Part 92
Ten einde der vrouwen althans eenigen troost te verschaffen, en opdat zij den nacht niet in te angstige spanning doorwaken mochten, sprak Bernard met den welwillenden Paul af, dat deze den toestand der stad gunstiger zou afschilderen, dan die inderdaad was, en bracht hem daarop naar Bianca's kamer. Hier verhaalde Paul, dat alleen de eerste verwarring zoo verderfelijk geweest was, dat alles zich thans begon te schikken, dat de soldaten, in de huizen der burgers gastvrij opgenomen, meerendeels in diepe rust lagen, om morgen met frissche krachten te ontwaken, en dat voorts het wedervinden van een verlorene heden reeds deswege onmogelijk was, wijl ieder, die een dak gevonden had, zich daar aan den slaap, die van alle behoeften de dringendste was, ongestoord overgaf. De gravin hoorde deze mededeelingen zwijgend aan; zij gaf zich aan haar lot over, ofschoon geen bemoedigende straal van hoop tot hare ziel doordrong.
De onweerstaanbare rechten der stoffelijke natuur hadden zich bij de uitgeputten krachtig doen gelden. Bernard, Lodewijk en Bianca lagen in vasten slaap. De gravin echter en Lodoiska waakten in bange bekommering en met haar Maria, niet alleen uit de innigste deelneming der vriendschap, maar ook wijl haar hart, hoe moedig zij het ook bekampt had, nog altijd met warm gevoel voor Rasinski klopte.
Ook Paul en Axinia wilden zich niet ter rust begeven, hoewel zij zich bescheiden van hunne gasten hadden afgezonderd. In de straten der stad was het geheel stil geworden; geen enkel geluid liet zich in den omtrek vernemen.—„Luister!” sprak Paul en sprong eensklaps verschrikt op; „luister, Axinia, was het niet alsof daar iemand kermde en kreunde? Hoor, al weder.” Hij opende een venster en bleef eenige oogenblikken luisteren. „Het komt van de overzij uit de smalle steeg, waar de Joden wonen!—Mij dunkt ook, dat ik stemmen hoor mompelen.”—Beiden waren geheel oor. Na eenig tijdsverloop hoorde men een dof geluid, als van een vallend lichaam en tevens een gillenden angstkreet, die hun door merg en been drong. „Wat is dat?” riep Paul. „Hoort gij het jammeren en steunen? Zouden de vervloekte honden....”
Een mannelijke stem riep luid kermend om hulp; Axinia wrong doodelijk ontsteld de handen. Plotseling werd de deur geopend en de gravin trad met een licht in de hand binnen.
„Hebt gij het ook gehoord, dat akelig gejammer?” vroeg zij merkbaar ontroerd; „het schijnt het gekerm van een stervende. O ga, vriend, en ziet wat er gebeurt!”
Paul wierp zijn pels om en greep naar een lantaarn; doch Axinia hield hem angstig tegen en smeekte: „Ach, ga niet alleen! Wie weet, wat gruwel daar voorvalt en of de wreedaards niet weer iemand om het leven brengen. Ga niet alleen!”
„Ik moet!” riep Paul; „misschien kan ik een mensch redden.”
„Wek dan tenminste de heeren; zij zullen met u gaan.”
„O, laat hen toch slapen; en wellicht kwamen wij dan nog te laat!”
„Neen, neen, zij zijn immers niet ontkleed, maar slapen in hunne pelzen,” antwoordde Axinia driftig en snelde naar het nevenvertrek, waar Bernard en Lodewijk, daar het in huis aan genoegzame bedden ontbrak, geheel gekleed op stroo sliepen. De waakzaamheid was hun nog zoo eigen, dat zij bij het eerste geroep uit hun vasten slaap opsprongen en dadelijk volkomen wakker waren.
„Wij verzellen u,” riep Bernard, ter loops door Paul van het gebeurde onderricht, en reeds had ook Lodewijk de pistolen gegrepen en zijn sabel omgegespt.
