Part 90
„Ellendeling!” donderde Rasinski en sprong als een getergde leeuw op den razende toe. „Uit den weg met u, ontmenscht ondier!” Tegelijk greep hij hem met kracht en behendigheid in het gewricht der opgeheven vuist, zoodat hij zijn wapen niet kon gebruiken, en bracht hem met den brandenden tak zulk een hevigen slag op het hoofd toe, dat deze in splinters vloog en kolen en vonken in het rond stoven. Doch de slag was door de dichte berenmuts gebroken en had slechts den toorn van den verbitterde tot ziedende woede doen stijgen. Een Hercules in lichaamsbouw, in lengte een half hoofd boven zijne tegenpartij uitstekende, liet hij de sabel vallen en wierp zich op Rasinski, om hem al worstelende in de vlammen te werpen. Deze bood slechts een oogenblik tegenstand, toen gleed hij uit, struikelde; viel op de knieën. Hij was verloren! Een roekeloos monster dreigde de edelste heldenborst met ruwe overmacht te verpletten! Daar sprong Lodewijk met bliksemsnelheid den vriend te hulp, greep den woedende van achteren aan en sleurde hem terug, zoodat beiden ter aarde stortten. Rasinski raapte de gevallen sabel op, rukte den op den grond liggende met de linkerhand de berenmuts van het hoofd en bracht hem met de rechter een houw langs de slapen toe, die hem den schedel door midden kloofde. Fier en gebiedend als een koning, richtte hij zich thans op en trad met majesteit in den kring der verschrikte soldaten. „Werpt het lijk in de sneeuw,” beval hij; „gaat weer liggen en slaapt.”
Alsof hij dat wapen ontberen en de menigte door zijn verheven geest alleen beheerschen kon, wierp hij het verachtelijk van zich. Niemand verstoutte zich, een woord te reppen; een tweetal nam het bebloede lichaam op, droeg het eenige schreden buiten den kring en wierp het op de overige lijken.
Daar de gramschap nog bij hem navolgde, gelijk de zee na een hevigen storm, ging Rasinski eenige oogenblikken op en neder, zonder zelfs naar zijne vrienden om te zien. Weldra echter had hij zijne bedaardheid herkregen, reikte den met bloed bespatten vriend, die Bianca teeder in zijne armen omvangen hield, de hand en sprak: „Gij zijt mijn redder! Ziet gij, dat heeft de woelige krijg zelfs in dezen jammervollen tijd nog boven het alledaagsche leven vooruit, dat hij ons in een enkel uur meer gelegenheid om den vriend van dienst te zijn aan de hand geeft, dan een gansche menschenleeftijd van den slaperigen vrede in staat is op te leveren. Ik dank u!—Maar gaat nu weder rusten, mijne vrienden; het is niets dan één doode meer onder de legioenen, die om ons heen versteend zijn. Eene kleine kramersnegotie tegen den wereldhandel van het lot!”
Zijn oog vestigde zich weder op Jaromir: deze scheen in slaap gezonken en had het blonde hoofd tegen Bernards borst gedrukt. In de stille, bleeke trekken lag een nameloos lijden, dat geen vriendelijk oog met een zachten sluier bedekte.
„Laten wij hem in ons midden nemen, Bernard,” sprak Rasinski. „Wat kunnen wij anders, dan hem aan de genade des hemels aanbevelen? Wellicht brengt de slaap hem weder tot kalmte.”
Hij had zich wederom neergevlijd, nam Jaromir in zijne armen en drukte hem liefderijk aan zijn hart. „Rust hier uit; de verschrikkingen des winters zullen u in mijne armen niet vinden. En kunt gij, ontwaak dan tot een beteren morgen!” Dit zeggende zonk hij achterover, bedekte het hoofd en rustte hart aan hart met den lijdenden vriend. Spoedig, zoo onweerstaanbaar deed de albedwingende natuur haar rechten gelden, viel hij opnieuw in vasten slaap. De krijgslieden om hem heen waren reeds lang weer ingesluimerd en zoo was de vreeselijke ontmoeting schielijker vergeten, dan een vluchtig oprijzend droombeeld van den nacht.
