20.000 Mijlen onder Zee: Oostelijk Halfrond
Part 13
De Nautilus kwam dus voor den ingang der gevaarlijkste zeestraat van den aardbodem, waar de stoutmoedigste zeevaarders ter nauwernood door durven varen, eene straat waar Luiz paz de Torréz zich doorwaagde, toen hij uit de Stille Zuidzee naar den Indischen Archipel ging, en waar in 1840 de korvetten van Dumont d'Urville op het punt waren van met man en muis te vergaan. Hoewel de Nautilus alle zeegevaren scheen te kunnen trotseeren, zou zij met deze koraalriffen toch kennis maken.
De Torrestraat is ongeveer 135 kilometer breed, maar is zoo vol klippen, rotsen, eilandjes en riffen, dat de vaart er bijna onmogelijk is; derhalve nam kapitein Nemo alle mogelijke voorzorgen om er door te komen. De Nautilus, die over de oppervlakte dreef, voer slechts bedaard voorwaarts; de schroef bewoog zich slechts langzaam.
Hiervan gebruik makende, hadden mijne twee makkers en ik op het plat plaats genomen. Vóór ons was het kastje van den stuurman, en ik moet mij al zeer bedriegen als de kapitein zelf er zich niet bevond om zijn Nautilus te besturen.
Ik had de beste kaarten van de zeestraat voor mij en volgde daarop met de grootste oplettendheid onzen tocht; rondom de Nautilus kookte en bruiste de zee. De golven, met eene snelheid van twee en een halven kilometer door den zeestroom van het zuidoosten naar het noordwesten gedreven, braken op de koraalriffen, wier toppen hier en daar te voorschijn kwamen.
"Dat is een leelijke zee!" zeide Ned Land.
"Afschuwelijk," antwoordde ik, "zij is niet best voor de Nautilus."
"Die vervloekte kapitein," hernam de Amerikaan, "moet wel zeker van zijn weg zijn, want ik zie daar riffen waarop zijne schuit in duizend stukken zou splijten als hij er slechts aanraakte."
Onze toestand was inderdaad gevaarlijk, maar de Nautilus scheen als door eene betoovering midden tusschen deze vreeselijke klippen door te komen. Zij volgde niet juist den weg van de Astrolabe welke voor Dumont d'Urville zoo noodlottig was; het vaartuig nam den koers meer noordelijk, voer langs het eiland Murray, en richtte zich toen zuidwestwaarts naar de doorvaart van Cumberland. Ik dacht dat het schip er recht doorheen zou gaan, toen het zich weder noordwestwaarts wendde en tusschen een groot aantal weinig bekende eilandjes en rotsen door naar het eiland Tound en het Slechte Kanaal voer. Ik vroeg mij zelven af of kapitein Nemo onvoorzichtig was en zijn schip in dezen doorgang wilde wagen, waar de twee korvetten van d'Urville op de rotsen stootten, toen hij voor de tweede maal van richting veranderde en westwaarts naar het eiland Gueboroar liep.
Het was toen drie uur; het getij was bijna vol; de Nautilus naderde het eiland, dat ik met zijne prachtige groene omzooming nog voor mij zie liggen; wij liepen op minder dan twee kilometer afstands er langs. Plotseling werden wij door een schok omvergeworpen; de Nautilus had op een klip gestooten; het schip bleef onbeweeglijk liggen, doch helde naar bakboordzijde eenigszins over. Toen ik opstond zag ik den kapitein en den eersten stuurman op het plat; zij namen den toestand van het vaartuig op en wisselden eenige woorden in hunne onverstaanbare taal.
