Part 88
„De God der genade is met ons,” sprak Lodewijk, zich tot Bianca wendende, die hij, als hem uit den drang van nooden en gevaren opnieuw hergeven, aan het hart sloot. „Hoe zwaar wij ook beproefd worden, wij zijn steeds onder de hoede des Almachtigen.”
„Zijn vriendelijke engel wandelt immers midden onder ons,” sprak Rasinski en drukte een zachten kus op Bianca's gebogen voorhoofd; „dit schuldelooze hoofd keert ook van ons het verderf af. Wees getroost gij schoone ziel—wie aan eene voorzienigheid gelooft, mag in uwe nabijheid niet vreezen.”
Bianca bloosde en sloeg beschaamd de oogen neder. „Het is medelijden met de hulpelooze, dat u zoo spreken doet,” hernam zij; „ik weet te wel, dat de arm des Heeren hier beteren beschermt en vernietigt dan ik ben. Laat mij in het gevoel mijner minderheid gelooven, dat uw machtige geest ons allen beschermt.”
Rasinski was nog nooit zoo week gestemd geweest. De dood van den geliefden vriend had zijn krachtigen geest geweldig aangedaan. Zwijgend zette hij zich neder en verzonk weldra in diep gepeins.—Eene diepe stilte heerschte in den kleinen kring, die door het flikkeren der vlam spaarzaam verlicht werd. Jaromir zat voor den haard en staarde met strakke, wezenlooze blikken in den gloed. Met inwendige huivering bemerkte Bernard, hoe de smart het gevoel van den armen jongeling verstompte, en opnieuw rezen de bange zorgen en bekommeringen in hem op, die reeds gedeeltelijk verdwenen waren, daar de teekenen van zinsverbijstering, welke de ongelukkige vroeger had gegeven, zich misschien wel door de macht der te hevige uitwendige aandoeningen teruggedrongen, in de laatste dagen minder kennelijk vertoond hadden.
„Wat is geluk?” dus brak Rasinski het algemeene stilzwijgen af. „Voelen wij ons niet gelukkig, nu wij ons hier te zamen in eene armzalige hut bevinden, die ons nauwelijks eene schuilplaats tegen de koude aanbiedt? Ja, zoo de liefste vriend niet in onzen kleinen kring ontbrak, ik zou zeggen, wij _zijn_ gelukkig! Ware hij bij ons—ja waarlijk, wij zouden in dit uur gelukkig zijn!”
„De wenschen wassen aan met de vervulling,” hernam Lodewijk; „hij, wien het lot toont, wat het dreigen, wat het rooven kan, stelt zich tevreden en acht zich gelukkig, zoo hij slechts het kleinste deel zijner verwachtingen uit het onmetelijk rijk van onvervulde wenschen redden mag. Welk eene mengeling van gewaarwordingen in de menschelijke ziel! Tegelijk met de diepste smart kan zij het hoogste geluk gevoelen—ja, soms voelt zij het eene slechts door het andere.”
Een blik op Bianca en een druk harer in de zijne rustende hand zeiden der geliefde, hoe hij deze woorden verstond en de waarheid daarvan aan zich zelve ondervonden had.
„Het geluk geeft ons een te zachte huid,” merkte Bernard op; „een gekreukeld rozeblad drukt ons als den Sybaritischen Alcibiades. Het ongeluk smeedt ons een schubbig harnas om de borst, waarop de scherpste pijlen ten laatste mat en krachteloos afstuiten.—Trouwens, er klopt dan ook weinig hart meer achter een zoodanig pantser, maar de versteening dringt tot midden in de kern door, en de wonden houden om geen andere reden op met bloeden, dan wijl zij reeds hebben uitgebloed.”
Hij hield, dit zeggende, zijn oog onafgewend op Jaromir gevestigd, die nog gestadig met de tang in het vuur speelde.
„Eene mooie, heldere vlam, niet waar, Rasinski?” sprak deze, daar allen zwegen, op een doffen toon, terwijl hij met een zonderlingen glimlach in het rond zag.
„Ja, ja,” hernam de gevraagde half verstrooid; „de mensch wordt verootmoedigd en leert, dat hij uit aarde, uit stof en asch bestaat.”
