfde als de planeten, welke haar om de zon vergezellen; men zal immers de werken der geleerden die op Saturnus of Jupiter leven, ook nooit op aarde leeren kennen? Omdat het toeval ons bij elkander gebracht heeft, kan ik u den uitslag van mijn onderzoek echter wel mededeelen."

"Ik luister, kapitein."

"Gij weet, mijnheer, dat het zeewater meer dichtheid bezit dan het zoetwater, maar die dichtheid is niet overal dezelfde. Als ik bij voorbeeld de dichtheid van zoetwater gelijk éen stel, dan vind ik 1.028 voor het water van den Atlantischen, en 1.026 voor dat van den Grooten Oceaan, 1.03 voor het water der Middellandsche Zee....."

"O," dacht ik, "hij waagt zich in die zee."

"Voor het water der Jonische Zee 1.018, en voor dat der Adriatische 1.029."

De Nautilus ontvlood dus de drukst bevaren zeeën van Europa niet, en ik maakte daaruit op, dat hij ons misschien binnen kort naar beschaafde streken zou voeren. Ik dacht wel dat Ned Land die bijzonderheid zeer natuurlijk met groote vreugde zou hooren.

Gedurende verscheiden dagen brachten wij den tijd door met het nemen van allerlei proeven omtrent het zoutgehalte op verschillende diepte, omtrent het geleidend vermogen, de kleur en de doorschijnendheid van het zeewater, en bij dit alles ontwikkelde de kapitein eene bekwaamheid, welke slechts geëvenaard werd door zijne welwillendheid jegens mij. Daarop zag ik hem gedurende eenige dagen weder niet, en bleef ik als verlaten zitten.

Den 16den Januari scheen de Nautilus op eenige meters diepte als ingeslapen; de electrieke toestellen waren werkeloos, en het vaartuig werd slechts door den zeestroom voortgestuwd, terwijl de schroef onbeweeglijk bleef. Ik veronderstelde dat de equipage bezig was in het inwendige eenige herstellingen te verrichten, welke noodig waren geworden wegens de bijzonder snelle beweging van de laatste dagen.

Wij waren toen getuigen van een zonderling schouwspel. De wanden in het salon waren weggeschoven, en daar de electrieke lantaarn van de Nautilus geen licht gaf, heerschte er eene onbepaalde duisternis in het water. De met dikke wolken bedekte hemel deed slechts weinig licht in de zee doordringen. Ik zat naar dit sombere schouwspel te kijken, en de grootste visschen schenen mij niet meer dan zeer onduidelijke schaduwen, toen de Nautilus plotseling in het volle licht kwam. Eerst dacht ik dat de lantaarn aangestoken was en het electrieke licht in het water scheen; ik bedroog mij en herkende spoedig mijne dwaling; de Nautilus dreef in 't midden eener lichtgevende streep of laag in het water, welke, in deze duisternis schitterend werd. Deze werd veroorzaakt door duizenden lichtgevende diertjes, wier schittering nog toenam als zij langs de metalen wanden van ons vaartuig streken. Dan zag ik zelfs flikkeringen in deze lichtende omgeving alsof een stroom kokend lood in een vuurhaard geworpen, of een stuk metaal tot roode gloeihitte gebracht werd; dit was zelfs zoo sterk, dat eenige deelen van dezen schitterenden stroom nog schaduw wierpen, hoewel alle schaduw daaruit verbannen scheen. Neen, dit was de kalme flikkering niet van ons gewone lichttoestel, hier zag men kracht en eene ongewone beweging; men gevoelde dat dit licht leefde!

