1812: Historische roman

Part 93

Chapter 933,896 wordsPublic domain

Eindelijk had Lodoiska den kamp volstreden. Zij knielde naast den geliefde neder, nam zijne hand, zag hem aan en vroeg met ontroerende stem: „Jaromir! herkent gij mij niet meer? O, geef mij slechts één teeken van uwe liefde!”

Tweemalen streek hij met de hand over het voorhoofd, als om eene hevige pijn of drukking te verdrijven; toen vlamde plotseling een vluchtige glans in zijn brekend oog op. „Lodoiska!” riep hij uit en poogde de armen uit te strekken, doch vruchteloos, nog eenmaal ademde hij diep uit de borst, en het gansche lichaam kromp ineen, het oog sloot zich, en roerloos zeeg hij achterover.

„Alle heiligen, beschermt hem, hij sterft!” riep Lodoiska en wrong de handen.

„Neen, de vreugde heeft hem overweldigd,” sprak Rasinski vertroostend. „Laat ons van zijne onmacht gebruik maken, om hem uit dit akelig verblijf te verwijderen.”

„Mijn vriend, er zal een tijd der vergelding komen,” dus wendde hij zich tot Paul, „leen mij thans nog uw bijstand en help mij den ongelukkige naar uwe woning brengen. Hier moet hij sterven.”

„Gaarne, gaarne,” riep de goedhartige man; „en het zal weinig moeite kosten. Op het portaal staan draagbaren en in mijn huis is zeker nog wel een plaatsje open.”

Onverwijld hieven zij den onmachtige op en droegen hem naar buiten, waar zij hem voorzichtig op de baar nederlegden. Lodoiska, die hen aan den arm der moeder met wankelende schreden gevolgd was, herkreeg kracht en bezinning, toen de liefde thans hare diensten vorderde. Zorgvuldig dekte zij den jongeling toe, om alle koude van hem af te weren, en geleidde zoo den stervenden vriend naar het gastvrije dak, waar bevriende gestalten in plaats van schrikbeelden diens legerstede omringen zouden.

Weldra had men Pauls woning bereikt; met sprakelooze droefheid ontvingen de getrouwe lotgenooten den beklagenswaardigen vriend, en als twee liefderijke beschermengelen zetten Maria en Lodoiska zich naast de baar neder, om gedurende het verdere van den nacht bij hem te waken. Hij lag in onrustige sluimering en sprak dikwijls in zijne koortsverwarring. Meermalen noemde hij Lodoiska's en Bianca's namen, eens riep hij: „Alisette, Alisette—weg, weg, gij schoone slang!”

Met welk eene gewaarwording hoorde de minnende Lodoiska dezen naam! Zij had hem zoo geheel, zoo oprecht vergeven—zij vergaf ook de verleidster!—O, ware zij slechts in staat geweest, dezen troost in zijne door folterende wroegingen gemartelde borst uit te storten!

Maria was, door vermoeidheid uitgeput, in een armstoel in slaap gezonken.

Diepe nacht en eenzaamheid omgaven thans de minnende. Welk een oogenblik van zaligheid, ware zij niet door de vreeselijk gapende kloof van hem gescheiden geweest, die zich onoverkomelijk als het doodenrijk opdoet, zoodra de banden van het heldere bewustzijn verbroken zijn.

In het gebed alleen vond de arme hoop en troost. Zij knielde neder en wendde haar hart en gelaat ten hemel. „O Vader daar boven,” dus smeekte zij, „laat het heldere licht van klaar bewustzijn slechts nog eenmaal in zijne borst schijnen! Voer zijne ziel nog eenmaal naar deze aarde terug, zoo schoon en rein, als zij eens in hem woonde! Ach, de dood kan hem immers niet zoo akelig van mij scheiden, als deze zwarte gevangenis, waarin hij gekerkerd ligt; want hebt Gij hem weggenomen, dan woont hij bij U in eeuwig licht en onze gedachten kunnen zich getroost tot hem verheffen. Nu echter doolt hij als een verdoemde in de duisternis om; zijn geest zwerft in een woesten baaierd rond en vindt nergens rust, nergens troost. O, maak hem los uit die akelige kluisters—wees genadig, o Albarmhartige, en ontferm U over hem en mij!”

