1812: Historische roman

Part 89

Chapter 893,673 wordsPublic domain

Uit dien hoofde had hij, hoewel zelf op het punt van te bezwijken, zich tot hiertoe voortgesleept en gestadig naar eene plaats omgezien, waar het aanleggen van vuur mogelijk was. Overal vond hij slechts breedstammig, hoog opgeschoten of nog geheel groen hout. Hoe zou men dat vellen of in brand krijgen? Wie bezat nog kracht genoeg, om een steilen den te beklimmen en met de stompe sabel of bijl in den top takken af te houwen? Daarenboven was de grond overal hoog met sneeuw bedekt, zoodat, wanneer men de vuren daarop aanlegde, alles in den omtrek zou smelten, waardoor het legeren onmogelijk zou worden gemaakt. Hier echter had zijn onvermoeid rondvorschend oog twee verdorde stammen ontdekt, waarvan de eene half omver was gevallen en tegen een nabijstaanden boom leunde. Dezen kon men omhakken, genen in brand steken en alsdan in de hoog opslaande vlammen ook van groen hout gebruik maken. Tevens had hij eenige schreden verder een steilen, eenige voeten hoogen aardwal bemerkt, waarvoor geen sneeuw lag, daar de wind die in het vallen onderschept en over de schuine helling voortgejaagd had. Was het mogelijk den nacht ergens door te brengen, dan kon zulks het veiligst hier geschieden.

Onverwijld liet hij dus zijne manschappen van de plaats en de boomen bezitnemen en was hij de eerste, die zelf de handen aan het werk sloeg.

Bernard, die sedert zijne ontmoeting met den ongelukkigen sergeant weder wapens droeg, ging met zijn breeden hartsvanger aan het hout vellen. Lodewijk beijverde zich de sneeuw nog verder uit den weg te ruimen, zoodat men eene vrije legerplaats bekwam. Rasinski brak met Jaromir, die uit eigen beweging maar zwijgend alles mededeed, het dunne rijshout van de stammen. Door deze vereende werkzaamheid was in weinige minuten het noodige verricht. Eene heldere vlam steeg op, de grond werd met frissche dennetakken belegd, die men dicht onder de wal uitspreidde, om tegen den storm gedekt te zijn; men maakte aanstalten tot het toebereiden der zorgvuldig bespaarde levensmiddelen.

De koesterende vuurgloed gaf nieuw leven aan de verstijfde ledematen; de uitgeputte kracht keerde na het genot van eenige spijzen terug. Met dankbare verwondering ondervond men, dat alle levensgloed nog niet was uitgebluscht en eene nieuwe schemering van hoop en vertrouwen brak voor de ongelukkigen aan.

Het vlammend vuur had spoedig ook vreemde, afzonderlijk voorbijtrekkende krijgslieden gelokt; in een dichten kring legerden zij zich in het rond en schenen zich na de lange ontbering in het gevoel der levenwekkende warmte niet te kunnen verzadigen. Maar de aandrang der opdagende ongelukkigen werd gestadig sterker. Reeds ontbrak het aan ruimte, en wilde men een nieuwen lotgezel opnemen, dan moest een reeds gelegerde zich op zijne reeds vrij beperkte plaats nog nauwer inkrimpen. Doch de tijd was voorbij, dat de een voor den ander met menschelijke bereidwilligheid een deel zijner voordeelen opgaf, om hem aan het verderf te ontrukken. De nood was te dringend, de grens tusschen leven en dood te smal geworden. De geringste inschikkelijkheid kon den toegevende zoover van het vuur verwijderen, dat hij door de koude klauwen van het in de duisternis loerende monster der koude in den rug werd aangegrepen. Daarom was er slechts plaats voor een enkele; wie haar afstond was zelf verloren. Het was een schrikwekkend spel van het toeval om redding of vernietiging. Bleeke schaduwbeelden waggelden uit het duister, 't welk het vuur omgaf, te voorschijn en vertoonden zich als afgrijselijke nachtspoken in den donkerrooden gloed der vlammen; door eene bewustelooze drift tot zelfbehoud aangespoord, wilden zij in den kring der gelegerden doordringen, doch werden gruwzaam, onverbiddelijk afgewezen. De angst baarde eene machtelooze woede; zij poogde hunne kameraden bij de schouders, bij de haren terug te trekken, doch dezen stelden zich met wanhopige grimmigheid te weer en dreven de rampzaligen met scherpe wapenen terug.

