Part 87
Zij sloegen een ter zijde van den weg voortloopend pad in, dat gebaander scheen en waar zij minder door de massa's gedrongen werden; slechts eenige weinigen hadden het gekozen. Bianca ging met Lodewijk vooraan; Bernard volgde op eenigen afstand met de kleine, welker niets kwaads vermoedende vroolijkheid—want Bianca's zorg had haar zelfs tegen deze koude beschut—op eene hartroerende wijze bij de heerschende verschrikkingen afstak. „Gij zijt een kleine vlinder, die in den opgesperden muil van een krokodil fladdert,” mompelde Bernard; „maar ik zie u even gaarne hier, als ik u een slapenden tijger den kop zag streelen.—Schelmpjen, lacht gij?”
Op hetzelfde oogenblik brulde een holle stem hem van achteren in het oor: „Sta, hond! Geef mij uw pels, of ik leg u neder!”
Bernard huiverde en zag om.
Een soldaat, met ellendige lompen bedekt, groot van gestalte, met verwilderde trekken, langen, morsigen baard, het gelaat door aarde en rook onkenbaar, krankzinnige woede in de bloedig ontstoken oogen, stond voor hem en hield hem de tromp van het geweer op de borst.
„Wat wilt gij, rampzalige?” riep Bernard van schrik bevangen, en deed huiverend eene schrede achterwaarts. Het kind gaf een angstigen gil, klemde zich aan hem vast en verborg het hoofdje aan zijne borst.
„Uw warmen pels, of ik schiet u neder,” riep de razende. „Hier is geen kameraadschap meer; ik heb even goed recht, mij te redden, als gij.”
Bernard bevond zich bijna alleen met den verbitterden aanrander; hoewel duizenden binnen het bereik zijner stem waren, zou het schot des wanhopigen toch allen zijn voorgekomen, voorondersteld ook al, dat een enkele nog medelijden genoeg met het gevaar eens makkers had bezeten, om deswege zijn weg en zijn lijden door eenige moeielijke schreden te verlengen.
„Gij wilt door het vermoorden van een kameraad uw leven verlengen?” antwoordde hij op vasten, kalmen toon; „welaan, het zij zoo; maar gij zult er u niet lang in verheugen. Uw laatste uur zal toch slaan.”
„Spoedig! want ik voel den dood reeds,” riep de onzinnige, die nog gestadig den verkleumden vinger aan den trekker hield, met woest rollende oogen.
Bernard bukte zich, om het kind neder te zetten, dat hem bij het uittrekken van den pels hinderde; eensklaps verneemt hij een luiden gil en zich omwendende ziet hij Bianca, die zich ademloos aan de voeten van den woedende nederwerpt.
„Neem, dit goud, dit juweel,” riep zij, „dezen warmen mantel, alles, alles, maar laat mijn broeder leven!” Met de drift van den doodsangst had zij eene kostbare keten van haren hals gerukt en wierp haar prachtigen pels af, zoodat zij met bijna ontbloote armen, aan de grimmige koude prijs gegeven, voor den moordenaar knielde.
Deze blikt haar met strakke oogen aan, laat daarop den arm met het geweer langzaam zinken; het wapen ontvalt hem, hij drukt de beide handen voor het woeste gelaat en breekt in een luid gekerm uit. Inmiddels was ook Lodewijk toegetreden, en deze en Bernard hieven de nog altijd knielende Bianca van den grond op.
„Zulk een monster kon ik worden?” riep de onbekende plotseling uit; „neen, deze schande overleef ik niet. Vergeef mij; gij hebt mij beter gekend, het vreeselijk lijden maakte mij razend! Maar ik weet wat mij te doen staat!”
Bianca hing met blikken, waarin twijfel en angst met de uitdrukking der hoogste vreugde afwisselden, aan den zonderlingen mensch, die zich thans naar het hem ontvallen geweer bukte en het opnam. Bernard hield evenzoo het oog op hem gevestigd en zocht in zijn geheugen naar de trekken, die hem zelfs in deze misvormende zinsverbijstering bekend toeschenen.
