1812: Historische roman

Part 91

Chapter 913,779 wordsPublic domain

Doch het was te laat. Te velen hadden zich tusschen hen en den vriend ingedrongen, en dit getal werd nog gestadig van buiten af vermeerderd, daar zij, die op den grooten weg nakwamen, dezen vroeger verlieten en het veld in eene schuine richting overstaken, ten einde zich zoo spoedig mogelijk bij de voorste troepen aan te sluiten. Tegen dezen stroom op te worstelen was ondoenlijk; door voort te dringen hem sneller te deelen, ook hieraan was niet te denken. Er bleef hun dus geene andere keuze over, dan zich door den stroom lijdelijk te laten voortstuwen. De weg kromde om de hoekige heggen en heiningen der verspreid liggende buitentuinen; eensklaps verdeelde hij zich in verschillende zijpaden, die alle reeds met vluchtelingen bezaaid waren. Welke richtingen had Rasinski hier genomen? Dit was met geenerlei zekerheid te bepalen en, al ware het ook mogelijk geweest, zoude het toch niet gebaat hebben, want ook hier was men niet meer aan zijne vrije verkiezing overgelaten; elk moest volgen, werwaarts de toevallige richting der gestadig talrijker aandringende scharen hem voortdreef. Naar denzelfden stelregel, die hem aan den oever der Beresina het leven had gered, was Bernard er ook hier op bedacht, zich aan den stroom der menigte te ontworstelen, om eindelijk de keus van den weg weer vrij te hebben. Dit gelukte hem niet ver van de eerste huizen der voorstad, in welker enge straten de verblinde scharen als eene door een wolf vervolgde kudde binnendrongen. Ademloos en uitgeput kwamen zij ten laatste in de ruimte; de winter, die hen zoo lang vervolgd had, werd nu hun redder, want slooten en plassen, die hun anders zouden belet hebben, de stad langs dezen weg te naderen, waren thans vast toegevroren.

Hun weg verlengde zich tot over het half uur, doch eindelijk bereikten zij een andere, tegenover de eerste gelegen voorstad en zagen zich hier geheel alleen, alsof zich geen leger in de nabijheid bevond. De weinige armoedige huizen, welke zij hier aantroffen, konden hun geene schuilplaats aanbieden, daar zij door de bewoners verlaten waren; maar de geopende stadspoort lag op geringen afstand voor hen, en met onuitsprekelijke blijdschap ontdekten zij op de breede straat reeds verschillende goed gekleede menschen, welker geheele voorkomen verried, dat de ellende des oorlogs hier een einde nam. Sidderend van vreugde traden zij de poort binnen en gevoelden thans ook over het lot van Rasinski minder ongerustheid, daar zij, bij het zien der bewoonde huizen en der alom heerschende rust en kalmte, vooronderstellen moesten, dat ook hij reeds eene veilige schuilplaats gevonden had. Slechts eenige uren verademing, rust en warmte, dan zou, hoopte men, de geliefde vriend wel op te sporen en het wederzien dubbel verblijdend zijn.

Het naaste dak was ook het meest gewenschte; de nood verhief elke hut tot een paleis; derhalve snelden zij met haastige, wankelende schreden op een klein, vriendelijk huis toe, aan welks deur zij eene jonge vrouw ontdekten, die evenals eenige voorbijgangers, de aankomenden met groote oogen aanstaarde.

Bianca, het russisch machtig, riep haar reeds op eenigen afstand toe: „Hebt gij plaats voor ons goede vrouw? Wij willen u rijkelijk beloonen.”

Daar vloog deze eensklaps met den uitroep: „Om aller heiligen wil, gravin Feodorowna, zijt gij het?” de naderende te gemoet, greep hare handen en bedekte ze met kussen. „Wat voert u herwaarts? En in dien toestand! Barmhartige God! Herkent gij mij dan niet?”

„Axinia! Gij zijt het?” riep Feodorowna met bevende stem. „Axinia! Gij onze redster?”

Hier begaven haar kracht en zinnen; zij wankelde, Bernard en Lodewijk vingen haar in hunne armen op, Axinia greep het kind, snelde vooruit en riep: „Volgt mij, hier woon ik!”

Na een duldeloos lijden hadden de ongelukkigen dan eindelijk redding, hulp en liefde gevonden. Uit de barre wildernis waren zij tot de gastvrije woningen der menschen teruggekeerd. Hun leven zou geen foltering meer zijn; vriendelijk bood de werkelijkheid hun de hand—de wisseling echter was te onmetelijk groot, te onverwacht; nu zij daar was, vermochten zij haar niet te bevatten.

