1812: Historische roman

Part 94

Chapter 943,471 wordsPublic domain

Zij lagen in zijne armen; hij schaamde zich de tranen niet, die langs zijne mannelijke wangen rolden, doch bleef standvastig, daar hij zulks wilde blijven.

„Het moet zijn,” sprak hij na eene heilige, onvergetelijke minuut; „ik heb geen tijd meer voor al mijne geliefden! Ook gij vaartwel, gij vriendelijke engelen! Bianca—Maria!”

Bianca, die hem liefhad als een vader wierp zich snikkend aan zijne hijgende borst; hij kuste haar het voorhoofd en legde de handen zegenend op hare lokken. „Gij waart onze lieve beschermheilige in nood en gevaren; uwe nabijheid was mijn troost. Thans scheuren de ruwe stormen ons vaneen—mocht gij voortaan op zachter paden wandelen!”

Maria stond schuw van verre. Rasinski trad een schrede nader. „Maria”, stamelde hij, „wij zien elkander voor de laatste maal!”

Toen deden liefde en smart hare heilige rechten gelden. In het zegepralend gevoel van haar onbetwistbaar, onuitsprekelijk duur bestreden recht zonk de schuwe jonkvrouw, door weedom en zaligheid overstelpt, aan het hart des edelen mans, en hare maagdelijke lippen klemden zich vurig op de zijne.

„Mijn waart gij in dit schoone oogenblik, Maria!” sprak hij vol weemoed en wond zich zacht uit hare armen los; „thans, wees weder geheel de uwe! Gij hadt gelijk, gij edele, schoone ziel; tusschen ons is een diepe kloof geopend, waarover geen pad leidt, dan dat der schuld. Heil ons, wij zullen het niet bewandelen!”

Hij voerde de in tranen wegsmeltende in de armen des broeders.

„De minuten zijn verstreken, ik moet weg!” Ras wendde hij zich af en wilde voortijlen.

Nu rukte Lodoiska zich met geweld uit hare doffe wezenloosheid los. „Vader, mijn vader, wilt gij mij vergeten!” kreet zij op hartverscheurenden toon en wankelde hem te gemoet.

Huiverend ving hij de nederzinkende in zijne armen op. „Neen, neen, gij schoone, bleeke roos! Hoe zou ik u vergeten!” sprak hij weemoedig en drukte haar met vaderlijke teederheid aan zijn hart. „Doch tranen heb ik niet voor uw lijden—tranen zijn te arm!”

Sprakeloos hing zij aan zijne borst; het rijke haar golfde in losse vlechten langs hare ranke gestalte; vaster en vaster prangde zij het gelaat tegen zijn vaderhart. Doch de kracht begaf haar, de knieën knikten, het bleeke hoofd zonk achterover, en met gesloten oogen rustte zij als levenloos in Rasinski's armen. Hij liet haar behoedzaam op een stoel nederglijden, drukte nog een kus op het voorhoofd en ijlde hierop met rassche schreden naar de deur. Bernard en Lodewijk wilden hem volgen, doch hij wees hen met de hand terug, riep, geheel overmand, met gesmoorde stem: „Het is genoeg!” en was verdwenen.

Maria vloog naar het venster, om hem nog een liefdevollen blik na te zenden. Op de straten woelden burgers en soldaten in bont gewemel dooreen. Rasinski trad onder een dichten hoop en wierp zich, met de zedelijke overmacht van zijn krachtigen heldengeest, dadelijk tot hun aanvoerder op. Met getrokken sabel plaatste hij zich aan de spits en nam zijn weg naar het midden der stad. Te vergeefs wachtte Maria, dat hij het hoofd nog eenmaal zou omwenden.

Hij deed het niet; de brug, die hem met de meer vriendelijke oevers des levens verbond, had hij thans achter zich afgebroken en hij wierp nu ook zelfs geen blik meer terug, want zich vruchteloos aan ontzenuwend, smachtend verlangen over te geven lag niet in zijn aard. Van de zusterlijke borst, uit de armen der liefde en vriendschap had de onverbiddelijke plicht hem weggerukt, nu volgde hij ook dezen alleen en toonde den soldaten het ijzeren, fiere heldenvoorhoofd.