Deze laatste inspanning van den doodsangst heeft de krachten der hulpeloozen ten eenenmale uitgeput; jammerend werpen zij zich op de knieën en smeeken hunnen broeders om mededoogen, om erbarmen. Te vergeefs! Aarde en hemel blijven doof voor de hartverscheurende weeklachten. In wanhopigen doodsstrijd storten de verstootelingen ter aarde en wentelen zich in de koude sneeuw rond, hun luid jammergeschrei wordt flauwer en flauwer, sterft weg in een zacht kreunen en nokken, en weldra kan men uit het verstommen hunner laatste zuchten opmaken, dat de versteenende dood hun lijden voor altijd geëindigd heeft. Zoo hoopt zich een akelige dam van lijken om den kleinen kring van levenden op.

Bianca's gevoelig hart ware tegen deze folteringen niet bestand geweest; zij zou zich voor anderen hebben opgeofferd, tot eindelijk het verderf haar achterhaald had. Doch de hemel nam haar in zijne genadige bescherming; nog eer deze jammertooneelen plaats grepen, had een diepe, geruste slaap een sluier voor hare oogen gelegd, zoodat zij het afgrijselijke schouwspel niet kon zien; het schemerachtig weefsel der vergetelheid omhulde hare ziel met ondoordringbare sluiers. Het was de zoetste lafenis, welke de hand der genade op deze schrikwekkende plaats kon aanbieden.

Lodewijk en Bernard rustten aan de zijde der sluimerende en beschermden haar door hunne nabijheid. Angstig en huiverend had Jaromir zich tegen Bernards borst aangedrukt; eene inwendige koude scheen hem koortsachtig aan te doen, want tegen het geweld des winters was hij tot hiertoe beter bestand geweest, dan een zijner makkers, ook brak hij thans zijn diep, beangstigend stilzwijgen af en begon, wat niet in zijn aard lag, bitterlijk te klagen. „Ik ben koud, Bernard; het is of mij het hart bevriest. Ach, laat mij aan uwe borst rusten!—En hier, hier gloeit het als vuur!” Hij streek hierbij met de hand over het voorhoofd, als wilde hij de brandende pijn verzachten.

Met innig medelijden zag Bernard hem aan, want het oog des jongelings dwaalde verwilderd in het rond en verried de verwarring van zijn eens zoo helderen geest. De doffe bedwelming, welke de vrienden tot dusverre met bange bezorgdheid hadden waargenomen, ging nu in eene woeste, beangstigende opgewondenheid over, welker doodelijk gif de kiemen des levens weldra moest vernietigen. Slaap, geruste, verkwikkende slaap, zou nog van eene heilrijke uitwerking kunnen zijn; doch het scheen, dat zijne stillende olie tegen de opgeruide baren der geschokte ziel niets meer vermocht. De vriendelijke broeder van den dood, die na deze ongehoorde vermoeienissen elk hoofd met looden last ter aarde drukte, zoodra de inspanning van den wil slechts een oogenblik afliet, fladderde om het hoofd des armen jongelings als een schuwe nachtvlinder heen en weder en scheen zich daarop niet te willen nederlaten.

„Kom, kom,” sprak Bernard op den overredenden toon van broederlijke liefde, „laat uw gloeiend hoofd hier aan mijne borst rusten, de slaap zal het spoedig afkoelen. Drink met ons uit dezen Lethe, opdat wij vergeten, wat om ons heen voorvalt. Alles vergeten, is immers het beste, wat wij hier van den hemel kunnen afsmeeken! Kom, kom, slaap mijn broeder!”

„Ja, vergeten!” zuchtte Jaromir, terwijl hij zich rillend aan den vriend vastklemde en hem met beide armen omsloot. Bernard voelde, hoe de ongelukkige koortsachtig sidderde en drukte hem dicht aan het hart. „Slechts dit ééne leven,” bad hij vurig, „laat het ons behouden, Almachtige; de smart over dit verlies zou het ruwste hart gruwzaam verscheuren.”

Doch de uitputting liet Bernard niet lang wakend blijven; nog eenige oogenblikken en hij lag vast omstrikt door de armen des slaaps en wist niet meer, dat een vriend aan zijne borst, eene zuster aan zijne zijde rustte.