HOOFDSTUK II.

Axinia bracht de geliefde gebiedster, aan welke zij eens hare redding was verschuldigd en wie zij het nu kon vergelden, terstond te bed en zocht alles, wat het kleine huis opleverde, ter harer verzorging bijeen. Reeds na eenige minuten richtte Bianca het hoofd weder op en zag, tot haar volle bewustzijn teruggekeerd, met zalige blikken in het rond. „O mijn broeder, o mijn geliefde!” sprak zij en drukte Bernard en Lodewijk, die aan haar leger zaten, de handen. „Is het dan toch waar, zijn wij gered? Heeft deze onuitsprekelijke ellende werkelijk een einde genomen?”

„Ja, het is zoo! Wij behooren tot de weinigen, die den dood ontkwamen!”

„En welke hand biedt mij het eerst hulp en bijstand aan!—Ach, Lodewijk, ik offerde eenmaal veel voor dat goede kind op! Om haar te redden verzaakte ik de liefde, die ik u toedroeg. Wel was deze toen nog als een diep geheim in mijn hart verborgen en scheen zij slechts als een schoon, ongenaakbaar gesternte in den nacht van mijn ongeluk; maar toch was zij de eenige straal van hoop, die mij toelachte, het eenige geluk mijner eenzame droomen. Doch hoe onuitsprekelijk rijk beloont de goedertierende hand der Voorzienigheid, en hoe ondoorgrondelijk zijn Hare wegen en bestieringen! Nu is het Axinia, die ons aan het verderf ontrukt.”

Deze was intusschen binnengetreden en naderde met een van vreugde en geluk stralend gelaat. Bianca vroeg haar thans naar haar wedervaren, naar de oorzaak, die haar in Rusland had teruggehouden, daar zij dit rijk voor altijd had willen ontvlieden. Van schaamte blozend antwoordde de jonge vrouw, dat een te vroege bevalling haar verrast en in eene langdurige ziekte gestort had. Deze ziekte deed hare kleine bezitting spoedig inkrimpen, en daar zich inmiddels voor Paul eene gelegenheid opdeed, om als opziener in het lazaret geplaatst te worden, eene betrekking, waarvoor zijne kennis van de fransche, duitsche en russische talen hem boven anderen geschikt maakte, had hij haar te gretiger aangegrepen, wijl zijne uitzichten op eene betrekking in Duitschland in dezen woeligen tijd toch niet dan zeer onzeker waren en Axinia zich middelerwijl van hare ziekte volkomen herstellen kon.

Terwijl de jonge vrouw een kort verslag van hare ontmoetingen gaf, ontstond er op de straat een toenemend gedruisch en gewemel. De buren verzamelden zich in verschillende groepen, of snelden de straat op naar het midden der stad; in alle huizen opende men de vensters en zag nieuwsgierig naar buiten. Axinia deed hetzelfde. „Heilige moeder Maria, wat is er te doen?” riep zij verschrikt uit. „Ach, daar komt Paul, hij zal ons bericht brengen.”

Zij ijlde haren man te gemoet, die, toen zij hem de aankomst der onverwachte gasten bericht had, vol vreugde binnentrad.

„Genadige gravin!” riep hij, „dus zijt gij het waarlijk? En gij waart gekomen met dien hoop ongelukkigen, die huilend door de poort indringt?”

„Wij komen met het leger,” hernam Bianca.

„Met het leger?” vroeg Paul verwonderd. „Dus zou dat het leger zijn? Onmogelijk!”

Thans eerst ontdekte men, dat de keizer zijn ongeluk zóó diep verborgen had weten te houden, dat de ingezetenen van Wilna van de vreeselijke rampen, die de macht van den wereldbedwinger verpletterd hadden, nog niet het geringste vermoedden. Met schrik en verbazing hoorden Axinia en haar echtgenoot dit bericht en tevens de schildering der vreeselijkste ellende aan, waartoe ooit eenig leger was of kon vervallen.

Axinia verbleekte en beefde, toen zij hoorde, dat hare gebiedster in al deze gevaren en rampen had gedeeld. Sidderend wierp zij zich voor een klein Mariabeeld op de knieën en bracht onder het storten van tranen deze heilige haar dank voor de redding van Feodorowna toe. Nu verdubbelde zij hare bezorgdheid en liefde ook jegens de haar nog vreemde geleiders der gebiedster. O, het was voor haar dankbaar hart zulk eene weldaad, dat zij nu toch toonen konde, hoe gaarne zij aan de heilige verplichting voldeed, welke Bianca's grootmoedigheid op haar had gelegd.