Bernard en Lodewijk waakten gezamenlijk, daar één alleen zich misschien door den slaap had kunnen laten overrompelen, en deelden de zorg voor het vuur, waarmede het leven van allen tot een eeuwigen nacht zou zijn uitgebluscht.—Een scherpe nachtwind verhief zich, streek ijskoud langs hunne wangen en deed de sneeuw in lichte vlokken van de toppen der dennen neerdwarrelen.
„Brr! hoe grimmig blaast die winter ons in den rug!” mompelde Bernard; „ik verbeeld mij de ijzeren klauwen, waarmede hij zijne slachtoffers worgt, reeds in den nek te voelen. Weg, monster! Hier neemt uw rijk een einde! Hier brandt de vlam des heils, die wij getrouwer onderhouden zullen dan de Vestalen de hare.”
„Hoe eng,” merkte Lodewijk, „is de ring des levens, die om deze zon loopt. Wij liggen op de bijna ondeelbare grenslinie tusschen den vuurdood en dien der verstijving.”
„Als de wind ons zoo scherp aanblaast als nu,” hernam Bernard en rakelde het hout op, „en het vuur ons zulke gloeiende pijlen in de oogen schiet, dan is het bijna, alsof men beide martelingen tegelijk voelde. En is dat niet in het klein een beeld van de wereld? Onze aarde, eene span nader bij de zonnevlam, verschroeit en vergaat tot asch, eene span verder, en alle leven versteent in de koude, onmetelijke wereldruimte. De mensch is overal even hulpeloos, even nietig als hier. Hij sluit slechts de oogen en waagt geen blik over zijn eng grensgebied in leven, weten en genieten.”
„Neen, Bernard, gij spreekt geen waarheid, geen waarheid zelfs voor u zelf,” antwoordde Lodewijk ernstig. „Gij schat het leven zoo gering niet en miskent den waarborg niet, dien de Eeuwige ons in zijne kortstondige verschijning geeft. Wie kon dit leven ook slechts een oogenblik verduren, zonder die hoop op het hiernamaals, die eeuwig als het spiegelbeeld des hemels door de golven der aardsche woelingen heenblinkt! En is het schoonste, dat ons dit aanzien aanbiedt, niet ook een afschijnsel van daar—de liefde...”
„Heb ik het dan ooit geloochend?” viel Bernard hem in de rede en zijne gansche gevoelige ziel schitterde in zijn oog. „Zie deze hier slechts,” hij wees op Bianca, „zie haar sluimeren en vraag dan u zelf! Zij maakt zelfs mij vroom, zooals de menschen dat gewoonlijk noemen, want als zij bidt en knielt, is dat zoo schoon en waar, dat ik denk: kunt gij dan iets beters? Van haar alleen leer ik, dat ootmoed sterker is dan trots; al vergeet ik het dan ook spoedig weder. Gisteren, toen de nood op het hoogst was, zag ik haar achter gindschen boomstam knielen en bidden; en ik deed het ook, schoon enkel voor haar. O Lodewijk, zullen wij haar schuldeloos leven redden uit dezen afgrond van ellende, waarin wij dag aan dag dieper wegzinken?”
„Ik hoop nog,” sprak de vriend innig ontroerd.
„O, thans ondervind ik het,” hernam Bernard, „dat gij beter zijt dan ik. Ik handel rasser dan gij, ik _schijn_ onverzettelijker, maar gij _zijt_ het. Ik voel, dat mijn hopen, mijn vertrouwen, mijne kracht eene grens heeft, en ik ben die grens nabij. Zoo even waande ik ze uitgeput; ben ik echter eens moedeloos, dan zal ik het geheel zijn. Gij met uwe edele bedaardheid, uwe onwankelbare mannelijke deugd zult het nimmer worden. Ik loop, spring, vlieg en ben u dan ook eene poos lang vooruit geweest. Gij gaat met vasten, rustigen tred; daarom zult gij nog staande blijven, als ik machteloos neerzink.—Dan Lodewijk—dan maak mijne zuster gelukkig—en groet de uwe! Neen, neen, zeg mij niets, ik bid u,” riep hij driftig, toen Lodewijk hem wilde antwoorden. Hij wendde zich af en hulde zich dieper in den mantel.
