1812: Historische roman

Part 85

Chapter 853,785 wordsPublic domain

Zoo begon zij Rasinski's brief langzaam voor te lezen, terwijl zij de kranke daarbij zorgvuldig in het oog hield, om te zien, of deze misschien ook te hevig geschokt mocht worden. Doch dit was het geval niet, Lodoiska bleef bedaard; om hare lippen zweefde een weemoedig lachje, dat de vriendelijkheid harer verzorgsters gold, en uit hare oogen vloten zachte tranen, die zij over Jaromirs val en berouw vergoot, welke beide Rasinski met de eenvoudige kleuren der waarheid had afgeschilderd.

De brief was ten einde. Lodoiska bleef eenige minuten zwijgend en heimelijk weenen, terwijl Maria haar door zachte liefkoozingen zocht te troosten.

„Laat mij zelve Jaromirs brief lezen,” verzocht zij eindelijk en ondersteunde deze bede door een tot diep in het hart dringenden, weemoedigen blik. De gravin reikte haar dien toe en met een dikwijls door tranen verduisterd oog las zij nu het geschrift een-, twee-, driemaal over. „O mijn God!” riep zij vervolgens smartelijk uit; „hoe onbeschrijfelijk heeft de arme geleden en hoe zwaar geboet! En ik zou hem niet vergeven? Ach, hij bemint mij immers nog, bemint mij vuriger dan ooit! Alles, alles zij vergeten! Hij mag mijn minnend hart niet terugwijzen!”

Eene zalige vreugde kleurde hare bleeke wangen en verleende vuur en gloed aan haar vochtig oog; zij was als nieuw geschapen door het grootmoedig besluit, dat aan haar edele ziel niet eenmaal strijd had gekost. De sombere geest der ziekte scheen eensklaps verbannen te zijn en te vlieden. Zij hield niet op met bidden, tot de gravin haar vergunde, de regels van verzoening en vergiffenis onverwijld te schrijven; zelfs de bezorgdheid harer verpleegsters, dat haar de kracht daartoe ontbreken zou, was ongegrond; want de dringende hevigheid van haar wenschen en willen had haar zoodanig opgewonden, dat volslagen weigeren thans gevaarlijker zou geweest zijn dan toegeven. Zich op haar leger oprichtende, schreef zij het volgende aan Jaromir:

„O, mijn Geliefde! De liefde vergeeft alles; zij kan slechts weenen en bloeden—ik ben nooit vertoornd op u geweest. Verplet zonk ik neder, toen uw bedrogen hart mij verstooten wilde; thans toont gij mij een hart vol berouw, en ik weet niets meer van schuld; een hart vol liefde, en ik weet niets meer van mijne smart. Neen, geliefde, vorder niet, dat ik zelve de bloesems mijns levens vertreden zou. Omsluit uw hart niet met het koude ijzer der trotschheid!

Vriend mijner ziel! De rechter van uwe dwaling is alleen de liefde en haar zacht vonnis luidt: alles, alles zij vergeten! Wilt gij doof zijn voor hare zoete stem—o, dan zullen nacht en duister mijn hart omgeven, tot het ophoudt te slaan en breekt—en voor eeuwig verloren is het zalig geluk, waarop het thans nog hoop voedt!—Jaromir, hoor de heilige stem der liefde!

Uwe LODOISKA.”