„Waar heb ik u ontmoet?” vroeg hij, toen de soldaat zich weder oprichtte.
„Het verwondert mij niet, dat gij mij niet herkent,” antwoordde deze somber; „ik zou mij zelf niet herkend hebben.—Deze orde hier ben ik, zoolang ik leef, niet meer waard!” riep hij woest uit, rukte het lint van het legioen van eer uit zijne lompen te voorschijn en wierp het in de sneeuw; „daarom wil ik pogen te verdienen, dat gij het op mijn lijk legt. Ik straf mijne daad zelf, zooals zij het verdient.”
Dit zeggende drukte hij de kolf van zijn geweer in de sneeuw, klemde de borst op de tromp en schopte met den voet tegen den haan. Het schot viel, de ongelukkige stortte neder.
„Barmhartige God!” gilde Bianca en zeeg bewusteloos in Lodewijks armen.
Bernard sprong op den gevallene toe en beurde zijn hoofd op. Nog glom eene flauwe vonk van leven in de verbrijzelde borst. „Zoo gij Frankrijk weerziet, groet mijne vrouwe en mijn jongen... sergeant Ferrand... uit Laon.”
Hij leefde niet meer.
In het oogenblik, dat hij het oog sloot, had Bernard hem herkend. Het was dezelfde sergeant Ferrand, wiens streng plichtmatig, maar menschlievend gedrag hem en Lodewijk bij hunne gevangenneming te Smolensko het leven had gered. Het heiligste, wat dit leven hem aanbood, was zijne onbevlekte eer als krijgsman; door de begane wandaad, waartoe de verbijstering der ellende, der vertwijfeling hem aandreef, achtte hij ze verloren; eene vrouw had hem in moed overwonnen—dat verdroeg hij niet. Streng rechtvaardig sprak hij zelf zijn vonnis uit en voltrok het met eigen hand.
Hevig geschokt knielde Bernard naast het lijk neder, nam het lint, dat de doode voor zijn hoogste goed had gehouden, legde het op zijne borst en zeide: „Wie zal het u ontnemen? Het siere u in uw onmetelijk graf! Slaap wel!”
Zij zetten hun weg voort, want hier was het geen oord om te vertoeven. Onverbiddelijk scheurde het lot de harten vaneen en joeg de verwijlende liefde met grimmige zweepslagen voorwaarts.
HOOFDSTUK V.
De koude schijf der zon begon reeds weder roodachtig te gloeien en naar de sneeuwzee af te dalen, toen de vermoeiden Malodeczno op den afstand van een uur voor zich zagen. Het uitzicht op een dragelijk nachtverblijf deed den bezweken moed opnieuw herleven; maar alsof het lot elke geringe schemering van geluk slechts liet aanlichten, om de krachten tot het verduren van een nieuw, grooter onheil op te winden, werd de kortstondige vreugde ook hier door verdubbelden schrik op den voet gevolgd. Plotseling toch werden de hoogten met zwarte massa's gekroond; de vijand, langs andere wegen voortgedrongen, verscheen, om het toevluchtsoord tegen den kouden winternacht aan de ongelukkige vluchtelingen te betwisten. Bij den eersten aanblik dezer donkere liniën, die den horizon begonnen te omzoomen, pakte de schaar der ongewapenden zich opeen, als eene kudde, die door een gevreesd roofdier bedreigd wordt. Met luider stem riep de maarschalk Ney den weerbaren toe, zich om hem te verzamelen. Nog bestonden eenige overblijfsels van het oude heldenleger, nog klopten harten, die zelfs nu nog de voorschriften van plicht en eer niet vergeten hadden. De gelederen ordenden zich, de weinige ruiters, schoon ook uit alle regimenten bijeengeraapt, sloten opeen en plaatsten zich aan de vleugels, de artillerie, zoo men het kleine aantal stukken dien naam geven mocht, koos eene stelling.