De bruisende stroom van het gevecht sleurde hem spoedig met zich voort en sloeg met verkoelende golven tegen zijne borst. Reeds drong de vijand voorwaarts en tastte de stad van alle zijden aan. Donderende kanonschoten deden de gebouwen dreunen, doffe trommelslagen weergalmden door alle straten, angst- en jammerkreten van vrouwen en gewonden verdeelden de lucht.

De ondragelijke smart, die het hart der vrouwen geheel vervulde, liet de zwakkere gewaarwordingen van angst en bezorgdheid bij haar nauwelijks plaats vinden. Lodoiska hoorde niets van het gewoel daarbuiten, maar lag in aanhoudende bedwelming. De gravin was op het ergste voorbereid en hoopte of vreesde niets meer; Bianca en Maria zochten troost bij hare broeders, de eenigen, die in hun hart nog ruimte voor zorg behielden en den loop van het gevecht met angstvolle verwachting volgden.

Plotseling kraakten geweerschoten dicht voor het huis en een woest getier van stemmen verhief zich. Bernard sprong aan het venster.

„De stad moet omsingeld zijn,” riep hij; „dat zijn kozakken, die hier door de poort rennen.”

Inderdaad bezette eene afdeeling kozakken de poort en greep eene kleine schaar Franschen, die juist door haar de stad verlaten wilde, verwoed aan. Doch deze stelden zich, hoewel uiteengedreven, onverschrokken te weer, en zoo werd de ruimte onmiddellijk voor het huis de schouwplaats van een hardnekkig straatgevecht.

„Neemt de wijk naar de achterkamer,” smeekte Lodewijk de vrouwen; „hoe licht kunnen de kogels hier inslaan.”

„Dan moogt gij hier ook niet blijven,” hernam Bianca; „waar gij zijt blijven wij ook.”

„Groote hemel, ik zie Rasinski,” riep Bernard en bijna gelijktijdig vernam men een sterk gelederenvuur.

Allen, zelfs Lodoiska, snelden op dezen uitroep naar het venster. „Waar?” vroeg de gravin, „waar is mijn broeder?”

„Daar, waar de gesloten infanterie aanrukt, zag ik hem midden in den kruitdamp te paard zitten,” antwoordde Bernard; „doch thans is hij in de wolk verdwenen.—Goddank, daar is hij, nu komt hij te voorschijn, zie, zijn paard steigert.”

„Hoe komt hij aan het paard?” vroeg Lodewijk.

„Buit! Buit! Het is een kozakkenrenner!” juichte Bernard en het vuur van den strijdlust gloeide op zijne wangen. „Achter hem volgt maarschalk Ney. Ziet gij, dáár?—Hier moeten zij doorslaan!”

De vrouwen sidderden.—De kamp woedde hevig; de roofgierige dood zwaaide zijne zeisen boven het hoofd der strijders; de onweerswolk van het verderf zweefde over de kruin des dierbaren. Zij wilden het oog afwenden, doch konden zulks niet; onverwrikt hing aller blik aan den geliefden man, als konden zij daardoor het dreigend gevaar van hem afweren.

Als krijgsgod rende Rasinski door den kruitdamp, de met pels omzoomde poolsche muts fier op het voorhoofd, de sabel getrokken.

„Voorwaarts, kameraden, wij moeten ons baanbreken,” klonk zijne machtig gebiedende stem en boezemde zelfs den vrouwen moed en vertrouwen in.

De scharen rukten gesloten op, Rasinski met zijn steigerend ros aan de spits. De kozakken deinsden terug, geraakten in verwarring en zouden de vlucht hebben genomen, ware de poort niet door de hen nadringende ruiters versperd geweest. De maarschalk Ney stond op eenigen afstand en ordende de aanrukkende massa's. Rasinski zag opmerkzaam naar hem om. Thans nam de veldheer den hoed af en zwaaide dien vederbos hoog in de lucht. Dit scheen het afgesproken teeken.

Hij reed, door de voorste rijen van het korps omgeven, voorwaarts; de ruiters rukten gesloten op. „Vuur!” klonk thans zijn commando, en het salvo kraakte. De vensters rinkelden, de vrouwen gaven een luiden gil, de straat lag in dichte nevelen van rook en damp gehuld, woeste aanvalskreten der soldaten verhieven zich uit de diepte.

