Part 95
„Tot uw edel, grootmoedig hart richt ik deze woorden. De stroom der gebeurtenissen, die mij tot u droeg en mijn leven onder uwe bescherming stelde, heeft ons thans weder ver vaneengedreven. Doch hij scheidt ons niet alleen, hij drijft mij zelfs vijandig op u aan. Nog eer ik u de verklaring van dit woord geef, hebt gij het reeds verstaan. De volken rusten zich tot een vreeselijken krijg uit; de enkele mag zich aan de heilige zaak van het vaderland niet onttrekken; maar bloeden onder den harden plicht, dat mag hij. Gij hebt den schipbreukeling, die op de golven omzwalpte, aan boord genomen en veilig op de vaderlandsche kust aan wal gezet. En thans zal hij, de trotsche zeilen der vaderlandsche vloot volgend, verderf brengen, waar hij vroeger redding vond! Vriend, u, die mij kent, die mijn hart duizendwerf beproefd hebt, u vraag ik af, of ik ondankbaar zijn kan. Ik weet en bouw met heilig, onverzettelijk geloof daarop, dat gij mij vergeven zult, dat zelfs deze nieuwe stormen van het lot onze vriendschap niet zullen doen wijken of wankelen. Gewapend zullen wij tegen elkander over staan, maar in heel de schaar mijner duitsche broeders zal mijn hart voor geen zoo dierbaar leven sidderen, dan voor dat, hetwelk strenge plichten mij dwingen vijandig te bedreigen. In het gebed der onzen mogen wij bescherming vinden; Bianca en Maria zullen, als de donders van den slag dreunen, hare harten smeekend tot den Heer der legerscharen verheffen, en Hij, de Algoede, zal haar hooren en ons het uiterste niet opleggen. Door de dichte dampwolken des krijgs glanst eene schoone ster, de ster des vredes. Ook deze stormen zullen uitwoeden; eindelijk heeft de donderende vulkaan, die Europa's grondvesten schokken en daveren doet, uitgeblaakt, en de bloedige lavavloeden zullen staan, de opgeruide volkenstroomen, die nu tegen elkander opklotsen, in de oude, rustige bedding terugkeeren. Dan Rasinski, als de schoone oevers der aarde zich weder in kalme vloeden spiegelen, als de hemel helder lacht en Mars aan Themis het zwaard laat, opdat zij de landpalen der volkeren opnieuw afmete en hunne rechten met strenge schaal wege en wikke,—dan, Rasinski komt de dag, dat ook ons het loon voor de zwaarste opofferingen te beurt valt. Op den doorwoelden grond der slagvelden zullen wij elkander met de oude liefde en trouw omarmen, en de verwoesting om ons heen bedroeft ons niet meer, want reeds zien wij ze ontspruiten, de kiemen der nieuwe lente, die in verdubbelde schoonheid herleeft, werwaarts de vulkaan zijn vernielenden aschregen heeft voortgedreven. Derwaarts dan, laat ons het oog richten op dat verre, lichtende doel. Ver? Wat zeg ik! Hij, die sprak: er zij licht, en er was licht, wiens machtwoord zonnen uit de duisternis te voorschijn riep, Hij, voor wien duizend jaren zijn als één dag, Hij kan ons met sterken arm in één oogenblik des tijds derwaarts voeren. Daarom laat ons op Hem vertrouwen, want Zijne liefde is nog onuitputtelijker dan Zijne macht.—Eeuwig
Uw LODEWIJK.”
Ook Bernard had geschreven:
„Rasinski!
