20.000 Mijlen onder Zee: Oostelijk Halfrond

Part 14

Chapter 14 3,925 words Public domain Markdown

Na een niet zeer dicht kreupelhout te zijn doorgegaan, vonden wij eene vlakte met heesters bedekt. Daar zag ik prachtige vogels opvliegen, wier lange vederen hen noodzaakten om tegen den wind in te vliegen. Hunne dwarrelende vlucht, de bevalligheid der bochten, welke zij in de lucht beschreven de schittering hunner kleuren trokken bijzonder onze aandacht; ik herkende ze zonder moeite.

"Paradijsvogels!" riep ik uit.

"Orde der musschen, afdeeling der...." antwoordde Koenraad.

"Is het ook familie van de patrijzen?" viel Ned Land hem in de rede.

"Dat geloof ik niet; doch ik reken toch op uwe behendigheid om een van die prachtige dieren uit deze hemelstreek te vangen."

"Ik zal het beproeven, mijnheer de professor, hoewel ik meer gewoon ben om met den harpoen dan met het geweer om te gaan."

De Maleiers, die met de Chineezen grooten handel in deze vogels drijven, hebben verschillende manieren om ze te vangen, waarvan wij nu geen gebruik konden maken. Dan eens zetten zij strikken in de toppen der boomen; waarin de paradijsvogels bij voorkeur zich ophouden; dan vangen zij ze met lijmstokken; soms zelfs vergiftigen zij het water, waarin die vogels gewoonlijk gaan drinken. Wat ons betrof, wij moesten ze in de vlucht schieten waardoor wij weinige kans hadden om er een te krijgen; wij verspilden daarom ook een deel van onze ammunitie.

Tegen elf uur 's morgens waren wij den eersten rand der bergen, welke zich in het midden des eilands verheffen, over, en wij hadden nog niets geschoten. De honger begon ons te plagen; de jagers hadden gerekend op hetgeen zij zouden schieten en daarin hadden zij ongelijk gehad. Gelukkig schoot Koenraad tot zijne groote verbazing twee dieren tegelijk dood en verschafte ons daardoor een ontbijt; hij schoot namelijk eene witte en eene houtduif, die vlug geplukt en aan een spit gestoken, voor een vuurtje van dood hout gebraden werden. Terwijl die beestjes gereed werden gemaakt, bereidde Ned Land eenige vruchten van den broodboom; daarna aten wij de beide duiven op en vonden ze voortreffelijk. De muskaatnoot, waarmede zij zich gewoonlijk voeden, geeft aan hun vleesch een zekeren geur, en doet ze overheerlijk smaken.

"Het is evenals jonge hoentjes, die truffels eten," zeide Koenraad.

"En wat ontbreekt u nu nog, Ned?" vroeg ik den Amerikaan.

"Een viervoetig stuk wild, mijnheer Aronnax," antwoordde Ned Land. "Al die duiven dat is maar bijwerk, en een mondterging; ik zal dan ook niet eer tevreden zijn voor ik een beest heb doodgeschoten, waarvan ik karbonade kan eten."

"En ik niet, Ned, alvorens ik een paradijsvogel gevangen heb."

"Laat ons de jacht dan voortzetten," antwoordde Koenraad, maar naar den zeekant toe; wij zijn tot de helling der bergen genaderd en ik geloof dat het beter is om naar de bosschen terug te keeren.

Dat was een wijze raad, en wij volgden dien. Na een uur te zijn voortgegaan, waren wij in een waar bosch van sagoboomen gekomen; eenige onschadelijke slangen vluchtten voor ons uit; de paradijsvogels verdwenen als wij naderden, en ik wanhoopte er wezenlijk reeds aan om ze onder schot te krijgen, toen Koenraad, die vooruitging, zich eensklaps bukte, een blijden kreet slaakte en met een prachtigen paradijsvogel in de hand naar mij toe kwam.

"Bravo Koen, bravo!" riep ik.