Eene windvlaag verstrooide de wolken. Daar rende Rasinski door de heldere, vrije ruimte. Zijn krachtige sabelhouw deed een kozak van het paard tuimelen, een tweeden legde hij met zijn pistool neder. Over hunne lijken heen gaf hij zijn paard de sporen. „Voorwaarts, kameraden,” riep hij, zich ten halve op den zadel omkeerende, „de baan is open, breekt door! Zij vluchten! Voorwaarts!”

Eén blik wierp hij nog terug naar de bevende vrouwen aan het venster, en wenkte haar met flonkerende oogen een laatsten groet toe. Daarop stortte hij zich in het gedrang der wijkende vijanden, de zijnen volgden hem met luid gejubel, en binnen weinige oogenblikken was hij in den kruitdamp verdwenen.

ZESTIENDE BOEK.

HOOFDSTUK I.

Twee maanden waren er verloopen. De vreeselijke storm, die zoo veler levenslot tot in zijne diepste grondvesten geschokt had, was eindelijk voorbij. Dus ook deze wrange beker van lijden en ellende kon geledigd worden! De donkere wolken togen voorbij, de hemel werd helderder, het hart kon weder aan eene Voorzienigheid gelooven.

Lodewijk en Bernard hadden met Bianca en Maria Koningsbergen bereikt en daar eindelijk eene zekere verblijfplaats gevonden, tot welke de verschrikkingen van den oorlog niet doorgedrongen waren.

De tijd had hunne uitgeputte lichamen gesterkt en begon ook de bloedende wonden van de ziel te heelen.

De gravin was door Bianca's bemiddeling in veiligheid gebracht en met Lodoiska naar Warschau teruggekeerd.

Diep medelijden met den toestand dezer ongelukkigen en bezorgde deelneming in het lot van Rasinski, die door den stroom der krijgsgebeurtenissen rusteloos werd voortgedreven, waren de eenige donkere schaduwen, welke in het stille, gelukkige leven der vereenden vielen, die de Voorzienigheid langs zoo wonderbare wegen geleid en zoo kennelijk behoed had.

Welk een tijd der zoetste mededeelingen, hoewel ook met de weemoedigste herinneringen doormengd, mochten Lodewijk en Maria thans met elkander doorleven! In de eerste uren van hun wederzien werden zij door den storm der geweldige gebeurtenissen zoo onweerstaanbaar medegesleept, dat het hart geen tijd vond, zich aan het stille geluk der beschouwingen te wijden. Thans, in de lange winteravonden, nu een vertrouwelijk vertrek vier schoone zielen vereende, werden alle zorgen en bezwaren rijkelijk vergoed. Hun gesprek bepaalde zich bij voorkeur tot het verledene, op hetwelk de opkomende zon der toekomst nu reeds vriendelijker stralen begon terug te werpen, ja zelfs vertoefden de gedachten van broeder en zuster gaarne bij het graf der moeder, hoewel een zachte weemoed hun binnenste doordrong bij het herdenken van die edele ziel, die getrouwe hand, welke hen in de dagen hunner jeugd zoo liefderijk geleid had.