„Ongetwijfeld,” viel Bernard hem in de rede, „ik weet, wat gij eigenlijk wilt zeggen. Men kan hem het hart met een gloeiend zwaard doorboren en het tot kool en asch uitbranden; zoo zijne maag slechts onbeschadigd is gebleven, zal een duchtige eetlust daarom toch niet uitblijven.—Op mijn woord, ik krijg honger.—En ik wenschte,” voegde hij er fluisterend bij, „dat Jaromir gegeten en gedronken had en slapen ging, zoodat zijne afgestompte zenuwen uitrusten en weer nieuw gevoel bekomen konden.”
Nu eerst wierp Rasinski een vorschenden blik op den ongelukkige en verbleekte, toen hij diens koude, wezenlooze trekken aandachtiger gadesloeg. „Gij hebt gelijk,” sprak hij tot Bernard; „wij moeten hem tot rust zien te krijgen.”
Dadelijk sprong hij op, om den huiswaard te zoeken, die zich voor eenige oogenblikken verwijderd had. De grijsaard was gewillig, om alles te geven, wat men noodig had, te meer daar Rasinski hem de verzekering gaf, dat hij heden de laatste Franschen huisvestte en van nu af slechts Russen zou te zien krijgen, die van alles zóó rijkelijk voorzien waren, dat zij de uitgeplunderde, verarmde inwoners nog konden ondersteunen.
„Veel hebben wij niet overgehouden,” vervolgde de oude; „evenwel is er nog brood, een weinig honig en ook nog een vaatje brandewijn.—Een warme soep kan ik gereed maken.”
„Breng ons, wat gij hebt—wij zullen u helpen.”
„Heilige moeder Maria!” riep de oude vol angst en kruiste de armen, „daar wordt aan de deur geklopt. Zoo er nog anderen hier indringen, zijn wij verloren!”
„Laat mij openen,” sprak Rasinski; „zoolang er plaats is, zou het onmenschelijk zijn, onze kameraden aan den kouden nacht prijs te geven.” Hij trad op de zorgvuldig toegegrendelde deur toe en vroeg in het fransch: „Wie is daar buiten? Wat wilt gij?”
„Er zijn van onze manschappen bij, ik heb ze herkend,” riep Bernard.
Zij openden. Vijf half verkleumde ruiters van Rasinski's regiment omringden de deur. In de verwarring van het gevecht hadden zij hun geliefden overste uit het oog verloren en nu huisvesting in het vlek gezocht. Alle huizen echter waren gevuld, wijl de maarschalk Victor de plaats reeds bezet had, hetgeen trouwens in andere opzichten een geluk mocht genoemd worden, daar zijne troepen de van de westzijde indringende Russen hadden teruggeslagen. Van huis tot huis ronddwalende en overal afgewezen, wees een officier hun eindelijk het spoor van Rasinski, dien hij met Jaromir en de overigen, toen zij het lijk van Boleslaw droegen, over het veld had zien gaan. Deze aanwijzing volgende, bereikten zij gelukkig het kleine huis, dat, gelijk meermalen gebeurde, daar elk slechts den hoofdstroom der massa volgde, geheel onopgemerkt was gebleven.
De vreugde der redding straalde den ongelukkigen uit de oogen, toen zij het warme vertrek binnentraden en vooral, toen zij hun aanvoerder en hunne geliefde officieren, want ook Lodewijk en Bernard beschouwden zij als zoodanig, behouden voor zich zagen. Deze verheugden zich even hartelijk, nu zij eenigen der verloren geachten opnieuw begroeten en aan het verderf ontrukken mochten.
Met een diep smartelijke gewaarwording overzag Rasinski de weinige getrouwen, die hem nog omgaven; dat was alles, wat hem van zijn statig regiment overbleef! En toch moest hij het lot danken, dat hem de dierbaarste vrienden had doen behouden. Slechts een was heden als het eerste offer gevallen. Hij smeekte vurig tot den Almachtige, dat dit het laatste mocht zijn!
HOOFDSTUK VII.
Een voedzame maaltijd had de vermoeiden verkwikt; thans overweldigde de ontspanning van het lichaam zelfs de diepste smart der ziel. Allen zonken spoedig in een lang ontbeerden, zoeten slaap, die hun het lijden en de bekommernissen voor een korten tijd geheel deed vergeten.
De koude nam intusschen in hevigheid niet af, maar deed integendeel hare verschrikkingen in steeds toenemende mate op de velden nederdalen. Een geluk was met dit onheil verbonden: de felle vorst, die de voeten der vluchtelingen als in ijzeren boeien sloot, belemmerde ook de schreden der vervolgers. De woede der natuur was zooveel machtiger dan die van den krijg, dat zij als vanzelve een wapenstilstand deed geboren worden.