Allengs spoedde de lange nacht ten einde en de grauwe schemering van den morgen drong tot het stille vertrek door. Zij trad aan het venster. De hemel was helder; het licht der verbleekende sterren tintelde nog met laatsten matten glans op het diepe blauw. Aan den zuidoostelijken horizon vertoonde zich een roodachtige gloed en kleurde de lichte wolken. In droef gepeins verzonken, staarde Lodoiska voor zich heen en tranen verduisterden haar oog; doch het waren zoete tranen, zij ontsprongen uit een heilig vertrouwen, dat na het langdurig lijden hare borst met zachte, weemoedige hoop vervulde. Zij wendde het hoofd om naar de legerstede van den vriend haars harten. Hij sliep gerust, zijne ademhaling was geregeld, ja, een lachje zweefde om zijne lippen, en de eerste vriendelijke schemering van den morgen speelde op de bleeke wangen. Het was niet meer de macht der krankzinnigheid, die hem boeide, maar een verkwikkende slaap, die op de uitputting volgde.

„Heilige moeder Gods, wees gij hem met uwen zegen nabij!” zuchtte het meisje en trad bevend nader. Eene zoete beklemdheid maakte zich van haar meester en de hoop werd in haar levendig, dat het oog des ontwakenden haar nu eindelijk herkennen zou. Met ingehouden adem over hem neergebogen, luisterde zij naar het ademen zijner lippen, naar het slaan van zijn hart. „O, thans geniet hij een kalmen, rustigen slaap,” fluisterde zij, inwendig juichend, en wierp zich voor zijne legerstede op de knieën neder.

Het morgenrood schoot vriendelijke stralen door het venster en bescheen het gelaat van den sluimerende. Eensklaps opende hij de oogen en zuchtte: „Nu is het voorbij!” Zijn blik was niet meer woest en verwilderd; eene stille, zachte verrukking stond op al zijne gelaatstrekken te lezen. Onuitsprekelijke zaligheid daalde in Lodoiska's boezem neder, doch met inspanning van al hare krachten bedwong zij zich, daar zij beducht was, dat eene plotselinge uitbarsting van vreugde den nauwelijks aangeknoopten band van het bewustzijn opnieuw verscheuren zou. Sidderend bleef zij op de knieën liggen en fluisterde met bevende lippen: „Zijt gij nu beter, mijn geliefde!”

Kruiselings legde hij de handen op de borst, hief het hoofd een weinig op en sprak zacht, op den toon van eerbiedige vereering: „O, ik herken u, gij heilige, in den gulden stralengloed; gij zijt nu eene zalige, en ook voor mij openen zich de poorten des vredes.—O, reik mij nu ook de hand ten teeken van verzoening.”

Hij verwijlde nog te midden zijner droomgestalten, onder welke hij vooral Lodoiska gezien had. Thans, nu zij, door het morgenrood omstraald, met golvende lokken voor hem knielde, gingen die verbleekende beelden van den droom, alles verflauwend, in de werkelijkheid over, en waande hij in het verblijf der zaligen ontwaakt te zijn.

Zij reikte hem vriendelijk de hand en vroeg op den zachten, smeltenden toon der liefde, die in tranen van verrukking wegstierf: „Eindelijk herkent gij mij weder? O, gij hebt akelig gedroomd! Ik ben het, mijn Jaromir, levend en werkelijk, minnend en gelukkig!”

„Heilige God!” stamelde hij, „waar ben ik dan, waar was ik—neen, neen, gij zwarte nachtspooksels, keert niet weder uit het duister terug!”