Zoo zaten zij sprakeloos nevens elkander. Eensklaps liet zich een zacht klagend gezang achter hen hooren. Het was Jaromir, die slapeloos met open oogen neerlag en, smartelijk glimlachend, die tonen neuriede.
„Hij droomt van haar,” sprak Lodewijk; „het is de melodie van het lied, dat Lodoiska ons dien avond te Warschau voorzong. Dikwijls heb ik de wijze van hem gehoord. Daar dus toeft zijne ziel.”
Bernard staarde den ongelukkige weemoedig aan. „Daar toeft zij,” herhaalde hij langzaam, „bij zijne liefde! Het is over ons besloten,” vervolgde hij met doffe stem, „wij moeten te gronde gaan. De afgrond is te diep. Ik durf er niet meer in neerzien, anders stort ik duizelig in de diepte!”
De krankzinnige zong klagend voort en zag met een onbeschrijfelijk smartelijken blik tot de vrienden op. Na eenige minuten bestierf de toon op zijne lippen en hij verzonk weder in doffe bewusteloosheid.
„Was de tijd slechts voorbij, dat ik slapen kon!” riep Bernard. „Slapen! ik ben moe. Het logge dier weegt zwaar op mijne ziel en verdooft hare laatste glimmende vonken! Het is voorbij met menschelijkheid, vriendschap, liefde en haat; alles stomp en ledig en dood. Wie zou anders slapen kunnen bij zulk een jammer! Hoe laat is het?”
„Terstond middernacht.”
„Dan zijn wij spoedig afgelost!”
De minuten kropen met loomen, slependen tred voorbij. Eindelijk was het uur om. Zij maakten hunne opvolgers wakker en legden zich tot slapen neder, om den last aller bezwaren, aller angsten, aller smarten in de ledige ruimte van doffe vergetelheid af te schudden.
VIJFTIENDE BOEK.
HOOFDSTUK I.
Toen Rasinski na een onrustigen slaap van den harden grond opsprong, zag hij zich door een dichten nevel omgeven, die het woud in grijze sluiers hulde en zelfs de naastbijzijnde voorwerpen aan het oog onttrok. Het waren echter ditmaal geene vochtige mist- en morgendampen, die tusschen de struiken heentrokken, maar ontelbare, zwevende ijsstofjes, welke de lucht bezwangerden en bij elken ademtocht als bijtend gif op de longen vielen.
„Op, op, gij slapers!” riep hij; „voorwaarts, heden kunt gij den eindpaal van uw lijden bereiken!”
Doch slechts een gering aantal zijner lotgenooten hoorde zijn geroep. Eenigen bewogen zich nog, kreunden uit holle borst, trachtten zich op te richten, maar tuimelden even spoedig weer achterover, om den laatsten zwakken adem des levens uit te blazen. De meesten lagen reeds in de koude armen des doods en vormden een breeden kring van lijken om het smeulend vuur. Jaromir richtte zich op. Hij had het voorkomen van eene bleeke spookgestalte, die uit het graf oprijst; echter leefde hij nog. Lodewijk en Bernard gevoelden, dat zij heden hunne laatste krachten inspanden. Zonderling was het, dat Bianca het minst had geleden en door haar voorbeeld ten bewijze kon strekken, dat het vrouwelijke lichaam der vrouwelijke ziel gelijkt en, als deze, tegen het lijden beter bestand is, dan dat der mannen.
Met een gevoel van huivering en afgrijzen baande zij zich over den kring van versteenden den weg; tot op een aanmerkelijken afstand was de grond daarmede overdekt, zoodat zij meermalen genoodzaakt werd, den voet op menschelijke lichamen te zetten.
Jaromir scheen alle besef te hebben verloren; hij wandelde naast Rasinski voort en volgde zwijgend elken wenk op, welken deze hem gaf.
Een akelige, doodsche stilte heerschte nog in de schemering van het woud, want zij, die om de uitgaande vuren den nacht hadden doorgebracht, lagen òf nog in vasten slaap òf waren reeds in de versteenende omarming van den dood gezonken. Men ging hooge beuken voorbij, welker zware takken tot dicht op den grond neerhingen en lijken bedekten, die in verschillende houdingen door den dood verrast en in steenen beelden herschapen waren. Eenigen hielden in de krampachtig toegeknelde vuist nog de bijl geklemd, waarmede zij te vergeefs beproefd hadden deze reusachtige boomen te vellen. Anderen hadden, met even weinig gevolg, vuur om de stammen gelegd en ze op die wijze pogen in brand te steken; men zag hen, het hoofd op de knoestige wortels neergebukt, de tot asch verteerde lont nog in de hand houden.