Inderdaad, het was eene oneindig groote opeenstapeling van weekdieren, van millioenen lichtgevende diertjes, ware bolletjes van doorschijnende gelei, met voelarmen zoo fijn als draadjes, en van welke men er ruim 800 in éen kubieken centimeter water geteld heeft. De Nautilus dreef gedurend verscheidene uren in dien schitterenden stroom, en onze verbazing steeg ten top toen wij groote zeemonsters en allerlei visschen daarin zagen rondspartelen en spelen, evenals de legende vertelt dat de salamanders in het vuur doen. Te midden van dit onbrandbare vuur zwommen vlugge bruinvisschen, die onvermoeide clowns onder het visschenheir, en zwaardvisschen van drie meter lengte, die voorloopers van orkanen, wier vreeselijk zwaard soms het glas raakte. Het was een betooverend schouwspel! Misschien werd de sterkte van het licht door den toestand van de atmosfeer vergroot: misschien woedde een hevig onweer boven het zeevlak; doch op eenige meters diepte bemerkte de Nautilus niets van den woedenden storm en dreef kalm te midden van het stille water.

Zoo gingen wij voort en werden elk oogenblik door nieuwe wonderen in verrukking gebracht. Koenraad keek zijne oogen uit, en deed niets als zoöphyten, geleede dieren, weekdieren en visschen in klassen ordenen. De dagen gingen snel voorbij, ik telde ze niet eens meer. Volgens zijne gewoonte trachtte Ned voortdurend ons menu af te wisselen. Wij hadden veel van slakken, die voor deze schelp gemaakt waren, en ik moet bekennen dat het op die wijze gemakkelijk is om eene slak te worden. Wij sleten dus een gemakkelijk en natuurlijk leven, en verbeeldden ons dat dit niet zeer verschilde van het leven op het land, toen eene gebeurtenis ons het vreemde van onzen toestand herinnerde.

De Nautilus bevond zich den 18den Januari op 150° O. L. en 15° Z. B.; het weder was ruw, en de zee onstuimig; het woei vrij sterk uit het oosten; de barometer, die sinds eenige dagen daalde, kondigde een naderenden strijd der elementen aan. Ik stond op het plat op het oogenblik dat de tweede stuurman de hoogte nam; ik wachtte zooals gewoonlijk de dagelijks uitgesproken formule; maar in plaats daarvan riep hij eenige andere niet minder onbegrijpelijke woorden; bijna onmiddellijk verscheen de kapitein, die een kijker naar den gezichteinder richtte. Hij bleef gedurende eenige oogenblikken onbeweeglijk, zonder zijne blikken van een bepaald punt af te wenden; toen liet hij zijn kijker zakken en wisselde eenige woorden met den stuurman; deze scheen ten prooi aan eene ontroering, welke hij te vergeefs trachtte te onderdrukken. De kapitein scheen zich zelven beter te kunnen beheerschen en bleef koel; overigens scheen hij den stuurman eenige tegenwerpingen te maken, waarop deze met bepaalde zekerheid scheen te antwoorden; ten minste ik begreep het zoo uit verschil van stem en gebaren. Wat mij aangaat, ik keek nauwkeurig in de aangeduide richting, echter zonder iets te zien. Water en lucht vloeiden aan den gezichteinder volmaakt in elkander.

De kapitein liep echter zonder mij aan te zien, misschien zelfs zonder mijne tegenwoordigheid te bemerken, op het plat heen en weder. Hij stapte met vaste schreden, doch minder geregeld dan gewoonlijk over het plat; soms stond hij met over de borst gekruiste armen stil, en liet zijn blik over de zee weiden. Wat zocht hij op die onmetelijke ruimte? De Nautilus bevond zich toen op eenige honderden kilometer van de naaste kust verwijderd.

De stuurman had den kijker weder ter hand genomen en keek onophoudelijk naar den gezichteinder; hij liep heen en weder, stampte met den voet, en was in tegenstelling met zijn meester in zenuwachtige spanning. Het geheim zou echter weldra worden opgelost, want op een wenk van kapitein Nemo vermeerderde de machine hare snelheid. Op dat oogenblik maakte de stuurman den kapitein op nieuw opmerkzaam; deze staakte zijne wandeling en richtte den kijker nog eens naar het aangewezen punt; hij keek lang, ik was zeer nieuwsgierig en ging naar het salon, van waar ik een uitmuntenden kijker medebracht, dien ik gewoonlijk gebruikte; ik legde dien op de lantaarn en maakte mij gereed om den gezichteinder te doorloopen, toen ik, nog voor ik den kijker goed aan het oog had gebracht, hem mij met drift uit de hand voelde rukken.