Het gewoel op de straat vermeerderde; men ontdekte enkele dier ongelukkigen, die, huisvesting en lafenis zoekende, tot in deze afgelegene wijk waren doorgedrongen. De eerstkomenden werden opgenomen, maar toen zich nog anderen en eindelijk gansche benden vertoonden, sloten de verschrikte bewoners hunne huizen.

De afgewezenen, die in het gezicht der redding zouden omkomen, daar hunne uitgehongerde, vermoeide lichamen tegen de vreeselijke koude niet langer bestand waren, hieven een afgrijselijk gebrul aan. Zij beukten op de huisdeuren en dreigden alles in brand te steken.

Paul was besluiteloos, wat hij doen zou; zijn menschelijk gevoel dreef hem aan, de ongelukkigen op te nemen; de voorzichtigheid gebood, hen terug te wijzen. Bianca riep hem toe: „Neem op, zooveel uw huis kan bevatten! Wij hebben de ellende met hen gedragen, wij weten dat medelijden plicht is.”

De jonge man wilde wegsnellen, om aan het bevel der gravin te voldoen; doch het was niet meer noodig. Slechts een kleine troep was tot hier verdwaald geweest en had reeds huisvesting gevonden; de overigen waren naar de stad teruggekeerd om daar hun geluk te beproeven.

„Maar hoe is het mogelijk,” zeide Bernard, „dat deze lieden thans eerst in de stad dringen, dat niemand voor hen zorgt, niemand hun schuilplaats verleent. Wij zouden reeds een half uur vroeger hier zijn geweest, zoo wij ons niet, om het gedrang te ontwijken, den omweg naar deze poort getroost hadden.”

„Dat is het juist, waaraan het gansche onheil is toe te schrijven,” hernam Paul. „De menigte heeft zich in de enge voorstad zoo opgedrongen, dat niemand voor- of achterwaarts kan. De poort is door wagens, paarden en menschen verstopt; niet dan een voor een dringen zij binnen. Maar wie zou ook gedacht hebben, dat dit het leger was! Wij hielden hen voor een troep _marodeurs_, die, zooals gewoonlijk bij een terugtocht, voor het leger uit zwerven en door dit worden voortgedrongen. Daarom is ook dadelijk aan de magazijnen last gegeven, hun niets uit te leveren, in geen hospitaal mogen wij hen opnemen.”

„Heilige God!” riep Lodewijk; „dus moeten deze rampzaligen omkomen door de onzinnige, zelfzuchtige voorzorg der hunnen. Haast u, haast u, beste vriend; maak bekend, dat dit het gansche leger is 't welk binnenrukt, dat één uur uitstel aan duizenden het leven moet kosten, en gij zult tallooze ongelukkigen redden!”

Paul snelde weg.

Thans begonnen de geredden ernstige bezorgdheid over het lot van Rasinski en Jaromir te voelen. Tot hiertoe hadden zij gemeend, dat zij onder de laatsten behoorden, die eene schuilplaats gevonden hadden, nu echter bleek het, dat zij zich inderdaad onder de gelukkigsten moesten rangschikken. Bianca ontveinsde hare vrees niet geheel, doch trachtte die te verkleinen, daar zij duchtte, dat Lodewijk en Bernard aan de inspraak van hun edelmoedig hart gehoorzamen en dit veilige dak verlaten zouden, om zich, door hunne pogingen om Rasinski op te sporen, aan nieuwe gevaren bloot te geven. Zij had zich niet bedrogen, want als uit één mond riepen vriend en broeder: „Wij moeten hen opzoeken!”