"Mijnheer is wel goed." antwoordde Koenraad.

"Zeker niet, mijn jongen; gij hebt daar een meesterstuk begaan om een van die vogels te vangen, en dat nog wel met de hand!"

"Als mijnheer hem eens goed bekijken wil, zal hij zien dat er zooveel verdienste niet in steekt."

"En waarom Koen?"

"Omdat die vogel zoo dronken als een snip is."

"Dronken?"

"Ja, mijnheer, dronken van de muskaatnoten, welke hij onder den boom, waar ik hem gevangen heb, opvrat. Kijk eens, vriend Ned, wat het vreeselijk gevolg der onmatigheid is?"

"Duizend duivels!" antwoordde de Amerikaan, "het is wel de moeite waard om mij te verwijten hoeveel jenever ik sedert twee maanden gedronken heb!"

Ik bekeek ondertusschen den schoonen vogel; Koenraad bedroog zich niet: de paradijsvogel, dronken van het koppige sap, was onmachtig om zich te bewegen; hij kon niet vliegen, zelfs bijna niet loopen; dit verontrustte mij echter niet, en ik liet zijn roes stil uitwoeden. De vogel behoorde tot de schoonste der acht soorten, welke men op Nieuw-Guinea vindt; het was de groote smaragdkleurige paradijsvogel, een van de zeldzaamste; hij was drie decimeter lang; het kopje was betrekkelijk klein; de oogen, die dicht bij den bek stonden, waren ook klein; doch hij vertoonde eene wonderschoone afwisseling van kleuren, de bek was geel, de pooten en nagels bruin, de vleugels lichtbruin met purper aan de uiteinden, de kop en hals lichtgeel, de borst smaragdkleurig en de buik kastanjebruin. Boven den staart staken twee lange hoornachtige en met dons bedekte schachten uit, welke in zeer lichte en lange veeren van zonderlinge fijnheid eindigden. Zoodanig was het uiterlijk van dien uitstekend fraaien vogel, welken de inboorlingen dichterlijk "den vogel der zon" noemen. Ik wenschte dit prachtig exemplaar van de paradijsvogels mede naar Parijs te kunnen nemen om hem aan den Plantentuin ten geschenke te geven, waar er geen enkele levend is.

"Is hij dan zóo zeldzaam?" vroeg de Amerikaan op den toon van een jager, die uit een wetenschappelijk oogpunt zeer weinig om wild geeft.

"Zeer zeldzaam, wakkere vriend, en vooral hoogst moeielijk om ze levend te vangen; zelfs als zij dood zijn, worden deze vogels nog als een belangrijk handelsartikel beschouwd. Daarom hebben de inboorlingen een middel verzonnen om ze na te maken, zooals men paarlen en diamanten namaakt."

"Wat!" riep Koenraad, "maakt men valsche paradijsvogels?"

"Ja, Koen."

"En weet mijnheer hoe die inboorlingen dat doen?"

"Zeer goed: de paradijsvogels verliezen in den Oostmousson hunne prachtige staartveeren; deze worden door de namakers van vogels opgezocht en aan een te voren verminkten papegaai aangeplakt, dan verven en vernissen zij den vogel, en sturen die voortbrengselen hunner zonderlinge nijverheid naar de Europeesche museums of aan liefhebbers."

"Mooi zoo!" riep Ned Land, "al is het dan de vogel niet, dan zijn het toch zijne vederen, en zoolang het beest niet gegeten wordt, zie ik er geen kwaad in!"

Al was aan mijne begeerte nu voldaan door het bezit van een paradijsvogel, de wensch van den Amerikaanschen jager was nog volstrekt niet vervuld. Gelukkig velde Ned Land tegen twee uur een groot boschvarken, dat de inlanders bari-outang noemen. Het dier kwam goed van pas om ons wezenlijk vleesch van een viervoetig dier te verschaffen; Ned was trotsch op zijn schot; het varken, door den electrieken kogel getroffen, was mors dood gevallen.