„Kon ik u oog in oog zien, van mond tot mond met u spreken, dan zou de zachte blik en weeke toon het scherpe gif mijner woorden temperen. Doch drinken moeten wij het beiden, al scheurt het ons de borst stuk. Het lot neemt wraak aan mij. Gij weet Rasinski, om den wille van mijn vriend verried ik mijn vaderland, nam het zwaard en wondde de borst, die mij zoogde. Thans rolt de kogel om; de Nemesis wapent mij tegen den vriend en hem verraad ik voor het vaderland. Wat druischt mijn hart daartegen op en wil nu breken, dan oproerig worden en uit de borst springen? Te rust met u! Ik had en heb recht. Fier wil ik nu een ijzeren voorhoofd toonen en als een Spartaan op de pijnbank lachen, waarop het lot mij eene valsche, laffe verklaring denkt af te dwingen. U, Rasinski, doe ik de ware: Het is mijn heilige plicht, met de wapens in de hand op u in te stormen en u de borst te doorboren, die mij schut en scherm verleendet en waaraan mijn hart met warme liefde geslagen heeft. Doe gij mij ook zoo!—O, Rasinski! de dag zal schoon zijn, dat wij elkaar in donder- en onweerswolken, als bij Mosaisk, aantreffen en als het broederpaar voor Thebe's muren met speer en zwaard op elkaar inrennen en beiden doorboord neerzinken! Hier betuig ik u, ik zal u niet sparen; want zwaarder verraad wist ik jegens mijn vaderland niet te plegen. _Doe gij mij ook zoo!_ Doch als wij naast elkaar onder de doode broeders liggen, dan wil ik met stervende stem roepen: „Rasinski,” en gij roept: „Bernard.” Met ons hartebloed stroome dan ook de volkenhaat weg; en hoe meer de wijkende kracht des levens onze borst doet verkoelen, des te warmer zal zij in heilige vriendschap ontgloeien. Hart aan hart zullen wij den adem uitblazen! Het zal eene schoone dood zijn en zij zullen ons beweenen, Bianca—Maria! Voorwaarts dan; alle stroomen, hoe wild zij bruisen, vinden immers toch eindelijk de zee, en dan rusten zij uit en hunne golven dringen niet meer rusteloos verder. Tot zoolang vaarwel!....
BERNARD.”
Maria en Bianca verlangden de brieven te lezen.
„Naar gij wilt, mijne besten,” antwoordde Lodewijk; „schoon het misschien beter ware, dat gij het niet deedt.”
„Neen,” riep Bernard, „het is beter, dat gij ze leest. Gij weet _wat_ er gebeurt, waarom zoudt gij het _hoe_ niet weten.”
Hij gaf haar de bladen over en zij lazen, beiden tegelijk, stom, onder opwellende tranen. Bernard wandelde intusschen in hevige gemoedsbeweging door het vertrek; eindelijk bleef hij voor Lodewijk staan en sprak: „O, het snijdt mij door de ziel, broeder!” en de vriend lag aan het hart van den vriend.
Maria en Bianca schreven elk een innigen liefdegroet onder de woorden des broeders. Zoo werden de brieven afgezonden.
Er verliep eene week, eer men antwoord ontving. Eindelijk, op een avond, verscheen het. Bernard, aan wien het opschrift luidde, opende het niet, maar wachtte Lodewijks thuiskomst af.—Toen allen bijeen waren, gaf hij het dezen over en zeide: „Lees gij ons voor.” Lodewijk nam den brief, vloog hem vluchtig over en las met bevende stem:
„Mijne Vrienden!
