1812: Historische roman

Part 9

Chapter 93,607 wordsPublic domain

„Juist, juist, gij hebt gelijk,” antwoordde Bernard, „louter ganzen, eenden, nachtuilen en spreeuwen. Of liever een leeuw, die door een hoop ezels voorbijdraafde. En voor den duivel, slenterden wij ook niet meê met den troep? of denkt gij, dat onze twee gezichten als zijne bijzonnen geblonken hebben aan het grauwe firmament, dat hem omgaf?”

Onder deze woorden had hij Lodewijk bij den arm gevat en voerde hem uit den stroom van het gedrang in een stille zijstraat. Ernstig en zwijgend wandelden zij nevens elkander voort. Eensklaps sprak Bernard: „Goeden nacht, broeder! Tot weerzien op morgen!” rukte zich van den vriend los en verdween in het duister. In somber gepeins verzonken ging Lodewijk naar huis; zelfs het vriendelijke: „Goeden nacht!” hetwelk Maria hem toewenschte, kon zijn gefronst voorhoofd niet ontrimpelen.

HOOFDSTUK III.

Den volgenden morgen deed Lodewijk eene wandeling op het Brühlsche terras. Eensklaps stond Bernard voor hem. „_Salve!_” riep deze hem toe. „Zoo even heb ik onzen Pluto of Jupiter, of hoe gij hem noemen wilt, zien voorbijrijden.”

„Den keizer?” riep Lodewijk met vuur, terwijl hij de aangeboden hand vriendschappelijk drukte; „nu, hoe ziet hij er bij dag uit?”

„Ik weet waarachtig niet, hoe ik u dat beschrijven zal,” begon Bernard; „het was een leven als de hel; klokkenspel, kanonschoten, volksgewoel, troepen, die naar de parade wilden, kortom een satansch geweld, maar ik hoorde er niets van. Wanneer ik mij als schilder den keizer voorstel, dan had hij, dacht mij, een aschgrauw gezicht, hoekig, puntig, ongeveer zóó, als een hond dat het liefst een stuk papier zou naar binnen slikken. Een paar grijsachtige zwarte oogen, een korte dikke vent—de duivel mag weten wat een leelijke kabouterman. Maar zie, dat is het juist, waarover ik mij, had ik niets beters te doen, den armen kop gek zou kunnen denken en half en half aan 't malen zou raken, daar ik maar niet begrijpen kan, wat voor een spook mij toch eigenlijk zoo behekst heeft. Dan scheen 't mij toe, als trok langs den bleek-blauwen nuchteren hemel eene zware onweerswolk die bliksems schoot, waarbij de zon er uitzag als een meisje, dat de koorts heeft; dan weer kwam 't mij voor, dat een donkerrood, fonkelend gesternte tusschen grauwe nevelwolken heentoog, zoodat alles in het rond als bloed gekleurd werd, eindelijk, en dat duurde het langst,—gij zult mij er echter om uitlachen,—was het mij, als werd de Rijnval eensklaps doodstil, alsof de plechtige stilte mij belette zijn gedruisch te hooren, wat intusschen al zeer vreemd klinkt.”

„Waarlijk niet zoo vreemd, als gij wel denkt,” riep Lodewijk; „want wat is stilte? Er bestaat eene plechtige, verheven stilte der ziel, die heerschen kan te midden van het levendigste gewoel der buitenwereld. Toen de keizer gisteren voorbijreed, kwam het mij voor, dat elk die hem zag, zich in die zwijgende, eerbiedige gemoedsstemming voor hem moest nederbuigen; en zoo zou mij ook thans het gevoel van diepe stilte doordrongen hebben, niettegenstaande het gelui der klokken, het donderen der kanonnen en het gewoel van het volk. En daar gij den Rijnval noemt, moet ik u zeggen, dat ik daar, zoowel als aan den bruisenden val van de Reuss op den St. Gotthard, nog zeer onlangs eene dergelijke bevinding gehad heb. Want de verhevenheid in den omtrek dezer natuurtooneelen verwekt in de ziel bijna dezelfde gewaarwording en werkt bovendien nog door de tegenstelling der versteende, eenzame rotskegels en der onmetelijke hoogte van den kalmen hemel, zoodat het gedruisch zelfs van het nederstortende water den indruk der stilte, die slechts in ons gevoel, niet in de werkelijkheid heerscht, verhoogen kan.”