Met innige vreugde zag Lodewijk de vriendschap tusschen Bianca en Maria bloeien en aanwassen, maar met nog vuriger dankgevoel ontwaarde hij, dat Maria's zusterlijke toegenegenheid voor Bernard elken dag naarmate diens edel, groot hart zich meer en meer voor haar opende, ook warmer en inniger werd. In Bernards innerlijk gemoedsbestaan had eene gewichtige omkeering plaats gegrepen; het werd allengs kalmer, rustiger, bedaarder in hem. Als bij edelen wijn loste de opbruisende gloed der gisting zich in een helder, weldadig vuur op. Reeds de laatste vreeselijke worstelingen hadden den onstuimigen aandrang van ruwe kracht aanmerkelijk gewijzigd en bedwongen, doch de zuivere straal der liefde drong thans nog dieper in zijne woelige, rustelooze borst door, en hare golven werden kalm en effen, als duchtten zij, het heilige beeld zijner vereering misvormd terug te spiegelen. Het bedarend vermogen, waarmede vroeger reeds Bianca's nabijheid op hem gewerkt had, oefende Maria thans in een nog hoogeren graad uit. Hoe diep en smartelijk de gloed ook in hem brandde, bestreed hij dien toch mannelijk, als wilde hij Maria's liefde door zelfbeheersching en verloochening verdienen. Hij had een blik in het binnenste heiligdom harer ziel geworpen, en gelijk de edele gemakkelijk doorziet en verstaat, vermoedde ook hij den strijd, dien zij doorstaan had, en begreep hij, waarom zij kampte. Hare vurige vaderlandsliefde, die thans in nieuwe, schoone verwachtingen herleefde, kende hij en wist, wat zij daarvoor in staat was op te offeren. Voor zijne liefde durfde hij vooreerst nog niets hopen, doch van hare warme vriendschap was hij verzekerd, en uit dien hoofde wilde hij thans niet verder bij haar aandringen, daar hij de smart eerbiedigde der nog altijd in stilte bloeiende wonden harer ziel, die door de genezende kracht der zelfverloochening nauwelijks gesloten, nu onlangs weder zoo vreeselijk waren losgereten. Uit den grond van haar hart was zij hem dankbaar voor deze grootmoedige terughouding en matiging; want zij besefte, hoeveel strijd ze hem dagelijks kosten moest.

Hoe eerbiediger Bernard derhalve terugtrad, des te nauwer moest Maria zich ook aan hem verbonden, des te heiliger zich aan hem verplicht gevoelen.

Wellicht had zij er op zijne dringendste bede niet toe kunnen besluiten, hem haar hart te schenken; doch nu hij zwijgend en gestreng afstand deed, veroorzaakte dit van hare zijde eene vrijwillige, hartelijke toenadering, en van uur tot uur voelde zij eene sterkere verplichting, om diens geluk op vaste grondslagen te vestigen, die het zoo mannelijk edel wist op te offeren. Hoe meer liefde plicht bij haar werd, werd ook die plicht liefde. Zoo werd de zuivere, schoone bloesem eener edele toegenegenheid in de koesterende stralen van warme dankbaarheid en ongeveinsde hoogachting meer en meer ontwikkeld. Alleen de lichte, fijn geweven sluier harer maagdelijke schaamte en zijn heilige eerbied verborgen nog het zoete geheim van de minnende harten. Hij waagde het niet, de bloem aan te roeren, die zich met schuw gesloten kelk tot hem neigde. Beider hart zweefde thans in dit onzekere, bange geluk; doch stil en ongemerkt rijpt de kostelijke vrucht, en prijkt ze in vollen wasdom, dan valt zij, bij den minsten adem eener gunstige koelte, als van zelve in den geopenden schoot.

De zaden der wereldgeschiedenis rijpten meer en meer tegen den naderenden oogst. Reeds gistte en kookte het merkbaar in alle vaderlandsgezinde harten; men voelde den ijzeren druk van het juk, dat zoolang den nek gekromd had, een oogenblik opgeheven, en koen en vrij en hoopvol haalde de borst adem.

Op een avond, dat het viertal in een vertrouwelijk gesprek bijeen zat, werd er laat aan de deur geklopt, en op Lodewijks roep trad Arnheim binnen. Een donkere blos vloog over Maria's wangen, toen zij den edelen man herkende. In dezen oogenblik vermoedde zij, uit het onderscheid harer gezindheid jegens hem en jegens Bernard, de liefde, die zij den laatsten toedroeg. De binnentredende sprak haar, als de eenige, die hij in dezen kring kende, het eerst aan:

„Nauwelijks durfde ik mijne oogen vertrouwen, toen ik u dezen namiddag in de schemering aan het venster ontdekte; ik hoorde echter spoedig, dat ik mij niet bedrogen had. Vergun mij, dat ik de stoutheid van mijn bezoek met een heugelijk nieuws verontschuldig, hetwelk ik u vooral zoo spoedig mogelijk wilde mededeelen.”

„In elk geval zijt gij van harte welkom,” hernam Maria, „en dubbel welkom, zoo gij eene verblijde tijding voor ons vaderland medebrengt.” Zij maakte hem met haren broeder, met Bianca en Bernard bekend.