Paul ging met de lantaarn vooruit, in de richting, van waar het gekerm zich hooren liet. Het was een enge dwarssteeg, die zich langs den stadsmuur uitstrekte, en slechts door Joden bewoond werd. Juist wilden zij ze inslaan, toen een forsche mannenstem hun van achteren aanriep: „Wie daar, wie zijt gij, wat gebeurt hier?”
„Rasinski!” riep Lodewijk bij het eerste geluid dier stem, en toen het lantaarnschijnsel op het gelaat van den naderende viel, herkende hij ook de trekken van den geliefden vriend.
„Rasinski! Gij hier, en levend!” riep hij en lag juichend in zijne armen.
„Ik heb u weder! u, dien ik verloren achtte! En gij leeft! Bianca leeft?”
„Wij allen, allen,” riep Bernard. „Wij zochten naar u, doch te vergeefs!”
„En ik u!” hernam Rasinski.
Zij zouden alles om zich heen vergeten en elkander hunne wederzijdsche ontmoetingen verhaald hebben, had het gekerm zich niet weder opnieuw uit de straat doen hooren. Rasinski wond zich nu dadelijk uit Bernards armen los. „Die tonen,” riep hij, „hebben mij uit den slaap opgejaagd. Laat ons thans eerst aan de hulpbehoevenden denken.”
Paul lichtte met de lantaarn voor, de overigen volgden. De steeg was eng en vol krommingen, zoodat men niet ver voor zich uit zien en dus ook niet gezien worden kon. Toen men de eerste bocht bereikte en de lichtschemering in de voorliggende ruimte viel, zag men duidelijk eenige gestalten opspringen en ijlings langs de huizen voortsluipen.
„Wie daar?” riep Rasinski in het Russisch. „Staat, of ik vuur.”
Maar de schaduwen vloden langs den muur voort en slopen over de sneeuw weg. Rasinski wilde ze nazetten, doch struikelde over een voorwerp, viel, en onder het vallen ging zijne pistool los. Lodewijk en Bernard waren hem op den voet gevolgd en wilden hem oprichten, doch hij riep hun toe: „Voorwaarts, voorwaarts, de vluchtenden na.”
Zij spanden al hunne krachten in, doch zagen nog slechts eene enkele gedaante, die haastig voor hen uitvlood; zij riepen haar toe te staan, doch vruchteloos. Een schot, door Bernard onder het loopen gelost, miste; maar daar de vluchteling zich, onwillekeurig of wijl hij den kogel hoorde fluiten, bukte, gleed hij uit en tuimelde ter aarde. Lodewijk was de eerste, die hem met forsche vuist in den nek greep.
„Ha! Wie zijt gij?” beet hij den verdachte, die een soort van langen, zwarten tabberd droeg, in het oor; „waarom vlucht gij?”
„God mijner vaderen!” smeekte de vreemde op klagenden toon. „Hebt erbarmen, genadige heer! Wat misdoet u de arme Jood, daar hij vliedt voor den gruwel!”
„Licht hier, Paul,” beval Bernard, die hijgend toesprong; „wij moeten eerst zien, wat slag van een mensch het is, die zoo klagend om erbarmen jankt. Het beste geweten heeft hij zeker niet.”
Paul hief de lantaarn op, zoodat het volle lichtschijnsel op het gelaat van den Jood viel.
„Duivel! Die galgentronie ken ik!” riep Bernard verwonderd. „Waar heb ik dat vermaledijd Judasgezicht meer gezien? 't Is waar, de litthauwsche roodbaarden gelijken elkaar op een haar; maar mij dunkt toch.... Jood, gij zijt de spion, met wien wij sinds vijf maanden eene rekening te vereffenen hebben.”
Rasinski's geroep deed hem afbreken. „Komt hier, vrienden, het is nog iemand, die hulp noodig heeft.”
Zij keerden om en sleepten den Jood, niettegenstaande zijn kermen en jammeren, met zich voort.