Een driftig kloppen aan de deur en een woest gedruisch daar buiten deden Rasinski ontwaken. Hij sprong dadelijk op en luisterde, eer hij op het roepen en spreken antwoordde, aandachtig toe, ten einde zich te overtuigen, of het vrienden of vijanden waren, die deze stoornis veroorzaakten. Weldra ontdekte hij, dat het Russen waren, die aan de deur klopten. Hij zag naar den tijd; het was zes uren. Buiten moest het nog volkomen duister zijn. Zijne vrienden lagen in vasten slaap, alleen de huiswaard begon te ontwaken en vroeg nog half slaapdronken: „Wie is daar?”
Rasinski sprong op hem toe, schudde hem geheel wakker en beet hem in het oor: „Gij zijt verloren, zoo gij ons door een enkel woord verraadt; laat mij alleen begaan.” De verschrikte oude gaf door teekens te kennen dat hij gehoorzamen wilde. Rasinski ging hierop naar de deur en vroeg in het russisch: „Wie is daar?”
„Wij zijn Russen, vriend,” luidde het antwoord. „De koude brengt ons om, wij hebben een nachtmarsch gemaakt, open terstond, wij zijn slechts weinigen!”
„Bij de heilige moeder Maria,” antwoordde Rasinski, „gij zijt verloren, als ik opendoe, want mijn huis is vol Franschen. Rijdt toch spoedig verder.”
„Duivel!” riep de stem. „Hoe sterk zijn zij?”
„O, er zijn er meer dan mijn huis bevatten kan. Over de vijftig, heer, en vele officieren!”
„Zwijg dan, zoo gij uw leven liefhebt. Binnen een half uur moeten mijne manschappen hier zijn; ik ga hun tegemoet. De vijanden, die in dit huis zijn, moeten in onze handen vallen.—Is de plaats ook nog bezet?”
„Ik weet het niet, heer! Misschien zijn zij reeds opgebroken.”
„Dan moeten wij ons haasten! Binnen een half uur zijn wij terug, zoek hen zoolang op te houden.”
De ruiters verwijderden zich. Rasinski bleef luisteren, tot de hoefslag der paarden zich in de verte verloor, en schudde hierop dadelijk zijne vrienden uit den slaap wakker.
„Wat is er gaande?” vroeg Bernard.
„De vijand zit ons op de hielen,” antwoordde Rasinski. „Haast u, wij moeten oogenblikkelijk weg en in het vlak alles oproepen, wat nog niet op de been is. Binnen een half uur hebben wij de kozakken te wachten.”
Deze woorden brachten de slaapdronken manschappen geheel tot zich zelve. Eer er drie minuten verloopen waren, stonden allen gereed, den bezwaarlijken marsch door den ruwen winternacht te ondernemen. De grijsaard moest overgeven, wat hij van levensmiddelen en brandewijn bezat, ten einde het te verdeelen en mede te nemen. Sidderend greep hij Rasinski's hand en sprak: „O, heer, wat zal nu mijn lot worden! Zal men mij niet voor een verrader houden en wraak aan mij nemen?”
„Neen, oude, zeker niet,” hernam Rasinski; „spreek de zuivere waarheid, die zal u het best beschermen. Doch wacht—ik zal u nog meer zekerheid geven.”
Hij nam een blad papier uit zijne brieventasch en schreef in het russisch:
„Heer kameraad! Het lag slechts aan ons, u, door verraderlijk te openen, tot onzen gevangene te maken. Wij verlangen echter alleen onze eigene redding, want de slachtoffers van dezen oorlog noodeloos te vermeerderen, schijnt ons een gruwel. Houd den ouden bewoner van dezen hut niet van verraad verdacht, want niet hij, maar een fransch officier, die uwe taal machtig is en dit schrijft, sprak met u, terwijl alle overigen in diepen slaap lagen.”
Hij vouwde het papier toe en gaf het den oude over. „Dit briefje stelt u volkomen in zekerheid,” sprak hij. „Vergeet uw eed niet! Bestel het lijk, dat wij u achterlaten, eerlijk ter aarde of laat het in het gewelf uwer kerk bijzetten. Neem deze beurs, zij bevat de middelen daartoe en bovendien eene rijkelijke belooning. Wellicht wordt het vrede en kan ik spoedig terugkeeren. Kunt gij mij dan de kist met het dierbare lijk toonen, dan zult gij tienmaal zooveel goud ontvangen. Thans vaarwel, oude! De hemel zegene u, zoo gij uwe belofte eerlijk nakomt.”