„Ik heb uwe brieven ontvangen en wachtte ze reeds. Gij handelt, zooals onvermijdelijke plicht het van u vordert; kon mijne liefde nog voor u toenemen, zij zou het daardoor. Het altaar des vaderlands is het heiligste, waarop de man zijne offers kan brengen. Bij zijne geboorte reeds legt hij daaraan den stommen, maar onverbrekelijksten eed van trouw af. Houdt dien; ook zal ik hem houden, want ik zwoer hem als Hannibal reeds als knaap, schoon geen Hamilcar mij naar den offerhaard geleidde. Steeds vereerde ik de verhevene deugd van Brutus, die over zijne zonen het doodvonnis uitsprak, wijl zij hun vaderland verrieden; ik zou het over u uitspreken, zoo gij als Brutus' zoon misdeedt. En gelooft niet, dat een nieuwe dolksteek mijn hart treft. Ik ben er aan gewoon, dat de ijzeren voet der wereldgebeurtenissen de bloesems vertrapt, die ik voor mijn hart hoopte aan te kweeken. Het zorgelooze geluk der jeugd, het schoonere der liefde, alles heb ik aan den strengen God opgeofferd; ook den band der vriendschap wil hij verscheuren, doch dat vermag hij niet.—Ja, mijne vrienden, ik heb het lijden in eene ernstige school geleerd en ben gehard tegen zijne pijlen. Een ondoordringelijk staal dekt mijne borst. De ruwe slagen van het lot verpletteren ze niet meer, maar doordreunen haar enkel met doffe verdooving. Wij moeten elkaar bestrijden, maar mogen elkander toch beminnen. Den band die onze harten aaneenknoopt, zal zelfs het scherpe slagzwaard van den oorlogsgod niet doorsnijden. Is het ons al niet vergund, gelijk de helden van Homerus, het heiligste gastrecht der vriendschap ook in den open kamp te eeren, zoo kunnen wij toch, edeler dan zij, met liefde de hand drukken, waardoor wij vallen. Doch dat uiterste zal de goede God verhoeden, aan wien wij onze dagen toevertrouwen. Vrienden, broeders! Een wijze hand legde den blinddoek voor het oog des menschen, die hem belet, in de toekomst te blikken; vaak is het heilzaam, dat ook het heden voor hem omsluierd blijve. Laat ons dien zegen als eene weldaad afsmeeken en dien niet roekeloos van ons afstooten. Zoolang de worsteling duurt, die ons vijandelijk tegen elkander overstelt, willen wij onze vriendschap zwijgend in ons hart begraven. Geen onzer wete, geen onzer verneme iets van den ander. Niet te vermetel toch steune de mensch op zijn kracht. Wist ik, waar gij als vijanden tegenover mij stondt, wellicht ontzonk het zwaard mijne hand, wellicht ware ik niet in staat, aan mijne heilige gelofte getrouw te blijven. Derhalve breke deze strijd der volken, die zich als een ijzeren scheidsmuur verheft, thans alle zachte banden van liefde en mededeeling af, die vroeger tusschen ons en de onzen waren aangeknoopt. Misschien komt eens de dag des vredes, waarop gij hoopt, Lodewijk, en dan zullen wij elkander wedervinden. Valt het anders uit, het zij zoo. Wij zullen het tijdig genoeg vernemen. Vaart dan wel, mijne broeders!—En gij, vriendelijke gestalten, aan welke mijne ziel met zachten weemoed blijft denken, Bianca, Maria! Vaarwel, Maria, wees gelukkig, gij kunt het, want de jeugd lacht nog op uwe wang en nog bloeit de lente, die nieuw gestrooide zaden tot gulden vruchten rijpt. Wees en maak gelukkig!—Het is genoeg! Wij scheiden wellicht voor lang, wellicht.... doch mijne hand wil den sluier aanraken, die het gelaat der toekomst verhult, en de tijd alleen mag dien opheffen. Vaartwel tot aan den dood.
Uw RASINSKI.”
Zoo was dan de laatste, zwaarste kamp der harten volstreden; alleen de lichtere, die des zwaards, bleef nog overig.
* * * * *
Den volgenden morgen luidden de klokken van alle torens; de scharen der krijgers verzamelden zich op de marktplaats, duizende burgers stroomden toe, om de uittrekkende dapperen nog eenmaal vaarwel te zeggen.
Bernard en Lodewijk waren gewapend; hunne rossen trappelden onrustig voor de deur. Bianca en Maria stonden, met beschreide oogen, maar machtig gesterkt door de verhevenheid van het oogenblik, aan de broeders geleund.
„God hoede u, lieve zuster,” brak Bernard eindelijk de stilte af; „vaarwel. En gij, Maria? En gij?”