„Zie hier de vervloekste gruweldaad, die ik immer beleefde,” riep Rasinski, rillend van woede en afgrijzen, hun te gemoet; „licht hier!—Onze kameraden naakt uitgeschud in deze koude, uitgeplunderd, geworgd en uit de vensters op de harde sneeuw gesmeten! Monster,” riep hij den sidderenden Jood met donderende stem toe, „draagt gij schuld daaraan, levend laat ik u door de honden vanéénscheuren! Ziet hier—hier liggen zij. Het schreit ten hemel!”
In een hoek, waar een huis een weinig binnen de rij der overige insprong, zag men acht lijken, slechts met ettelijke lompen bedekt, op een hoop liggen. Op een dezer ongelukkigen, die nog eenige teekenen van leven vertoonde, had Rasinski zijn pels geworpen, ten einde hem tegen de snijdende koude te beschutten.
Allen huiverden bij den aanblik van dezen gruwel, die hun zoo even in de haast van het vervolgen ontgaan was.
„God Abrahams, hef ik niet mijne rechterhand tot u omhoog, dat ik ben onschuldig aan dat bloed, als een onnoozel kind!” riep de Jood. „Vervloekt wil ik zijn, ik met mijne kinderen en kindskinderen, zoo ik heb aandeel in die daad! Laat de raven mij levend uitscheuren de oogen, laat verdorren het vleesch aan mijne hand, zoo mijn eed toch valsch is!”
„Hij was onder de moordenaars,” steende de stervende, met moeite het hoofd oprichtende; „hij wou mij de keel afsnijden, toen de val uit het venster mij niet gedood had en ik om hulp riep. Uwe aankomst alleen heeft mij gered.”
„Satan, gij vervloekte, helsche satan! De gruwelijkste ellende, die een kanibaal de tranen uit de oogen zou persen, kon u niet roeren?” knarsetandde Rasinski, terwijl hij de sabel over het hoofd van den Jood zwaaide, om hem den schedel te kloven. Doch deze wierp zich stuiptrekkend van angst op de knieën en kermde, de handen wringend: „God Jehovah, erbarmen, heer graaf, erbarmen!”
Lodewijk had Rasinski in den arm gegrepen en hield hem terug. „Bezoedel u niet met het bloed van dezen ellendeling,” smeekte hij dringend, „geef hem aan de wraak des hemels over!”
„Gij hebt gelijk, ik moet mij bedwingen,” hernam de graaf.—„Waant gij, dat ik u niet herken?” sprak hij met de uitdrukking van den diepsten afschuw tot den Jood, die als een worm aan zijne voeten kroop. „Ik herken u, evenals gij mij herkent, lage, bedriegelijke hond, die reeds eenmaal de verdiende straf ontkwaamt! Niets zou u redden, zoo niet zelfs een monster als gij een werktuig in de hand des hemels kon worden. Ik weet, het gansche ras der uwen broedt hier gruwelen der hel uit, waartoe uw duivelsche hebzucht u opstookt. Ga heen en verkondig uwen moordgezellen, dat, zoo ik morgen hier in deze huizen ook slechts _één_ lijk of _één_ spoor van gewelddadigheid ontdek, ik ze dan alle in asch zal leggen en u zelven met vrouw en kinderen in den gloed zal verbranden! Weg, monster! Doch teekenen wil ik u, opdat gij althans niet ontkomt.”
Bij deze woorden trapte hij hem driemaal met de hak der laars in het gezicht, zoodat de Jood het als een wild dier uitbrulde en het bloed op de sneeuw gudste. Desniettemin beurde deze zich op en waggelde onder luid gejammer naar de naaste huisdeur, waar hij heftig aanklopte en de hulp en het mededoogen zijner geloofsgenooten inriep.
„Helpt mij nu dit slachtoffer wegdragen,” sprak Rasinski, terwijl hij zich tot den ongelukkige voorover boog, die, schoon met verkleumde leden en door de mishandelingen en het bloedverlies uitgeput, nog levend op de sneeuw lag.