Rasinski verhaastte zijne schreden, om dit schrikwekkend oord zoo ras mogelijk te ontvlieden; doch de gansche weg leverde een tooneel van ontzetting op en bij elken tred stiet de voet op nieuwe, vreeselijke hinderpalen. Eindelijk, na verloop van een uur, bereikte men eene opening van het woud en, daar de nevel verdunde, ontwaarde men in de verte een huis, dat wellicht eene verkwikkende rustplaats kon aanbieden. Met verdubbelden spoed ijlden de wandelaars daarop toe; maar toen zij nader kwamen en de vensters verbrijzeld en van ruiten en roeden beroofd zagen, bespeurden zij wel dat ook deze hoop hen bedrogen, dat men hier geen verblijf voor levenden te wachten had. Rasinski verlangde echter zekerheid en opende de slagdeur van het hoofdgebouw, dat eene schuur of stalling scheen te zijn; doch huiverend sprong hij terug, want hij ontdekte slechts lijken, die in dicht gedrang, ja zelfs op elkander gehoopt, den grond bedekten en hem met verglaasde oogen aanstaarden. „Is hier nog een levende?” vroeg hij, zich vermannende, met luider stemme. Alles bleef doodstil in het wijde graf en de stem stierf met doffen nagalm in de holle ruimte weg.—„Leeft hier nog iemand?” riep hij nog eens, want zijn hart verzette zich tegen de vreeselijke gedachte, dat in dezen warklomp van menschelijke lichamen ook niet ééne vonk van leven meer glimmen zou. Maar het was zoo; want, toen hij zijn pistool nam en het boven de hoofden der liggenden losbrandde, verroerde zich nog niemand, maar alles bleef stil als in de diepste eenzaamheid eener woestenij. Onder andere omstandigheden zou hij het bij deze poging niet hebben laten rusten, doch thans, nu zijne dierbaarste betrekkingen, en hij zelf met hen, in onmiddellijk doodsgevaar verkeerden, thans was zijn edel hart ongevoeliger geworden en hij wendde zich af met de woorden: „Alles te vergeefs! Verder, verder!” Zoo vervolgden zij hun weg met den hoogst mogelijken spoed, want het verderf zat hun op de hielen als een roofdier, dat naar buit jaagt en zijn offer aangrijpt, zoodra het, door uitputting overmand, een oogenblik poogt adem te scheppen.
De weg werd thans meer en meer met vluchtelingen bevolkt, die uit de omliggende bosschen of naburige verlaten dorpen te hoop stroomden. Weldra bevond men zich weder in het dicht gewemel van die spookachtige, grijnzende, holoogige schrikgestalten, die de winter met gruwzamen hoon in de avontuurlijkste kleederdrachten had uitgedost, zoodat het lachwekkende zich in de vreeselijke nabijheid van den hartverscheurendsten jammer scheen gewaagd te hebben. De adem bevroor oogenblikkelijk, zoodra zij de lippen ontvlood. Vandaar waren de lange, verwilderde baarden, ja zelfs het hoofdhaar en de wenkbrauwen der ongelukkigen met spitse ijsnaalden bedekt, die hun het voorkomen van stokoude, zilverharige grijsaards gaven.—Doch te midden van al deze schriktooneelen werden de innig verknochte vriendenharten het gevoeligst getroffen door den rampzaligen toestand van Jaromir, die, in steeds toenemende zinsverbijstering, wel uiterlijk gevoelloos bleef voor het lijden, waaronder anderen gebukt gingen, en bijwijlen zelfs in krankzinnig schertsen en lachen uitbarstte, maar inwendig toch door gestadig vernieuwde aanvallen, nu van diepe droefheid, waarbij hij een luid gejammer hooren liet, dan van teugellooze razernij en vertwijfeling werd aangetast. In deze vlagen van woede, die de laatste levensbanden plotseling dreigden los te rukken, kende hij niemand en stiet zelfs Rasinski met dolle drift van zich, zoodat de vrienden hem vasthouden en beletten moesten, dat hij de handen aan zich zelf sloeg. Zij deden het, doch hunne vereende krachten waren nauwelijks toereikend en zij zagen het vreeselijk oogenblik naderen, dat zij den ijlhoofdige als een reddeloos verloren offer aan de furiën zouden moeten ten prooi geven. Tweemaal was de vlaag gebroken; toen de aanval zich ten derdemale verhief, tastte deze den lijder heviger en langduriger aan dan te voren. Eindelijk riep Rasinski: „Het is onmogelijk, wij moeten hem opgeven; bidden wij slechts, dat de hevigheid zijner folteringen zijn einde bespoedige!”