Met de hand maakte hij een afwerende beweging en blikte schuw in het rond. Lodoiska, als wilde zij hem tegen de schrikbeelden beschermen, sloeg hare sidderende armen om zijn hals en drukte zachte kussen op zijne lippen. „Neen, neen geliefde,” fluisterde zij, „vrees niets, gij leeft en rust aan mijn hart; hier zal geen akelige droom u kwellen.”

In zalige bedwelming drukte hij zijn gelaat tegen de borst van zijne geliefde; en toen zijne wang aan haar hart rustte, zijn oor het hoorde kloppen en jagen, toen keerde hij in het rijk der werkelijkheid en waarheid terug, en verscheurd was de sluier, die zijne ziel omhuld hield—verscheurd ook de laatste band des levens in het verwoeste lichaam!

[Illustratie: „Barmhartige moeder Gods, dat is hij!” riep Lodoiska.]

Afgemat hief hij het hoofd tot den geliefde op, dronk een zoeten kus van hare lippen en lispelde langzaam: „Nu weet ik alles!—En gij vergeeft mij alles, Lodoiska?”

„Mijn hart kan slechts beminnen,” riep zij, half verstikt in den opwellenden stroom van tranen.

Nog vermoedde zij niet, dat dit oogenblik van overstelpend geluk haar tevens den beker der diepste, grievendste smart zou te drinken geven. Slechts de hoogst mogelijke opgewondenheid van alle krachten zijner ziel hield het leven nog in Jaromirs boezem terug.

„O, gij werdt edeler, oprechter, trouwer bemind, dan door mij,” zuchtte hij smartelijk. „Boleslaw was uwer waardig! De mond des stervenden ontdekte mij het heilige geheim!—Nu kan ik hem daarboven vrij te gemoet gaan!”

Bleek en roerloos zeeg hij op het kussen terug en zijne armen vermochten de geliefde niet meer te omvatten.

„Heilige moeder,” kreet zij, toen zij hem verbleeken zag, „hij sterft, hij sterft!”

Bij dezen angstigen uitroep ontwaakte Maria; met één oogopslag begreep zij wat er voorviel en snelde toe, om de ongelukkige vriendin te ondersteunen.

„Hij sterft, hij sterft, Maria!” jammerde deze nogmaals en wrong vol vertwijfeling de handen.

Maria zag wel, dat menschelijke hulp hier geene redding meer kon aanbrengen. Zij herinnerde zich dus de belofte, welke de gravin gisteren in stilte van haar geëischt had, om haar, zoodra er iets bedenkelijks mocht voorvallen, onverwijld te wekken. „Ik zal zijne moeder roepen,” sprak zij tot de radelooze en ijlde naar het nevenvertrek.

Zij vond de gravin reeds aangekleed en Rasinski bij haar, die hevig ontroerd scheen. Haar bleek, ontsteld gelaat voorspelde niets goeds.

„Wat gebeurt er?” vroeg de gravin.

„Ik vrees, hij sterft,” was haar zacht antwoord, dat zij met een veelbeteekenenden wenk verzelde, uit vrees, dat Lodoiska, wier hoop zij zoolang mogelijk wilde staande houden, iets hooren zoude.—Driftig en ontsteld traden beiden naar binnen. Zij vonden de ongelukkige weenend op den jongeling neergebogen en zijne handen in de hare houdende, die hij, den dood voelende naderen, angstig gegrepen en vastgeklemd had.

Nog herkende hij de binnentredenden; want hij lachte hun vriendelijk toe, doch de spraak ontbrak hem.

Door Axinia, die in het voorvertrek Lodoiska's angstkreet gehoord had, geroepen, traden thans Lodewijk, Bernard en Bianca binnen en naderden zwijgend het sterfbed.—Bianca had eerst in den vroegen ochtend van haren broeder vernomen, dat Rasinski was wedergevonden. Op dezen trad zij dus het eerst toe, reikte hem de hand ter begroeting en verborg, hevig ontroerd, het schoone hoofd aan zijne mannelijke borst. „U hebben wij terug,” snikte zij, „en toch wordt een nieuw offer gevorderd!—O, vriend....” hare stem verstikte in tranen en zij moest haar gelaat bedekken.