„Kameraden,” riep de maarschalk, „heden moeten wij dak en huisvesting bevechten; want de winternacht is moorddadiger dan 's vijands wapenen. Ook hij wordt door den nood gedreven; gij verdelgt hem, zoo gij standhoudt. Denkt aan uwe redding, aan Frankrijks roem, aan uwen keizer!”
„Leve de keizer!” klonk de doffe kreet der heldenschaar, die slechts den verren donder van het geschut behoefde te hooren, om te midden der zwaarste rampen de stoute geestdrift te herwinnen, waarmede zij alle landen van Europa doorkruist had.
„Wij hebben geen paarden,” riep Rasinski zijnen ruiters toe; „laat ons het geschut bedienen, want hier zijn handen te kort.”
Een dof gedonder rolde langs de heuvels; de eerste kogels werden door den vijand afgezonden en vlogen, op den versteenden grond afstuitend, in wijde boogsgewijze sprongen over de ten slag geordende schaar heen.
„Gij schiet te hoog, wij willen beter treffen,” sprak Rasinski en boog zich voor het stuk neder, om het te richten. „Zóó! Thans vuur!” Jaromir vuurde af.
„Ziet gij, hoe de kogel ruimte maakt?” riep Rasinski, toen de zwarte linie op de hoogte scheurde, zoodat de hemel daarachter zichtbaar week. „Stonden zij zoo diep als breed, dan zou dit schot hun dertig koppen gekost hebben.”
Het gevecht was begonnen; de artillerie des vijands daverde thans van drie zijden tegelijk en de kogels kletterden zoowel in den zwerm weerlooze, in blinde drift naar het vlek Malodeczno voortspoedende vluchtelingen, als in de geordende gelederen der dapperen neder, die hun leven voor dat hunner makkers stoutmoedig in de bres stelden.
„Wij moeten langzaam terugtrekken,” beval de maarschalk, „anders snijden zij ons van het vlek af en wij worden allen een buit van den winter.”
De artillerie gaf nog eene laag en nam daarop ettelijke honderden schreden verder achterwaarts eene nieuwe stelling aan. De troepen volgden gesloten. Voet voor voet wijkende trok men zich, een ernstig gevecht vermijdende, van lieverlede tot nabij de eerste hutten van Malodeczno terug; doch deze korte beweging had de krachten der artilleriepaarden zoodanig uitgeput, dat zij elk oogenblik struikelden, neervielen en ten laatste niet meer waren op te krijgen. Wat handen had, moest derhalve aangrijpen, om de stukken bij eene hoogte op te trekken, vanwaar zich de toegang tot het vlek verdedigen liet.
„Onze kanonnen te redden is onmogelijk, kameraden,” riep Ney, de vermoeiden aanmoedigende; „maar wij zullen ze althans duur genoeg zien te verkoopen.”
De Russen waren langzaam, vurend nader gerukt; thans schenen zij hunne krachten te verzamelen, om stormenderhand een aanval te beproeven. Nauwelijks echter hadden zij zich in volle colonnes vertoond, of de artillerie der Franschen gaf een vreeselijk salvo, dat eene moorddadige verwoesting in hunne gelederen aanrichtte. De aarde sidderde, de lucht dreunde, rook en damp spreidden een zwarten sluier over het leger uit. De vijand vulde zijne openingen en drong kloekmoedig voorwaarts, zijn aanval door de artillerie ondersteunende. Eene tweede laag deed hem andermaal uiteenstuiven. Doch gestadig nieuwe scharen kwamen opdagen, de Rus kon troepen opofferen, want hij vocht met duizenden tegen honderden en scheen het bezit van het vlek tot elken prijs te willen koopen.