De Amerikaan sneed het open en haalde er de ingewanden uit; toen sneed hij er vast een half dozijn ribbetjes uit, welke hij voor ons avondmaal wilde roosteren; daarop ving de jacht op nieuw aan, welke nog blijken moest geven van de heldendaden van Ned en Koenraad; de twee vrienden, het kreupelhout doorkruisende, joegen een troep kangoeroe's op, die op hunne lange achterpooten wegvluchtten; maar zij sprongen niet zóo snel weg of de electrieke kogel kon hen in hunne vaart nog wel stuiten.

"O, mijnheer," riep Ned Land, wien de jagers woede naar het hoofd begon te stijgen, "wat heerlijk wild, vooral gestoofd! Wat voorraad voor de Nautilus! Twee, drie ... vijf voor den grond! En als ik denk dat wij al dat vleesch zullen opeten, en dat die gekken daar aan boord er niets van mede krijgen!"

Ik geloof waarlijk dat, als de Amerikaan niet zooveel gepraat had, hij in overmaat van blijdschap den geheelen troep zou doodgeschoten hebben! Maar hij stelde zich tevreden met een dozijn van die buideldieren; zij waren klein van stuk; het waren eigenlijk springkonijnen, die in holle boomen nestelen en ontzaglijk vlug zijn; maar al zijn zij klein, zoo is hun vleesch toch bijzonder gezocht.

Wij waren zeer tevreden over den uitslag onzer jacht. De vroolijke Ned stelde zich voor om den volgenden dag naar dit bekoorlijke eiland terug te keeren, dat hij zoo het scheen van alle eetbare dieren berooven wilde; doch hij rekende buiten den waard.

's Avonds om zes uur waren wij weder op het strand. Onze sloep lag op hare gewone plaats; de Nautilus stak altijd als een lange klip op twee mijl van de kust boven de zee uit.

Zonder dralen begon Ned Land aan het gewichtig werk voor ons diner. Hij verstond de kookkunst bijzonder goed. Weldra verspreidden de varkensribbetjes, die hij boven een kolenvuur roosterde, een aangenamen geur. Doch ik bemerk dat ik den Amerikaan nadoe. Ik raak nu reeds opgewonden door een geroosterd varkensribbetje! Men vergeve het mij zooals aan Ned Land!

Om kort te gaan, ons maal was overheerlijk. Twee houtduiven kwamen ook op de spijskaart voor, en behalve dit en de andere vleeschspijzen eene sagopastij, brood van den broodboom, eenige manga's, een half dozijn ananassen, en het uitgegiste sap van zeker soort van kokosnoten, waardoor wij wat opgewonden werden; ik geloof zelfs dat mijne waardige makkers niet zoo heel helder meer waren.

"Als wij van avond eens niet naar de Nautilus terug keerden?" zeide Koenraad.

"Als wij er eens nooit weder heen gingen?" voegde Ned er bij.

Op dat oogenblik viel er een steen voor onze voeten neder, en maakte een einde aan de voorstellen van het tweetal.

HOOFDSTUK XXII

Nemo's bliksem.

Wij keken zonder op te staan naar den kant van het bosch; ik hield mijne hand, welke een hap naar den mond bracht, stil, doch Ned Land at door.

"Een steen valt niet uit de lucht," zeide Koenraad, "of het moest een aeroliet zijn."

Een tweede zuiver ronde steen sloeg Koenraad een lekker duivenboutje uit de hand, en bevestigde dus zijne opmerking.

Wij sprongen alle drie overeind met het geweer in de hand en waren gereed om elken aanval af te weren.

"Zijn het apen?" vroeg Ned.

"Bijna," antwoordde Koenraad, "het zijn wilden."