In den warmen pels hieven zij hem op. Zijn gejammer weergalmde door de lucht, doch nog eer zij de groote straat bereikt hadden, verstomde het, want de levenskracht ontzonk hem. „Ik dank u, kameraden; het was te laat!” dit waren de laatste woorden, die van zijne lippen vloeiden.
„Een graf kan ik u niet geven,” sprak Rasinski, terwijl zij het lijk op den grond nederlegden; „rust hier uit bij de duizenden, aan wie dit gruwzame land alles, tot zelfs eene grafstede weigert. Is het niet genoeg, dat de natuur ons met hare verschrikkingen onmeêdoogend vervolgt? Moet ook de mensch nog in een hyena veranderen en tot het heiligdom van den weerloozen slaap doorbreken?”
Deelnemend trad Lodewijk op hem toe. „Een zoete balsem zal deze uwe wonden verzachten,” sprak hij: „wij hebben u eene blijde tijding te brengen.”
„Gij? Eene _blijde tijding_?” vroeg Rasinski bijna met bitteren nadruk.
„Uwe zuster en Lodoiska zijn in de nabijheid—zijn _hier_; binnen weinige minuten kunt gij haar omarmen.”
„Mijne zuster hier!” riep hij, eer verschrikt dan vroolijk.—„O Johanna, dat gij ook in deze oogenblikken moest komen! Dus kende men in Warschau ons lot! Vriend, vriend, uwe tijding is zoo bitter als zoet. Ik was er niet op voorbereid, haar thans te zien. En toch,” voegde hij er weemoedig bij, „dat ik haar nog zie, welk een onuitsprekelijk geluk is dat voor mij!”
De vrienden geleidden hem naar Pauls woning. Eer zij binnentraden, stond Rasinski stil. „En Lodoiska verzelt haar? Wat moeten wij het arme kind zeggen! Jaromir ligt in wilde vlagen van krankzinnigheid, buiten kennis, razend—wellicht is hij reeds verlost!”
„En al ware zij slechts gekomen, om zijn laatsten adem op te vangen,” sprak Lodewijk uit innerlijke overtuiging, „zelfs dan nog zouden alle schatten der aarde tegen dit geluk in de diepste smart niet kunnen opwegen.—En kunt gij weten, of niet misschien hare verschijning eene reddende, genezende wonderkracht op hem uitoefent?”
„Het zij, zoo het wil! Het moet gedragen worden; laat ons een mannelijk gelaat toonen.” Met deze woorden trad hij moedig op den dorpel en kalmte en moed troonden weder op het ontrimpelde voorhoofd. Terwijl hij de deur opende, wendde hij zich nog eens naar Lodewijk om en vroeg met gesmoorde stem: „Is uwe zuster ook hier?”
„Ook zij.”
Het duister verborg de wolk van smart, die over zijn gelaat trok, en niemand bespeurde het vluchtig rood, dat de nabijheid van dit bekoorlijke wezen over zijne bleeke wangen uitgoot. Daar hij voor geen der vrienden het diepe geheim van zijn hart onthuld had, vermoedde ook niemand zijne innerlijke ontroering.
„Laat mij vooruitgaan,” verzocht Bernard; „uwe verschijning kon de vrouwen te zeer ontstellen.”
„Mijne zuster niet, doch de jongere meisjes wellicht. Ga dan en zeg, dat gij mij gevonden hebt.”
Bernard snelde naar de gravin; eenige oogenblikken na hem opende Rasinski de deur. Lodoiska vloog met een luiden gil op hem toe en zonk, het gelaat verbergende, aan zijne borst; hij hield haar met den rechterarm omvat. De zuster trad bevende nader, leunde, door zijn linkerarm teeder omvat, op zijn schouder en drukte stom en zwijgend hare bevende lippen op de zijne. Maria bleef schroomvallig, heimelijk weenende, van verre staan.
„Zuster!” sprak Rasinski na een lang, diep stilzwijgen en wond zich los uit hare armen.
„Zoo moeten wij elkander weerzien,” riep zij op een toon, die tot diep in de ziel doordrong. „Zoo!” En alsof zij den last van bezwaren door dezen uitroep van de beklemde borst had gewenteld, haalde zij thans ruimer adem en barstte in tranen los.