Rasinski alleen zat wakend in den kring, waarin thans eene diepe, akelige stilte heerschte. Roerloos, als had de koude dood hem aangegrepen, lagen zijne lotgenooten om hem heen; de heldere gloed van het vuur wierp een vreemd schijnsel op de in zonderlinge, avontuurlijke dracht gehulde gestalten. Altijd eerst voor anderen zorgende, was Rasinski ook thans de eerste geweest, die zich met de zorg voor het vuur belastte. Hij rakelde het hout op, dat de vonken in dichte lichtwolken uiteenstoven, en wierp nieuwe, groene dennetakken in den gloed, waarvan eene zwarte rookzuil dwarlend opsteeg en over de hoofden der sluimerenden wegtrok. Met starend oog, den arm op de hand steunende, waakte de edele Pool, en sombere mijmeringen vervulden zijne heldenziel. Hij overdacht zijn levensloop. Wat was zijn leven geweest? Smart en lijden, vurig verlangen, rusteloos streven, moeite en gevaren—en geen ander loon, dan het innerlijk bewustzijn van eer en trouw. Van kindsbeen af ten prooi aan kommer en verbittering over het in schande en smaad gedompelde vaderland; sedert den jongelingsleeftijd medegevoerd in den woesten draaikolk der wereldwisselingen; voortgedreven op den stroom des levens, de groene oevers voorbij, zonder tijd tot landen of verwijlen, schaars door den verren groet eener vriendelijk wenkende en lokkende gestalte verkwikt; elk betooverend beeld van het lachende geluk door ruwe stormen ras weggevaagd—wat had deze borst niet geleden en gedragen!

„Hm, hm,” mompelde hij, „wat verlangt gij dan? Heeft niet de glansrijke zon der eer uw levenspad van der jeugd af bestraald?—Ach, zij is geene zon, zij is slechts eene star, die aan den donkeren, nachtelijken hemel glanst, maar deze vriendelijke woonstede der aarde niet verlicht, niet verwarmt! Op dan, voorwaarts! omhoog het hoofd! Heeft mijn lot mijne borst met zijn stalen harnas omgeven en haar aan de zachte omarming der liefde en des vredes ontrukt, zoo zij ze althans tegen den kamp gewapend, en de scherpe pijl stuite even machteloos weder af. Ik tart u uit; hoop uwe verschrikkingen, uwe rampen opeen! De tijd zal komen, dat gij mij verplettert, maar nimmer, nimmer die, dat ik mijn hoofd angstvallig voor uw dreigenden arm verberg.”

Hij richtte zich op; zelfs toen de moed der sterksten bezweek, ontwaakte in hem het bewustzijn van edele kracht en bood hij het noodlot fier het hoofd.

Zwijgend, luisterend, waakzaam zat hij voor de vlam; zijn machtige wil verbande den slaap, want hem was het leven der dierbaarste vrienden toevertrouwd.

HOOFDSTUK IX.

Het uur was verstreken, toen schudde hij Jaromir wakker. „Nu is het uwe beurt te waken; maar voelt gij u daartoe wel in staat? Gij schijnt ziek en gij laagt slechts in onrustige sluimering, terwijl de anderen vast doorsliepen.”

Zijn plichtbesef als soldaat had Jaromir nog niet verloren; nu dit hem riep, wist hij, door gewoonte en eergevoel geoefend, zich te vermannen en antwoordde snel: „Ik ben wakker, leg gij u thans neder, geen slaap zal in mijne oogen komen.”

Rasinski was gerustgesteld, toen hij de kalme beradenheid van Jaromir zag, waarop hij zich altijd onvoorwaardelijk had kunnen verlaten. Hij wikkelde zich dus dieper in zijn mantel, leunde het hoofd achterover en sliep in.

Jaromir nam een langen dennetak en stookte het vuur op. Alles in het rond was doodstil, geen voet verroerde zich, geen geluid liet zich hooren.