"Naar de sloep!" riep ik, naar den zeekant loopende. Wij moesten inderdaad vluchten, want een twintigtal inboorlingen, met bogen en slingers gewapend, verschenen aan den rand van een boschje, dat op nauwelijks honderd pas afstands ons aan den rechterkant het uitzicht belette. Onze sloep lag tien vademen van ons af. De wilden naderden langzaam, maar maakten de meest vijandige bewegingen; het regende pijlen en steenen.

Ned Land had zijn voorraad niet in den steek willen laten, en niettegenstaande het dreigende van het gevaar liep hij met zijn varken op den eenen, en de kangoeroe's op den anderen schouder zoo hard als hij kon. In twee minuten waren wij op het strand, onze provisie en onze wapens in de sloep werpen, die in zee brengen en de riemen grijpen was het werk van een oogenblik. Wij waren nog geen twee kabellengten ver, toen honderd wilden met geschreeuw en gebaren tot aan het middel in het water liepen. Ik keek eens of hunne verschijning ook enige mannen van de Nautilus op het plat zou tevoorschijn roepen; maar neen, het kolossale vaartuig bleef verlaten.

Twintig minuten daarna waren wij aan boord; het luik was open; nadat wij de boot hadden vastgelegd, gingen wij naar binnen. Ik ging naar het salon, waar ik enige accoorden hoorde aanslaan; kapitein Nemo zat daar voor het orgel geheel in muzikale verrukking verloren.

"Kapitein!" zeide ik.

Hij hoorde mij niet.

"Kapitein!" zeide ik nog eens, en raakte zijne hand aan. Hij sidderde, en terwijl hij zich omkeerde, zeide hij:

"O, zijt gij het mijnheer de professor? Welnu, hebt gij eene goede jacht gehad, en schoone planten verzameld?"

"Ja, kapitein," zeide ik, "maar wij hebben ongelukkig een troep tweevoetige wezens achter ons aan gekregen, wier nabijheid ons vrij verontrustend toeschijnt."

"Wat soort van wezens?"

"Wilden."

"Wilden!" antwoordde de kapitein op spotachtigen toon. "En gij verwondert u, mijnheer, dat als gij ergens voet aan wal zet er wilden te vinden? Wilden, waar zijn die niet? En bovendien, zijn die wilden erger dan alle anderen?"

"Maar kapitein...."

"Wat mij aangaat, mijnheer, ik heb overal wilden ontmoet."

"Welnu," antwoordde ik, "als gij ze niet bij u aan boord wilt hebben, dient gij eenige voorzorgsmaatregelen te nemen."

"Wees gerust, mijnheer de professor, gij behoeft u daar zoo bang niet voor te maken."

"Maar die inboorlingen zijn talrijk."

"Hoeveel hebt gij er geteld?"

"Een honderdtal ten minste."

"Mijnheer Aronnax," hernam de kapitein, die zijne vingers weer over de toetsen van het orgel liet gaan; "als al de inboorlingen van Nieuw-Guinea op dat strand bij elkander waren, dan zou de Nautilus, niets van hunne aanvallen te vreezen hebben!"

Zijne handen bewogen zich over de klavieren van zijn instrument, waarbij ik opmerkte dat hij alleen de zwarte toetsen aanraakte, zoodat de door hem gespeelde melodiën bijzonder veel op Schotsche geleken. Weldra had hij mijne tegenwoordigheid vergeten, en was in droomerijen verdiept, waaruit ik hem niet zocht op te wekken.

Ik ging weer op het plat. De nacht was reeds gevallen, want onder deze breedte gaat de zon spoedig zonder schemering onder. Ik zag het eiland Gueboroar slechts even; maar talrijke vuren op het strand bewezen mij dat de inboorlingen er niet aan dachten om ons te verlaten.