Zij wilde hem de hand reiken, hij trok haar nader, zij zonk, overwonnen door zijne edele liefde, weenend aan zijn hart. Bernard drukte een zachten kus op het voorhoofd en sprak vast: „Neen, gij engel, thans eisch ik het beslissende woord niet van u, dat de bloesems van mijn levensgeluk zacht zal openen of voor altijd doen verwelken. Niet de overweldigende aandrang van het oogenblik zal het u ontwringen! Gij moet weten, of uwe diepe wonden genezen kunnen. Maar de dag van wederzien zal komen; die glansrijke zon, die daar de koepels bestraalt, belooft het ons. Dan treed ik voor u, Maria, en vraag: Wil het schoonste hart zich aan een getrouw hart wijden? Doch thans niet!”
Met deze woorden rukte hij zich los en snelde Lodewijk na. Maria zonk snikkend bedwelmd aan Bianca's boezem.
Nu hoorden zij den hoefslag der paarden. De scharen zetten zich in beweging. Lodewijk, Bernard, Arnheim waren onder de voorsten. Statig klokgebrom, wuivende doeken, juichende jubelkreten vergezelden de dapperen. Bruisend golfde de onstuimige zee der vreugde en droeg op hare stoute deiningen het hart over de diepste afgronden van angst en droefheid met zich voort. Want de tijd was vervuld en de oogst gerijpt, en de maaiers des Heeren togen uit met flonkerende zeisen.
LAATSTE WOORDEN.
Zege luidde de voorspelling, zege de vervulling!—De storm van den laatsten vrijheidsslag aan Frankrijks grenspalen had uitgewoed; ten tweedenmale golfden de heilige banieren van de torentransen van Parijs.
In Ruslands sneeuwwoestijnen, onder den ruwen hemel van het barre Noorden, had de boom der vrijheid zijne diepe wortels geschoten; in den storm des heldentijds wies hij krachtig op; thans zou de zachte zon des vredes zijne bloesemknoppen openen, zijne schaduwrijke kroon ontwikkelen. Nog bewoog een angstig gevoel de harten bij de herinnering aan het dof nadonderende, in de verte aftrekkende onweder; doch de hemel welfde zich blauw en helder over de aarde en elke borst werd verruimd door de schoonste verwachtingen.
Zelfs de droefheid om de duizende offers werd een weemoedig geluk; er was immers slechts bloed der verlossing gevloten.
Alles, alles zoude deze tijd goed maken, elke wonde heelen, elke brandende smart met verkoelende balsem lenigen—wee hun, die hem vergiftigden!
* * * * *
Maria en Bianca hadden naar Lodewijks verlangen op het stille landgoed bij Dresden, dat de zuster zijner moeder bewoonde en waar de liefde en zorg der gespelen harer kindsheid haar beidde, een toevlucht gezocht. Hier zagen de terugkeerende vrienden haar weder; hier werd aller geluk door eene zoete, onverbreekbare verbintenis verzekerd. Ook Maria's hart toch was door Bernards edele trouw en grootmoedigheid geheel het zijne geworden; en de roos hunner liefde, waarin zoolang de zware onweersdroppen van smartelijke tranen gestaan hadden, flonkerde thans van sidderende dauwparelen der vreugde en ontvouwde den geurigen kelk met nieuw ontluikende schoonheid.
Slechts ééne wolk hing drukkend op het voorhoofd der gelukkigen, die hier vereenigd waren. De dag des vredes was gekomen; maar van den edelen vriend, die zich, zijn voornemen getrouw, tot dezen oogenblik elke gemeenschap met hen gestrengelijk ontzegd had, hadden zij niets vernomen. Een brief aan de gravin, door Lodewijk reeds voor ettelijke weken naar Warschau afgezonden, bleef onbeantwoord.—Zouden zij den edele te betreuren hebben? Was hij, gelijk de mannelijke Arnheim, de dichterlijke jongeling Benno, onder de offers gevallen, die de bloedige krijg onverbiddelijk geëischt had? Deze nieuwe bekommeringen vervulden de harten der anders zoo gelukkigen.
