1812: Historische roman

Part 86

Chapter 863,818 wordsPublic domain

„Genoeg, genoeg!” riep de gravin, terwijl zij wankelde, verbleekte en zich met moeite aan een stoel staande hield. Arnheim wilde haar te hulp snellen, doch zij wees hem met de hand terug.—Nog stond zij ademloos, niet in staat te spreken, toen de deur geopend werd. Lodoiska, bleek als een marmerbeeld, met doodsangst in het matte oog, stoof het vertrek binnen. Met uitgestrekte armen, als voor een dreigend spooksel vliedende, snelde zij op de moeder toe, omhelsde haar krampachtig, en voor haar op de knieën vallende, verborg zij het gelaat in haren schoot.

Als Niobe in hare smart versteend, stond de gravin sprakeloos over de ongelukkige neergebogen en legde de bevende handen op haar hoofd.

Arnheim staarde somber voor zich heen; wel is waar zag hij uit dezen vreeselijken nacht reeds de ster der verlossing voor zijn vaderland schemeren; doch deze ging te bloedig op, dan dat zij met hare stralen vreugde in een menschelijk voelend hart zou hebben kunnen uitgieten. De ontzettingen der vernietigende Nemesis hadden het gemoed nog te zeer vervuld, om ruimte te laten voor de hoop, die uit dit zaad des doods ontkiemen zou.

Thans verscheen ook Maria, bleek, sidderend, maar met meer liefde dan schrik in de zachte gelaatstrekken. Toen zij Arnheim bespeurde, vloog een donkere blos over hare wangen; doch spoedig herstelde zij zich, ging hem te gemoet, bood hem vriendelijk de hand en zeide met eene nauw hoorbare stem: „O, help mij deze ongelukkigen troosten!” Hierop wendde zij zich tot de gravin en Lodoiska en loste hare versteening door warme beden en tranen der liefde in eene zachtere smart op.

„Het is voorbij,” sprak eindelijk de gravin met vaste stem; „ik vind mij zelve weder. Deze ramp moet moedig en standvastig gedragen worden. Terwijl wij de kracht tot tegenstand in ons _trachten_ op te wekken, erlangen wij ze werkelijk. Kom, Lodoiska, beur het hoofd op; toon dat gij eene dochter van Polen zijt.”

„Dat wil ik,” sprak het meisje, in wier oogen een nieuw vuur ontvlamde; „toonen wil ik het door de daad. Maar gij, moeder, beloof mij, dat gij mij niet verlaten zult!”

De edele trekken van haar gelaat verfden zich met den gloed, dien een grootmoedig besluit over de wangen uitgiet. Voor de gravin was dit verschijnsel een raadsel; Maria, daarentegen, wier zusterlijk gevoel met dat der minnende nauw verwant was, vermoedde de bedoeling der belofte, welke het teedere meisje zoo onstuimig vorderde.

„Behoef ik u nu eerst toe te zeggen, wat ik door elke daad mijns levens beloofd, waarvan ik u elken dag een nieuw bewijs gegeven heb?” antwoordde de gravin op een toon, waarin zoowel een vraag als een verwijt lag.

„Neen gij behoeft het niet,” sprak Lodoiska kalmer; „want gij zult doen, wat gij mij niet weigeren kunt, zonder mij het leven te rooven,—moet hem zien, eer de oorlog hem wegraapt;—mijn hart zegt mij, dat hij nog leeft, dat ik hem vinden zal,—wij moeten ons met elkander verzoenen—neen, niet verzoenen, want ik voed geen wrok en voedde dien nooit; maar hij moet de liefde hem nog eens vriendelijk zien toelachen, al ware het ook in het laatste uur zijns levens! Moeder! moeder! zoo gij dat belet, dan breekt mij het hart en hier noch dáár boven is voor mij meer rust te hopen.”

„Onbegrijpelijk kind,” riep de gravin, door aandoening en verbazing overweldigd, en drukte het minnende wezen aan hare borst met eene teederheid, die het inwilligen van hare hartstochtelijke bede ook zonder woorden te kennen gaf.