„Gij herinnert u, dat ik u reeds te Warschau van een geheim vaderlandsch verbond gesproken heb,” begon Arnheim; „thans is het tijd, vrijer daarvan te spreken, want het uur, dat het vruchten moet dragen, is gekomen. Duitschland zal opstaan met man en macht; het gansche volk zal te wapen geroepen worden. Pruisen stelt zich moedig aan het hoofd. Mijn vaderland is nog door andere, arglistig aangeknoopte staatkundige banden gekneld; doch er bestaat hoop, dat ook Oostenrijk zich met geweld zal losrukken. Tot de dag daar is, dat het vrij en onverdeeld kan optreden, vergenoegt het zich, de geestdrift van enkelen voor de heilige zaak te ontvlammen en hunne pogingen te ondersteunen. Zoo ben ik reeds sedert eenige weken uit den dienst mijns keizers in dien van den koning van Pruisen overgegaan. De hoofden onzer vereeniging hebben reeds voor langen tijd den wenk ontvangen, op een beslissenden stap des konings voorbereid te zijn. Heden voor een uur, is eindelijk het vurig gewenschte bericht gekomen, dat dezen gedaan is. Pruisens koning spreekt krachtig tot zijn volk; hij roept het ten strijde op voor het heiligdom van den eigen haard, van het vaderland, van de vrijheid. Een heilige krijg ontvlamt, waarin de volken hunne dierbaarste, zoolang miskende rechten voor hun bloed herwinnen zullen; een krijg, die den vallende den martelaarspalm, den overwinnende den lauwer des eeuwigen roems aanbiedt! Zoo zal dan ons vaderland eindelijk verlost worden uit de ketenen van smaad en ellende! Deze zalige vreugde verruimde mijne borst en doet mij wat ik aan eigen leed te dragen heb bij het groote gebrek van het geheel vergeten.”

Hij wierp bij deze laatste woorden een veelbeteekenenden blik op Maria, dien zij slechts te wel verstond.

„U,” ging hij tot haar gericht voort, „heb ik als zulk eene dochter van het vaderland leeren kennen, dat ik het, glimlach vrij, voor een gunstigen wenk des hemels hield, u juist in dezen oogenblik, nu ik u zulk eene tijding brengen kon, onverwachts weder te vinden.”

„O, ontvang mijn innigen dank,” hernam Maria diep ontroerd en met een helderen vreugdetraan in het blauwe oog. „Welk een morgenrood doen uwe woorden aan den donkeren hemel van ons vaderland voor mij aanlichten!”

„En eene heerlijke zon zal prachtig verrijzen,” riep Lodewijk in gloeiende geestdrift. „Thans, thans eerst komen de dagen, dat ik vrij en gelukkig adem! Zelfs mijne liefde bloeit eerst vol en tierig in dit nieuwe licht!—O Bianca, tot hiertoe waart gij eene bloesem, welker geur een zoet voorgevoel der naderende lente in een doffen, beklemmenden kerker droeg. Thans bezielt ons de sidderende morgenstraal! Hij valt op mijn hart, als op de Memnonszuil, en ontlokt het zoete, hemelsche klanken. O Bianca, welke dagen zullen wij beleven!”

Bernard had ernstig, maar innerlijk doorgloeid en verwarmd des ritmeesters bericht aangehoord. „Ik treed als vrijwilliger in uwe gelederen,” sprak hij met onverzettelijke beradenheid, en reikte Arnheim de hand.

„En ik vecht aan uwe zijde, broeder,” riep Lodewijk vurig. „Thans eerst zullen wij ondervinden, met welk gevoel een man de donders van den slag om zich hoort kraken. O, en nu zegen ik dat jaar van beproeving, dat wij doorworstelden, want het was ons eene strenge, leerrijke oefenschool. Dubbel kan ik thans het ongelijk vergoeden, waaraan ik mij tegen wil en dank jegens mijn vaderland schuldig maakte. Gehard in den vreeselijken veldtocht, die achter ons ligt, wegen wij thans driewerf zooveel in dien, welken wij te gemoet snellen. Geen nieuwelingen meer, beproefde mannen, verstaald in nood en gevaren, weten wij thans het zwaard te voeren. O waarlijk, lieve zuster, gij spraakt waarheid; het vroolijk morgenrood breekt door den diepsten nacht.”