Op een avond, tegen het einde van Augustus, toen de schemering hare sluiers langzaam over den glans der nederdalende zon begon uit te spreiden, zat het viertal op het groene terras voor de tuinkamer aan de theetafel. Zij ontdekten een reiswagen, die van den met kreupelhout omkransten heuvel nederdaalde en langs den, op een kleinen afstand van den tuin voorbijloopenden straatweg nader kwam. De wagen hield stil aan het hek van het perk, een lakei opende het portier en eene rijzige, vrouwelijke gestalte in rouwkleeding klom uit en sloeg de laan naar huis in. „Die Juno heb ik meer gezien,” sprak Bernard, niet zonder een gevoel van beklemdheid, toen zij reeds zoo nabij was gekomen, dat men hare gelaatstrekken had kunnen onderscheiden, waren zij niet door een sluier omhuld geweest.
„Het is de gravin!” riep eensklaps Maria, die haar het langst en nauwkeurigst gekend had, en ijlde haar angstvol verrast te gemoet.
„Ja, ik ben het,” sprak de naderende stilstaande en sloeg den sluier op; daarop opende zij de armen, om Maria te ontvangen, sloot deze onstuimig aan het hart en drukte gloeiende kussen op hare lippen. Ook Lodewijk, Bernard en Bianca waren toegeschoten en ontvingen een zwijgende, smartelijk teederen groet van de waardige vrouw.
Zij was bleek; het lijden had diepe voren in hare edele trekken geploegd; tranen vergoot zij niet, maar de glans van het oog was uitgedoofd.
„Zoo moeten wij elkander wederzien,” sprak zij na lange worsteling met zich zelve en bood Bernard en Lodewijk de hand. „Zoo! O, ik heb het altijd gevreesd!”
De vraag naar Rasinski zweefde op aller lippen, doch niemand waagde het, haar te uiten.
„En gij komt alleen, geheel alleen?” vroeg eindelijk Bianca met bevende stem, „O, laat ons niet langer in kwellende onzekerheid aangaande het lot der zoo dierbare wezens.”
De gravin zuchtte uit diepe borst en hief het oog ten hemel. „Ik kom alleen. _Geheel alleen!_ Dat is mijn antwoord.”
„En Lodoiska?” vroeg Maria met bleeke lippen.
„Dacht gij, dat zij hare smart overleven zou? Sinds een jaar rust haar gemarteld hart in vrede. _Zij_ is gelukkig!”
„En Rasinski?” riep Bernard, die zich niet langer kon bedwingen.
Een zware zielestrijd was op het gelaat der gravin te lezen. „Ook hij heeft rust gevonden,” sprak zij eindelijk dof en langzaam. „Men zag hem het laatst in den slag bij Leipzig, in de nabijheid van vorst Poniatowski; verder weet ik niets van hem.”
Lang reeds had het beklemde hart dit vermoed; doch de bevestiging was daarom niet minder verpletterend. Maria zonk snikkend aan Bernards borst; hij klemde haar vast aan zich, zijn hoofd neigde zich tot het hare en zijne tranen besproeiden hare wangen. Bianca bedekte zich het schreiend oog en leunde de bleeke wang tegen den schouder van den echtgenoot.
„Ik ween niet meer over hem,” sprak de gravin met eene stem, die, in tegenspraak met hare woorden, eene zachte ontroering verried; „ik heb ook weinig geweend. Wel hem dat zijn oog zich sloot, dat hij deze dagen niet zien kan! Zou zijn edel hart onze schande verdragen?—Waarlijk, zoo is het beter!”
Maria wankelde naar haar toe en wierp zich aan hare borst. „O mijne moeder!” snikte zij, in tranen stikkende.