„Gij spreekt als een boek,” antwoordde Bernard, „als Thales, ja zelfs als Solon, dien ik hooger stel, daar hij goede wetten voor weerspannige menschen wist te geven, terwijl de eerste slechts de wetten der natuur met eenig geluk bestudeerde. Intusschen hebt gij gelijk. Hetzelfde heb ik in Schotland opgemerkt, in de Fingalsgrot onder anderen, waar ik meermalen dacht: Zou men hier nu het bulderen en loeien van wind en golven wel hooren, als het niet zoo stil was als in eene Hernhuttersche broederkerk? Ook in eene enge, diepe rotskloof vóór een waterval, door welks gedruisch mij hooren en zien verging, dacht ik bij mij zelf: Hier is het stil als in 't graf, men hoort slechts dien stroom bruisen en klateren. Dat gevoel trof mij nog meer, toen ik een wilden rozenstruik op een vooruitspringend rotsblok gewaar werd, welks teedere groene takken en knoppen over den schuimenden afgrond hingen, zonder in het minst bewogen of door een windje gewiegd te worden, zoo stil en kalm was alles rondom. Deze tegenstelling van de zachtste en de vreeselijkste natuurkrachten verlevendigde mijne gewaarwordingen buitengemeen. Iets dergelijks, en tevens iets geheel verschillends, voelde ik bij een hevigen brand te Edinburg waar ik op eene bovenverdieping, die reeds in lichtelaaie stond, tusschen de woeste vlammen een verlaten kanarievogel ontdekte, die in zijne kleine kooi aan het venster was blijven hangen. Hij geleek een goudvischje in den onstuimigen wereldoceaan.—Maar, bij den hemel, dat is een schoon man, die daar aankomt! Die ziet er ook uit, of hij keizer zijn kon,” viel hij eensklaps zich zelf in de reden en stiet Lodewijk aan, die zich nauwelijks had omgewend, of hij zag den overste Rasinski toesnellen en uit de verte reeds vriendelijk wenken en groeten.

„Ziedaar, vriend!” sprak de Pool hem met een van vreugde flonkerend gelaat aan, „nu kunnen wij elkander toch eindelijk eens behoorlijk welkom heeten. Vijf of zes dagen ben ik mijn eigen meester en eenige daarvan zullen wij naar ik hoop toch gezamenlijk doorbrengen. Intusschen moogt gij mij geluk wenschen. De keizer heeft mij de oprichting van een regiment lichte troepen opgedragen, dat als vrijkorps zal te velde trekken en waarbij mij de onbeperkte keus der manschappen en officieren is gelaten. Aangenamer betrekking in het leger had ik niet kunnen wenschen. Drie dagen zullen er misschien nog verloopen eer ik de noodige besluiten, volmachten en aanwijzingen schriftelijk in handen heb, dan regel ik al mijne zaken en vertrek dadelijk naar Warschau, waar ik onder mijne Poolsche landslieden mijne kameraden denk uit te kiezen.”

Bernard hield het oog onbewegelijk op den schoonen Pool gevestigd en zag hem met blikken aan, die aanduidden dat hij hem dadelijk voor eeuwig in het geheugen wilde prenten. Rasinski scheen dit zeldzaam aanstaren bijna beleedigend te vinden, weshalve Lodewijk, eene onaangename verklaring duchtende, zich haastte hen aan elkander voor te stellen. „De beste vriend mijner jeugd, Bernard, een schilder—graaf Rasinski, dien ik in Zwitserland op den St. Gotthard heb leeren kennen.”

„Ik vertrouw, dat de vrienden eens derden ook onderling zullen bevriend worden,” sprak Bernard levendig; „reeds volgens mathematische gronden is zulks noodzakelijk.”

„Het is zoo,” hernam Rasinski glimlachend en greep Bernards ten halve aangeboden hand; „twee grootheden, die aan een derde gelijk zijn, zijn aan elkander gelijk, intusschen...”

„Heeft de stelling in mijn geval evenveel voor als tegen zich,” viel Bernard hem schielijk in de rede; „dat stem ik u al dadelijk toe; maar toch hoop ik gelijk te houden.”

„Niets zal mij meer verheugen,” hernam Rasinski.