„Het is koud,” mompelde de eenzame en staarde in den gloed. Eene rilling greep hem aan. In den nek voelde hij de ijzige hand des winters, terwijl zijn gelaat door de vlam verschroeid werd. Maar nog meer, dan deze tweevoudige pijniging, folterden hem de giftige adders in zijne borst. Nog was de helderheid van zijn geest niet geheel geweken, want nog voelde hij met angstvolle huivering, dat donkere wolken der zinneloosheid bij tusschenpoozen voorbij de heldere zon van zijn bewustzijn heentogen en deze verduisterden. „Hoe is het,” dacht hij, „droom ik meer onder het waken, of waak ik meer onder het droomen? Nauwelijks voel ik eenig verschil tusschen slapen en waken; als een langzaam dalende nevel komt het op mij neerwentelen.—Hoe rustig slapen die allen!”

Zijne blikken hechtten zich op het gelaat der vrienden. „Ja, zij slapen vast, zij droomen zoet en genoegelijk! Ach, of ik al mijn lijden zoo in den slaap vergeten kon! Dat ik nimmer weder ontwaakte!” Eene machtige duizeling greep hem aan; hij moest al de kracht van zijn wil, al zijn eergevoel te hulp roepen, om niet bedwelmd achterover te zinken.

Eensklaps vernam hij op geringen afstand, maar uit de diepste duisternis, een schaterend gelach.

Als door den bliksem getroffen, kromp hij bij dit geluid ineen, dat hem op deze akelige plaats als eene helsche godslastering in de ooren klonk.

„Wie daar?” wilde hij uitroepen, maar de stem bestierf op zijne lippen en zijn oog staarde woest in het rond, om den geest des afgronds, die hier loeren moest, te ontdekken.

Daar trad uit het duistere rijk van den nacht eene afgrijselijke gestalte in den lichtkring van het vuur. Het was een rijzige kurassier, in een verscheurden mantel gehuld, het hoofd onder den helm met een bloedigen doek omwonden, een jongen taxisboom als langen wandelstaf in de hand.

„Goeden avond,” riep hij Jaromir met holle stem toe, „goeden avond, kameraad! Heisa, hier is 't lustig en goed!”

„Wat wilt gij?” riep deze ontzet; „maak u weg, satan!”

De kurassier staarde hem uit holle oogen aan, vertrok den mond tot een vreeselijk grijnzen en knarste als een verwoed roofdier op de tanden.

„Ha, ha, ha!” gierde hij schaterend uit. „Slaapt gij zóó vast, gij luiaards!” Hier stampte hij met den voet op het lijk eens bevrorenen. „Wordt wakker! kom met mij!”

Een oogenblik stond hij stil en scheen naar iets te luisteren; vervolgens kwam hij met wankelende schreden nader en tuimelde op het vuur toe.

„Terug,” riep Jaromir. „Terug, of ik schiet u neder!” Hij greep naar zijn pistool, maar zijne sidderende hand was niet bij machte het op te heffen.

De krankzinnige staarde hem met doffe onverschilligheid aan; nu vertoonde zich een woeste grijnslach, dan de uitdrukking der diepste ellende op zijne ingevallen trekken, Jaromir, wien schrik en ontzetting elke zenuw verlamd hadden, hing sprakeloos, bleek, met onafgewende blikken aan de dreigende gestalte, die zich hoog oprichtte, de magere armen van onder den mantel te voorschijn stak en allerlei zonderlinge bewegingen maakte.

„Wat wilt gij, akelig monster?” vroeg hij eindelijk, zelf reeds bewusteloos en verbijsterd, met bevende stem.

„Brr, ik ben koud!” huilde de razende, greep als een spelend kind naar de vlam en trad nader en nader, tot hij dicht aan den kring der slapenden stond, over welken hij de beide armen ver uitstrekte. Thans eerst scheen hij de warmte van den gloed te bemerken. Een zacht gekreun en gereutel steeg uit zijne borst op; vervolgens riep hij half lachend, half jammerend: „In 't bed, in 't warme bed!” slingerde zijn taxis ver van zich af, tuimelde voorwaarts over de gelegerden heen en stortte zich in razende verblinding midden in de vlammen.

„Hulp! hulp!” schreeuwde Jaromir, wien de haren te berge rezen, en schudde Rasinski met krampachtige hevigheid bij den arm.

Deze sprong op. „Wat is er?”

„Daar! Daar!” stamelde de jongeling en wees op de vlammen, waar de ongelukkige zich huilend en stuiptrekkend rondwentelde.

Rasinski giste eer wat er voorviel, dan dat hij het begreep; snel beraden sprong hij toe, om den rampzalige te redden. Doch het was te laat. Reeds had de hitte hem verstikt; hij lag roerloos, de vlam sloeg over zijn verschroeid lijf samen, en een dichte, verpeste walm dampte in zwarte wolken omhoog.