„Dochter, mijne dochter!” riep de gravin en thans ontsprong een heete tranenvloed ook uit hare oogen. „Eene dochter aan mijne borst! O, ik kan weder weenen!”
Ook Bianca naderde en sloeg haren arm om den hals der eerwaardige vrouw. „Rust bij ons uit, gij diep gebukte,” bad zij vleiend, „wij willen uwe dochters zijn!”
De gravin zag haar een oogenblik met vragende blikken aan; een hevige tweestrijd woelde in hare borst; met zachte armen voelde zij zich weder in het leven, in het schoone rijk der vreugde teruggetrokken. Doch plotseling richtte zij zich op, onttrok zich aan de omarming der weenenden, schudde weigerachtig het hoofd en zuchtte: „Neen, neen, het is onmogelijk! Zou ik, een eeuwig versteend beeld der smart, mij nederzetten in den kring van uw geluk en u elken vreugdebeker vergallen? Neen, neen, dat nimmer!”
In houding en stem drukte zij de onverzettelijkheid van haar besluit zoo krachtig uit, dat niemand de bede durfde herhalen. Inmiddels huppelde het blonde dochtertje van Alisette, Nadine, uit de heesters te voorschijn, bleef verwonderd voor de vreemde staan en zag haar met de groote, onschuldige oogen vragend aan.
Eene zeldzame aandoening maakte zich van de gravin meester bij den aanblik van het kind, dat zij dadelijk herkende. „Kent gij mij nog, Nadine?” vroeg zij met nauw hoorbare stem.
In stede van te antwoorden zag het kind haar nog altijd aan en drong zich met het blonde krulkopje vertrouwelijk tegen haar schoot.
Te hevig geschokt, weerde de gravin het zacht van zich af en keerde zich om, om te gaan.
„Blijf bij ons, schoone dame,” riep Nadine haar vriendelijk na, toen zij zich eenige schreden verwijderd had. Driftig wendde zij zich om, hief het kind op, kuste het en vroeg het met aandoening: „Wilt gij met mij gaan?—Dit kind zou mij een zoete troost in mijne eenzaamheid zijn,” richtte zij zich tot Bianca en zag haar vragend aan.
„Wat gij verlangt, niets, niets kan ik u weigeren,” antwoordde deze, hoe smartelijk de gedachte aan eene scheiding van het kleine, liefgekregen wezen haar ook door de borst drong.
„Neen, ook dat niet!” sprak de gravin na eenige oogenblikken, van innerlijken tweestrijd zacht maar vast en zette de kleine op het gras neder. „Zou ik een zwart rouwfloers over hare vroolijke jeugd werpen? Zou zij slechts onder cipressen wandelen en urnen om zich heen zien? Neen, ik wil de dagen, die ik nog leven moet—en God, de Almachtige geve, dat het weinige zijn!—niet met dat verwijt belasten. Verwijl onder gelukkigen, onschuldig kind!”
Zij kuste Nadine; deze liep op Bianca toe en vroeg deelnemend: „Moeder, gij weent?”
„Ik kwam alleen om afscheid te nemen,” begon de gravin na eenige minuten diepe stilte; „ik beefde voor dit uur, doch het ware liefdeloos geweest, het te vermijden. Ik vertrek naar Amerika.—Het kan mij een vaderland worden, want het is het eenige land der aarde, waar eene vrije ziel mag ademen. Mijn geboortegrond is een kerkhof, eene gevangenis, eene smadelijke gerichtsplaats—een oceaan ligge tusschen hem en mij! Wij willen elkaar het afscheid niet moeielijk maken; ras, opeens scheure de laatste band, die mij boeien wil. Vaartwel, dierbaren, volgt mij niet—eerst na mijn dood zult gij weder van mij hooren.”
Zij liet den sluier over het gelaat vallen en snelde met rassche, vaste schreden voort, nog eens met de hand terugwenkende, dat niemand haar volgen zou. Het door tranen verduisterde oog der achterblijvenden verzelde echter de koninklijke gestalte, tot zij in het geboomte en de schemering verdween.