„Wilt gij,” sprak Lodewijk, „om de waarheid uwer stelling nader te onderzoeken, heden beiden mijne gasten zijn? Ik heb mijne moeder reeds beloofd,” ging hij zich tot den graaf wendende voort, „u en onze beide jongere vrienden in ons huis in te leiden, wanneer zij namelijk mijne uitnoodiging in onzen beperkten huiselijken kring niet versmaden.”

„Welke vreemde woorden, mijn jonge vriend!” sprak Rasinski vriendelijk, terwijl hij den vinger tot eene schertsende bedreiging ophief. „Gij weet, hoe wij ons reeds in dat vooruitzicht verheugd hebben. En kan den soldaat, wiens leven een gestadig eenzaam omdolen is op de opene straat der wereldgebeurtenissen, wel iets aangenamer en genoegelijker zijn, dan een vertrouwelijke, hartelijke familiekring?”

„Ik had gedacht,” merkte Lodewijk op, „dat de krijgsman slechts de drukkende beperktheid zulker betrekkingen gevoelen kon.”

„Ach, beste vriend, gij weet niet, hoe hoog men het geluk van den huiselijken haard leert schatten, wanneer men gevoelt overal een vreemdeling te zijn. Eén enkele dag op deze menschelijke schoone wijze doorgebracht, nadat men maanden lang in de eenzaamheid omzwierf als een opgejaagd wild zonder leger, wordt een onschatbaar geluk. Wel is waar worden daardoor ook weemoedige gewaarwordingen opgewekt, want men ziet gouden vruchten, die men niet plukken mag, maar het doet toch zoo innerlijk goed, nu en dan ook door uitwendige omstandigheden en ontmoetingen er aan herinnerd te worden, dat er eens een tijd was, waarin men zelf ook zoon, broeder, wellicht echtgenoot en vader wezen mocht!”

„Hm,” sprak Bernard, „daar is iets waars aan. Half en half heb ik sinds langen tijd de rol van den wandelenden Jood gespeeld en begin daarom tusschenbeiden naar rust te verlangen; maar op den duur zou ik ze toch niet gaarne met eene andere verwisselen. Ik heb een onoverwinnelijke afkeer van de slaapmuts en de pantoffel; geen vestingmuur, geen tralievenster, geen kerkerkot, die mij zoo benauwen kan.”

„Wie er aan gewoon is,” meende Rasinski, „den hemel des levens dagelijks tusschen storm en zonneschijn te zien afwisselen, die gevoelt zich, het is waar, ook door het vermoeiende eener gestadige kalmte beëngd. Wie echter standvastig en trouw aan den gekozen levensregel vasthoudt, ontdekt in zijne eentoonige kleur duizend kleine schakeeringen, die aan het zachter gestemde gemoed hetzelfde genot schenken, hetzelfde bonte wisselspel des levens voortooveren; natuurlijk moet hij alle scherpe afscheidingen, alle reten, scheuren, kloven en afgronden, die de schoone vlakte zijner dagen konden afbreken, vermijden. Wint men er echter wel bij, wanneer men zich aan de sterkst prikkelende gewent? Worden wij niet spoedig zoo geheel verstompt, dat wij de afwisseling van ijs en gloed nauwelijks meer bemerken? Zoo doen onze afgestompte zintuigen ten laatste eene soortgelijke eentoonigheid ontstaan, met dit onderscheid slechts, dat in onze leefwijs een ruwe, woeste toon de heerschende is, terwijl dáár eene zachtere melodie de ziel vervult en verteedert.”

„De rivier is voor de ranke boot, de oceaan is voor den driedekker,” merkte Bernard vluchtig aan. „De eerste wordt door de onstuimige golven verzwolgen, de laatste blijft op de zandbanken van het ondiepe vaarwater vastzitten. Wat mij betreft, ik houd het met de volle zee, van tijd tot tijd moet ik daarop rondzwalken, en een enkele storm of schipbreuk veraangenaamt de vaart. Werp ik al somtijds aan een stil, vreedzaam eiland het anker uit, de eerste gunstige wind de beste voert mij toch weer in het ruime sop terug. Maar—om over iets anders te spreken—uwe uitnoodiging, Lodewijk, bevalt mij in het geheel niet. Hebben wij niet een schoonen Meidag met zonneschijn en blauwen hemel? Moet men zich dan tusschen vier muren inkerkeren? Mij dunkt, wij moesten gezamenlijk een tochtje naar buiten doen.”