„Troost u, Johanna; over het graf reikt geene smart,” sprak Rasinski met die sterkte, die zelfs de hoop verloochenen kan. „Tot zóólang zullen wij het weten te dragen. Maar gij, arm kind,” wendde hij zich thans tot de bleeke, sidderende Lodoiska, die in zijne armen hing en zonder Bernards zachte ondersteuning lang zou zijn neergezonken, „welke troost moet ik u brengen? Gij zijt nog zoo jong, gij hebt nog zulk eene lange baan voor u!”
Met angstvolle blikken hing zij aan zijne lippen, doch naar Jaromir vragen, dit kon zij niet.
„Ik versta u, lief kind,” vervolgde hij diep ontroerd; „gij vraagt naar Jaromir! Lodoiska, gij zijt eene dochter van Polen. Vastheid in 't lijden moet uw erfdeel zijn, want wij worden gezoogd met kommer en gevoed met droefheid. Uw vriend leeft, maar hij is ziek, zeer ziek, donkere koortsvlagen verduisteren zijne ziel. Stel u voor, hem te verliezen.”
Haar boezem hijgde onstuimig; eindelijk stamelde zij met moeite de woorden: „Waar is hij?—Laat mij hem zien!”
„Morgen, lieve engel,” trachtte Rasinski haar gerust te stellen; „thans, midden in den nacht, is het onmogelijk.”
Maar alsof eene hoogere geest haar plotseling met vernieuwde kracht bezielde, riep zij uit: „Morgen? Morgen? En zijn leven is geen minuut zeker! Wellicht blaast hij in het volgend uur den laatsten adem uit en ik zou wachten, dezen ganschen, eeuwigen nacht?—O moeder, moeder, gij kent mijn hart, gij weet of dat mogelijk is, of ik niet bezwijken moet door angst en onuitsprekelijk lijden.—Moeder, moeder, help mij hem verbidden!”
Smeekend strekte zij de armen naar de gravin uit, wankelde op haar toe en zonk voor haar neder, met het hoofd in haar schoot.
Thans trad ook Maria schuw en blozend nader en sprak Rasinski aan. „Wij hebben elkander nog niet begroet. Mijn eerste woord zij de ondersteuning _harer_ bede. Zij bemint, en een minnend hart moet onder zulk eene foltering bezwijken.” De laatste woorden waren nauwelijks hoorbaar.
„Maria!” hernam Rasinski op een onbeschrijfelijken toon, waarin zijne mannelijke kracht scheen weg te sterven. „Maria!—Bij al wat heilig is,” riep hij eindelijk met die hevige inspanning, waardoor hij met geweld weder meester van zich zelven trachtte te worden, wanneer zijn gevoel op de vastberadenheid van zijn doen en handelen de overhand dreigde te bekomen, „bij al wat heilig is, ik vermag het niet. Jaromir ligt in het lazaret. Bij nacht wordt de poort voor niemand geopend; anders zou ik het arme kind immers dadelijk bij hem brengen. Nu zou ik den maarschalk uit den slaap moeten wekken, zou...”
„In welk lazaret ligt de zieke, van wien gij spreekt, heer graaf?” viel Paul hem in de rede.
„Hier onmiddellijk aan de poort, linksaf, dat groote gebouw.”
„Daarvan heb ik de sleutels,” riep Paul vroolijk uit; „ik zelf breng de jonge gravin derwaarts.”
„Dank, heilige Moeder Maria!” riep Lodoiska opspringende; „dank, innig dank—dan zal ik hem nog eenmaal zien!”
„Ik verzel u,” sprak Rasinski.
„En ik,” riep de gravin.—„Wij allen,” sprak Maria vol zusterlijke deelneming.
„Neen, Maria,” hernam Rasinski; „die gang is noch licht, noch opbeurend. Wij moeten die _alleen_ doen, ik _sta_ daarop.”