Toen het meisje geëindigd had, gaf zij het blad aan de gravin over. Deze las het met diepe aandoening; het strookte niet met haren gemoedsaard, maar zij eerbiedigde de heilige rechten van een minnend hart, dat alleen zichzelf raadpleegt en hoort. Maria's gevoel stemde met dat van Lodoiska overeen; zij zou zich niet zoo deemoedig, ja, men mocht bijna zeggen zoo onderdanig, maar toch even liefderijk, even vergevensgezind betoond hebben.—Daar deze schrede nu eenmaal gedaan was, toonde de gravin ook haren vollen werkdadigen ijver, om de zaak geheel ten einde te brengen. Zij schreef dadelijk aan haren broeder, sloot Lodoiska's brief in den haren en reed met beide naar den franschen gezant, ten einde de verzending door diens tusschenkomst op de spoedigste en veiligste wijze bewerkstelligd te weten. Gewoonlijk koos zij dezen weg niet; maar, hetzij dat zij er te veel belang in stelde, juist dezen brief zoo ras en zeker mogelijk verzonden te zien, hetzij dat een voorgevoel, misschien opgewekt door eenige wenken van Rasinski, die zijn brief den eersten dag na den terugtocht uit Moskou, toen zijn helder oog buiten twijfel reeds menig onheil voorzag, verzonden had, haar aandreef, kortom: zij meende dezen maatregel van voorzichtigheid thans niet te mogen verzuimen.

Toen Lodoiska wist, dat haar brief naar den geliefde op weg was en hem elk uur nader en nader kwam, keerden hoop en vertrouwen in haar hart terug. Elke dag zag haar frisscher ontluiken en reeds na verloop van de eerste week was zij in staat haar ziekbed te verlaten.

HOOFDSTUK II.

Inmiddels verstreek de eene week na de andere, zonder naricht van de betrekkingen bij het leger te zien aankomen; November spoedde ten einde en nog was het vurig gewenschte antwoord niet verschenen. Lodoiska verontrustte zich en begon te gelooven dat haar brief was verloren geraakt; bij andere gelegenheden kwelde zij zich met twijfelingen aangaande den aard van het antwoord. Te vergeefs stelde de gravin alles in het werk, om haar gerust te stellen en dag aan dag haar voor te rekenen, dat een tijding voor het einde van November onmogelijk kon daar zijn; te vergeefs somde zij al de toevalligheden op, die in oorlogstijd, bij het tusschen dooi en vorst weifelende winterweder en bij de gebrekkige inrichting der veldposten in den geregelden gang der briefwisseling eene stremming konden en moesten teweegbrengen; het minnende meisje werd gestadig treuriger en beangster, en zelfs dit, dat ook Rasinski, Lodewijk en Bernard geene enkele letter geschreven hadden, was niet in staat haar te troosten. Inderdaad was echter juist deze omstandigheid de bron van bekommernissen van een anderen aard voor de gravin zoowel als voor Maria. Deze laatste begon voor het leven der haren te sidderen, terwijl zich aan het dieper inzicht der eerste nog andere vermoedens en zorgen opdrongen, die de waarheid, helaas! maar al te nabij kwamen.

Het was in het begin van December, dat de drie vrouwen, die over het geheel in strenge afzondering leefden, op een avond onder vertrouwelijke gesprekken bijeenzaten. Er werd gescheld; de kamerdienaar meldde een vreemden officier aan, die berichten uit het leger bracht. Een gloeiende vreugdeblos overtoog Lodoiska's wangen bij de gedachte: zou het misschien Jaromir zelf zijn? De gravin was niet minder begeerig te weten, wie de vreemde zijn mocht, en nam, hoewel geen naam was genoemd, derhalve het bezoek aan; in elk geval hoopten allen eenig naricht van hare vrienden te erlangen, waarnaar zij zoo lang en smachtend hadden uitgezien.

De deur werd geopend—Arnheim trad binnen.

Was ook dadelijk bij zijne verschijning de hoop op tijding van Rasinski vervlogen, men koesterde toch voor den edelen, beschaafden man te veel vriendschap, om hem niet van harte welkom te heeten. Na de eerste begroetingen bracht de gravin het gesprek op de oorlogsaangelegenheden, en daar sedert eenigen tijd allerlei geruchten, niet weinig geschikt om onrust en bezorgdheid te verwekken, in omloop waren, vroeg zij dienaangaande Arnheims gevoelen.