„Gaarne,” antwoordde Lodewijk; „en dan stel ik eene vaart op de Elbe voor.”

„Voortreffelijk!” riep Rasinski, „één dag in de vrije natuur, onder den helderen, blauwen hemel doorgebracht, verbindt de menschen sneller en inniger, dan een jaar te zamen in de gezelschapszaal gesleten.”

„Hoe laat dus?” vroeg Bernard. „Drie uur is, dunkt mij, een geschikte tijd.”

„Goed,” hernam Lodewijk. „Ik haast mij de boot af te huren. In allen gevalle verzoek ik, dat wij ons ten huize mijner moeder verzamelen; zoo eenige hindernis in den weg mocht komen, kunnen we ons nog aan ons eerste voornemen houden.”

Na deze woorden namen de vrienden afscheid van elkander. Lodewijk bleef nog een oogenblik aan het terras staan, zag den stroom over en overlegde bij zich zelven, waarheen men de voorgenomen vaart het best richten zoude. Het voorstel daartoe was hem eigenlijk door verrassing ontlokt geworden, daar Bernard met zijn onstuimigen aandrang en Rasinski door de vreugde, welke hij op het denkbeeld van een dag in de vrije natuur door te brengen, had te kennen gegeven, hem geene keus hadden overgelaten. Hij besefte echter, dat het voor zijne zuster niet zeer voegzaam was, zulk een tocht onder geleide van zoo vele vreemde officieren te ondernemen, te minder, daar zij het eenige jonge meisje onder het gezelschap zoude zijn. Bovendien was een groot deel der bevolking van Dresden hevig Duitschgezind en haatte de vreemdelingen als vijanden en onderdrukkers des vaderlands, schoon ook Saksen zich sinds lang aan hen had aangesloten en den keizer zelfs den schijn eener niet onbelangrijke verhooging en uitbreiding te danken had. Maria deelde levendig in die gezindheid; maar al ware dit ook al niet het geval geweest, zoo bevonden zich toch te veel deftige familiën onder de tegenpartij, bij welke een jong meisje, door openlijke verkeering met de over het algemeen niet in den besten reuk staande officieren der armee, in een dubbelzinnig licht gesteld werd. De gansche zaak was hem dus zeer onaangenaam en hij overlegde nog op welke wijze hij bij zijne moeder zijn voorstel het best zoude inrichten, toen hij deze met Maria en meer andere dames het terras zag opkomen.

Nog eer hij bij zich zelven tot het besluit was gekomen of hij haar te gemoet zoude gaan dan niet, huppelde Maria, die hem reeds van verre herkend had, met lichten tred uit de rij der overige vrouwen op hem toe en riep: „Daar vind ik u immers, lieve broeder! Wees hartelijk welkom. Gij zijt mij nog zoo vreemd, zoo nieuw, dat, als ik u een uur niet gesproken heb en dan wederzie, het mij voorkomt, als kwaamt gij zoo even eerst aan en als moest ik u opnieuw om den hals vliegen.”

„Gij goede zuster,” sprak Lodewijk en drukte innig haar kleine hand, „denkt gij, dat het mij anders gaat?”

Maria glimlachte zonder te antwoorden. Eindelijk vervolgde zij: „Kom nu eens spoedig meê, gij zult oude bekenden weerzien; ik ben nieuwsgierig of gij haar nog kennen zult.” Dit zeggende leidde zij Lodewijk naar de dames, die op eenigen afstand bij eene bank, vanwaar men een schoon uitzicht over de landstreek had, naar het scheen, opzettelijk waren blijven staan, om hem op te wachten.

Hij trad, door Maria geleid, met eenige verlegenheid nader. Eene bejaarde en twee jongere dames bevonden zich in gezelschap zijner moeder. De bloeiende meisjes glimlachten schalkachtig, toen zijn blik twijfelachtig op haar rustte; de oudere dame hield het met een breeden stroohoed bedekte hoofd eenigszins voorover gebogen, zoodat men haar gelaat niet zien kon. Het scheen, dat zij niet herkend wilde zijn, om hare dochters niet te verraden, in welke Lodewijk met recht twee kinderen vermoedde, die gedurende zijne afwezigheid tot volwassen jonkvrouwen waren opgegroeid. Zijne moeder zag hem met een geheimzinnigen glimlach aan. „Hij heeft een trouweloos hart,” zeide zij eindelijk; „hij vergeet zijne eeden, zooals de mannen altijd.” De eene der beide jonge meisjes bloosde bij deze woorden als eene liefelijke roos, de andere vertrok den frisschen mond tot een bevallig lachje. Thans hief de oude dame het hoofd op en zag Lodewijk aan.