Rasinski trad, tot het diepst zijner ziel geschokt en bewogen, maar toch uiterlijk zich zelf meester, aan het leger van zijn jeugdigen vriend. „Mijn zoon, kent gij uw vader niet meer? Mijn Jaromir, kent gij uw wapenbroeder niet?”

De stervende sloeg bij het hooren van die stem het oog op, en een vriendelijk lachje vloog over zijne lippen. Hij bewoog de rechterhand, als wilde hij die naar hem, die zijn vader, broeder en vriend tevens geweest was, uitstrekken. Rasinski greep haar, en Lodoiska liet ze hem gewillig over.

Een heilig stilzwijgen heerschte in den kring; niets dan de onwillekeurige toon der smart brak de diepste stilte af. Nog eens verhief zich de borst des stervenden en haalde diep adem. „Vaartwel, vrienden, geliefden!” zuchtte hij; zijne lippen verbleekten, zijn oog brak,—hij had geleden.

In sprakelooze droefheid wierp Lodoiska zich op den ontslapene neder en hield hem vast in hare armen geklemd.

De broeder- en zusterparen, die het sterfbed omringden, hielden elkander omvat;—het was, als zouden zij borst aan borst hun diepe smart uitweenen!

HOOFDSTUK V.

Eensklaps dreunde de doffe donderslag van een kanonschot door de diepe stilte, en wel zóó nabij, dat de vensters dreunden.

„Wat is dat?” riep Rasinski en richtte zich driftig op. Maar nog eer hij had uitgesproken, kraakte de volle laag eener batterij, zoodat de aardbodem beefde.

„Heilige God!” riep de gravin, „is de vijand zoo nabij?”

Maria verbleekte; want voor haar was dit geluid nog vreemd.

„Ik moet weg,” sprak Rasinski op vasten toon; „wij zijn aangevallen.”

„Wij verzellen u,” riep Lodewijk, en Bernard sprong naar de wapens, die op een stoel lagen.

„Neen, dat nooit,” beval Rasinski met waardigheid. „Gij hebt in dezen kamp niets meer te bevechten! Blijft hier, en beschermt, wat mij en u het dierbaarst is.”

„Wij laten u niet alleen in 't gevecht,” riep Lodewijk heftig en wilde hem tegenhouden.

„Gij zult, gij moet! Mij roept de plicht derwaarts, u bindt zij hier,” hernam Rasinski met nadruk en wees Lodewijk terug.

„Neen, gij moogt ons het recht, om aan uwe zijde te staan, niet rooven,” sprak Bernard; „want gij kunt het zelfverwijt niet van onze ziel wentelen, wanneer gij valt, waar onze bijstand u had kunnen redden.”

Buiten roffelden de trommen met oorverdoovend gedreun door de enge straten. Woest geschreeuw, donderend geschutgekraak, schel trompetgeschetter klonken verward dooreen, volk en soldaten stroomden te hoop.

„Zoo gij ooit mijn wil geëerbiedigd hebt,” riep Rasinski en richtte zich met de hem aangeboren waardigheid op, „dan blijft terug. Gehoorzaamt mij in deze minuut voor de laatste maal als uw bevelhebber. Ik gebied u, blijft!”

De vrouwen waren door smart en angst te hevig ontroerd, om de nieuwe spanning, welke deze edelmoedige strijd in haar had moeten verwekken, in hare volle kracht te gevoelen. Zonder het zelve te weten, viel haar de met harde bezoekingen gewoonlijk gepaard gaande weldaad ten deel, dat de van vele zijden tegelijk treffende slag elkander onderling krachteloos maakten, wijl de menschelijke borst, gelijk een vaatwerk, slechts voor eene bestemde mate ruimte heeft. Moge de stroom van den rampspoed dan ook met toomeloos geweld daarover heenbruisen, hij vult het niet hooger aan, maar de overmaat der smart vloeit zonder gevoeld of bemerkt te worden voorbij.