Ik bleef gedurende eenige uren alléén; dan dacht ik aan die inboorlingen zonder ze te vreezen, want het onwrikbare vertrouwen van den kapitein had zich ook van mij meester gemaakt; dan vergat ik ze weer, om de pracht van den sterrenhemel in deze tropische gewesten te bewonderen, ik vloog in gedachten met die sterren, welke mijn vaderland binnen weinige uren zouden verlichten, naar Frankrijk mede. De maan schitterde aan het uitspansel; ik dacht er aan dat die trouwe wachter overmorgen op die zelfde plaats terug zou komen, om het water te doen rijzen, en de Nautilus van de koraalklip los te maken. Toen ik tegen middernacht zag dat alles op zee en onder het geboomte op de kust rustig was, ging ik naar mijne hut en sliep kalm in. De nacht ging zonder ongeval voorbij. De Papoea's waren zonder twijfel bang voor het monster, dat in de baai lag, want het geopende luik zou hun anders gemakkelijk den toegang verschaft hebben.

Den 8sten Januari ging ik 's morgens om zes uur op het plat; de dag brak aan; toen de morgennevel optrok, zag ik eerst het strand en toen de toppen der bergen. De wilden waren er nog altijd, doch talrijker dan den vorigen dag, vijf of zes honderd misschien. Eenigen maakten gebruik van het lage tij, en waren van de eene klip op de andere springende tot op twee kabellengten van de Nautilus gekomen; ik zag ze zeer duidelijk; het waren wel degelijk Papoea's van athletische gedaante, menschen van een schoon ras met een hoog en breed voorhoofd, een dikken, doch geen platten neus, en met witte tanden. Hun wolachtig haar was rood geverfd, en stak vreemd af tegen hunne huid, die zwart en glimmend was als van de Nubiers. Aan hunne doorstoken en uitgerekte oorlellen hingen trossen beentjes; zij waren over het algemeen naakt. Ik zag eenige vrouwen onder hen, die eene wezenlijke crinoline van gedroogd gras aan hadden, welke tot aan de knieën reikte. Sommige opperhoofden hadden hun hals met een halve maan en met snoeren van roode en witte glaskoralen versierd; bijna allen waren met bogen, pijlen en schilden gewapend en droegen een soort van netje op den rug, waarin zij de ronde steenen bewaarden, welke zij met groote behendigheid wisten te werpen.

Een van die opperhoofden was dicht bij de Nautilus gekomen, en bekeek het vaartuig nauwkeurig. Het moest er een van hoogen rang zijn, want hij had eene mat van gedroogde banaanbladen om het lichaam geslagen, welke met schitterende kleuren beschilderd was. Ik zou hem gemakkelijk hebben kunnen neerschieten, omdat hij zich binnen het bereik van mijn geweer bevond, doch ik meende dat het beter was om te wachten tot dat zij zich wezenlijk vijandig toonden. Tusschen Europeanen en wilden past het dat Europeanen zich verdedigen en nimmer aanvallen.

Gedurende al den tijd, dat het lage tij duurde, zwierven de inboorlingen in de nabijheid van de Nautilus, maar zij maakten geen geraas. Ik hoorde hen dikwijls het woord "assai" roepen, en uit hunne gebaren begreep ik dat zij mij uitnoodigden om aan land te komen, eene uitnoodiging, welke ik meende te moeten weigeren. Dien dag verliet de sloep derhalve de Nautilus niet, tot groot verdriet van Ned Land die zijn voorraad niet kon volledig maken. De handige Amerikaan gebruikte zijn tijd om het vleesch klaar te maken dat hij van Gueboroar had medegebracht. Wat de wilden betreft, die gingen tegen elf uur 's morgens weer naar land, toen de toppen der koraalriffen bij het wassen van het tij onder de golven begonnen te verdwijnen; doch ik zag dat hun aantal op het strand zeer toenam; waarschijnlijk kwamen zij van de naburige eilanden, en van Nieuw-Guinea. Echter zag ik geen enkele prauw.

Daar ik niets beters te doen had, kreeg ik lust om eens in het heldere water met een schepnet te visschen, daar ik schelpen en planten in menigte op den bodem zag liggen. Het was bovendien de laatste dag, dat de Nautilus in deze streken doorbracht, als zij ten minste den volgenden dag, volgens de verzekering van kapitein Nemo, met hooge zee zou losraken.