„Beste tante!” riep deze vroolijk uit, „is het mogelijk! Emma en Julie?”

„Wie anders,” was het antwoord; „maar staat het fraai, zijne naaste bloedverwanten zoo geheel te vergeten?”

Lodewijk kuste zijne tante de hand; hoe hij de dochters begroeten moest, wist hij niet; want ofschoon hij zijne gansche jeugd met haar doorleefd had, ontstaat toch tusschen den tot man rijpenden jongeling en het volwassen meisje, vooral wanneer in den tijd der ontwikkeling eene langdurige scheiding heeft plaats gevonden, eene natuurlijke verwijdering, welke met de vroegere vertrouwelijke betrekking geheel strijdig is. Het bleef dus bij eene welkomstgroet met vriendelijke woorden en een, hoewel iets warmeren kus en druk der hand, dan bij de moeder.

Emma en Julie waren nauw aan Lodewijk verwant, want hare moeder, Elisabeth, was de zuster der zijne, weduwe als deze, en leefde met hare dochters op een klein landgoed eenige uren van Dresden. Als knaap had hij er dikwijls weken en maanden doorgebracht, zoodat tusschen hem en de bloeiende meisjes de kinderlijkste, gulste vertrouwelijkheid geheerscht had. Zij waren thans met hare moeder onverwachts in de stad gekomen, om den keizer te zien en de openlijke feestvieringen bij te wonen, welke met diens tegenwoordigheid verbonden waren. In alle opzichten greep hier dus de vroolijkste verrassing plaats, en het wederzien zoude gewisselijk nog hartelijker geweest zijn, wanneer men zich niet op eene plaats had bevonden, welke eenige terughouding vorderde. Derhalve drong Maria op een spoedig naar huis keeren aan, dewijl men zich in de vriendelijke woning geheel vrij en ongestoord aan de vreugde der ontmoeting zou kunnen overgeven.

Het was tegen den middag, en de lucht begon warm, zelfs drukkend te worden; aan den verren gezichteinder stegen dampen op, die zich tot onweerswolken dreigden saam te pakken. Lodewijk zag niet ongaarne, dat het weder scheen te veranderen, daar zulks hem een geschikt voorwendsel aan de hand gaf, om de in overijling vastgestelde vaart op de Elbe op te schorten. Hij was intusschen te openhartig, om zijne moeder het gebeurde te verzwijgen; hij voerde haar een oogenblik ter zijde, kwam rondborstig uit voor de onbezonnenheid, welke hij begaan had, en vroeg haar om raad aangaande de wijze, waarop men, zonder iemand te beleedigen, het plan gevoegelijk zoude kunnen verijdelen. Tegen zijn vermoeden antwoordde de moeder vriendelijk: „Het is mij juist wel niet aangenaam, mij zoo openlijk met vreemde officieren te vertoonen, maar toch, daar het Polen zijn, wier hertog onze koning is en die wij dus bijna als landslieden beschouwen kunnen, is er naar mijn gevoel niets dadelijk onvoegzaams in gelegen. Daar bovendien mijne zuster en hare dochters ons gezelschap vergroot hebben, kunt gij volkomen gerust zijn en den uitslag aan de gunstige of ongunstige beschikking van het weder overlaten.”