En reeds wilden zij hem aan zijn lot overlaten en in bandelooze drift laten voorthollen, toen de hemel hem in Bianca een reddenden engel toezond. Haar hart kon niet dulden, dat men zulk een vriend aan het verderf prijsgaf, zoolang de heilige vonk des levens nog in zijne borst gloorde. Weenend en smeekend wierp zij zich tusschen de mannen in en riep: „O neen, geeft hem niet op, redt hem of laat ons met hem omkomen!” Hierop wendde zij zich tot Jaromir zelven, aarzelde niet de hand des waanzinnigen zachtkens in de hare te nemen, en smeekte op een toon, die zelfs tot in den diepen nacht der zinneloosheid doordrong: „O, wees bedaard! Kom tot u zelf, herken uwe vrienden en ga met ons!”
Als uit een beangstigenden droom ontwakend, staarde Jaromir haar strak en verwonderd aan en vergat plotseling het worstelen tegen de hem omringende vrienden. De woeste golven zijner krankzinnigheid werden eensklaps effen, toen de vriendelijke gestalte met zachten blik door de donkere sluiers, die zijne ziel omhulden, heendrong. Stil en gehoorzaam als een kind vouwde hij de handen en sprak met bevende stem: „Ik wil u immers gaarne volgen; laat mij slechts aan uwe zijde gaan en verstoot mij niet weder!” Zij reikte hem vriendelijk den arm en zeide: „Kom, ik wil u geleiden.” En gewillig liet hij zich leiden en brak niet weder in gejammer, niet weder in vlagen van woede uit, maar glimlachte stil voor zich heen, als in zalige droomen. Met ontroering bemerkten de mannen dit vermogen der reine vrouwelijke ziel en hunne borst werd met deemoed en vereering vervuld.
Het was de laatste beproeving. Eindelijk sloeg het uur der verlossing. Eensklaps verhief zich onder de voorste troepen een kreet van vreugde en verbazing, die met elken voetstap luider en luider werd en, daar elk naar de reden vorschte, weldra in een luid geroep en geschreeuw overging. Ten laatste bereikte ook Rasinski met de zijnen de kromming van den weg, waar het gejoel zich het eerst had doen hooren, en de lang gewenschte haven der redding, de eerste bevolkte, bewoonbare stad, WILNA, lag voor hunne oogen uitgestrekt. Bij dezen aanblik kende de verrukking geen palen; snikkend vielen de vrienden in elkanders armen en onder het storten van heete vreugdetranen zocht hun overstelpt hart lucht in een vurig dankgebed tot den almachtigen Helper.
Zelfs de bitterste herinneringen aan het verleden versmolten in dit oogenblik voor de vriendelijke stralen van den gelukszon; slechts de pijl van het heden, die nog in de versche wonde van het hart brandde, smartte onbeschrijfelijk.
Met innigen weemoed vestigde men het oog op den ongelukkigen jongeling, voor wien dit uur der verlossing geene waarde meer bezat. Slechts één dag vroeger en ook hem zoude de zon der vreugde vriendelijk hebben toegelachen!—Doch met doffen slag wierp het lot de poorten toe, juist toen hij op den dorpel trad, en belette hem voor eeuwig den toegang tot de vroolijke velden des levens!