Rasinski, Boleslaw, Jaromir, Bernard en Lodewijk bedienden een stuk geschut, want ook de beide laatsten achtten het een plicht, hun door de eer voorgeschreven, een werkzaam aandeel in het gevecht te nemen en, hoewel zij niet meer de uniform van het regiment droegen, hunne vrienden niet te verlaten, nu koelbloedige mannen eene tienvoudige waardij hadden. Ook was het denkbeeld, van met de vrienden vereenigd te blijven, de eenige troost, de eenige bron van hoop en bemoediging, welke hun in dezen akeligen tijd nog overig was. Voor Bianca hadden zij eene plaats opgespoord, waar deze, zoo veilig als eenigszins mogelijk was, in hunne nabijheid blijven kon. Aan de zijde van Malodeczno, dicht achter de stelling, welke de artillerie handhaafde, helde de heuvel tot ongeveer manshoogte genoegzaam loodrecht af en vormde dusdoende eene natuurlijke borstwering. Daar toefde Bianca met het kind, terwijl de slag boven haar hoofd woedde; eenige schreden van haar af stonden de kruitwagens, waaruit de batterijen op de hoogte van het noodige voorzien werden.
Alhoewel de arme voor zich zelve niets te vreezen had, klopte toch haar hart met krampachtigen angst, nu zij de geliefden op weinige schreden afstands aan al de verschrikkingen des doods wist prijsgegeven. Hoe plechtig zij Bernard ook mocht beloofd hebben, de veilige schuilplaats niet te zullen verlaten, kon zij toch, daar het kraken der kanonnen tot eene verdoovende sterkte toenam, haren zielsangst niet langer bedwingen. Zij moest den heuvel op, om te zien, of de haren nog verschoond waren van het lot, dat zijn ijzeren doodsstroom met donderende golven over de vlakte wentelde. Maar ach! te vergeefs zwierven hare blikken in het rond, want de rook hing in dichte wolken op de vuurmonden en men zag slechts zwarte gestalten, die zich schemerachtig en onkenbaar daarin bewogen.
Buiten de mogelijkheid van zich aangaande het lot der dierbaren zekerheid te verschaffen, wankelde zij naar de plaats, waar zij beloofd had te zullen blijven, terug. Doodsangst joeg haar het klamme zweet op het voorhoofd; elke donderslag der mortieren trof haar eigen hart. Zulk verpletterend zielelijden had zij nog nooit gekend.
Nadine werd angstig door het aanhoudende slaggewoel en begon bitter te schreien. Bianca legde haar handjes gevouwen ineen en sprak: „Bid, schuldelooze engel, bid tot den Hemelschen vader, uw kinderlijk smeeken zal Hij verhooren: o laat dit akelige uur ons voorbijgaan!” De kleine gehoorzaamde bijna bewusteloos, knielde neder en hief de betraande oogen smeekend ten hemel. Ook Bianca wierp zich op de knieën; woorden ontbraken haar, zij vermocht slechts de handen sidderend omhoog te heffen; doch de Almachtige hoorde ook hare stomme verzuchtingen. Een geloovig, kinderlijk vertrouwen keerde allengs in haar hart terug en verdreef de zwarte twijfelingen der wanhoop. Zij ademde vrijer, drukte het kind aan haren boezem en zachte tranen rolden in verlichtende stroomen langs hare bleeke wangen.
Weldra werd de donder van het geschut flauwer en zwakker, plotseling zweeg het geheel. Bianca sprong op; nu moest zij tot de haren, nu was het beslist, of het zwarte lot des doods ook hun was ten deel gevallen. Driftig spoedde zij, het kind aan de hand houdende, de hoogte op. Daar klonk haar eene stem uit rook en schemering te gemoet. „Zuster, lieve zuster, waar zijt gij?” Het was Bernard. „Hier, hier, gij leeft, beiden, allen?” riep zij en zeeg in hetzelfde oogenblik haren broeder in de armen. Eene minuut van onuitsprekelijk zoet geluk was Bianca gegeven, doch ook niet meer dan eene minuut.
„Verheug u niet te vroeg,” sprak Bernard en wond zich uit hare sidderende armen los; „wij moesten een offer brengen! Boleslaw....”