„Wij weten niets anders, dan dat de keizer met de groote armee terugtrekt,” was het antwoord. „Evenwel gelooven wij, dat het in de omstreken van Minsk of Wilna tot een belangrijken slag moet komen, daar de russische legerkorpsen van de noordelijke en zuidelijke armee zich gedurig dichter samentrekken. Dat is de reden, waarom vorst Schwarzenberg zich thans tot dekking herwaarts gewend heeft.—Dezen namiddag liep er een gerucht, dat Minsk zelf door Tschitschagoff zou zijn ingenomen; de Fransche gezant spreekt zulks echter tegen.”

„Juist daarom zou ik bijna te eer geneigd zijn, het te gelooven,” sprak de gravin met merkbare onrust; „want sedert ettelijke weken heeft zich doorgaans datgene bevestigd, wat bij het gezantschap de meest beslissende tegenspraak vond.”

„Volgens de stelling des legers moeten de Russen Minsk bezet hebben,” hernam Arnheim; „misschien kan dat zelfs reeds veertien dagen het geval zijn.”

„Het zou mij niet verwonderen,” sprak de gravin, „want de ongelukstijdingen worden zoolang mogelijk voor ons verborgen gehouden. Doch wat is uw gevoelen aangaande de plannen en voornemens van den keizer? Tot hoever zal zijn terugtocht zich uitstrekken? Denkt hij in Litthauwen de winterkwartieren te betrekken, of hier te komen?”

„Ik vermoed, dat hij Witepsk, Wilna, Minsk, zoo het niet verloren is of hernomen wordt tot zijne kantonnementen kiezen en vandaar tegen het volgende voorjaar den oorlog met nieuwe krachten hervatten zal; ingeval hij zich namelijk niet te zeer uitgeput voelt en zich daardoor meer geneigd tot den vrede betoont.”

„Zoo zou dan toch de uitslag van dezen veldtocht niet aan de verwachting en aan de gedane opofferingen beantwoord hebben?”

„Openhartig gesproken, neen!” antwoordde Arnheim vrijmoedig. „Zoo het den keizer gelukt ware, in Moskou vrede te sluiten—dan ongetwijfeld. Nu echter zou hij ten minste even ver geweest zijn, wanneer hij na de inneming van Smolensko den veldtocht besloten en de zaken van Polen geregeld had.”

De gravin schudde mijmerend het hoofd. „Het was althans onze hoop zoo,” zuchtte zij, meer dan zij sprak.—„Doch vertel ons nu ook iets van uw eigen wedervaren, beste vriend!” vervolgde zij, blijkbaar met het doel om het gesprek eene andere wending te geven. „Wat brengt u herwaarts? Gij zijt spoediger teruggekeerd, dan wij hopen durfden.”

„Het zijn aangelegenheden van verschillenden aard en wel niet de aangenaamste,” antwoordde Arnheim, „die mij in Warschau brengen; invorderingen van gelden, kleine onderhandelingen wegens duizend nietigheden, ten deele ook eigen zaken.” Hij wierp, dit zeggende, een blik op Maria, die een weinig verward, het oog onwrikbaar op het borduurwerk vestigde, waarmede zij zich juist bezighield.

„Dan zult gij toch niet weder zulk een vluchtige gast zijn als onlangs?” hervatte de gravin met hartelijkheid. „Gij zult, hoop ik, mijn huis als de toevlucht beschouwen, waar gij u van uwe bezigheden ontspannen kunt, zoo de stilte eener vrouwelijke afzondering u namelijk bevredigen kan na het woelige leven, dat de krijg medebrengt.”

„Wat kon mij meer welkom zijn?” riep Arnheim met vuur. „De krijg maakt ons niet ongevoelig voor het geluk van een vertrouwelijken omgang; hij verleent ons integendeel de vatbaarheid daarvoor, daar elk genot door ontbering verhoogd wordt. Ik voor mij althans heb mij te midden van het oorlogsgewoel vaak in de vredige rust van uw eenzamen tuin teruggewenscht; aan die wandeling denk ik nog met wezenlijke aandoening.”