Ziehier hoe onze toestand was. Op twee kilometer afstand lag aan stuurboordzijde het eiland Gueboroar, welks kust zich als een lange arm van het noorden naar het westen kromde. Naar het zuiden en oosten vertoonden zich reeds eenige toppen van koraalriffen, welke het afloopend getij bloot liet. Wij zaten geheel vast en dat wel in eene zee waar het getij slechts middelmatig was; dit was eene noodlottige omstandigheid om de Nautilus weer vlot te krijgen. Echter had het schip niets geleden, zoo stevig was de huid gesmeed. Maar als het al niet zinken of barsten kon, dan liep het toch gevaar voor eeuwig op die rotsen te blijven zitten, en dan was het gedaan met het onderzeesche toestel van kapitein Nemo.
Zoo peinsde ik, toen de kapitein, kalm en bedaard als altijd zonder eenige ontroering of teleurstelling te laten blijken, mij naderde.
"Een ongeluk?" vroeg ik.
"Neen, een toeval," was zijn antwoord.
"Maar een toeval," hernam ik, "dat u misschien verplichten zal om het land, dat gij zoozeer ontvlucht, weder te gaan bewonen."
De kapitein keek mij met een zonderlingen blik aan, en schudde met het hoofd; dit was duidelijk gezegd, dat niets hem ooit zou dwingen om den voet weder op het land te zetten. Toen zeide hij: "Bovendien mijnheer Aronnax, de Nautilus is niet weg; zij zal u nog de wonderen van den Oceaan laten zien. Onze reis begint eerst, en ik hoop nog zoo spoedig niet van de eer van uw gezelschap verstoken te worden."
"Maar toch kapitein," antwoordde ik, zonder acht te geven op de spotternij, die in zijne woorden doorstraalde, "de Nautilus is gaan vast zitten bij hoog tij. Nu zijn de getijen in den grooten Oceaan niet zeer sterk, en als gij nu de Nautilus niet ontlasten kunt (hetgeen mij onmogelijk schijnt), dan begrijp ik niet hoe gij weder vlot zult komen."
"Gij hebt gelijk, mijnheer de professor, de getijen zijn in dezen Oceaan niet sterk, maar in de Torrestraat is er toch nog een verschil van anderhalven meter, tusschen de hoogste en laagste standen der zee met andere deelen van den Oceaan. Het is van daag 4 Januari, en over vijf dagen hebben wij volle maan; ik zou mij zeer moeten verwonderen als die wachter van onze aarde niet beleefd genoeg was om de watermassa wat hooger te doen komen, ten einde mij daardoor een dienst te bewijzen, welken ik alleen aan de maan wil te danken hebben."
Toen de kapitein dit gezegd had ging hij met zijn eersten stuurman weder naar binnen. De Nautilus bewoog zich niet en bleef onwrikbaar vast liggen, alsof de koralen het vaartuig reeds voor goed hadden ingemetseld.
"Welnu mijnheer!" zeide Ned Land, die na het vertrek van den kapitein naar mij toe kwam.
"Welnu, vriend Ned, wij zullen stil het tij van 9 Januari afwachten, want het schijnt dat de maan zoo beleefd zal zijn om ons weder vlot te maken."
"Meent gij dat?"
"Ja zeker."
"En die kapitein gaat zijn ankers niet uitgooien om zich hieraf te brassen, en zijne machine niet laten werken, en alles doen om van die verwenschte klip te komen?"
"Het tij is immers voldoende," antwoordde Koenraad bedaard.
De Amerikaan keek hem aan, en trok zijne schouders op; het was de zeeman, die uit hem sprak.
"Mijnheer," antwoordde hij, "geloof mij, als ik u zeg, dat dit stuk ijzer nooit meer op of onder zee varen zal, het is goed om bij 't pond verkocht te worden. Ik geloof dat het oogenblik gekomen is om dien kapitein Nemo de hakken te laten zien."
"Vriend Ned," antwoordde ik, "ik wanhoop niet zooals gij aan dit flinke vaartuig; in vier dagen zullen wij zien waar wij ons met die getijen in dezen Oceaan aan te houden hebben. Overigens kon die raad om te vluchten goed zijn, als wij de Engelsche of Fransche kust in 't gezicht hadden, maar hier in de buurt van Nieuw-Guinea is 't eene andere zaak; het zal altijd nog tijd genoeg zijn om tot dit uiterste te komen, als de Nautilus niet los raakt, ik zou dit als een erge ramp beschouwen."