„Genadige hemel! hij is....”
„Wij vreezen het; daar komen de vrienden hem herwaarts dragen,” vervolgde de broeder, wees op eenige gestalten, die langzaam naderden, en liet tot schreiens toe bewogen, het hoofd op Bianca's schouder rusten. Door het verlies van den vriend was zijne sterke ziel hevig geschokt, zijne vaste kracht gebogen. „Het moet worden doorstaan,” zuchtte hij, zich oprichtend, „hoe diep de dolk ook in de borst dringe!—Laat ons hun te gemoet gaan.”
Met onzekeren gang traden beiden op de komenden toe, die in hunne armen den verbleekten jongeling droegen. Een kartetskogel had hem het dijbeen verbrijzeld, de vreeselijke schok de levenskiemen van het geheele lichaam verwoest.
„Legt mij neder, ik bid u,” sprak hij doodelijk afgemat.
„Geef hem zijn wil,” fluisterde Rasinski en schudde weemoedig het hoofd, alsof hij zeggen wilde: onze zorg redt hem toch niet meer.
Zij legden den gewonde behoedzaam op den grond neder. Rasinski knielde aan zijn hoofd en nam hem half opgericht in zijne armen. Jaromir hield de rechterhand van den stervende in de zijne geklemd. Lodewijk wendde hevig ontroerd het hoofd af. Bianca trad vol mededoogen op hem toe en snikte: „Ook dat nog, geliefde!” Hij drukte haar stom aan zijn hart: te spreken vermocht hij niet. Dat kon niemand. Met het heilige zwijgen van de diepste bekommering vestigden allen den blik op den gekwetste, die, den doodstrijd in de wezenstrekken, met gesloten oogen daar nederzat. Thans sloeg hij ze op, zag verwonderd om zich heen en zocht zich te bezinnen.
„Gij zijt allen bij mij?” sprak hij vriendelijk, toen hij zijne vrienden herkende, en een vriendelijk lachje van dankbaarheid speelde om zijne lippen. „Ik sterf een schoonen dood,” vervolgde hij en richtte zich op; „gij moogt niet om mij treuren. Ik sterf den eeredood in vriendenarmen!” Een edele trots kleurde des jongelings verbleekte wangen met een vluchtigen blos en nog eenmaal ontvlamde de moed in zijn brekend oog. „Ik sterf gaarne,” vervolgde hij meer weemoedig. „Jaromir! mijn vriend, mijn broeder!” Hij drukte de hand des naast hem knielenden met warme liefde en diepe aandoening, want zijne gedachten verwijlden bij het beeld der verwijderde geliefde, dat hij stom, maar met standvastige trouw in zijn hart had omgedragen.
„O, waarom lig ik niet op uw plaats!” riep Jaromir met onstuimige droefheid en drukte zijn gelaat op de hand des stervenden; „waarom heeft de dood mij niet verlost!”
„Neen, neen—gij zult nog gelukkige dagen zien,” vervolgde Boleslaw met aandoening, „gelukkige dagen in hare armen.—Breng Lodoiska mijn laatsten groet; u bekent het mijn stervende mond... ik heb haar bemind... zwijgend, maar uit het diepst mijner ziel!”
„O God, o mijn broeder!” snikte Jaromir. „Gij, gij—gij waart getrouw gebleven! O, ik rampzalige!”
„Gij hebt zwaar geboet, alles is verzoend, mijn broeder,” sprak Boleslaw. „Weest gelukkig met elkander.... om der smarten wille, die ik droeg.... het is mijne laatste bede aan u, aan haar.... dat zij mijne vreugde daarboven!”