Maria's gemoed werd door afwisselende aandoeningen geschokt. Het verpletterende der zoo even ontvangen berichten, hevige ontroering over Lodoiska's smart en liefde, zusterlijk gevoel van bange bezorgdheid voor den geliefden broeder en eindelijk, in de verborgenste diepte van het hart, het beeld van den edelen man, van wien zij afstand had gedaan, zonder van hare liefde voor hem afstand te doen, en die thans, zoo hij al niet reeds uit het land der levenden was weggerukt, door honderde doodsgevaren omringd werd,—dit alles bestormde gelijktijdig hare ziel, haar adem en herinnering. Eensklaps viel haar oog op Arnheim en een nieuwe smartelijke pijl drong in hare borst. Wat moest hij, wien de liefde ontzegd werd, niet lijden, nu hij zag, hoe machtig die heilige vlam het teederste hart doorgloeide! Van dat geluk was hij uitgesloten—ach, en Maria, moest zij het niet zelve uit hare borst verbannen? De overeenkomst van haar lot met dat van den edelen vriend deed haar eene innige, zusterlijke betrekking op hem gevoelen. Zij trad op hem toe en fluisterde: „Edele vriend, wellicht doet deze minuut mij een broeder verliezen, wilt gij zijne plaats innemen—hij blijve of keere terug—het zusterhart kan twee broeders liefhebben.”

Driftig greep hij hare hand en klemde ze aan zijne lippen. „O Maria!—zij het een erfdeel of een geschenk,—het is het schoonste, wat ik van nu af bezit.”—Zijn gevoel overmeesterde hem, hij verwijderde zich haastig.

Toen de drie vrouwen zich alleen zagen en hare harten, die vroeger reeds nauw verwant, nu door den machtigen band van een gemeenschappelijk lijden nog vaster verbonden waren, ongestoord voor elkander konden uitstorten, sprak de gravin:

„Deze vreeselijke slag, die in Europa's eene helft droefheid en jammer, in de andere vreugde zal verspreiden, doet in uw hart, Maria, wellicht eene zoete hoop ontkiemen, terwijl het onze aan sombere vertwijfeling wordt ten prooi gegeven. Maar laat ons thans niet denken aan hetgeen ons zou kunnen scheiden; eene gemeenschappelijke zorg, die voor onze dierbaarste betrekkingen, houdt ons innig, onafscheidelijk verbonden. Lodoiska's minnend hart heeft ons den weg gewezen. Het drijft haar naar den geliefde voort; zij wil aan het harde lot nog een lachend oogenblik ontwringen; mogen wij haar alleen laten heentrekken?”

„Neen, neen!” riep Maria, Lodoiska aan hare borst drukkende; „mijn hart maakte mij reeds lang tot uwe gezellin. Eene zuster bemint ook!”

„Ja eene zuster bemint ook,” herhaalde de gravin, en een heldere traan welde in haar groot oog op.—„Het is dus besloten, wij vertrekken!—Onze vrienden zijn niet ver af, binnen weinige dagen kunnen wij hen bereiken. Wellicht heeft het lot hen gespaard, om hen nog eens in onze armen te voeren; wellicht zijn wij bestemd, om hun brekend oog zacht te sluiten; wellicht ook kan onze vrouwelijke verpleging hen aan den dood ontrukken. Men mag ons gedrag afkeuren; ons hart spreekt ons vrij. Slechts de lage menigte die nooit groothartig dacht of handelde, miskent elk vrij besluit dat de grenzen van gebruiken, gewoonten en koele berekeningen stout te buiten treedt.—Ik ben uwe moeder: mij is het heiligdom van uwe maagdelijke eer toevertrouwd; maar vol vertrouwen hef ik het oog tot de zalige op, wier schoot u baarde, want ik weet, dat zij billijkt, wat ik volbreng.”

HOOFDSTUK IV.

Nadat het Rasinski gelukt was, met zijne vrienden en de weinige kameraden die hem gebleven waren, den rechteroever van den stroom te bereiken, die zoovele duizenden verslond, zette hij zijn weg nog tot Zembin voort. Hier vond hij den maarschalk Ney, wien wederom de zwaarste taak, het dekken van den terugtocht, was opgelegd. De grootste moeilijkheden en gevaren schenen nu toch overwonnen te zijn, want men trok door een meer bevolkt land en de inwoners koesterden althans geen vijandelijke gezindheid. De zucht tot behoud zag de geringste schemering van hoop voor redding aan; doch de onverbiddelijke gramschap van het lot was nog niet bevredigd, maar sluimerde slechts, om met vernieuwde woede op de weerlooze offers aan te vallen.