Bianca zag hen angstig aan. „Is het echter noodzakelijk, kunt gij hun hulp of redding brengen?” vroeg zij. „Dikwijls houden wij voor plicht, wat ons het moeilijkst te volbrengen schijnt. Waar zult gij hen zoeken in de onbekende stad, in het gedrang en gewoel der naar huisvesting zoekende soldaten? Weet gij meer van hen, dan zij van u? Geeft gij u niet opnieuw bloot? Zoo gij in het gedrang geraakt, zoo——ach, gij laat mij aan den vreeselijksten angst over!”—

„Ik heb al die tegenwerpingen zelf gemaakt, geliefde,” antwoordde Lodewijk met zachten ernst; „doch mijn hart wederlegt ze alle. Voor eenige minuten nog achtte ik het verstandiger, dat wij eerst uitrustten en dan onderzoek naar hem deden, want ik waande deze stad voor allen eene reddende haven. Nu echter ook zij, gelijk alles in dezen verderfelijken oorlog, eene gevaarlijke klip wordt, is van zelve de noodzakelijkheid daar, om onverwijld te handelen. Ook voel ik mij door de warmte en verkwikking reeds weder sterker. Hoe, zoo Rasinski nu eens, gelijk vele anderen, hulpeloos door de straten dwaalde en slechts onze traagheid zijn ondergang berokkende?—Neen, mijn lieve, wij mogen het niet uitstellen, wij moeten hem zoeken.”

Bernard had inmiddels zijne muts reeds weder opgezet; Axinia voorzag beiden van pelslaarzen en andere verwarmende kleedingstukken en gaf hun rum en brood mede, ten einde zich zelven of anderen, die het noodig hadden, te laven. Zij gingen en beloofden na verloop van een uur terug te keeren.

De stad leverde een akelig schouwspel op: voor de magazijnen en hospitalen waren de beklagenswaardige vluchtelingen verzameld en belegerden de deuren, die het strenge verbod voor hen gesloten hield. Gehuil, verwenschingen en gebeden mengden zich dooreen; de burgers verscholen zich in hunne veilige huizen en grendelden de deuren en vensters. En inderdaad, de wezens, die men zag naderen, zwart van rook en aarde, met de uitdrukking van angst en honger in het holle oog, schenen eene schaar afzichtelijke harpijen, die roofgierig op spijs, drank en alles, wat een behagelijk leven verried, dreigde aan te vallen. Waar men hun uit mededoogen eene deur had geopend, moest men zich dit spoedig beklagen, want er kwam geen einde aan den aandrang; met onstuimige woede baanden zij zich een weg en, door den scherpen prikkel des lijdens onweerstaanbaar gedreven, hadden zij elk gevoel van dankbaarheid en matiging verloren. Gelijk overal, werwaarts deze scharen hunne schreden richtten, scheen zich ook hier de vloek, die op haar rustte, te openbaren; de redding was daar, de eindpaal des jammers bereikt, maar ook nu juist lag het gruwzame lot het grimmigst op de loer en spande het zijne verderfelijke strikken. Het rukte den ongelukkigen den beker der verkwikking van voor de lippen weg, juist nu zij hem aanroerden, en liet hen in duldelooze ellende versmachten.

Te vergeefs dwaalden de beide vrienden door dit akelig gewemel, waar de een zich niet meer om den ander bekreunde, maar elk met blinde woede om zelfbehoud en redding kampen wilde, heen en weder; te vergeefs riepen zij Rasinski en Jaromir luid bij den naam—geen bekende stem, geen antwoord liet zich vernemen.

Zoo zouden zij dan den edelsten vriend, die hun redder en beschermer in tallooze gevaren geweest was, verliezen, nu zij gehoopt hadden hem vroolijk en dankbaar in de armen te vallen. Treurig en moedeloos namen zij ten laatste den terugweg naar hunne woning aan, want ook hun zelven begonnen de krachten te ontzinken. Door lange straten vol versteende lijken, die voor de huizen lagen, aan welker gesloten deuren zij te vergeefs geklopt hadden, snelden zij voort. De felle koude nam gestadig toe; wie zich eenige seconden ter ruste nederzette, zonk verstijfd ter aarde, om zich niet weder op te richten.

Zoo waren de straten, die nog kort te voren van gejammer en gekerm weergalmden, weldra in stille kerkhoven veranderd, waar geen schijn van leven zich vertoonde en elke voetstap hol dreunend werd teruggekaatst. Met onuitsprekelijke droefheid in de borst naderden de vrienden het kleine huis. Geen van beiden sprak, men bekende elkander niet wat men vreesde, niemand waagde het, eene vraag te doen.—Reeds zetten zij den voet op den drempel, toen zij eene met postpaarden bespannen slede de poort zagen binnenrijden. Vol verbazing over deze verschijning, die hun sinds maanden vreemd was geworden en die vooral in deze stad der ellende hunne aandacht tot zich trok, richtten zij de blikken derwaarts.