Maria stond op en verliet onder eenig voorwendsel het vertrek. Hare ontroering had Arnheim waarschijnlijk herinnerd, dat hij zich te levendig had uitgedrukt; want hij bedwong zich en sprak in algemeene bewoordingen over het genot, dat hij in de schoonheid der natuur vond, en hoe hij daarbij licht te bevredigen en onverzadelijk tevens was. Licht te bevredigen, wijl een boom, een weiland, een zonnestraal hem het rijkste genot verschafte; onverzadelijk, daar hij zich in de stille genoegens der natuur uren lang verlustigen kon.—Echter gelukte het hem niet, bedaard te blijven, vooral toen Maria, met de onmiskenbare sporen eener diepe aandoening op hare onbedriegelijke gelaatstrekken was teruggekeerd. De bezorgdheid, welke uitlegging hieraan voor zich zelf te moeten geven, verontrustte hem te zeer, dan dat zulks voor een zoo geoefend oog als dat der gravin zou hebben kunnen verborgen blijven.

Arnheim had, sedert hij Warschau verliet, steeds het voornemen gekoesterd, om Maria, voor wie hij eene warme genegenheid had opgevat, zijne hand aan te bieden. Vandaar had al zijn pogen en streven gedurende dien tijd slechts ten doel, in eene betrekking geplaatst te worden, die hem het geluk van den echt veroorloven kon. Zijn positie als soldaat was niet van dien aard en zijn tegenwoordige betrekking kwam ook geenszins met zijne neigingen overeen, zoolang Europa's staatkundige toestand alles aan den wil van Frankrijk ondergeschikt maakte. Zijn ontslag was hem, terstond na het eindigen van den veldtocht, toegezegd, en hij wilde zich dan als rechtsgeleerde aan den staat wijden, waartoe vroegere studiën, geboorte en bekwaamheid hem de bevoegdheid verleenden. Deze verwachtingen waren hare vervulling nabij en het hoofddoel van zijn oponthoud in Warschau was dus inderdaad geen ander, dan aanzoek te doen om de hand van het beminde meisje. Eene onbedriegelijke overtuiging zeide hem, dat zij meer dan enkel welwillendheid jegens hem koesterde; doch een bijna even stellig voorgevoel deed hem vreezen, dat wat hij haar inboezemde meer eene warme, vriendschappelijke neiging, of misschien wel deelneming in den landsman, dan werkelijk liefde was. Ten einde haar niet te verontrusten, wachtte hij zich zorgvuldig, deze teedere snaar opnieuw aan te roeren en bepaalde hij zich in zijn gesprek tot algemeene onderwerpen. Ook brak hij zijn bezoek vroeger af, dan hij dit anders wel zou gedaan hebben.

De gravin zou zich in eene verbintenis tusschen Maria en Arnheim innig verheugd hebben, daar zij, en waarschijnlijk niet ten onrechte, vertrouwde, dat deze het geluk van het door haar zoo innig geliefde meisje op hechte grondslagen zou vestigen. Arnheim toch was een edel hart waardig en Maria, in haar verlaten toestand, had een beschermer dringend noodig. Wat bovendien de uitwendige gaven der fortuin betrof, ook in dit opzicht liet dit huwelijk niets te wenschen over. Zij besloot uit dien hoofde alles, waartoe hare moederlijke betrekking op Maria haar recht gaf, in het werk te stellen, om het tot stand te brengen.

Tegen hare gewoonte trad zij nog in den laten avond Maria's kamer binnen en vond deze met het invullen van haar dagboek bezig.

„Ik zou toch wel gaarne eens willen weten, wat mijne jonge vriendin nog zoo laat in den nacht in dat boek opteekent,” zeide zij glimlachend, schoon daar zij Maria's geaardheid kende, die in ernstige zaken nimmer eene schertsende wending beminde, op den hartelijken toon van moederlijke deelneming.