Te Zembin gelukte het Lodewijk, een kleine slede, die nauwelijks voor twee menschen ruimte had, voor Bianca te bekomen. Rasinski liet het paard van een gekwetste, die zich tot rijden niet meer in staat bevond, inspannen en redde den man zelven, door hem met het besturen van het kleine voertuig te belasten. Bernard en Lodewijk drongen er te vergeefs bij Bianca op aan, dat zij thans, nu het nog mogelijk was, beproeven zoude, het leger een eindweegs vooruit te komen en Wilna te bereiken, op welke plaats allen, als benarde zeelieden op eene reddende haven, hun uitzicht vestigden. Zij bleef onverzettelijk bij haar besluit, om den broeder en den geliefde geen oogenblik meer te verlaten. „Noemt het geen grootmoedigheid, wat mij uwe beden doet afwijzen,” sprak zij, „het is eigenbelang; in uwe nabijheid was ik kalm en getroost te midden der vreeselijkste gevaren, van u verwijderd zou de kleinste tegenspoed mij radeloos en versaagd vinden. Neen, laat mij bij u blijven; het lijden, dat ons gezamenlijk treft, valt licht, al is het ook het allerzwaarste. De eenzame, de verlatene zou slechts wanhoop en vertwijfeling om zich heen zien.”

Er bestaan opofferingen der liefde, die wij met angst en beklemdheid aannemen en welke wij toch niet kunnen afwijzen. De grens, die onze wederzijdsche plichten vaneenscheidt, is voor het scherpste oog niet meer kenbaar. Het hart geeft zich eindelijk lijdelijk en onwillens aan de toekomst over en waagt het niet eene zelfstandige beslissing uit te spreken.—Zoo ook hier. Bernard en Lodewijk lieten zich door de roerende beden van Bianca overhalen, wijl niemand beslissen durfde, of de uitwendige gevaren, welke zij dachten af te weren, door het innerlijke lijden, hetwelk afstand en angst der van vriend en broeder gescheidene moesten opleggen, niet misschien rijkelijk zouden worden opgewogen.

Aan eene regeling van het armeekorps, aan eene geregelde verdeeling van het leger was niet meer te denken. Elk hield zich bij de troepen, onder welke hij de meeste zekerheid hoopte te vinden, of die het toeval hem deed aantreffen. Rasinski sloot zich weder bij Ney aan, deels uit gehechtheid aan den veldheer, met wien hij zooveel gedragen en overwonnen had, deels, wijl zijne groothartigheid hem de gevaren van den kamp altijd als de meest roemvolle deed voorkomen, en eindelijk ook, vermits hem geene andere keuze overbleef, daar de uitputting zijner manschappen, welke hij zich had voorgenomen in geen geval te verlaten, hem niet gunde, de reeds een eindweegs vooruit zijnde korpsen in te halen.

De vijand verloor hen de eerstvolgende marschdagen wel niet uit het oog, maar vervolgde toch niet onstuimig. Slechts enkele zwermen kozakken, die men met een blind kanonschot dikwijls eenige uren ver kon terugdrijven, verontrustten den aftocht.

Daar kwam de dag, tegen welken de verbitterdste vijand van het leger, de winter, zijne gansche grimmigheid scheen te hebben opgegaderd. Het was in den nacht van den 4 Dec. dat de zuidwestenwind plotseling in een snijdenden noordoostelijken omsloeg en alle verschrikkingen der ijspool op zijne vlerken aanvoerde, om de laatste overblijfselen van het trotsche heldenleger te vernietigen, dat eindelijk door den stroom van duizendvoudige rampen tot den veiligen oever scheen doorgeworsteld te zijn. Arglistig had de winter zich tot hiertoe half schuil gehouden en slechts nu en dan zijne schrikwekkende tegenwoordigheid doen gevoelen; thans kwam hij door den donkeren nacht aangeslepen en overviel de weerloozen in den slaap. Door zijne kille aanraking uit hunne sluimering opgeschrikt, sloegen zij het oog op, en het meedoogenlooze monster stond in zijn volle vreeselijkheid voor hen.

Rasinski had met al de zijnen en nog vele andere krijgsmakkers in eene groote schuur gelegen, waar de ruimte geen vuur toeliet en zij zich dus slechts door een nauw opeendringen verwarmen konden. Tegen den morgen ontwaakte hij door eene stekende pijn in handen en voeten; hij wilde opspringen, doch was als verlamd. Met moeite bracht zijne wilskracht eindelijk beweging in de stramme spieren en hij richtte zich op; een enkele ademtocht zeide hem, dat thans de moskovische winter voor de deuren was gelegerd en met doodelijke aanblazing alle leden versteende.