Rillend trad Rasinski terug en wendde het gelaat af, om zijne ontroering te verbergen; nu zag hij, dat allen in den kring nog in diepen slaap lagen. Niemand was ontwaakt door het vreeselijke voorval, hetwelk te midden van zoovele levenden plaats greep!

Eene gestalte echter bewoog zich; het was Bianca. Het afgrijselijk gehuil van den verbrande had in den slaap haar oor getroffen en hare ziel met onwillekeurigen angst vervuld. Vermoedende, dat er iets ontzettends voorviel, rukte zij zich met moeite uit de zware kluisters van den slaap los, richtte zich op en zag angstvallig in het rond. Haar oog viel op Jaromir, die nog altijd bleek, sidderend en bedwelmd in de vlam staarde. Met diep medelijden beschouwde zij den armen jongeling, want, den samenhang niet vermoedende, moest zij gelooven, dat de krankzinnigheid, welker verontrustende voorteekenen zich in de laatste dagen reeds meermalen bij hem vertoond hadden, zich nu geheel van hem had meester gemaakt.

„Lieve Jaromir!” sprak zij hem op den innigsten toon der liefde aan en legde de hand op zijn schouder.

Hij staroogde haar met blijkbare bevreemding aan en scheen uit een zwaren droom te ontwaken. „Ach,” zuchtte hij uit het diepste der borst en een zonderling weemoedig lachje zweefde om zijne lippen.

„Het is niets, Bianca,” sprak Rasinski, die ras toetrad, om te verhinderen, dat zij van het gebeurde onderricht werd. „Leg u gerust weer te slapen, wij zullen voor u waken.”

„Ach, Lodoiska! Hebt gij mij eindelijk vergeven....?” riep Jaromir plotseling, en zijne stem ging in een luid weenen over; hij drukte het hoofd op Bianca's hand en bevochtigde ze met een stroom van tranen.

„Heilige God, wat is dit!” riep deze verschrikt en waagde niet, de hand terug te trekken.

„Bezin u, Jaromir,” sprak Rasinski hem ernstig aan en wilde hem oprichten. „Bezin u, zamel uwe kracht bijeen en bedenk waar gij zijt.”

„Ach, Rasinski, zij vergeeft mij!” riep de jongeling uit, terwijl hij den vaderlijken vriend aan het hart viel; „zij is eene heilige, zij is niet langer vertoornd! Om mijns stervenden Boleslaws wille heeft zij mij vergeven! Niet waar? O gij neemt het niet terug! Ik ben uwer niet meer waardig—maar ik kan immers niet uitstaan, zonder u te leven. Kom nu weder aan mijn hart!” Hij vouwde de handen en zag Bianca met smeekende oogen aan; groote tranen biggelden langs zijne bleeke wangen en toch blonk eene zachte, vluchtige schemering van vreugde op zijn gelaat.

„Ik ben immers Lodoiska niet,” hernam Bianca met vruchteloos bekampte ontroering, en zocht hare hand uit die van den jongeling los te maken.

„Gij zijt het niet?” riep hij eensklaps met toenemende hevigheid; „gij wilt het niet zijn—gij haat mij, gij veracht mij!—Ach, dan is alles voorbij!”

Radeloos wierp hij zich weder aan Rasinski's borst en wilde de armen om zijn hals slaan; doch de kracht ontbrak hem, hij zonk bewusteloos neder.

„Ook dát moet nog gedragen worden!” riep Rasinski uit en knielde voor den bleeken jongeling neder. Bianca wilde in haren angst Bernard en Lodewijk wekken, doch Rasinski verhinderde dit. „Hoe kunnen zij ons helpen?” sprak hij; „waarom zouden nog anderen met ons dit lijden verduren? Het is wellicht spoedig beslist!”

„O, welk een vreeselijke troost,” snikte Bianca en wrong de handen. „Neen, neen, dat zal de Algoede ons niet opleggen. De maat is gevuld, het kan niet zijn, het kan niet!”

„Bid gij tot Hem uit den grond van uw schuldeloos hart,” sprak Rasinski somber; „ik kan slechts handelen, maar uw bidden is meer dan mijn doen!”