„Zoo gij het ernstig wenscht,” hernam Maria, die de bedoeling van het bezoek wellicht gissen kon, „wil ik het niet voor u verbergen.”

„Neen, Maria,” sprak de gravin; „er zijn geheimen, welke zelfs de dochter voor de moeder mag hebben. Veel in ons moet alleen ons eigendom blijven; men miskent het innerlijke, zelfstandige recht van den mensch, wanneer men in vriendschap, liefde of in welke betrekking ook, op een _onbepaald_ vertrouwen aandringt. En die het vorderen, verleenen het gewoonlijk het minst.”

„In deze zaak mag ik u het schenken, ja, ik zou er u wellicht morgen zelve om verzocht hebben,” hernam Maria; „want uw moederlijke raad wordt mij thans onontbeerlijk.”

„En ik kom u dien aanbieden,” viel de gravin haar haastig in de rede, daar zij eene voor haar opzet gunstige stemming waande te ontdekken. „Leg dan uw hart voor mij open, mijne lieve, en beschouw mij als uwe tweede moeder.”

Maria zag haar met hare trouwe, blauwe oogen dankbaar aan en antwoordde vol aandoening: „Als zoodanig heb ik u immers altijd beschouwd, van het eerste oogenblik af, dat gij de ledige plaats innaamt, welke de dood mijner eerste liefderijke moeder in mijn hart openliet. O, ik heb steeds met innige dankbaarheid jegens de Voorzienigheid erkend, hoe moederlijk gij voor mij zorgdet, toen ik hulp- en radeloos, toen ik geheel verlaten was.—Daarom moet ik ook nu mijn hart voor u openleggen, hoewel het mij eenigen strijd kost, daar gij mij wellicht van eene berispelijke ijdelheid zult verdacht houden. Maar ik moet mij dezen schijn van schuld getroosten, om niet eene werkelijke schuld op mij te laden.”

De gravin luisterde in gespannen verwachting toe. Maria zweeg eenige oogenblikken en ging vervolgens onder liefelijk blozen met neergeslagen oogen voort: „Ik geloof—ik vrees, wilde ik zeggen—de ritmeester Arnheim koestert inzichten....”

Hier brak zij in tranen uit. De gravin, geheel verschrikt, sloot haar in de armen en trachtte haar tot bedaren te brengen. Zij kon dit weenen wel is waar niet in zijne volle beteekenis verstaan, wijl Maria zich over Rasinski's aanzoek nooit een woord had laten ontvallen, doch in deze moesten de verlevendigde herinneringen gewaarwordingen doen oprijzen, waaraan hare gevoelige ziel zich weemoedig overgaf.

„Gij zoudt zijne neiging niet kunnen beantwoorden?” vroeg de gravin op een deelnemenden toon.

„Ach, dat is het juist, waarover ik mij bedroef en mij zelve verwijten doe,” snikte het meisje. „Hij is goed, ja, ik moet hem edel noemen en ik ben niet zonder schuld, want ik heb mijne gezindheid wellicht te onvoorzichtig doen blijken,—ach, er kwam nog veel bij, dat mijne vriendschap voor hem meer voedsel gaf—en nu moet ik hem zeggen: ik versmaad u!—Dat grieft en pijnigt mij onuitsprekelijk. Daarom heb ik eene moederlijke raadgeving noodig, hoe het onvermijdelijke kwaad te verzachten.”