"Zouden wij ten minste dat land niet eens onderzoeken?" hernam Ned Land. "Daar is een eiland, op dat eiland groeien boomen, onder die boomen loopen dieren; die karbonade en roastbeef aan hun romp hebben, en daar zou ik wel eens gaarne mijne tanden inzetten."
"Nu heeft vriend Land gelijk." zeide Koenraad, "en ik ben het met hem eens. Zou mijnheer van zijn vriend, den kapitein, geen verlof kunnen krijgen om eens aan land te gaan, al was het alleen maar om de gewoonte niet te verliezen van nu en dan den voet eens te zetten op het vaste deel van onzen aardbodem?"
"Ik kan het hem wel eens vragen," antwoordde ik, doch hij zal het weigeren.
"Het is in allen gevalle te wagen," zeide Koenraad, "en dan weten wij met een waaraan wij ons ten opzichte van zijne vriendelijkheid te houden hebben."
Tot mijne groote verwondering stond kapitein Nemo toe wat ik hem vroeg. Hij deed het zelfs met de grootste beleefdheid, zonder zelfs de belofte van mij te vorderen, dat ik aan boord zou terug komen. Maar eene vlucht door Nieuw-Guinea was zeer gevaarlijk, en ik zou het Ned Land nooit hebben aangeraden om zoo iets te beproeven. Het was veel beter om aan boord van de Nautilus opgesloten te zijn, dan om in de handen van de Papoea's te vallen!
Den volgenden morgen zou de sloep ter onzer beschikking zijn. Ik zocht niet eens te weten te komen of de kapitein ons zou vergezellen; zelfs vermoedde ik dat geen matroos der equipage met ons mede zou gaan, en dat Ned Land de boot alléén zou moeten sturen. Overigens was het land op zijn hoogst op twee kilometer afstands, en het was maar spelen gaan voor onzen Amerikaan om dat lichtte vaartuig tusschen die voor groote schepen zoo noodlottige klippen door te brengen.
Den volgenden dag, 5 Januari, werd de sloep losgemaakt en van het plat in zee gewerkt; twee man waren daarvoor genoeg, de riemen lagen er in, en wij behoefden slechts plaats te nemen. Met bijlen en electrieke geweren bij ons roeiden wij om acht uur weg. De zee was vrij kalm; een kleine bries woei van de landzijde. Koen en ik roeiden flink op, en Ned stuurde tusschen de klippen door. De sloep was gemakkelijk te sturen en schoot goed vooruit. Ned kon zijne vreugde niet bedwingen, hij stelde zich aan als een gevangene, die aan zijne cel ontsnapt is, en hij dacht er niet aan dat hij er weder in moest.
"Vleesch," riep hij herhaaldelijk, "vleesch zullen wij dan proeven, en welk vleesch! Echt wild! Geen visch! Ik zeg niet dat visch niet goed is, maar men moet er geen misbruik van maken, en een stuk versch wild, op een kolenvuur geroosterd, zal onzen gewonen kost lekker afwisselen."
"Lekkerbek!" zeide Koenraad, "het water komt mij in den mond."
"Wij mogen eerst wel vragen of die bosschen wildrijk zijn," zeide ik, "en of het wild er niet zóo groot is, dat het den jager wegjaagt."
"Goed zoo, mijnheer Aronnax," antwoordde de Amerikaan, wiens tanden zoo scherp als een bijl schenen te zijn, "maar ik zal zelfs een tijgerrib eten als er geen ander viervoetig dier op dit eiland te vinden is."
"Vriend Ned maakt ons bang," zeide Koenraad.
"Hoe het ook zij," hernam de harpoenier, "het eerste dier op vier of op twee pooten, met of zonder vleugels krijgt een schot van mij in zijn ribben."