Hij liet het matte hoofd zinken. Jaromir boog zich onstuimig over hem neder. „Blijf nog bij ons—o broeder, sterf nu nog niet,” riep hij onder krampachtig snikken en drukte zijn gloeiend voorhoofd op de verstijvende hand des dierbaren. Nog eenmaal sloeg Boleslaw het brekend oog op.—„Rasinski.... gij, mijne vrienden!” sprak hij met zwakke stem. Zij drukten zijne handen, zijn blik zweefde weemoedig over allen heen en wenkte elk een vriendelijken groet toe. Op Jaromir verwijlde hij het langst; hierop zuchtte hij nog eens: „Lodoiska!” sloot het moede oog, legde het hoofd op Rasinski's borst ter ruste—en ontwaakte niet meer.
De dood gaf hem zijne edele, mannelijke schoonheid geheel terug; als een marmerbeeld zat hij daar; de zwarte lokken golfden vrij en onbedwongen van zijn hoog voorhoofd, dat ook nu nog den onmiskenbaren adel van moed en stoutheid droeg; om de lippen speelde een zacht, half smartelijk lachje; maar heilige rust woonde op de verstijvende wezenstrekken; heilige, zachte rust; want zijn met kommer beladen hart sloeg niet meer.—Jaromir drukte zijn weenend gelaat op de borst van het lijk en hield het in onstuimige omarming vastgeklemd.
„De Heer zij zijner ziel genadig!” sprak Rasinski ernstig, maar bedaard, en legde de handen zegenend op het hoofd des ontslapenen. „Wèl ons,” wendde hij zich hierop tot de vrienden, „dat wij althans dit dierbare lijk niet aan de wolven behoeven te laten.—De duisternis begint te vallen. Wij moeten het duur gekochte nachtleger zien te bereiken; en daar zal hij begraven worden.”—Hij wees met den vinger op Malodeczno, werwaarts de troepen zich thans terugtrokken, nu de vijand, door hunne standvastige volharding afgeschrikt, het eindelijk had opgegeven, hun dit toevluchtsoord te betwisten.
Jaromir alleen was doof voor Rasinski's stem; het verlies van den vriend had hem te hevig geschokt, hij lag nog altijd bewusteloos aan de borst van den doode.
„Herstel u, Jaromir,” dus sprak Rasinski hem toe en trachtte hem op te richten; „toon een mannenhart. Gij verloort uw trouwen makker, vereer zijne nagedachtenis door u krachtig boven uwe groote smart te verheffen. Ontviel u een broeder, ik verlies een zoon; verman u, en neemt gij de plaats des verlorenen in.”
Deze zachte, ernstige troost vond ingang in het hart van den ongelukkige; zwijgend, schoon met geweldige inspanning, richtte hij zich op en Rasinski sloot hem met vaderlijke liefde in zijne armen. „Help ons, onzen gevallene den laatsten liefdedienst te bewijzen,” sprak deze en boog zich tot Boleslaw neder, om diens hoofd op te richten. De vier vrienden namen den ontzielde in hunne armen en sloegen zwijgend en langzaam den weg naar het vlek in.
HOOFDSTUK VI.
Maar de grimmige natuur was met hare verschrikkingen sterker, dan zelfs de edelste, diepste smart.
Met de dalende zon steeg de koude al hooger en hooger. Hoe kort de weg ook zijn mocht, voelden de dragenden toch het bloed in hunne armen verstijven. Slechts de heiligste, onverbrekelijkste vriendschap vermocht deze laatste liefdedienst te volvoeren; voor elken anderen ware zij onvoltooid gebleven. In hunne innige liefde echter vonden de getrouwen de kracht.
Na onuitsprekelijke inspanning bereikten zij een klein huis, dat ter zijde van den hoofdweg, waarop de massa's in woest gedrang naar den ingang van het vlek voortwentelden, gelegen was. Tegen alle verwachting was het nog bewoond; een grijsaard opende de deur en trad de komenden met smeekende gebaren te gemoet. „Is er plaats in uwe hut?” riep Rasinski hem toe.
„Genoeg, genoeg!” hernam de oude, verheugd, de taal van zijn land te hooren; „ik wil u gaarne huisvesten. Doch ik smeek u, drijf mij zelf niet naar buiten in dezen kouden winternacht. Gun aan mijn grijs hoofd een klein plaatsje!”