Allen waren marschvaardig; men brak op, Rasinski ging vooraan.
Zwarte duisternis bedekte de aarde; eene doodelijke stilte heerschte in het rond, het kraken der sneeuw onder de voeten der wandelaars was het eenig geluid, dat zich hooren liet. Niemand sprak, want de snijdende koude maakte elken ademtocht pijnlijk. Het gezicht zoo zorgvuldig mogelijk bedekt, trad men zwijgend in de voetstappen van den voorman en hield zich slechts met zijne eigene gedachten bezig.
Toen de kleine bende de eerste hutten van het vlek bereikte, vond zij de deuren open, de huizen ledig. Men was reeds opgebroken.
„Het schijnt, dat wij alleen zijn achtergebleven,” sprak Rasinski tot Bernard. „Wij moeten onze krachten inspannen en het woud trachten te bereiken, waar wij, ook wanneer de dag aanbreekt, vooreerst in veiligheid zullen zijn.”—Deze eene rustig doorgebrachte nacht had aller krachten zoodanig gesterkt, dat zij tegen nieuwe vermoeienissen bestand en tot een versnelden marsch zouden in staat geweest zijn, had niet de vreeselijke koude diegenen, welker kleeding niet dicht genoeg was, met een zoo moorddadig geweld aangegrepen; hetgeen vooral het geval was, toen zij aan gene zijde van het vlek eene niet onaanzienlijke hoogte bestijgen moesten. Hier ontdekten zij ook sporen van het leger, want in het duister stiet de voet van tijd tot tijd op lijken, die, tot steen verhard, midden op den weg lagen. Met huivering gingen zij deze stomme wegwijzers voorbij en niemand waagde het, zijne gewaarwordingen aan zijn nevenman mede te deelen. Echter werden allen door hetzelfde gevoel van angst beklemd, bij het denkbeeld, dat ook zij zelven op dezen harden grond nederzinken en in de ijzige armen van den winter versteenen konden.
Rasinski, die met de landstreek bekend was, sloeg ter zijde van den grooten weg af, ten einde Smorgoni langs een nader en veiliger pad te bereiken. Tegelijk onttrok het woud hen aan het gezicht des vijands, die hen misschien vervolgen kon. De koude dreef hen tot den hoogst mogelijken spoed, zoodat men, toen de donkerroode schijf der zon boven den gezichteinder oprees en hare eerste stralen door de dichtste takken der dennen wierp, reeds een aanmerkelijken afstand had afgelegd.
Bianca droeg alle vermoeienissen en bezwaren met eene verwonderlijke bedaardheid; geen klaagtoon, geen zucht kwam over hare lippen, hoewel haar teedere lichaamsbouw onder zulke inspanningen scheen te moeten bezwijken. Ja zelfs haar blik werd niet treurig of bezorgd, en daar zij het spreken vermijden moest, zag zij Lodewijk en Bernard toch dikwijls met vriendelijke oogen aan, alsof zij zeggen wilde: verontrust u niet over mij; ik ben wèl.
Eindelijk gebood de uitputting eenige oogenblikken rust, hoe gevaarlijk deze bij de koude ook wezen mocht. Niet zoodra toch had de slaap het vermoeide lichaam overmand, of ook de dood loerde reeds achter den zachteren broeder, om het ooglid, dat deze zacht had toegedrukt, met zijne ijzeren hand voor eeuwig te sluiten. Rasinski deed de vrienden op een sterken boomstam, die aan den weg lag, nederzitten; hij zelf wandelde op en neder en droeg zorg, dat geen der hem toevertrouwden zich door den slaap liet overrompelen. Dezen dienst bewezen allen elkander wederkeerig, en zoo brachten zij de twee middaguren meest zittend en dus rustend door. Eindelijk begaven zij zich weder op weg en bereikten tegen den laten avond Smorgoni. De stad was vol troepen, doch Rasinski was gelukkig genoeg, den Maarschalk Ney aan te treffen, die hem een nachtverblijf voor de zijnen liet aanwijzen en hem vervolgens bij zich ontbood.
Na verloop van een uur keerde Rasinski van den maarschalk terug.