„Goeie Maria,” antwoordde de gravin vriendelijk, „gij weet, ik behoor niet tot diegenen, die de heiligste gewaarwording van het hart, de liefde, onder de dweepachtige tellen; maar ik geloof toch, dat vereenigingen, op den vasten ankergrond van achting en vriendschap gebouwd, op den duur gelukkiger zijn dan die, welke op de woelige zee der hartstochten worden aangeknoopt. Zouden wij vrouwen, aan wie eene vrije keus niet vergund is, wel het recht hebben, dezulken af te wijzen, tegen welke het scherpste onderzoek geen ander geldig bezwaar kan inbrengen, dan dit, dat zij ons geene onwillekeurige neiging hebben ingeboezemd? Het is schoon, wanneer volmaakt gelijk gestemde harten elkaâr ontmoeten; maar hoe zelden is dat werkelijk het geval! Meenen wij ons gerechtigd, ook daar neen te zeggen, waar wij den hoogsten graad van achting en vriendschap koesteren mogen, dan benemen wij ons zelve bijna de mogelijkheid van aan onze vrouwelijke bestemming te beantwoorden. Liefde baart liefde; hoe konden anders zoovele harten zoo gelukkig verbonden wezen. Men bemint, wijl men bemind wordt....”

„Wanneer dat echter niet zoo is!” riep Maria met smartelijke hevigheid en bedekte zich het gelaat met haren zakdoek.—„Wanneer nu die schoone echo der wederliefde zich niet in het hart doet hooren,” vervolgde zij na eenige oogenblikken met meerdere kalmte, „dan kan het toch wel geen plicht zijn, een band aan te knoopen, alleen wijl de uiterlijke omstandigheden gunstig schijnen? Het recht der keuze is ons ontzegd; zouden wij daarom ook het recht verliezen, om neen te zeggen, wanneer het hart tot een ja niet besluiten kan?”

De gravin zweeg. Hare wet was eene van het gebruik, van de werkelijkheid, gelijk het leven in zijne verschijning die voorschrijft, die van Maria eene hoogere, uit het vrije rijk der gedachte, die wel is waar zelden wordt nageleefd, maar uit dien hoofde nog geenszins hare geldigheid verliest.

„En waartoe hebt gij dan mijn raad noodig, mijne beste, wanneer gij zoo vast besloten zijt?” vroeg de gravin na eenig zwijgen.

„Niet uw raad alleen, uwe dadelijke hulp heb ik noodig,” antwoordde Maria. „Tot dusver is er geen beslissend woord gesproken; gij kondt het geheel voorkomen en ons beiden de smartelijkste uitlegging besparen.”

„Hoe gaarne wil ik dat, schoon het mij leed doet,” hernam de gravin. „Maar, lieve, staat uw besluit onherroepelijk vast? Zoo nu—ik moet u deze bittere mogelijkheid herinneren—zoo nu Lodewijk eens niet uit Rusland terugkeerde!”

„O, hij zal, hij zal!” riep Maria. „En zou ik een man mijne hand reiken, wanneer ik ze slechts als een hulpeloos smeekende naar hem kon uitstrekken? Dat mag niet beslissen; de nood zou mij in zijne armen drijven, wanneer de liefde zulks niet vermocht.”

„Gij oordeelt valsch, Maria!” antwoordde de gravin bedaard, maar op overtuigenden toon. „Het is het hoogste geluk der liefde, vreugde en zegen van elken aard te kunnen uitstorten. De edele redt zijn geluk het liefst uit onstuimige golven, uit eene schipbreuk des levens, ja, hij zou der geliefde alles willen ontrooven, om haar daarna opnieuw met alles te kunnen beschenken en versieren.”

„De _minnende_,” hernam Maria, „mag een dergelijk offer aannemen, hoewel zij het liever zelve brengen zou; maar wie niet zijn gansche hart ter vergoeding kan geven, die mag het niet—ik niet.”

Zij sprak deze woorden zeer zacht, maar met vastheid. Hierop wendde zij zich weder biddende tot de moederlijke vriendin, opdat deze de bemiddeling op zich zou nemen. „Zeg hem,” eindigde zij, „dat ik hem mijne warme vriendschap wijd. Ook op mijne dankbaarheid heeft hij aanspraak! Dubbel vriendelijk en zusterlijk wil ik jegens hem zijn, wijl het hem smarten moet—maar ik kan niet anders, waarlijk ik kan niet.”