Bianca deed het. Met diepen ootmoed knielde zij neder en smeekte uit een geloovig, kinderlijk hart om redding voor den ongelukkige. Doch hare beklemde borst werd niet verruimd, de angst bleef op hare ziel drukken.

Rasinski had den onmachtige de slapen met sneeuw ingewreven. Deze sloeg eindelijk de oogen op en blikte verwilderd om zich heen. „Waarom neemt gij mij uit het graf?” mompelde hij; „het was zoo stil en koel daar beneden.—Ach, ik zie het, de zon gaat prachtig op en schijnt in het graf. Zij is schoon!”

Hij staroogde onbewegelijk in de vlammen. Plotseling rukte hij zich met ongeloofelijke spierkracht uit Rasinski's armen los, sprong op en met den kreet: „Dat is de brandende hel! Daar storten zij mij in neder! Spoedig, spoedig!” wilde hij zich in den laaienden gloed werpen. Rasinski greep hem aan met de kracht van den angst. Bianca wierp zich aan zijne voeten en klemde zich aan zijne knieën vast. „Help help, mijn broeder, Lodewijk!” gilde zij, op doordringenden toon, daar beider vereende krachten niet meer in staat waren, de razende tegen te houden. Door deze stem op eenmaal uit den vasten slaap gewekt, sprong Lodewijk op.

„Hemel, wat is er?” riep hij uit, toen hij Jaromir met Rasinski en Bianca zag worstelen; tegelijk ontwaakte Bernard en richtte zich mede op. Het was meer dan tijd, want Rasinski met zijne volle mannenkracht vermocht den rampzalige, die zich met geweld in de vlammen wilde werpen, niet meer te houden. „Helpt, vrienden,” riep hij, „helpt mij, anders is hij verloren.”

Zonder te weten, wat er voorviel, snelden Bernard en Lodewijk den roepende te hulp; doch Jaromirs verwilderde trekken ziende, behoefden zij geen oogenblik langer aan 's jongelings volslagen zinneloosheid te twijfelen.

„Ach, ik heb het lang gevreesd,” zuchtte Bernard; „hem lag te veel op de ziel, hij kon den last niet dragen.”

Na de bovenmatige overspanning van zijne krachten volgde even spoedig eene geheele verslapping. De armen zonken machteloos neder, de knieën knikten, het gansche lichaam zakte ineen. Nu scheen het, alsof de folterendste smarten zijn binnenste doorgriefden; want hij brak in een luid, hartverscheurend jammeren en weeklagen uit. Deze tonen die door merg en been drongen, gelijk ook de onrust van het vroeger voorgevallene, hadden eindelijk alle slapenden doen ontwaken. Zij richtten zich op, blikten in den beginne verwonderd, maar daarna vertoornd over deze stoornis in het rond. Er ontstond een dof gemompel, dat van minuut tot minuut levendiger werd. Men begon op den ongelukkige te wijzen, en het noodlottige denkbeeld, dat deze hen in gevaar en ten verderve zou kunnen brengen, maakte zich van de gemoederen meester.

„Wie is de razende, wat wil hij?” riep eindelijk een baardig grenadier met onstuimige drift. „Wat rooft hij ons de kostbare minuten des slaaps? Werpt hem uit den kring en laat hem doodvriezen, dan hebben wij rust!”

„Weg met hem, weg met hem!” riepen verscheidene stemmen, en eenigen sprongen op, om het gruwzame vonnis onverwijld te voltrekken.

Bianca gaf een luiden gil van angst; Lodewijk ving haar, daar zij dreigde neder te zinken, in zijn rechterarm op en trachtte met den linker een woest toedringende af te weren.

Rasinski, den omvang van het gevaar terstond overziende, liet Jaromir in Bernards armen en sprong met flonkerende oogen midden in den kring. Snel beraden rukte hij een smeulenden boomtak uit het vuur, hief dien hoog op en donderde met zijne leeuwenstem: „Terug, rampzaligen! Wie één tred voorwaarts doet, sla ik met deze knods de hersens in!”

De verbitterden weken verschrikt terug en waagden niet te naderen; de zedelijke overmacht van Rasinski boezemde hun ontzag in. De grenadier nochtans trok de sabel en schreeuwde: „Hoe, lafaards! zijt gij allen bevreesd voor een enkele! Voorwaarts! Neer met den poolschen hond!”