Zonderling genoeg kan ons eene oogenblikkelijke zorg of bekommering dikwijls meer onrust verwekken, dan eene doorgaande, diepe, reeds lang gekoesterde smart; dit was met Lodewijk het geval geweest, en daarom voelde hij zich na deze verklaring zeer opgeruimd, ja zelfs vroolijk gestemd. In het midden der beide bloeiende gezellinnen zijner jeugd, die zich, vertrouwelijk als voorheen, van zijn arm hadden meester gemaakt en met vrouwelijke nieuwsgierigheid van de wonderen wenschten te hooren, welke hij op zijne reis moest gezien hebben, kreeg hij zijne vroegere welbespraaktheid geheel terug. Zijne ziel ontsloot zich voor de tooverachtige herinneringen zijner zorgelooze kindsheid; het was hem alsof hij op den top van een door donkere, het uitzicht belemmerende wouden omringden en met moeite beklommen berg stond en den blik in het stille dal terugwierp, waar hij met lieve naburen lang genoegelijk gewoond had. Lag het ook reeds op een verren, schemerenden afstand achter hem, zijn oog kon toch de welbekende paden en geliefde schuilplaatsen nog onderkennen, welke het zijnen voet niet meer vergund was te bewandelen.—Vroegen dus Julie en Emma naar den Etna of den Vesuvius, dan gaf hij een kort, luchtig antwoord en vernam dadelijk naar de beide wijnbergen, die op het goed der tante lagen en waarop hij zoo menigen vroolijken dag had doorgebracht. Deden de luisterende nichtjes onderzoek naar het Colosseum, dan wilde hij daarentegen weten, of het tuinhuisje nog in wezen was, dat hij zelf mede had helpen opbouwen. Maria, die niet dan ongaarne de plaats aan den arm haars broeders had afgestaan, ging nu naast hem, dan vóór hem uit en zag bij elke vraag en antwoord met vergenoegde blikken om, daar zij zien moest, welken indruk die te weeg brachten, en het haar zoo goed deed, dat zij even trotsch op de bereisdheid van haren broeder zijn konde, als zij hem beminnen moest om de nauwkeurigheid, waarmede hij tot zelfs de geringste genoegens zijner jeugd in aandenken had gehouden.—Zoo bereikte men de woning. Hier maakte de moeder het plan tot het riviertochtje bekend, waarmede de onbezorgde meisjes zeer schenen ingenomen. Om te spoediger gereed te zijn, maakte Maria dadelijk toebereidselen tot den maaltijd en liet Lodewijk met de beide moeders en de meisjes alleen, onder uitdrukkelijke voorwaarde echter, dat hij niets vertellen zoude, wat zij reeds van hem gehoord had. „Want,” zeide zij, „moeder hoort het gaarne tweemaal en ik mag niets verliezen.”

Nauwelijks had men zich nedergezet, of er werd aan de deur geklopt en Bernard trad de kamer binnen.

Als de vertrouwde boezemvriend van Lodewijk werd hij met groote vriendelijkheid ontvangen; ook Emma en Julie herinnerden zich zijner nog zeer wel, daar hij haar dikwijls kleine teekeningen geschonken of die op hare kinderlijke bestellingen zelfs wel opzettelijk voor haar vervaardigd had.

„Het zal u verwonderen, beste vriend!” dus begon hij, „mij zoo vroegtijdig hier te zien. Maar er zijn gewichtige dingen ophanden, die ik u noodzakelijk mededeelen moet. Het gansche hof trekt namelijk heden avond naar Pillnitz, om den Porsberg te bestijgen en vervolgens bij fakkellicht terug te keeren. Ik vermoedde dus, dat het de dames wellicht aangenaam zijn zou, dat schouwspel bij te wonen, wanneer echter, vooral als het bij het roeibootje blijft, een vroeger vertrek volstrekt noodzakelijk wordt, daar wij tegen den stroom op niet snel zullen vorderen. Buiten mij, die het zoo even van den hofmaarschalk gehoord heb, weet geen mensch in Dresden iets van de geheele zaak, waardoor wij gemakkelijk rijtuigen of gondels, als ook plaats te Pillnitz zelf kunnen krijgen.”

Bernards nieuwstijding werd, vooral door de beide landmeisjes, met blijdschap aangehoord. Lodewijk voelde wel is waar meer geneigdheid, om in eene meer afgezonderde landstreek de natuur en het heerlijke lenteweder te genieten, doch niettemin was ook hij dadelijk bereid om Bernards voorstel aan te nemen. Men besloot de afreize te bespoedigen, maar, in plaats van eene gondel, twee wagens te kiezen, met welker bezorging Bernard zich gewillig belastte, terwijl hij tevens op zich nam den graaf Rasinski en diens jongere geleiders op te zoeken en van het veranderde reisplan te verwittigen. Hij verwijderde zich dus dadelijk weder. Intusschen was Maria met hare voorbereidsels tot het eenvoudige, burgerlijke maal gereed; men zette zich aan tafel en bracht een zeer genoeglijk uur met elkander door, zoodat zelfs Lodewijk de diepe wonden vergat, welke in zijn binnenste bloedden.