„In 's Hemels naam, wat deert u?” vroeg Bernard, die hem nog nooit zoo ontroerd gezien had.
„Gij zult het tijdig genoeg vernemen,” antwoordde Rasinski; „voor het tegenwoordige is het nog een geheim.”
Zwijgend zette hij zich neder en leunde het hoofd in de hand. Allen hielden zich stil, niemand waagde het, hem meer te vragen.
Bernard sloeg hem ongemerkt gade. Zijn donker oog hechtte zich op geen bepaald voorwerp; hij staarde slechts strak voor zich uit en scheen de voorwerpen, waarop het viel, niet te bemerken. Van tijd tot tijd hief hij den blik ten hemel en een heldere traan rolde over zijne bleeke wangen. Eindelijk stond hij op. Hij scheen in de worsteling met zijne smart meester te zijn gebleven.
„En wat zou het dan nog?—Het moest zoo zijn!—Hij had gelijk!”—mompelde hij half verstaanbaar. Hierop wendde hij zich tot de vrienden en sprak vriendelijk: „Ach, mijne besten, stoort u niet aan mij—ik ben verstrooid. Er is iets, dat mij op het hart drukt. De slaap zal mij opbeuren.”
Met deze woorden wikkelde hij zich in zijn mantel en legde zich op den grond neder, waar zijne ruiters reeds sinds een uur gerust sliepen. Jaromir lag in een anderen hoek van het vertrek; zonder een enkel woord te spreken, had hij zich dadelijk bij zijne aankomst ter rust begeven.
Lodewijk, Bianca en Bernard waren alleen nog wakker gebleven en zagen elkander weemoedig aan, zonder dat zij het wagen durfden, voor hunne bezorgdheid uit te komen. Eene drukkende beklemdheid benauwde hunne borst; de onuitsprekelijke liefde, die zij elkander toedroegen, was de eenige lichtstar, die in dezen donkeren nacht voor hen schemerde en troost uitstortte in hun versagend hart.
Zoo verstreek andermaal een lange nacht, tot de schemering hen tot nieuwe zorgen en gevaren deed ontwaken. Toen zij op het punt stonden, de hut te verlaten, hield Rasinski hen tegen en zeide: „Eerst moet ik u ontdekken, wat mij gisteren bijna verpletterde. _De keizer heeft het leger verlaten!_”
Allen staarden hem vragend en met angstige blikken aan.
„En hij had gelijk!” vervolgde hij. „Gisteren was ik even ontroerd als gij thans, want ik weet, dat het onwrikbare vertrouwen op zijn reuzengeest de eenige band was, die de armzalige overblijfsels van het groote leger nog te zamen hield. Maar het moest zoo zijn. Wij kunnen niets meer redden dan ons zelven; de keizer heeft eene meer gewichtige taak te volbrengen. Parijs is thans het slagveld, waar hij handelen moet. Hier is alles verloren, daar alles te redden. Wij blijven aan ons zelven overgelaten en willen voor ons zelven zorgen.”
Zij braken op.
HOOFDSTUK VIII.
De zon neigde achter grauwe nevelachtige wolken ter kimme; troepsgewijze, langzaam, doodelijk afgemat sleepte eene schaar van bleeke schaduwbeelden zich door de diepe sneeuw voort. Zij geleken wezens uit eene andere wereld, tot welke nooit eene vriendelijke zonnestraal was doorgedrongen. In de holle, bloedende oogen woonden jammer en ellende; het spooksel van den honger grijnsde uit de ingevallen wangen en bleeke lippen. De koude deed de tanden knarsend en klapperend op elkander slaan, en op het loodvervige voorhoofd, in den strakken blik lieten zich de voorteekenen van razernij en vertwijfeling bespeuren. Zoo strompelden de schrikgestalten als bedwelmd en wezenloos naast elkander voort, en waar nog een voelend wezen onder hen wandelde, werd dit door de zich opeenhoopende verschrikkingen gemarteld en gepijnigd, totdat het afgrijzen elke zenuw had afgestompt of het vloekgedrocht der krankzinnigheid eindelijk toch de overmacht bekwam en den te vergeefs wederstrevenden geest met zijne vreeselijke kluisters omknelde.