"Goed!" antwoordde ik, "daar gaat de onverzichtigheid van meester Land weer beginnen."
"Wees niet bang, mijnheer Aronnax; roei maar ferm op. Binnen vijf en twintig minuten zal ik u een kost naar mijn smaak opdisschen."
Om half negen liep de sloep zacht tegen het zandige strand op, na gelukkig tusschen de koraalriffen doorgekomen te zijn, welke het eiland Gueboroar omringden.
HOOFDSTUK XXI
Aan land.
Ik was zonderling te moede toen ik aan land stapte. Ned Land stampte op den grond alsof hij dien in bezit nam. Er waren echter nog maar twee maanden verloopen sinds wij, volgens de uitdrukking van kapitein Nemo, "passagiers op de Nautilus," maar inderdaad gevangenen van den kapitein waren.
Binnen weinige minuten waren wij reeds op een geweerschot afstands van de kust het binnenland ingestapt. De grond was bijna geheel koraalvormig, maar enkele uitgedroogde stroombeddingen, waarin ik stukken graniet vond, toonden aan dat dit eiland tot de primaire aardvorming behoorde. Ons uitzicht werd door prachtige bosschen belet; groote boomen, soms van 60 tot 70 meter hoog, waren verbonden door slingerplanten, natuurlijke hangmatten, welke een licht windje heen en weder bewoog; aan den voet dier woudreuzen en onder het dichte bladerdak was de grond bezaaid met de schoonste en welriekendste bloemen. Zonder op al die schoone voortbrengselen van de Nieuw-Guineesche flora te letten, liet de Amerikaan het aangename voor het nuttige in den steek; hij zag een kokosboom, sloeg er eenige vruchten af, brak die door, en wij dronken de melk, en aten de pit met een smaak, welke deed zien, dat wij niet volkomen tevreden waren met de gewone spijzen op de Nautilus.
"Uitmuntend!" zeide Ned.
"Uitstekend!" antwoordde Koenraad.
"Ik geloof niet," zeide de Amerikaan, "dat uw vriend Nemo er zich tegen verzetten zal als wij eene lading kokosnoten mede aan boord brengen?"
"Ik geloof het ook niet," antwoordde ik, "maar hij zal er niet van willen proeven."
"Zooveel te erger voor hem," meende Koenraad.
"En zooveel te beter voor ons," antwoordde Ned Land "des te meer houden wij."
"Een woord slechts, Ned," zeide ik tegen den harpoenier, die gereed stond om een anderen kokosboom te plunderen, "de kokosnoot is goed, maar voor dat gij er de sloep mede vollaadt, dunkt mij, dat wij eerst eens moesten onderzoeken, of het eiland geene even nuttige zaken oplevert. Versche groenten bijvoorbeeld, zouden door den kok van de Nautilus gretig ontvangen worden."
"Mijnheer heeft gelijk," antwoordde Koenraad, "en ik stel voor om in ons vaartuig drie plaatsen open te houden, eene voor vruchten, eene voor groenten, en eene voor wild; hoewel ik van dit laatste nog het minste of geringste niet gezien heb."
"Koen, wij moeten aan niets wanhopen," antwoordde Ned.
"Laat ons dan verder gaan," hernam ik, "maar goed uit onze oogen zien, want al schijnt het eiland onbewoond, dan zouden er toch wel eens wezens op kunnen wonen, die minder kiesch dan wij op het soort van wild waren!"
"Nu, nu!" riep Ned, met eene beteekenisvolle beweging zijner kakebeenen.
"Wat, Ned?" riep Koenraad.
"Ik begin waarachtig te begrijpen," hervatte de Amerikaan, "hoe pleizierig het menscheneten zijn moet!"
"Ned, Ned, wat zegt gij daar?" antwoordde Koen. "Gij een menscheneter: maar dan zou ik niet meer veilig bij u zijn, met wien ik mijne hut moet deelen. Zal ik dan nog eens half opgegeten wakker worden?"