Plotseling riep Bernard: „Almachtige hemel! Ik word krankzinnig of ik zie geesten! Het is Maria!” Met krampachtige onstuimigheid greep hij Lodewijk bij den armen, wees, hevig sidderend, op eene vrouwelijke gestalte, die juist met opgeslagen sluier uit het geopende sledevenster rondzag. Nauw kreeg Lodewijk haar in het oog, of ook hij herkende de geliefde wezentrekken en wilde met den kreet: „Zuster, zuster!” op haar toesnellen. Doch zijne knieën knikten, de krachten begaven hem; ook Bernard stond als aan den grond geketend en sloeg de armen om den vriend, nauw bewust of hij zich zelf, dan dezen ondersteunen wilde. „Zuster!—Maria!” riepen zij nog eenmaal en thans eerst hoorde deze hun geroep. Zij gaf een luiden gil van ontsteltenis en vreugde, het portier der slede vloog open, en nog eer de schuimende paarden stilhielden sprong zij er uit, zonk op de knieën, richtte zich weder op en zeeg bedwelmd en ademloos in de geopende armen des broeders.

Sprakeloos hingen broeder en zuster aan elkanders hart en misten woorden, om hun geluk, hun liefde uit te drukken. Voor Bernards oog werd het duister en smartelijke tranen welden daarin op; door diepen weemoed overmeesterd, wendde hij zich af en weende. Doch dra vermande hij zich en mompelde: „Ik heb immers ook eene zuster en kan in hare armen gelukkig zijn.”

Driftig wilde hij zich omwenden en naar binnen snellen, toen Maria als een vriendelijke engel voor hem trad en zijn naam noemde. Hij zag op; tranen glinsterden in haar oog, eene zachte smart veredelde haar gelaat, de lippen fluisterden nauwelijks hoorbaar, daar het jagen harer borst haar de stem roofde: „Bernard, lieve vriend!” Hij greep de hand, die zij hem aanbood;—als door onzichtbaren aandrang voelde hij zich gedreven, het liefelijke wezen in zijne armen te trekken, het te omvatten en aan zijn gloeiend hart te drukken. Doch een blik op haar maagdelijk gelaat, waarop tegelijk heilig vertrouwen en zachte schaamte troonden, deed hem voor zijne onstuimigheid terugbeven en hij bedwong zich met mannelijke kracht. Zachtkens drukte hij zijne lippen op hare hand en zeide: „Maria! ook ik heb eene zuster gevonden. O, ik ben thans geheel veranderd!”

Zij wilde antwoorden, toen hij met den verbaasden uitroep: „Hoe? de gravin!” het gesprek afbrak en alle droefheid en smart tevens gevoelde, welke deze verschijning op dit oogenblik teweeg moest brengen.

De gravin had op Maria's roepen en voortsnellen dadelijk laten stilhouden en volgde haar met Lodoiska, welke laatste door schrik en verrassing zoozeer was overweldigd, dat zij niet dan sidderende en door den arm van haar moederlijke vriendin ondersteund, kon naderen.

„O vriend! Hoe zien wij elkander weder!” sprak de gravin met diepe ontroering. „Zeg mij spoedig, wat weet gij van mijn broeder, van Jaromir....”

„Zij kwamen met ons hier,” viel Bernard haar driftig in de rede, daar hij vreesde, dat zij ook Boleslaws naam noemen zou, „doch in het gedrang verloren wij elkander uit het oog. Maar volg ons; wij hebben hier dak en huisvesting voor u. De stad is opgepropt met soldaten; gij zoudt bezwaarlijk een schuilplaats vinden.”

De gravin nam Bernards aanbieding terstond aan, doch wierp tevens een onrustigen blik op hem en Lodewijk, wijl beider gelaatstrekken geene vreugde te kennen gaven. Lodoiska's oog hing angstvol aan Bernards lippen; een voorgevoel der waarheid scheen haar te doen huiveren, want zij werd bleek als de sneeuw, waarop zij stond, toen zij den naam des geliefden hoorde.

Bernard geleidde de gravin in het huis, welks deur door Axinia, die de komenden uit het venster bemerkt had, reeds geopend werd. Lodewijk volgde, terwijl hij zijne zuster aan den arm had, die Lodoiska ondersteunde. Vol verbazing staarde Axinia de vreemde dames aan en wierp een vragenden, verlegen blik op Bernard.

„Slaapt de vorstin?” vroeg deze.

„Zij is zoo uitgeput, dat ze in eene diepe bedwelming ligt,” was het antwoord; „evenwel durf ik het geen slaap noemen, want zij rijst dikwijls verschrikt op en roept de namen: Jaromir, Rasinski.”