Bernard wandelde, terwijl Lodewijk zich geheel door zijne verrukking liet medesleepen, onrustig en peinzend op en neder. „Ik voel, wat er gebeuren moet,” begon hij eindelijk, „en een edel gevoel doortintelt ook mijne borst, maar vreugde kan ik het niet noemen. Deden wij onrecht door aan den kamp van het verloopen jaar deel te nemen, was het ons hoogere plicht, het hoofd op het blok te leggen en als weerlooze offers der snoodste arglistigheid te vallen, dan treft ons thans ook de Nemesis. En zij treft zwaar!”

Maria doorgrondde de gedachten, die Bernards borst verontrustten. Lodewijk echter hernam: „Ik versta u niet, Bernard; welke Nemesis ziet gij in de beschikkingen, welke ik voor de genaderijkste des hemels houde?”

„Ook ik houd ze daarvoor; maar leggen ze ons toch niet eene zware beproeving op?—Uwe edele geestdrift, Lodewijk, deed u dat voorbijzien. Zoo moet ik u dus herinneren, wat ik anders van u, die altijd beter, altijd edeler en fijner van gevoel geweest zijt dan ik, zou gehoord hebben?”

„O zwijg,” viel Lodewijk hem driftig in de rede; „ik weet, wat gij zeggen wilt. Voorzeker, dit offer wordt zwaar; het is de ring van Polycrates, dien wij in zee moeten werpen.”

„Ik versta u beiden,” sprak Maria met diepe ontroering; „maar het moet zoo zijn, het moet, hoe bitter het wezen moge. En Rasinski zal de eerste zijn, die uw besluit billijkt. Zelf groot van ziel, gevoelt hij ook al wat groot is, waar en onvervalscht; maar vrij, open, rond moet gij met hem handelen. Door niemand anders, dan door u, verneme hij, dat er een dag kan komen, waarop gij met het zwaard in de hand tegen elkander overstaat.”

„Zoo zij het,” sprak Bernard: „wij schrijven hem, zoodra het beslist is, wat wij doen.”

„Dat kan terstond geschieden,” viel Arnheim hem in de rede; „de gang, die u tot kampvechters voor Duitschlands vrijheid zal maken, is nog in dit uur mogelijk.”

„Gaan wij dan, er bestaat voor ons geen grond tot uitstellen meer,” hernam Bernard.

Zij gingen.

Den volgenden morgen bevatten de dagbladen de oproeping des konings aan zijn volk, de oproeping van den derden Februari van het jaar achttienhonderd dertien. De geestdrift ontgloeide alle harten. Onder luid gejubel stroomden de duitsche mannen toe en schaarden zich onder de wapperende banieren der herrijzende vrijheid; vreugdetranen glansden in het oog der duitsche jonkvrouwen en hare boezems zwollen trotsch op in vaderlandsch zelfgevoel. Vroolijk zag de moeder den zoon, de zuster den broeder, de bruid den geliefde derwaarts trekken; elke droeve traan werd verzwolgen door de hoog golvende zee van verheven vreugde, wier baren in het zachte morgenrood der hoop gloeiden en glansden. O schoone tijd, o liefelijk stralende Aurora der vrijheid, die een eeuwig lachenden lentehemel over Germanjes landouwen welven moest!

Bernard en Lodewijk waren bij het leger ingelijfd; den volgenden morgen reeds zag men hen opnieuw onder de wapens. Echter drukte een zware last op hunne borst bij de gedachte, dat zij van nu af gedwongen waren, tegenover den edelsten vriend, den redder en beschermer van hun leven vijandig te staan en de wapens tegen zijn vereerd hoofd te voeren. Deze sombere stemming kon niet wijken, alvorens het tusschen hen en Rasinski tot een mannelijke verklaring was gekomen. Van het eerste rustige uur na hun besluit maakten zij dus gebruik, om zelven hem daarmede bekend te maken. Lodewijk schreef hem:

„Dierbaarste Vriend!