"Hoor eens, vriend Koen, ik houd veel van u, maar niet genoeg, om u zonder noodzaak op te pruimen."
"Ik vertrouw het maar half!" zeide Koenraad. "Komaan op de jacht; wij moeten volstrekt een stuk wild schieten om dien kannibaal tevreden te stellen, of anders zal mijnheer op een morgen niets anders vinden dan wat brokken van een knecht om hem te bedienen."
Onder het houden van dergelijke gesprekken drongen wij in het sombere woud door, en doorkruisten dit gedurende twee uur in allerlei richtingen. Het toeval diende ons in het vinden van eetbare planten, en een van de nuttigste boomen uit de keerkringsstreken verschafte ons een kostbaar voedsel, hetwelk aan boord ontbrak. Ik bedoel den broodboom, die op het eiland Gueboroar veelvuldig voorkomt; deze boom onderscheidde zich van de andere door een rechten en 14 meter hoogen stam. De top was van bevalligen ronden vorm, en droeg groote gelobde bladeren; uit die bladerenkroon kwamen groote ronde vruchten van een decimeter lang, welke uitwendig zoo met stekels bezet waren, dat zij daardoor den schijn hadden van zeshoekig te zijn. Het is een nuttige boom, waarmede de natuur die streken, waar het graan ontbreekt, voorzien heeft en die zonder veel arbeid te vorderen, gedurende acht maanden van het jaar vruchten geeft.
Ned Land kende die vruchten wel; hij had er bij zijne talrijke reizen meermalen van gegeten, en hij wist ze goed open te krijgen. Toen hij ze zag werd zijne begeerte aanstonds opgewekt, en hij kon zich niet langer bedwingen.
"Ik mag sterven, mijnheer," zeide hij, "als ik niet van dien broodboom eet."
"Eet er van op uw gemak, vriend Ned; wij zijn hier om alles te beproeven; doe het dus."
"Het zal niet lang duren!" zeide de Amerikaan, en met eene lens gewapend stak hij een hoop dood hout in den brand, dat weldra, helder opflikkerde. Gedurende dien tijd zochten Koen en ik de beste vruchten van den broodboom bijeen. Enkelen waren nog niet rijp genoeg, en haar dikke bast omvatte een wit, doch weinig vezelig merg. Anderen waren geel en geleiachtig, en wachtten slechts het oogenblik om geplukt te worden. In die vruchten zat geen kern; Koenraad bracht er een twaalftal aan Ned, die ze op een kolenvuur legde, nadat hij ze in schijfjes gesneden had; terwijl hij dit deed, zeide hij:
"Gij zult eens zien mijnheer, hoe lekker dit brood is."
"Vooral als men in lang geen brood gehad heeft," zeide Koen.
"Het is zelfs geen brood meer," voegde de Amerikaan er bij: "het is een heerlijk gebak. Hebt gij dat nooit gegeten, mijnheer?"
"Neen, Ned."
"Welnu, maak u dan maar gereed om iets heel lekkers te genieten. Als gij er dan niet weer naar verlangt, ben ik de koning der harpoeniers niet meer."
Na weinige minuten was het gedeelte der vrucht dat aan den gloed van het vuur was blootgesteld geweest, geheel verkoold. Het binnenste was een wit deeg, een soort van week kruim, waarvan de geur aan artisjokken deed denken. Ik moet het bekennen, dit brood was voortreffelijk, en ik at het met groot genoegen.
"Ongelukkig," zeide ik, "kan men zulk een deeg niet versch houden, en het komt mij onnoodig voor om er een voorraad van op te doen om mede te nemen."
"Welnu komaan, mijnheer!" riep Ned Land uit, "gij spreekt als een natuuronderzoeker, en ik zal handelen als een bakker. Koen, haal eens een hoop vruchten op, die wij mede kunnen nemen als wij weer naar boord gaan."
"En hoe maakt gij die gereed?" vroeg ik.