Koel en onverschillig zag Jaromir de ontroering der vrienden aan. Een oogenblik scheen het, dat hij een straal der waarheid zag doorschemeren: hij ademde sneller, beklemder; het was, alsof de stroom der vreugde zich met geweld uit de borst een weg banen en de klemmende boeien der krankzinnigheid verbreken wilde. Doch deze bleven machtiger; zuchtend liet de ongelukkige het hoofd weder zinken en zijn ontvlammend oog verloor dien kortstondigen gloed. „Leid mij verder, Lodoiska,” richtte hij zich smeekend tot Bianca, die, door de hevigheid harer aandoeningen overweldigd, in Lodewijks armen hing en zich nauwelijks kon staande houden. De gedachte echter, dat een grenzeloos ongelukkige haren bijstand behoefde, gaf haar de noodige bedaardheid terug; zij bood hem opnieuw den arm en, door de hoop met frissche krachten toegerust, zette men met verhaaste schreden den weg voort.
Het nabijgelegen doel was echter moeielijk te bereiken; want reeds zag men de wegen in hunne gansche breedte met ongelukkigen bezaaid, die de aanblik van den gewenschten eindpaal van hun lijden aan de doffe bedwelming had ontrukt, waarin de overmaat der geledene rampen hen gedurende de laatste dagen had doen wegzinken. In blinde haast—gelijk het over het geheel de vloek was, die op dezen ganschen noodlottigen terugtocht rustte, dat men redding en verderf met dezelfde verblinding miskende—stormden zij op de stad aan. Hoewel het ruime veld nog eene vrije uiteenspreiding der massa's veroorloofde, bespeurde men nu reeds een golvend samenpakken en opeendringen; wat moest het gevolg zijn, wanneer engere toegangen het afstroomen van dezen vloed belemmerden? Rasinski zag het met bezorgdheid. Hij vreesde eene tweede, meer vreeselijke Beresina, wijl niet eenmaal de vijand, maar slechts de razende verblinding der bevriende lotgenooten het onheil dreigde te bespoedigen. Als dáár nam de gansche stroom ééne enkele richting; aan eene dierlijke aandrift gehoor gevende, volgde elk zonder oordeel of overleg den makker na, die voor hem ging. De zucht om het doel te genaken, deed slechts daarop achtgeven, en langs den naasten weg wilden allen het bereiken. Rasinski zag rond, of zich nergens een zijweg bespeuren liet, dien men ongemerkt zou kunnen inslaan; want door zulks plotseling te doen, vreesde hij een al te sterken stroom na zich te zullen sleepen. Thans naderde men reeds enkele verstrooide huizen van de voorstad en deze zelve was nabij. Zoo ergens liet het opzet zich hier ten uitvoer brengen.
„Houd u dicht achter mij,” fluisterde hij Bernard toe, „en volg mij onmiddellijk, wanneer ik zijlings afsla. Langs gindsche heg moet men eene andere poort der stad bereiken, die wellicht minder door het gedrang belegerd is.”
Daar Jaromir thans volkomen bedaard was geworden, nam hij dezen weder in den arm en liet Bianca tusschen Lodewijk en Bernard ingaan. Reeds begon men eene stremming in den toevloed te bespeuren, reeds werd men meer voorwaarts gedrongen, dan men vrijwillig ging. Het was derhalve hoog tijd, het plan te volvoeren.
„Nu,” riep Rasinski en sloeg zijwaarts af. De drie anderen volgden hem. Door een donker voorgevoel gedreven, drongen gansche scharen hen na, zoodat zij een tak van het stroomende gedrang op deze wijze afleidden. De weg daalde met eene steile, gladde helling naar het veld af. Rasinski kwam dezen hinderpaal gelukkig te boven, doch Bianca gleed uit en viel. Schoon broeder en vriend haar dadelijk ondersteunden, waren ook dezen te zwak, om zich op het gladde ijs staande te houden, te meer, daar Bernard het kind droeg. Ook zij vielen dus. De stroom der menigte drong hen aan weerszijden voorbij; hij wentelde niet over hen heen, doch sneed hen dadelijk met dichte golven van den geleidenden vriend af. Met moeite richtten zij zich op; Bianca had den voet verwrikt, zoodat zij te nauwernood kon staan. Bernard zag naar Rasinski om; deze was verdwenen en eene zwarte menigte had zich reeds over het veld verspreid.
„Voorwaarts, voorwaarts, in 's hemels naam voorwaarts!” riep hij, „anders worden wij voor altijd van hem gescheiden.”