Alleen Maria, op wie de dood van Jaromir niet dien verpletterenden indruk gemaakt had, zag met bange bezorgdheid den afloop van dezen strijd tegemoet. Nu zij zag, hoe de edele man, die haar eens zijne liefde bood en de hare wegdroeg zich thans in het gevaar van den slag storten en zich moedig aan den dood voor eer en vaderland wijden wilde, vlamde de diep verborgen gloed weder levendig in haar op en sidderde zij voor het dierbare leven.

Door dit gevoel gedreven, trad zij tusschen de mannen. „Roept de strijd u dan ook nu nog?” vroeg zij; en hief het oog smeekend tot Rasinski op; „is het nog plicht, zich aan den dood te wijden, wanneer uit de geheele schipbreuk toch niets meer te redden is? O, blijft gij ook, opdat het uur van ons wederzien niet dat der onuitsprekelijke smart tevens worde, zoo....”

Hier brak zij af; zij waagde niet uit te spreken, wat zij dacht en vreesde.

„Maria!” riep Rasinski met eene stem, die zijn gansche hart openlegde, „Maria!” Hij stond in den hevigsten tweestrijd met zich zelf en staarde haar smartelijk aan. Een oogenblik scheen het hem toe, dat de ijzeren scheidsmuur, die tusschen haar en hem oprees, was omvergerukt door de reuzenkracht der omstandigheden. Met onweerstaanbare banden voelde hij zich aan de schoone gestalte gekluisterd, die de vriendelijke genius van zijn leven zijn kon. Doch de zoete begoocheling duurde slechts eene seconde. De zachte nevelsluiers scheurden, het bedriegelijke wolkenfloers werd weggevaagd en de onverbiddelijke waarheid stond weder, krachtiger dan ooit, in hare barsche majesteit voor hem. Niets was veranderd; de scheidende kloof gaapte slechts nog dieper, dan ooit te voren. Hij bevroedde het en sprak vast, maar zacht: „Neen, ook deze bede mag mij niet terughouden! Vaartwel! Gij blijft!”

Onstuimig scheurde hij zich los en snelde naar buiten.

Maria waggelde als bedwelmd eenige schreden achteruit en zonk mat en krachteloos in de armen haars broeders. Bernards scherpziend oog drong tot in de binnenste schuilhoeken van haar hart door; Rasinski had het geheim van zijn hart met een enkel woord onthuld.

Dus hij—en zij, dacht hij, en de smart klemde hem de borst krampachtig te zamen. „O, hij laat ons den zwaarsten plicht over!” riep hij, zijnen boezem lucht gevende. „Wien de volle maalstroom des levens heeft aangegrepen, die weet, dat een slag slechts een lustig speeltochtje is, waarbij de vloek spelend tegen de boot kabbelt!”

Lodewijk verstond den vriend slechts ten halve en voor zoover hij in hetzelfde gevoel deelen kon.

„Ongetwijfeld hebben wij een zwaren strijd van zelfverloochening te voeren,” antwoordde hij; „doch op zijn edel hart drukte juist datgene met ondragelijke zwaarte, wat ons ruimte en verademing geeft. Daarom kampt hij zwaarder en mannelijker dan wij.”

„O,” riep Maria uit, „o geliefden, vraagt niet, wie hier den bittersten kelk der smarte ledigt!—Het lijden is eene zee geworden; de vloed stijgt boven het peil van elk hart!”

„Bergen hoog!” mompelde Bernard barsch en wrevelig; „op ettelijke torenshoogten komt het niet meer aan.”—Hij rilde als in koortskoude.—De ontdekking, dat Maria een ander beminde, was als een rotsklomp op zijne borst gevallen en had ze verpletterd.—Hij is de edelste, de waardigste, dacht hij en ging driftig op en neder; doch dat kan mij niet troosten, het vernietigt mij des te zekerder, want zooveel verder ook verdringt hij mijn beeld uit hare ziel! En deze liefde was de leidstar, die ik volgde door de zwarte wildernis van onzen jammertocht. Haar zacht licht alleen verschafte mij troost en sterkte—ik bereikte het doel, en zij verzinkt, en alles is duisterder dan ooit!