Bernard ontstelde, want dit antwoord verried bijna alles.

„Wat beteekent dat?” riep de gravin. „Ik bezweer u, verheel mij de waarheid niet. Waar is mijn broeder, waar Jaromir? Op hun dood zijn wij lang voorbereid en wij gevoelen ons sterk genoeg om met onderwerping te dragen, wat over ons beschikt is. Deze angstige spanning breekt mij het hart; hoe zal Lodoiska ze verdragen?”

Gelukkigerwijs was deze nog zoo ver achtergebleven, dat zij van dit gesprek niets vernam. Bernard antwoordde fluisterend: „Ik kan u den angst niet besparen; echter is mijne hoop grooter dan mijne vrees.”

Axinia bracht de nieuwe gasten in een ander vertrek, ten einde Bianca in hare sluimering niet te verontrusten. Met een zonderling gemengd gevoel van vreugde, geluk, angst en verbazing hoorden de vrouwen hier een vluchtig verhaal aan van de rampen en gevaren, waarmede de mannen in dezen verderfelijksten aller oorlogen hadden te worstelen gehad. Men was huiverig, van Boleslaws dood te spreken, doch eindelijk nam Lodewijk het woord: „Een onzer liefste vrienden heeft het lot uit onze armen weggerukt. Boleslaw viel; hij stierf een heldendood,—hij stierf schoon!”

Maria weende zacht in de armen des broeders en verborg haar gelaat aan zijne borst. Bernard zat somber, het hoofd op zijne hand gesteund, en staarde op den grond. Lodoiska hoorde het naricht met kloppend hart en bleeke lippen; slechts koude tranen rolden over hare wangen. Was het een bang voorgevoel, dat haar beklemde, of wel medelijden met den edelen jongeling, die haar stom en trouw bemind had en voor wien zij althans eene oprechte genegenheid gevoelde,—wie kan het beslissen? De gravin was opgestaan en wandelde, gelijk zij bij heftige gemoedsaandoeningen gewoon was, diep ontroerd door het vertrek. „Gij zijt gelukkig,” sprak zij ontroerd, „wie de last der smarten nog in verlichtende tranen van de borst wegsmelt. Ik kan niet weenen: mijn hart is versteend onder het gewicht der ellende. Ik ween niet, en ik wil niet weenen. Waarheid, zekerheid is de eenige gunst, die ik nog van den hemel weet af te bidden. Hebt gij mij aangaande Rasinski en Jaromir alles gezegd?”

Lodewijk schroomde te antwoorden, want van Jaromirs krankzinnigheid hadden zij gezwegen; Bernard echter had zich van de verlegenheid, welke deze rechtstreeksche vraag hem veroorzaakte, spoediger hersteld. „Alles,” sprak hij haastig, „wat zich in de weinige trekken liet te zamen dringen, waarmede wij het tafereel der ongehoorde wereldgebeurtenissen en zonderlinge eigen ontmoetingen trachtten af te schetsen.” De gravin stond als het marmerbeeld eener Minerva, onbewegelijk, trotsch overeind. Haar donker oog blikte in de troostelooze toekomst, stille weemoed zweefde om hare lippen, verheven ernst zetelde op haar hoog voorhoofd; lang stond zij zwijgend en als versteend. Eindelijk vloog een zacht lachje over het edele gelaat, als een zonnestraal, die over het nevelachtige herfstlandschap heenzweeft. „Ik heb immers nog eene dochter!” riep zij en breidde de armen naar de bleeke, sidderende Lodoiska uit, die zich snikkend aan hare borst wierp. Zij hielden elkander teeder omarmd en slechts het beklemde ademhalen van haren door angst geprangden boezem was hoorbaar in deze minuten van heilige, doodsche stilte.

HOOFDSTUK III.

Paul was inmiddels naar huis teruggekeerd, zijn verslag aangaande den toestand der stad, dat Bernard hem heimelijk afvroeg, was ver van geruststellend. Bovendien begon de duisternis te vallen; met de zon van den volgenden dag moest men de terugkomst der hoop verwachten.

De vrouwen hadden zich naar het vertrek van Bianca begeven, die Lodewijk haar thans had voorgesteld. Welke zalige uren van liefde, vriendschap en heilig dankgevoel hadden zij thans te zamen kunnen doorbrengen, zoo angst en ongerustheid over de vermisten aller harten niet zoo drukkend hadden beklemd!