Bianca had den sluier voor het gelaat getrokken, om zoodoende het tafereel van den haar omringenden jammer niet te zien. Bernard en Lodewijk liepen naast haar en namen, daar hunne verstijfde armen niet meer in staat waren dien last te torschen, het in een paardedeken gewikkelde kind beurtelings op den rug. Dat kleine wezen alleen bleef kalm en rustig te midden der gestadig toenemende ellende; door de koude vermoeid, was het in diepen slaap gezonken, doch het liep geen gevaar van te verkleumen, daar Bianca haar pleegkind zorgvuldig tegen de koude gedekt had.
Rasinski ging vooruit met Jaromir, die, zwak en krachteloos, zonder de hulp en ondersteuning van den vaderlijken vriend reeds lang zou bezweken zijn en wiens toestand, zelfs te midden dezer algemeene ellende, een diep mededoogen inboezemde. Zijne innerlijke zielesmart deed hem zoo vreeselijk lijden, dat hij alle lichamelijke pijnen en kwellingen bijna zonder bewustzijn verdroeg. Hij sprak niet; slechts een bange, diepe zucht kwam van tijd tot tijd over zijne lippen.
Zoolang het licht, dit onderpand der eeuwige genade, nog in den dampkring trilde, had de hoop zich nog staande gehouden, maar nu de duisternis allengs toenam en zich zwarter en zwarter op de versteende aarde nederliet, werd de laatste glimmende vonk van moed en vertrouwen in de versagende borst uitgedoofd en achtten de sterksten zich zelfs verloren.
Nu was de zon verdwenen; de weg verloor zich in de donkere diepte van een onbegrensd mastbosch; het laatste uitzicht op een dragelijk nachtverblijf was den ongelukkigen benomen. Als dreigende reuzen rezen de steile dennen aan weerszijden van den weg op en strekten hunne zwarte armen over het besneeuwde wagenspoor uit. Het dichte weefsel hunner takken sloot elke schemering des hemels buiten en scheen een onmetelijk grafgewelf te vormen, dat plaats voor vele duizenden aanbood. Vruchteloos trachtte het oog de lengte van dit woud te meten, en te ontdekken, of zich achter deze onherbergzame wildernis niet nog eenige gastvrije woningen van menschen zouden bevinden, waar men de afgemartelde leden voor eene poos slechts veilig kon te rusten leggen. Met dit langzaam wegstervend schijnsel van hoop in de borst, sleepten de uitgeputte strijders zich voort, tot eindelijk de laatste krachten bezweken. Dan struikelden zij, de voet gleed uit op den gladden spiegel der ijskorst, zij sloegen voorover of zonken machteloos op de knieën. Vruchteloos strekten zij de armen nog eenmaal naar de hen voorbij waggelende lotgenooten uit; doch geen oor luisterde meer naar de stem der smeekende ellende. De winter omvatte zijne offers met koude armen en vermoordde hen door zijne ijzige aanblazing; het bloed stolde in de aderen, langzaam drong de versteenende dood tot in het hart door; nu had hij het bereikt, het hield op te slaan, de marteling was geëindigd, het hoofd zonk voorover, een donkere bloedstroom gulpte uit de borst op en met dezen was het laatste spoor van leven verdwenen.
De hoop op een toevluchtsoord tegen den nacht werd eindelijk door allen opgegeven; er bleef geene keus meer, men moest zich zonder schut of scherm aan het hongerige roofdier der koude prijsgeven. Vele troepen hielden op het voorbeeld der voorgangers halt en maakten zich gereed, hun bivak op te slaan.
Bernard gaf dezelfde begeerte te kennen, doch Rasinski sprak hem moed in en drong er op aan, dat men den marsch nog een eindweegs zoude voortzetten. Gewoon, op den aanvoerder te vertrouwen, volgden allen zijn raad. Plotseling stond Rasinski stil. „Hier willen wij vuur aanleggen, mijne vrienden,” sprak hij, „en beproeven, of wij den vreeselijken nacht kunnen doorworstelen.”
„Welaan dan,” hernam Bernard; „wellicht gelukt het ons, het grimmig ondier te verjagen, dat ons de koude tanden reeds op de borst zet. Wolven vluchten immers voor het vuur; laat ons zien, of ook dit monster niet tot wijken is te brengen.”
Rasinski had zelfs in dezen bijna hopeloozen toestand noch den scherpzienden blik, wien in den drang der gevaren geen reddingsweg ontgaat, noch de stout beradene kracht verloren, die het hollende span des verderfs met vaste hand in de teugels grijpt en het dan ook nog zoekt te leiden en te betoomen, wanneer het reeds met ons in den afgrond dreigt neer te storten.