„Hola!” riep hij en schudde Jaromir, die naast hem lag. „Hola! Op! Anders ontwaakt gij nimmer! Boleslaw, Bernard op!”

Half bewusteloos wilden deze zich uit de vaste banden van den slaap losrukken, doch hunne leden waren aan den kouden grond vastgeketend en zij bleven roerloos liggen.

„Vermant u, spant alle krachten in,” schreeuwde Rasinski, „anders zijt gij verloren. Nu is de rechte winter daar. Tot hiertoe heeft hij slechts uit de verte gedreigd, nu, ik voel het, valt hij ons met al zijne kracht op het lijf.”

Onder deze woorden schudde en wekte hij de vrienden en was hun in het opstaan behulpzaam. Langzamerhand ontstond in de gansche, donkere ruimte der schuur, tot welke slechts de matte weerschijn van eenige, daar buiten aangelegde wachtvuren doordrong, een dof mompelen, kreunen en bewegen, en te midden daarvan verhief zich een jammerend weeklagen, dat kranken, licht gewonden of dezulken aanhieven, die den sluipenden dood reeds in de ledematen voelden, tot welke de koude als een fijn, bijtend vergif doordrong.

„Bij den duivel, is dat een weer!” mompelde Bernard, terwijl hij zich dichter in den pelsjas inknoopte; „het pakt iemand aan als met de klauwen van een ijsbeer!—Bianca, mijne beste, hoe hebt gij het?”

Het standvastige meisje onderdrukte smart en bezorgdheid. „Ik ben wel, beste broeder,” gaf zij ten antwoord; „dit klimaat is mij minder vreemd dan u. Ook zijn wij immers nog zoo goed van kleeding voorzien.”

„Door uwe zorg en goedheid,” merkte Lodewijk op. „Doch wee de ongelukkigen, die een dergelijk schild tegen de scherpe pijlen der koude missen!” Het toenemend gejammer om hen heen deed hem bijna onwillekeurig deze woorden uiten.

„Sluit dicht opeen, vrienden,” vermaande Rasinski; „in dit gedrang verliest men elkander spoedig uit het oog.”

Zij, die ontwaakt waren, hadden zich opgericht en snelden op de vuren toe, die buiten brandden, in hoop van zich daar te zullen verwarmen. Tegelijk werden zij door den honger gedreven, daar zij zich van de gedurende den nacht door hunne makkers toebereide spijzen dachten meester te maken. Doch op verre na niet allen hadden de kracht, dit nabijgelegen doel te bereiken. De meesten tuimelden, door slaap en koude bedwelmd, de een op den ander neder; velen bleven roerloos op den grond liggen. Afmatting en koortshuivering hadden hen zoodanig verlamd, dat zij zich niet konden oprichten; ook was de kracht van den wil zelfs bij de sterksten geheel bezweken, en zij verkozen liever, in doffe gevoelloosheid den dood af te wachten, dan zich tot nieuwe martelingen te vermannen.

Bernard en Lodewijk namen Bianca, die de zorgvuldig in een pels gewikkelde kleine op den arm droeg, in hun midden. Rasinski ging met zijne beide vrienden voor hen uit; de weinige van het regiment nog overige ruiters volgden. Zoo bereikten zij, niet zonder moeite en inspanning, het vrije veld. De sneeuw kraakte en knetterde onder hunne voeten; de lucht scheen met ijsdeelen bezwangerd, die bij het ademhalen stekend op de borst vielen; oogen, wangen en lippen begonnen pijn te doen, zoodra de adem van den niet sterken, maar snijdend scherpen wind ze aanroerde.

Eenige trommen deden een dof geroffel hooren en vermaanden tot den afmarsch; doch dit teeken, waarbij de soldaat anders opmerkzaam het hoofd opheft en met de wapens in de hand opspringt, stierf thans als in een grafgewelf weg.

Met de grootste moeite werd de verwarde klomp eindelijk in beweging gebracht, terwijl zich, alsof elke inwendige band verbroken was, van tijd tot tijd enkele deelen van het geheel losrukten en het eene voor, het andere na, den weg naar het westen insloeg.