In gepeins verdiept, den strakken blik op den grond geslagen, stond hij als bedwelmd en bemerkte niet, wat om hem voorviel. Daar legde zich een zachte arm om zijn hals, en hij voelde eene gloeiende wang aan de zijne—het was Bianca.

„Zuster!” riep hij met ontroerde stem, „zuster!—Ja, u heb ik nog behouden!”

Maria had misschien een donker vermoeden van hetgeen in zijne ziel omging; wellicht ook deden zich in haar binnenste nieuwe verborgen stemmen van een gevoel hooren, dat zij aan één enkele waande te hebben uitgeput. Zacht, ja bijna deemoedig, als had zij een zwaar onrecht goed te maken, trad zij derhalve op Bernard toe en sprak, ten antwoord op zijne smartelijke ontboezeming: „Ook wij, hoop ik, blijven innig verbonden; de broeder zal niet vergeten, dat hij een vriend en eene vriendin bezit, die hem meer dan haar leven verschuldigd is!”

Bernard zag haar verbaasd aan. Zij was de eerste, die de hand naar hem uitstrekte en de zijne aangreep. „O, ik weet, wat Lodewijks zuster den vriend haars broeders te danken heeft,” vervolgde zij. „Mij dunkt, ik heb nu twee broeders, en—wij zijn zusters!”

Deze laatste woorden richtte zij tot Bianca, die haar met zusterlijke liefde aan het hart drukte.

Bernard wilde antwoorden, doch zijne tong weigerde hem haar dienst, zoozeer was zijn hart gebroken en innerlijk ontroerd. Zou deze trouwhartige, vrijwillig aangeboden vriendschap en vereeniging aan zijne hoop voedsel geven of die geheel vernietigen? Hij wist het niet, ja hij wist nauwelijks, wat hij wenschen moest. Edel toch, gelijk hij was, had hem de gedachte reeds bezwaard, dat zijn geluk niet dan uit het ongeluk eens anderen kon ontkiemen. Rasinski, in zijne mannelijke droefheid, stond voor hem, en zijn grootmoedig hart deelde in het lot van den vriend, alsof het zijn eigen ware.

De gravin trad nader uit het andere einde van het vertrek, waar zij zich bij het lijk des jongelings slechts met Lodoiska had beziggehouden. Haar gang was langzaam; men kon zien, dat de hooge gestalte zich met moeite staande hield. „Mijn broeder is weg,” begon zij, minder vragend, dan wel zich die vraag zelve beantwoordende: „hij had zich toch den tijd tot afscheid moeten gunnen. Wie weet, of wij elkander wederzien.—Ik voor mij heb het hopen verleerd!”

Zij stond bleek, maar met opgerichten hoofde, als achtte zij het beneden zich, haren nek onder den last der rampspoeden te buigen; echter parelde een traan tusschen hare oogleden en omnevelde het groote, donkere oog met droeven schemer. Maria en Bianca traden deelnemend op haar toe; aan beiden reikte zij de hand en trok haar diep ontroerd nader.

„O mijne dochters! Gij zijt jong; het leven greep u reeds vroeg met ruwe hand aan—maar het verpletterde u niet zoo gruwzaam als deze arme.”—Zij wees op Lodoiska, die bleek, stom en koud als een marmerbeeld, aan Jaromirs rustbed zat en zijne verstijfde hand niet losliet.

„Welk een lot! Hier een zielverscheurend lijden, dat geen traan verzacht; daarbuiten verwoesting, dood, gruwelen, ontzetting! Hoort gij, hoe de moordgierige donder rolt? O, hij kan ook het edelste hoofd treffen, dat zoo mannelijk de stormen tartte! Wellicht kunnen we 't uit deze vensters aanzien, hoe het vermorzelend lood hem verplettert.”