Ik riep Koenraad, die mij een klein schepnet bracht, van de soort, waarmede men gewoonlijk oesters vischt.

"En die wilden?" vroeg Koenraad, "zij schijnen zoo erg boos niet."

"Het zijn toch menscheneters, mijn jongen."

"Men kan menscheneter en braaf zijn," hernam Koenraad, "even zooals men gulzig en eerlijk man kan wezen. Het eene sluit het andere niet uit."

"Goed, Koen, ik stem u toe, dat het eerlijke menscheneters zijn en dat zij hunne gevangenen fatsoenlijk opeten; maar daar ik zelfs niet eens fatsoenlijk wil opgegeten worden, zal ik oppassen, want de kapitein schijnt geen de minste voorzorgen te nemen. En nu aan 't werk."

Wij vischten ijverig gedurende twee uur, doch zonder eenig zeldzaam stuk op te halen; ons net was telkens wel vol schelpen, maar niets bijzonders, alleen een stuk of wat paarloesters en een dozijn kleine schildpadden, die wij voor den kok bewaarden. Doch op 't oogenblik, dat ik er het minst op verdacht was, kreeg ik een wonder, of liever gezegd eene natuurlijke misvorming te zien welke men zelden ontmoet. Koen had het net weder uitgeworpen en haalde het met zeer gewone schelpen op, toen hij mij plotseling de hand in het net zag steken en er een schelp uithalen, welke ik met een kreet van blijdschap in de hoogte hief.

"Wat scheelt er aan, mijnheer?" vroeg hij zeer verwonderd. "Is mijnheer gebeten?"

"Neen mijn jongen, en toch zou ik voor zulk eene ontdekking wel een lid van een vinger willen missen."

"Welke ontdekking?"

"Deze schelp," zeide ik, hem het voorwerp mijner blijdschap toonende.

"Het is doodeenvoudig een purperolijf, klasse

"Ja wel, Koen, maar in plaats van rechts naar links gedraaid te zijn, is deze juist omgekeerd."

"Omgekeerd?"

"Ja mijn vriend, het is een linksche schelp!"

"Een linksche schelp!" herhaalde Koenraad met een van vreugde kloppend hart.

"Zie maar eens."

"Mijnheer kan mij gerust gelooven," zeide Koenraad, terwijl hij de kostbare schelp met bevende hand aanvatte, "ik ben nog nooit zoo blijde geweest."

En er was wel reden toe; men weet toch dat rechts wenden volgens de opmerkingen der natuuronderzoekers een wet van de natuur is. De hemellichamen en hunne wachters bewegen zich bij hunne omwenteling om de zon en om zich zelven van rechts naar links; de mensch gebruikt liefst de rechterhand, zoodat allerlei werktuigen en inrichtingen als trappen, sloten, horlogeveeren, enz. enz. zoodanig gemaakt zijn, dat zij rechts kunnen gebruikt worden. De natuur heeft deze wet ook gevolgd in het draaien der schelpen; zij zijn allen rechts op zeer zeldzame uitzonderingen na, en als er soms gevonden worden die links gedraaid zijn, dan betalen de liefhebbers die soms met haar gewicht in goud.

Koen en ik waren dus verrukt op het gezicht van onzen schat, en ik vatte het plan reeds op om er ons Museum mede te verrijken, toen een noodlottige steen, door een inboorling geworpen, het kostbare voorwerp in Koenraads hand in stukken sloeg. Ik stiet een wanhopigen kreet uit! Koenraad greep mijn geweer en mikte op den wilde, die zijn slinger op tien meter van ons af nog in de hand had. Ik wilde hem tegenhouden, doch het schot ging af en verbrijzelde den armband van amuletten, welke om den arm van den Papoea geslingerd zat.

"Koen!" riep ik, "Koen!"