UITGAVE VAN #D. BOLLE# TE ROTTERDAM.
CHARLES KINGSLEY
#HYPATIA#
OF NIEUWE VIJANDEN IN EENE OUDE GEDAANTE.
NAAR HET ENGELSCH DOOR #W. J. MENSING#.
NIEUWE UITGAVE 3e DRUK MET 34 ILLUSTRATIËN.
MET EEN WOORD VOORAF VAN #S. ULFERS#.
#Ingenaaid f 1.95# #In Prachtband f 2.50#
#HYPATIA# van CHS. KINGSLEY is een meesterwerk van het edelste gehalte, gebouwd op Christelijken en Historischen grondslag. De schrijver heeft meer bedoeld, dan zijne lezers het genot van een onderhoudend verhaal te verschaffen; hij wilde hen een blik doen slaan op den laatsten strijd van de oude wereld tegen de Christelijke Kerk in derzelver jeugd. #HYPATIA# van CHS. KINGSLEY plaatst den lezer terug naar de 5e eeuw onzer jaartelling, naar een der felste brandpunten van den strijd: het klassiek Alexandrië.
Zoo een episode uit dat groote treurspel kan niet anders dan veel bevatten, dat den lezer pijnlijk aandoet; het is een tijdperk, hetwelk met veel verhevens, veel afschuwelijks oplevert; een van die hachelijke en belangrijke gedeelten der wereldgeschiedenis, waarin zich deugden en ondeugden vertoonen nevens elkander, met een schrikbarende naaktheid en kracht. Menig bloedig tafereel komt er in voor, menig afgrijselijk drama, waarin belijders van den naam van Christus eene rol vervullen, die maar al te duidelijk bewijst, dat de geest des Meesters hun volkomen vreemd was gebleven.
Alexandrië, toenmaals een der hoofdzetels zoowel van de jeugdige Christelijke geleerdheid als van het afgeleefde Grieksche heidendom, moest de schouwplaats zijn van een dezer drama's, misschien wel het aandoenlijkste van alle, waarin de reinste en edelste der vrouwen het offer moest worden van den heerschzuchtigsten der Prelaten.
KINGSLEY heeft de oorkonden der geschiedenis van nabij gevolgd en in zijn bewonderenswaardig boek verraadt elke bladzijde den man die in dat tijdvak der historie volkomen thuis is. De Joden, de Gothen, de monniken, de verschillende klassen der bevolking van Alexandrië, zijn alle met de meeste zorg in hunne eigenaardigheid geteekend.
De levensbijzonderheden van HYPATIA, zoo ook die van de meesten der overige personen zijn geschiedkundig waar, nevens hen treden enkele verdichte personen op, zooals de romandichter ze niet kan ontberen; maar ook deze zijn zoo meesterlijk uitgebeeld dat de wederga er van moeilijk, misschien in 't geheel niet te vinden zou zijn. De hoogste kracht der fantasie paart zich hier aan de nauwkeurigste kennis der historie. In het geheel heeft wellicht nooit een romanschrijver zich met het karakter zijner historische personen zoo weinig vrijheid veroorloofd en zijne verdichte personen zoo goed aan den geest en het kostuum van hunnen tijd doen beantwoorden, als in dit merkwaardig boek is geschied. En dan nog is CHS. KINGSLEY niet alleen romandichter en historieschilder, hij is eigenlijk Godgeleerde en Evangelieprediker; het spreekt dus van zelve dat zoo een man niet slechts een priester is der waarheid en schoonheid, maar dat hij ook offert op het altaar van Godsvrucht en deugd. Nooit zijn in een boek zoovele, zoo goede, zoo eminente verdienste vereenigd geweest als in CHS. KINGSLEY'S monumentaal en onvergankelijk werk: #HYPATIA of Nieuwe Vijanden in eene Oude Gedaante#.