"Door uit het merg een gegist deeg te maken, dat zonder te bederven lang bewaard kan blijven. Als ik het gebruiken wil dan zal ik het in de kombuis laten bakken, al is het dan een beetje zuur, dan zult gij het toch wel lekker vinden."
"Ik zie dus Ned, dat er niets aan dit brood ontbreekt?"
"Ik wel mijnheer; wij hebben nog behoefte aan eenige vruchten, of althans groenten er bij!"
"Laat ons die dan zoeken."
Toen wij dien oogst bijeen hadden, gingen wij op weg om dit landelijk maal volledig te maken. Ons onderzoek was niet te vergeefs, en tegen den middag hadden wij een grooten voorraad bananen. Deze heerlijke vruchten uit de verzengde luchtstreek zijn het geheele jaar door rijp, en de Maleiers, die er den naam van pisang aan hebben gegeven, eten ze zonder ze te koken; te gelijk met de bananen verzamelden wij nog andere vruchten, onder anderen ananassen van buitengewone grootte. Doch deze oogst ontnam ons een groot deel van onzen tijd, dien wij overigens niet behoefden te betreuren.
Koenraad keek altijd naar Ned: de harpoenier liep vooruit, en terwijl hij door het bosch wandelde, verzamelde hij zonder zich te vergissen uitstekende vruchten om zijn voorraad volledig te maken.
"Ontbreekt u niets?" vroeg Koenraad.
"Hem!" kuchte de Amerikaan.
"Wat beklaagt gij u?"
"Al die planten en vruchten maken geen maal uit," antwoordde Ned. "Hiermede eindigt een maaltijd, dat is het dessert. Maar de soep, en het gebraad, waar zijn die?"
"Zeker, Ned," zeide ik, "gij hebt ons karbonaden beloofd, die tot het rijk der fabelen schijnen te blijven behooren."
"Mijnheer," antwoordde de Amerikaan, "de jacht is niet alleen niet geëindigd, maar zij is zelfs nog niet eens begonnen. Geduld maar, wij zullen nog wel een gevederd of behaard dier tegen komen, en is het hier niet, dan is het ergens anders...."
"En is het van daag niet, dan is het morgen," voegde Koen er bij, "want wij moeten niet al te ver gaan, en ik stel zelfs voor om naar de sloep terug te keeren."
"Wat, nu reeds?" riep Ned Land.
"Wij moeten voor den nacht terug zijn," zeide ik.
"Maar hoe laat is het dan!" vroeg de Amerikaan.
"Ten minste twee uur," gaf Koenraad ten antwoord.
"Hoe spoedig gaat de tijd aan den wal om," zuchtte Ned Land treurig.
"Op weg," riep Koenraad.
Wij kwamen dus door het bosch terug, en sneden daar nog eenige koppen uit jonge palmboomen, welke wij als kool konden eten, en vonden bovendien een soort van kleine snijboonen. Wij waren zwaar beladen, toen wij de sloep bereikten. Ned Land vond echter dat wij nog niet genoeg hadden. Het toeval begunstigde hem. Op het oogenblik dat wij ons zouden inschepen zag hij verscheidene boomen van 8 tot 10 meter hoog, die tot de palmsoorten behoorden: die boomen even kostbaar als de broodboom, worden met recht onder de nuttigste van den geheelen Maleischen Archipel gerekend. Het waren sagoboomen, die van zelven voorttelen zonder aangekweekt te worden, daar zij evenals moerbeiboomen loten schieten en zich zelven zaaien. Ned Land wist hoe men zulke boomen behandelen moest; hij nam zijne bijl, en die met groote kracht zwaaiende had hij er weldra twee of drie voor den grond doen vallen, wier met witte stof overdekte bladeren bewezen dat zij rijp waren. Ik keek er meer naar met het oog van een natuuronderzoeker dan van iemand, die uitgehongerd was. Hij begon met van elken stam eene reep schors van een centimeter breed af te scheuren, waaronder een net van lange vezels lag, dat uit niet te ontwarren knoopen bestond, en met een soort van gomachtig meel aan elkander zat geplakt. Dit meel was de sago, welk voedsel vooral door de bevolking van dezen Archipel genuttigd wordt. Ned Land stelde zich voor het oogenblik tevreden met den stam in stukken te hakken, zooals hij met brandhout zou gedaan hebben; hij behield zich voor om er later het meel uit te halen en op te zamelen, en om het, als het in de zon wat gedroogd was, in Tormen te laten hard worden.