Binnen twee minuten hadden de gravin en Lodoiska zich tot het treurige bezoek uitgerust. Rasinski eischte dringend, dat Lodewijk en Bernard te huis zouden blijven; dezen daarentegen vorderden, dat hij zelf zich de hem zoo noodzakelijke rust gunnen zou.
„Handelt voor de laatste maal naar mijn bevel,” sprak hij eindelijk zacht, maar gebiedend. „Gij blijft ter bewaking van het huis achter; ik moet de geleider der ongelukkige zijn, want niemand dan ik kan zijne legerstede in het duister vinden.”
Door den guren winternacht begaven zij zich op weg.
HOOFDSTUK IV.
Het oude, kolossale gebouw, waarin de zieken en gekwetsten lagen, was eertijds een klooster geweest. Met zijne schemerachtige omtrekken op den donkeren hemel afgeteekend stond het somber dreigend voor de naderenden.
„Ongaarne open ik dit huis,” sprak Paul; „want jammer en ellende is het eenige dat men er aantreft. Aan alles is hier gebrek, dikwijls zelfs aan het noodzakelijkste voedsel, aan stroo tot ligging. Elken dag worden de dokters verwisseld, en de weinige jongelieden, die men ons overlaat, vertoonen zich nauwelijks, daar zij weten, dat alles toch vruchteloos is en hunne kunst het lijden der slachtoffers verlengt. De oude gewelven kunnen niet eenmaal behoorlijk verwarmd worden, zoodat bij eene vorst als deze het koudvuur in de wonden komt en de ongelukkigen bezwijken doet. Het is een groot kerkhof, waar levenden begraven worden.”
Gedurende deze woorden had hij met zijne zware sleutels de poort geopend en de oude vleugeldeuren knarsten op de verroeste hengsels.
„Is hier dan 's nachts geen enkele waker?” vroeg de gravin huiverend.
„Niemand,” antwoordde Paul; „het ontbreekt daartoe aan ruimte. Hier moeten de dooden altijd voor de levenden plaatsmaken, en eer de krib van een overledene nog koud is, neemt zij dikwijls reeds een nieuwen lijder op.”
Lodoiska zweeg; ook weende zij niet, maar sidderde slechts als in de hevigste koortsrilling.
Men beklom de hier en daar ingestorte steenen trappen en bevond zich in een langen, donkeren kruisgang.
„Hier, aan het eind van den gang, in het laatste gewelf aan de rechterhand vond ik een leger voor hem”, sprak Rasinski; „breng ons daarheen, mijn vriend!”
„Ligt hij _dáár_?” vroeg Paul met angstige verbazing.
„Waarom vraagt gij dat zoo?”
„Hm! Dat gewelf is koud en tochtig; het ligt juist op het noorden.”
„Er was geen andere plaats meer te vinden en de geneesheer, dien ik daar aantrof, beloofde mij de beste zorg voor den zieke te dragen.”
„Ik wil het wel gelooven!” hernam Paul, maar op een toon, die het tegendeel verried.
De voetstappen der haastig voortsnellenden werden door de holle wanden dreunend teruggekaatst; overigens hoorde men geen geluid, dan bijwijlen aan weerszijden een dof kreunen en snikken, dat dubbel akelig was, daar het uit de muren zelve scheen voort te komen.
„Hier,” sprak Paul terwijl hij eene deur openstiet.
Zelfs Rasinski huiverde, toen hij nu het akelige verblijf binnentrad, dat hij voor eenige uren genoodzaakt was geweest te kiezen, ten einde Jaromir, die, na van Bianca gescheiden te zijn, eerst in vlagen van woede en vervolgens in wezenlooze, doodelijke afmatting was vervallen, althans eene legerstede te verschaffen.—Thans, in het uur van middernacht, was dit afgrijselijk hol, ook zelfs voor een bewustelooze, eene helsche strafplaats. Een enkele, flauw opflikkerende lamp verspreidde een mat licht door de kelderachtige ruimte. In een breeden kring lagen de arme, met bloedige lompen bedekte lijders op het spaarzame stroo uitgestrekt; eenigen met gapende wonden en afzichtelijk verminkt, anderen door de diepste ellende onkenbaar en misvormd. Diep, zwaar ademhalen, dof reutelen en rochelen waren de eenige geluiden, die zich hooren lieten. Een ijzige wind blies door het gewelf; want de vensters waren ten deele van glasruiten beroofd, zoodat de sneeuw van buiten insloeg en zich tot nabij de ligplaatsen der rampzaligen ophoopte.