Op een heuvel, die door het flikkeren der sneeuw, het schemeren der sterren en het schijnen der legervuren zonderling verlicht werd, stond eene lange, statige mansgestalte, in een pelsmantel gewikkeld, en sloeg de armen kruiselings over elkaar, ten einde zich te verwarmen. „Hier bij mij! Het eerste armeekorps hier!” riep hij met luider stemme. Het was de maarschalk Davoust. Allengs schoolde een klein hoopje, het overschot van zijn gansche leger, om den onverzettelijken krijgsman te zamen, dien noch ellende, noch tallooze rampspoeden de redding deden opgeven, welke het inachtnemen van de orde en krijgstucht in zich besluit. De zijnen te voet voorgaande, deelde hij met de soldaten elk bezwaar en met zijne eerste officieren elke geringe gunst, die zijn hooge rang hem in deze, alles gelijk makende ellende nog boven anderen verleende.

Gelukkig hadden Rasinski's paarden nog eene dragelijke schuilplaats gevonden. Desniettemin waren twee daarvan door uitputting en koude bezweken. Men zat op, Bianca plaatste zich in hare kleine slede, Lodewijk en Bernard wandelden daarnaast en de beide thans ontzadelde ruiters sloten zich bij hen aan.

De aanbrekende dag, die anders de hoop, welke gedurende den akeligen nacht bezweken was, gewoonlijk weder deed herleven, had heden deze kracht verloren. Met het licht nam de snijdende koude meer en meer toe, en toen het bloedroode oog der zon zich boven den gezichtseinder vertoonde, scheen het slechts met het lijden van zoovele duizende ellendigen te willen spotten; want niet het geringste spoor van koesterende warmte was in de stralen, welke zij op het bleeke gelaat der verkleumden spelen liet, te ontdekken. Slechts tot het oog, dat, reeds door den rook en den gloed der nachtelijke legervuren ontstoken, door het glinsteren der sneeuw nog verblind was, drongen zij door, deden het in de holte branden en voegden zoo eene nieuwe foltering bij den last van lijden, waaronder de rampzaligen reeds gebukt gingen.

Toen Bianca zag, dat vriend en broeder het tranend oog afwendden en te vergeefs een voorwerp zochten, waarop zij het zonder pijn konden laten rusten, viel haar plotseling een hulpmiddel in. „Wacht, wacht, één oogenblik slechts,” riep zij, keerde zich om, zocht een groenen sluier van onder haren pels te voorschijn, scheurde dien doormidden en reikte de eene helft aan Bernard, de andere aan Lodewijk toe. „Het is de groene sluier,” fluisterde zij dezen toe, „dien ik op den St. Bernard droeg. Sinds ik wist, dat hij het teeken was, waaraan gij mij weder herkend hebt, droeg ik hem op mijn hart. Thans moge hij het licht der dierbaarste oogen behoeden. Bedek uw gezicht daarmede, geliefde, want alles, wat in dat land glanst en schemert, is koud en gruwzaam, als deze sneeuw en deze zon.”

Met diepe ontroering beschouwde Lodewijk het eerste teeken, waaraan hij zijne liefde geknoopt had, en de gedachte, dat het hem juist nu, daar de genadige Goedheid haar gelaat van de aarde scheen af te keeren, opnieuw in de oogen blonk, bezielde zijn hart met nieuwe hoop en verlevendigd vertrouwen. Een onverklaarbaar gevoel in zijne borst had hem van het eerste oogenblik af daarin een talisman doen zien, die een wonderdadigen invloed op geheel zijn volgend leven zoude uitoefenen. Ook thans weder beschouwde hij het als zoodanig. Doch terwijl hij het uit Bianca's hand ontving, zag hij haar bezorgd aan en vroeg: „Maar gij, geliefde, zult gij beschermd zijn tegen dezen verderfelijken glans?”

„Mij dekt immers nog het zwarte rouwfloers,” antwoordde zij; „schoon ik het eigenlijk niet dragen moest, want door dien nacht zag ik immers mijn schoonsten levensdag aanbreken!” Dat zeggend lachte zij den vriend met betooverende aanminnigheid toe en scheen door haar innerlijk geluk te vergeten, dat de boot, die het droeg, op de golven der van buiten dreigende gevaren als op eene doode zee van onheil en verderf omdobbert.