„Houdt gij ons voor ontmenschte barbaren?” vroeg Rasinski met onwillekeurige huivering; „gij hebt niets te vreezen!”
„Dan moge de Heere u zegenen,” sprak de grijsaard; „maar gisteren hebben zij mijn zoon en mijne beide kleindochtertjes naar buiten gejaagd, en die zijn bevroren voor mijne gesloten deur. Gij kunt ze zien, ik heb de lijken nog hier in de hut.”
„Barmhartige God!” riep Bianca vol afschuw en medelijden uit; „was het mogelijk!”
„Ook wij brengen u een doode,” sprak Rasinski; „zijn lijk zelfs is ons nog dierbaar. Wilt gij bij de Moeder Maria zweren, hem vroom en christelijk ter aarde te bestellen, wanneer wij daarin mochten verhinderd worden, dan beloof ik u en uw huis zekerheid, zoolang wij er ons in ophouden.”
„Bij de heilige Moeder zweer ik het; hij zal naast mijn eigen zoon rusten,” riep de grijsaard en hief de hand plechtig omhoog.
Zoo traden zij de hut binnen.
„Breng het lijk hier, lieve heeren,” sprak de oude en opende de deur van een klein zijvertrek.
„O, mijn God,” riep Bianca, toen zij een blik naar binnen wierp.—Op een, met wit linnen lakens bedekt strooleger lag in een doodshemd een man van nog jeugdigen leeftijd, schoon van een ziekelijk voorkomen. Naast hem zag men twee kleine meisjes van uiterlijk zeven tot acht jaren oud.
Lodewijk en Rasinski droegen Boleslaws lijk naar binnen en legden het aan de zijde der beide schuldelooze kleinen neder.
„Ziet gij, heeren, dat zijn zij,” sprak de grijsaard en tranen verstikten zijne stem. „Gisteren waren de kinderen nog frisch en gezond, als bloeiende rozen—de vader sukkelde sinds het voorjaar—toen zijne vrouw,—neen, laat mij daarvan liever zwijgen.—Gisteren drongen er zooveel soldaten in mijn huis, dat het aan plaats ontbrak; zij joegen ons de deur uit. Wij brachten den nacht onder den blooten hemel door; mijn zoon, dien de ziekte verzwakt had, was tegen de felle koude niet bestand; de kleinen kon ik niet uit den slaap houden—zij bevroren in mijne armen. Ik alleen bleef over. Gaarne had ik mij bij de doode, op de sneeuw nedergelegd, maar ik heb nog eene dochter—om harentwille leef ik. Zij is echter thans in Wilna.”
Terwijl de oude zijn overkropt hart uitstortte, hadden de mannen Boleslaws kleederen en haar in orde gebracht en hem met den wijden mantel bedekt, zoodat de sporen der wonde en van het reeds geronnen bloed niet meer zichtbaar waren. Thans scheen hij te sluimeren, zoo kalm en edel waren zijne trekken.
„Laat hem hier rusten,” sprak Rasinski weemoedig. „Zijn beeld staat levend, waardig, vriendelijk in onze harten geprent, laat ons het zoo bewaren; het is niet goed, bij het koude hulsel te vertoeven.”
Aan zijn wensch voldoende, keerden allen naar het eerste vertrek terug, welks weldadige warmte hen verkwikkend aandeed.
Sedert langen tijd was dit het eerste veilige dak, dat hen gastvrij opnam. Een helder brandend vuur vlamde op den breeden haard en verbreidde een gematigde warmte door de gansche binnenste ruimte van het kleine woonhuis. De zeeman, die na een gevaarlijken tocht de gewenschte haven binnenloopt, wordt niet zoo levendig door het gevoel van erkentenis jegens den almachtigen Redder doordrongen, als het gezicht van dit toevluchtsoord tegen de grimmigheid der natuur en van den vijand het hart der naar lichaam en ziel lijdenden met innige dankbaarheid vervulde.