„O nooit, nooit!” snikte Maria.

„Gij weent! Arm kind! Zoo waant gij de grimmigheid van het noodlot te verzoenen? Erts ware gesmolten in mijne gloeiende tranen, doch de machten daarboven bleven koud en gevoelloos. Neen, neen! Waan niet, dat de hemel het kermen uit verbrijzelde borst aanhoort! Hij is doof, ondoordringbaar zijn ijzeren gewelf, vloeken en gebeden sterven weg in het ijdele luchtruim!—En meent gij, dat wij tot den bodem des afgronds zijn afgedaald? O, wij kunnen nog onmetelijk dieper zinken. Bij de ellende zal zich hoon, schimp en verguizing voegen. Dra zal de vijand triomfeeren! Wellicht zie ik mijn broeder gebonden, bloedend hier voorbijsleepen, wellicht ook deze jongelingen, ons zelve. Want ik ben eene dochter van Polen, en ons is onverzoenbare wraak, onuitwischbare schande gezworen. Doch eer ik deze zachte handen,” zij wees op Lodoiska, „in slaafsche banden gekneld, eer ik hare kuische schoonheid door barbaarsche tijgers bevlekt zie, eer zal mijne eigene hand haar doorboren! Eene poolsche moeder is niet zwakker dan een romeinsch vader—en _zij_ zal voor den dood niet sidderen!”

Rillend had zij voleind; hare overbeladen borst moest zich lucht maken. Diep en verruimd haalde zij adem en zonk daarop uitgeput in een armstoel neder.

Bianca naderde en omarmde haar met vertroostende liefde. „Neen, edele vrouw,” sprak zij uit vaste overtuiging, „zoo ver zal het niet komen. Thans zal ik mijne rechten, als eene dochter van Rusland, doen gelden. Wie het ook zij, die deze stad vijandelijk binnendringt, ik wend mij tot hem en hij zal ons bescherming verleenen. Zóó ver gaat zelfs de verbittering van den oorlog niet. Er klopt geen hart op aarde, dat onze smart koud zou laten. Ook de ruwe mannen van dit land zullen zich laten verbidden, zoo niet, dan zal ik hen mijn naam doen eerbiedigen. Het recht, om dien te doen gelden, heb ik nog niet verloren!”

Inmiddels kwam het gewoel van het gevecht nader en nader, Paul was naar buiten gesneld, ten einde te ontdekken, van welke zijde de aanval geschiedde. Ademloos kwam hij terug en meldde: „Voor de poorten komt het tot een hardnekkig gevecht. Ik zag den graaf en maarschalk Ney aan vluchtende soldaten de geweren uit de hand rukken en zelven naar de wal vliegen, om den vijand het indringen te beletten. Daarop heeft het volk zich weer verzameld en houdt zich nu dapper, terwijl de overigen door alle poorten aftrekken. De weg naar Memel is reeds met troepen bezaaid. Binnen een paar uren moet de Rus meester in de stad zijn.”

Hij had nauwelijks geëindigd, toen de deur openvloog en Rasinski zelf binnenstoof. „Almachtige hemel, mijn broeder!” riep de gravin en hing in zijne armen.

Hij bloedde aan het voorhoofd; zijn gezicht was zwart van kruitdamp, doch zijn oog vlamde met den ouden vuurgloed.

„Het dringendste gevaar is voorbij,” riep hij; „een oogenblik is mij tot afscheidnemen vergund. Binnen weinige minuten wacht de maarschalk mij terug.—Dra zullen de Russen de stad bezetten; tot vluchten is het te laat: houd u dus verborgen, tot de eerste storm voorbij is. Dan gaat gij naar Warschau, Johanna; daar zult gij weer van mij hooren. Vaarwel! U, mijne vrienden, raad ik, naar Pruisen de wijk te nemen; dat is het naast en vervolging hebt gij niet te duchten. Onze wegen loopen nu uiteen. Wij hebben trouw en wel met elkander geleefd.—God zegene u mijne broeders!”