"Wat, ziet mijnheer dan niet dat die kannibaal ons aanvalt"

"Een schelp is geen menschenleven waard!" zeide ik.

"O, die schavuit! ik wilde liever dat hij mij den arm had verbrijzeld."

Koenraad meende het oprecht, maar ik was het niet met hem eens; echter was de toestand sinds eenige minuten veranderd, zooals wij bemerkten. Een twintigtal prauwen omringden ons; die vaartuigen van uitgeholde boomstammen gemaakt, waren lang, smal, vlug in de vaart, en bleven recht op het water liggen door twee bamboezen zwaarden, welke aan weerszijden op het water steunden. Zij werden door halfnaakte wilden gepagaaid, en ik zag ze niet zonder ongerustheid naderen.

Het was duidelijk dat die Papoea's reeds met Europeanen in aanraking waren geweest, en hunne schepen kenden. Maar wat moesten zij wel denken van dien langen ijzeren cylinder, zonder mast of schoorsteen? Niets goeds, want zij waren eerst op eerbiedigen afstand gebleven; toen zij hem echter onbeweeglijk zagen liggen, vatten zij moed, en wilden er nader kennis mede maken; doch juist die kennismaking moest belet worden. Onze geweren, wier schot geen knal gaf, konden dien inboorlingen slechts weinig vrees inboezemen, daar zij slechts eerbied hebben voor geraasmakende vuurwapenen. De bliksem zou ook zonder den donder de menschen niet verschrikken, hoewel het gevaar in het eerste en niet in het geraas gelegen is.

Op dit oogenblik naderden de prauwen dichter bij de Nautilus, en het regende pijlen om ons heen.

"Te drommel, het hagelt," riep Koenraad, "misschien is het wel vergiftigde hagel!"

"Ik zal den kapitein waarschuwen," zeide ik, naar binnengaande.

Ik ging naar het salon en omdat ik er niemand vond, waagde ik het om aan de deur van Nemo's kamer te tikken.

"Binnen!" riep men; ik trad binnen en vond den kapitein verdiept in eene berekening, waarin allerlei stelkundige formulen de hoofdrol speelden.

"Hinder ik u ook?" vroeg ik uit beleefdheid

"Ja, mijnheer," was het korte antwoord; "doch ik geloof dat gij ernstige redenen hebt om bij mij te komen!"

"Inderdaad; wij zijn omringd door prauwen, en zullen binnen weinige minuten zeker door honderden wilden worden aangevallen.'"

"Zoo," zeide de kapitein bedaard, "zijn zij met hunne prauwen gekomen?"

"Ja kapitein."

"Welnu, dan is het immers genoeg als het luik gesloten wordt?"

"Juist, en ik kwam u zeggen...."

"Niets is gemakkelijker," zeide Nemo, en op een electrieken knop drukkende, gaf hij daartoe aan de wachthebbende matrozen bevel.

"Het is reeds geschied, mijnheer," zeide hij na eenige oogenblikken. "De sloep is op hare plaats en het luik is dicht. Gij vreest toch zeker niet dat die heeren de wanden van mijn vaartuig verbrijzelen zullen, waar de kogels van uw fregat zelfs geen schade aan toebrachten!"

"Neen, kapitein, maar er bestaat nog een ander gevaar."

"Welk, mijnheer?"

"Morgen ochtend moet gij het luik weder openen om de lucht in de Nautilus te ververschen."

"Zeker, mijnheer, omdat ons vaartuig evenals de walvisschen ademt."

"Maar als op dat oogenblik de Papoea's op het plat zijn, dan zie ik niet in hoe gij ze beletten zult om binnen te komen."

"Denkt gij dan mijnheer, dat zij aan boord zullen komen?"

"Ik ben er zeker van."

"Welnu, laat ze komen; ik zie geen enkele reden om hun dat te beletten; het zijn toch arme duivels, die Papoea's en, ik wil niet dat mijn bezoek in de buurt van hun eiland het leven aan een van die ongelukkigen kost."