Bernard, hare ontroering bemerkende, beijverde zich, vroolijk en opgeruimd te schijnen. „Ik dank u, lieve zuster,” sprak hij; „hier wordt scherts ernst en ernst scherts. Onze gansche trein is niet veel anders dan een gemaskerde optocht, schoon wij allen verduiveld sombere grijnzen dragen. Ik wil dus over de mijne een groen net spannen. Een schilder moet buitendien altijd zijne oogen ontzien, en daar ik mij op de ijszee van Chamouny zoo zou toetakelen, waarom zou ik het op deze grootere niet doen?” Hij hechtte het dunne weefsel aan zijne pelsmuts en drukte ze dieper in de oogen. De scherpe koude maakte het ademhalen moeilijk, zoodat zwijgen eene noodzakelijkheid werd, waaraan elk zich vrijwillig onderwierp. De troep had het voorkomen van eene lange rij witte spookgestalten, zoo hadden als rijp neervallende dampen hun dicht weefsel van fijne ijsspitsen over man en paard uitgespreid. Met moeite sleepte men zich voort, en in de zich langzaam bewegende massa's heerschte eene doffe doodstilte. Alles, zelfs het geluid der lippen, werd door de vreeselijke koude in boeien van geheele verstijving geslagen. Ook de wind had zich neergelegd; vogels vielen dood uit de lucht neder; het laatste spoor van leven was uit de natuur verbannen.

De voorttrekkenden hoorden niets dan het kraken der sneeuw, het hol gedreun van het geschut en het doffe gekreun derzulken, die met den versteenden dood in de aderen ter aarde zonken, om zich nimmer op te richten.

De zoodanigen zag men waggelen, als bedwelmd eenige schreden voorttuimelen en vervolgens op de knieën neerzinken, welker verstramde spieren en pezen niet meer in staat waren hen te dragen. Bloedige tranen drongen uit hunne wijd opengespalkte oogen; vergeefs staarden zij hunne makkers aan, die onder eigen lijden gebukt, geen gevoel meer hadden voor de martelingen van anderen en de gevallenen onverschillig voorbijgingen, zonder het hoofd naar hen om te wenden.

Bij enkelen deed deze uiterste vertwijfeling nog een trotseerende kracht geboren worden, tot welke zij zich gewelddadig opwonden. Zij barstten in een woesten, schaterenden lach uit bij het zien van den zich gestadig hernieuwenden jammer en riepen den nedertuimelenden een grijnzend, honend vaarwel toe. Slechts de edelste en koenste gemoederen tevens behielden ook hier eene mannelijke kalmte en bedaardheid. Rasinski had haar niet verloren. Zijn paard, dat hij aan den teugel leidde, was door de koude bezweken; hij nam de pistolen uit den holster en zette rustig zijn weg voort. Vruchteloos boden Boleslaw en Jaromir, die uit hoofde der koude eveneens te voet gingen, hem hunne rossen aan; hij antwoordde: „Wij zijn nog slechts weinigen. Als uw aanvoerder had ik dat offer niet slechts aangenomen, maar zelfs gevorderd. Een regiment van onze sterkte kan een rekruut even goed aanvoeren als ik; er bestaat geen rang meer.”

Desniettemin had Boleslaw den mantelzak, dien Rasinski wilde achterlaten, afgenomen en op den zijnen gegespt. Eene hongerige schaar viel op het paard aan en scheurde het in duizend stukken, tot een maaltijd tegen den nacht.—Rasinski verhaastte zijne schreden, om niet te zien, hoe smadelijk het getrouwe dier, dat hem in zoo menigen slag had gedragen, verminkt werd.—Er verliep geen half uur, of ook Boleslaws paard viel; eenige minuten later dat van Jaromir. De in spijt van den naderenden middag toenemende koude viel als een roofdier menschen en beesten zonder onderscheid aan en verwon hen te lichter, naarmate de inspanning hen meer afmatte. De weg liep tegen eene nauwelijks merkbare, maar spiegelgladde hoogte op. Toen Bianca's slede ze naderde, was het paard niet in staat den geringen last voort te trekken; zij sprong uit het voertuig; doch dat baatte niet. Tweemaal spande het dier al zijne krachten in; de vijf mannen, onder wie Rasinski zelf, hielpen naar vermogen. Maar het was vergeefsche arbeid; het matte ros vermocht zich zelf niet meer voort te sleepen, zakte ineen en verstijfde binnen twee minuten. Zonder te ontstellen sprak Bianca tot de haar omringende vrienden: „Ik zal nu geheel in uwe bezwaren deelen en het zal mij niet zwaar vallen. In deze vinnige koude is te voet gaan zelfs verkieslijker.”

Bernard antwoordde niets; hij nam haar het kind van den arm en droeg het verder. Lodewijk ondersteunde de geliefde; stom en zwijgend wandelden zij naast elkander voort.