Ik keerde mij om; kapitein Nemo stond voor mij, doch ik herkende hem niet. Zijn gelaat was geheel veranderd, zijn oog schitterde met doffen glans en was onder de samengetrokken wenkbrauwen bijna onzichtbaar; zijne geopende lippen lieten de op elkander geperste tanden gedeeltelijk zien; hij stond recht overeind met gebalde vuisten, en opgetrokken schouders. Zijn geheele persoon teekende vreeselijken haat; hij stond onbeweeglijk; hij had mijn kijker aan zijne voeten laten vallen. Had ik zonder het te willen dien toorn opgewekt? Meende die ondoorgrondelijke man dat ik eenig geheim doorgrond had, hetwelk voor de gasten van de Nautilus verborgen moest blijven? Neen, ik was het voorwerp niet van dien haat, want hij keek mij niet aan, maar hield het oog gevestigd op het voor mij onzichtbare punt aan den gezichteinder. Eindelijk werd kapitein Nemo zich zelven weer meester. Zijn gelaat, dat zoo vreeselijk veranderd was, hernam zijne gewone kalme uitdrukking. Hij zeide eenige woorden in vreemde taal tegen zijn stuurman, en wendde zich toen, tot mij.

"Mijnheer Aronnax," zeide hij op gebiedenden toon, "ik eisch van u de vervulling van eene voorwaarde, welke u aan mij bindt."

"Welke, kapitein?"

"Gij moet u met uwe makkers laten opsluiten tot op het oogenblik dat het mij zal goeddunken u de vrijheid terug te geven."

"Gij zijt heer en meester," antwoordde ik hem, en keek hem strak aan; "doch mag ik u eene vraag doen?"

"Neen, mijnheer."

Er viel hiertegen niets te zeggen, maar slechts te gehoorzamen, omdat alle tegenstand onmogelijk was. Ik ging naar de hut van Ned Land en Koenraad, wie ik het besluit van den kapitein mededeelde. Men kan denken hoe die mededeeling door den Amerikaan ontvangen werd; wij hadden overigens geen tijd tot eenige verklaring; vier matrozen wachtten aan de deur, en brachten ons naar het vertrek, waar wij den eersten nacht aan boord van de Nautilus hadden doorgebracht. Ned Land wilde zich verzetten, doch als antwoord ging de deur achter ons dicht.

"Zal mijnheer mij kunnen zeggen, wat dit beteekent?" vroeg Koenraad.

Ik vertelde mijne makkers wat er gebeurd was. Zij waren evenals ik verwonderd, maar begrepen er niets van. Ik bleef in een maalstroom van gedachten verdiept, en de vreemde uitdrukking van het gelaat des kapiteins wilde mij maar niet uit het hoofd. Ik was niet in staat om geregeld te denken, en ik raakte verward in de meest dwaze veronderstellingen, toen ik uit mijne droomerijen werd wakker geschud door deze woorden van Ned Land:

"Kijk eens, het ontbijt staat op tafel."

Inderdaad, de tafel was gedekt; het was duidelijk dat de kapitein daartoe bevel gegeven had op hetzelfde oogenblik toen hij den gang van den Nautilus deed versnellen.

"Zal mijnheer het mij niet kwalijk nemen als ik hem een raad geef?" vroeg Koenraad.

"Neen, mijn jongen!" antwoordde ik.

"Welnu, dan moet mijnheer ontbijten. Het is voorzichtig, want wij weten niet wat er gebeuren kan."

"Gij hebt gelijk, Koen."

"Ongelukkig," zeide Ned Land, "heeft men ons slechts de gewone scheepskost voorgezet."

"Zeg eens, vriend Ned," merkte Koenraad op, "wat zoudt ge wel gezegd hebben, als er in het geheel niets stond?"