Eindelijk verlieten wij tegen vijf uur s'avonds met al onze schatten het eiland, en een half uur daarna lagen wij weder naast de Nautilus. Bij onze komst verscheen er niemand, de groote ijzeren cylinder scheen verlaten; toen wij onzen voorraad aan boord hadden ging ik naar mijne kamer, waar het souper gereed stond; ik at en ging naar bed. Den volgenden morgen, 6 Januari, gebeurde er niets bijzonders aan boord. Geen enkel gerucht, geen enkel teeken van leven kwam tot mij. De sloep was naast het vaartuig blijven liggen op dezelfde plaats, waar wij haar den vorigen avond gelaten hadden. Wij besloten nog eens naar het eiland Gueboroar te gaan. Ned Land hoopte op de jacht gelukkiger te zijn dan den vorigen dag en wilde een ander deel van het woud bezoeken.
Met het opgaan der zon waren wij op weg. In weinige oogenblikken bereikte onze sloep met behulp van een gunstigen stroom het eiland. Wij gingen aan land, en omdat wij dachten dat het goed was als wij aan het verlangen van Ned Land voldeden, volgden wij hem, doch hadden werk om hem met zijne lange beenen bij te houden.
De Amerikaan liep de kust in westelijke richting langs, daarna doorwaadde hij eenige kleine riviertjes, en ging naar eene hoogvlakte, welke door wonderschoone bosschen begrensd werd. Eenige ijsvogels zwierven langs de riviertjes, doch lieten zich niet benaderen. Hunne schuwheid bewees mij dat die vogels wisten wat zij van wezens van onze soort te wachten hadden, en ik maakte daaruit de gevolgtrekking dat als het eiland al niet bewoond was, er ten minste van tijd tot tijd menschen kwamen.
Toen wij eene vrij weelderige weide door waren gegaan, kwamen wij aan den rand van een klein bosch, waar het gezang en gekweel van een groot aantal vogels ons vroolijk tegenklonk.
"Dat zijn nog maar vogels," zeide Koenraad.
"Maar er zijn er toch bij, die men eten kan!" antwoordde de harpoenier.
"Ik geloof het niet, vriend Ned," hervatte Koenraad, "want ik zie niets dan papegaaien.
"Vriend Koen," was het deftige antwoord van den Amerikaan, "de papegaai is een fazant voor hem die niets anders te eten heeft."
"En ik zal er nog bijvoegen," zeide ik, "dat als hij goed wordt klaar gemaakt, die vogel nog wel de moeite waard is."
En inderdaad, onder het dichte gebladerte fladderde een heirleger van papegaaien van tak tot tak; zij schenen slechts op een zorgvuldiger opvoeding te wachten om te kunnen spreken. Voor het oogenblik kakelden zij met wijfjes van allerhande kleur, en met deftige kakatoe's, die over eenige wijsgeerige stelling schenen na te denken, terwijl schitterend roode vogels als een stuk scharlaken, dat door den wind wordt voortgejaagd, voorbij vlogen, te midden van een vogelenheir dat met de prachtigste kleuren was uitgedost; het was eene verscheidenheid van bevallige vogels, zooals ik nooit gezien had, doch die over het algemeen slecht om te eten waren. Evenwel ontbrak er aan deze verzameling nog éen vogel, welke nooit over de grenzen van de Papoea-eilanden gekomen is. Het toeval diende mij weldra ook hierin.