„Dus hier!” sprak Lodoiska met bevende stem en een kil afgrijzen versteende hare borst.
Paul lichtte eenige lijders met de lantaarn in het gezicht. Zij staarden hem met wijd opengespalkte oogen aan, zonder een ooglid te verroeren.
„Dat zijn dooden, vriend,” sprak Rasinski; „de koude heeft hen versteend. Verder!” Lodoiska klemde zich aan de gravin vast.
Men moest zich door eene akelige opeenhooping van dooden en stervenden een weg banen, zoodat de voet, hoe behoedzaam ook neergezet, telkenreize tegen roerlooze ledematen stiet. Aan Rasinski's arm hangend, zweefde de schoone gestalte van Lodoiska als die van een engel des lichts door deze donkere grafgewelven.
„Het was toch goed, dat wij u geleiden, mijn kind,” sprak de gravin, die zelve alle kracht moest bijeenrapen, om zich staande te houden.
„Onder de bescherming der heiligen zou ik het ook alleen gewaagd hebben,” hernam het meisje en sloeg geloovig het oog ten hemel.
Paul hief de lantaarn omhoog en lichtte naar een donkeren hoek, waar nog geen lichtstraal was doorgedrongen, daar het schijnsel der aan het gewelf brandende lamp door een breede pilaar werd onderschept.
„Daar ligt nog iemand,” sprak hij en wees met den vinger.
„Barmhartige moeder Gods, dat is hij!” riep Lodoiska met zulk eene hevigheid, dat de hartverscheurende kreet door het gewelf weergalmde, terwijl zij geheel verpletterd aan Rasinski's borst zeeg. „Ja, hij is het,” herhaalde deze op somberen toon; „hij lijdt zwaar!”
Lodoiska's bedwelming was van korten duur, weldra gaf de liefde haar nieuwe krachten. „O, laat mij aan zijn leger nederknielen,” bad zij met bevende stem; „ach, ik smeek u!”
Rasinski ondersteunde hare wankelende schreden; doch Paul moest eerst eenige lijken uit den weg ruimen, eer men Jaromirs strooleger naderen kon.
Dicht in zijn mantel gewikkeld lag hij daar en, het licht bemerkende, richtte hij zich op. Met strakke, verglaasde oogen, waaruit stille waanzin sprak, tuurde hij een wijle in de vlam; een vliegende koortsgloed kleurde daarop zijne holle, uitgeteerde wangen en zich woest vooroverbuigend, wilde hij het schijnsel met de hand naar zich toerukken.
De onverschrokken gravin deed huiverend eene schrede achterwaarts. Is dat de schoone jongeling, vroeg zij zich zelve, die voor weinige maanden nog een toonbeeld was van bloei en leven? Hij, dit bleeke nachtspooksel uit het graf?
„Wat wilt gij?” vroeg Jaromir met holle, slepende stem. „Wat komt gij hier doen in mijn graf? Weg met dien fakkel!”
De snijdende smart hield Lodoiska's lippen krampachtig toegeklemd; zelfs de liefde was niet bestand tegen deze vreeselijke beproeving en mocht de boeien van het innerlijk afgrijzen niet verbreken.
„Jaromir! Wees een man! Herken ons!” riep Rasinski den ongelukkige toe en legde zijn warme hand op diens ijskouden arm.
Men zag dat 's jongelings waanzinnige verbijstering worstelde met het bewustzijn, hetwelk Rasinski's aanblik bij hem wekte; in al zijne blikken kon men lezen, dat zijne ziel zich uit de vreeselijke bedwelming poogde los te rukken.