Stil weenende rustte zij aan de borst der moeder, en deze zocht haar door teedere liefkoozingen te troosten, want beiden ontbrak het aan woorden. Eindelijk scheidden zij, om in den zachten arm des slaaps rust en kalmte voor het bewogen hart te zoeken.

HOOFDSTUK III.

Arnheim had vermoed, wat Maria gevoelde; uit dien hoofde legde hij den volgenden morgen bij de gravin een bezoek af, om voor deze vrouw, wier waardigheid en minzaamheid aan ieder vertrouwen inboezemde, zijn hart open te leggen. Diep bedroefd, maar met bedaardheid hoorde hij zijn vonnis aan.

„Ik durfde nauwelijks anders hopen,” sprak hij, „want ik ben niet aan geluk en vreugde gewoon; alleen de buitenzijde des levens lacht mij aan, van binnen hebben zijne priemen mijn hart reeds meermalen diep gewond. Ik ben niet verstoord; ik eerbiedig haar besluit. Mij aan haar te vertoonen, is mij vooreerst nog onmogelijk. Ik heb eenige dagen stilte en afzondering noodig, om mijn onrustig hart tot bedaren te brengen. Vaarwel, gravin!—Vóór mijn vertrek, ziet gij mij nog eenmaal.”

Hij ging.

De treurige, bange stilte, welke zijne verschijning voor eenige oogenblikken had afgebroken, keerde opnieuw terug en woog met nog beangstigender druk op de bewoonsters des huizes. Het hart miste de kracht tot blijde verwachtingen; het knellend voorgevoel van eenige ramp drong dieper en dieper den boezem in. Men beefde voor de toekomst, hoewel men van haar alleen de verlossing uit deze pijnlijke spanning verwachten kon.

Op een morgen, het was den tienden December, stond de gravin in haar vertrek voor het venster en zag, in droeve mijmeringen verdiept, naar de straat uit. Zij bespeurde een onrustig woelen en bewegen, bekenden riepen elkander toe, hielden eene korte, levendige woordenwisseling en zetten vervolgens hun vroeger uiteenloopenden weg gezamenlijk in die richting voort, naar welke men een driftigen aandrang der voorbijgangers waarnam. Het was het eerste begin van een, door het een of ander belangrijk voorval teweeggebrachten volksoploop. Gedurende de laatste dagen waren er zoo menigvuldige nieuwe onheilspellende geruchten in omloop gekomen en vroegere noodlottige berichten, gelijk onder anderen het innemen van Minsk door de Russen, bevestigd geworden. De gravin vermoedde daarom iets kwaads, en was te ongeruster geworden door het geheel uitblijven der brieven van haren broeder. Voor Lodoiska trachtte zij wel rustig te schijnen, uit vrees dat zij in hare doodelijke overspanning terug mocht gaan; maar in het binnenste van haar heldhaftig gemoed stegen donkere voorgevoelens op, waarvan zij de mogelijkheid zich nauwelijks durfde voorstellen. In hare onrust stond zij reeds op het punt, den kamerdienaar te schellen en tot het inwinnen van eenige nadere berichten uit te zenden, toen deze binnentrad en den ritmeester von Arnheim aandiende.

„Zeer welkom!” sprak zij. Arnheim trad binnen.

„Op uw gelaat lees ik,” riep zij hem tegen, „dat er iets belangrijks gebeurd is; zeg het ons spoedig, want het dreigend zwaard beangst meer dan het gevallene.—Welke tijding is er? Spreek vrij uit, wij zijn alleen.”

„Het ongehoordste, dat de geschiedenis heeft aan te wijzen,” hernam Arnheim met een gelaat, waarop de hoogste verbazing, maar noch vreugde noch droefheid te lezen stond. „Voor eenige minuten is de fransche keizer hier aangekomen; alleen, vluchtend, vermomd! Zijn leger is vernietigd—het overschot is door den vijand ingesloten...”