Part 84
Met een luiden kreet valt Bianca op de knieën, heft de armen smeekend omhoog en roept: „Ook over mij, onmenschen, verplettert ook mij!” In hare zinsverbijstering wil zij zich voor de paarden nederwerpen, doch Lodewijk omvat haar en slingert haar terug. Bedwelmd zinkt zij met hem ter aarde; het gespan klettert voorbij, het bewustzijn begeeft haar, zij ligt in doodelijke onmacht.
Eindelijk dringt eene welbekende stem tot haar door. „Zuster, lieve zuster, ontwaak!” Zij slaat het oog op, Bernard knielt ongekwetst voor haar neder en strekt zijne armen naar haar uit. „O God, ik dank U!” snikte zij en hield den broeder in teedere omhelzing vastgeklemd.
„Dus heeft het geen offer gekost?” vraagt zij nog eenmaal, en wil des broeders lippen met zoete kussen verzegelen.
„Eén heeft toch moeten bloeden,” is het sombere antwoord, „schoon de hemel het verderf van mij heeft afgewend, Jeannette vond den dood; de trouw uwer vriendin zal als die van onzen Willhofen eerst daar boven haar loon vinden.”
„Jeannette dood!” riep Bianca met bevende stem. „O,” vervolgde zij na eenige oogenblikken met onderdrukte aandoening, „wanneer hier alles vernietigd wordt, mogen wij het dan een geluk noemen, alleen te ontkomen?—Maar waar is zij?”
„Ach, verlang haar niet te zien,” smeekte Bernard en wilde Bianca beletten, zich om te keeren, want het lijk lag achter haar; „haar dood was te afgrijselijk.”
Doch die bede kwam te laat. Bianca, de bloedsporen met de oogen volgende, had het lijk reeds bespeurd en gaf een luiden gil bij den vreeselijken aanblik. Het rad was over voorhoofd en borst gegaan en had het frissche, bloeiende gelaat akelig gekwetst en opgereten. Nog borrelde het bloed in donkere stroomen uit de gapende wonden op en kleurde de blonde lokken, die loshangend en verward van het hoofd der ontzielde afgolfden en over de witte sneeuw lagen uitgespreid.
„Ach, ik moet haar toch nog zien,” smeekte Bianca; „ik moet afscheid van haar nemen, al is zij ook nog zoo vreeselijk misvormd. Zoo weekelijk is mijn hart niet, dat ik dit gevoel door den plicht der liefde niet zou kunnen overwinnen. Zij heeft haar jeugdig leven immers voor mij opgeofferd! O, breng mij bij haar!”
Bernard en Lodewijk namen haar in den arm en geleidden haar naar de doode. Lodewijk droeg ook het kind, dat tot nu toe, als door engelen beschermd, in alle gevaren was bewaard gebleven.
De stroom der menigte in den omtrek was voorbijgevloeid, doch beneden in de diepte en verder terug bruischte en raasde hij nog; slechts uit de verte deed zich een verward geruisch van stemmen hooren. Zelfs de kogels konden deze plaats niet meer bereiken, schoon de donder van het geschut nog altijd den grond deed dreunen. Zij waren hier dus met hunne droefheid en hun zielsangst geheel alleen en toch, in weerwil van alle ellende, kinderlijk dankbaar, dat het losgelaten verderf ten minste de heiligste banden der liefde verschoond had. Sprakeloos stond Bianca, op de schouders van broeder en vriend geleund, voor de nu zalige en gaf aan hare tranen den vrijen loop.
„O, zoo gij haar het hoofd wildet omkeeren, Bernard,” snikte zij, „wellicht kon ik dan nog eens hare vriendelijke trekken zien.” Bernard deed het; tegelijk verborg hij de bloedende, gewonde plaatsen onder het gewaad en bedekte het voorhoofd met een gedeelte der lokken, die nog niet met bloed besmet waren. Bianca had gelijk gehad; alleen de linkerzijde van het hoofd was zoo afzichtelijk verminkt, de rechter wel eenigszins krampachtig saamgetrokken, maar toch nog ongekwetst genoeg, om aan het beeld der levende te herinneren.
Met aandoening boog Bianca zich over de doode neder. „Hoe zacht en roerend is haar voorkomen,” sprak zij; „zoo vriendelijk, welwillend en teeder was ook haar hart.”
„En dat goede kind moest zulk een wreeden dood vinden!” voegde Lodewijk er bij en drukte Bianca met diepe ontroering de hand.
„Ja,” merkte Bernard aan, „een zacht bed moet men hier niet zoeken; wie den dood hier gezien heeft, zal hem niet met de ouden als een genius met omgekeerden fakkel afbeelden. Zelfs onze beenderman is nog te vriendelijk; hij is een ijzeren cycloop, die onder zijne voeten en met zijne knods alles vergruist en vermorzelt.—Doch schoon de plichten van liefde heilig zijn, wij mogen en moeten ons hier niet langer ophouden. Ziet, daarboven vertoonen zich reeds weder nieuwe massa's, Russen of Franschen onverschillig, hier is alles vijand, want de menigte vernielt zich onderling. Haasten wij ons, om gindsche oeverbocht te bereiken; misschien vinden wij verder op nog een dorp of eene hut, waar wij kunnen schuilen.”
Hij wilde de zuster voorttrekken, doch deze smeekte: „Laat mij nog slechts ééne lok van haar hoofd medenemen, Bernard!”
„Gaarne,” antwoordde hij, en reikte haar uit zijne brieventasch eene kleine schaar, benevens een blad papier, om het haar daarin te wikkelen; „doch haast u, Bianca.”
Zij knielde op de sneeuw neder, sneed eene golvende lok uit het rijke, blonde haar, rolde ze op en verborg ze zorgvuldig in haren boezem. Vervolgens drukte zij een smartelijken kus op de bleeke wangen van het meisje, bevochtigde die nog eenmaal met hare tranen en fluisterde haar een teeder: „Slaap zacht!” toe.
Met verdubbelde snelheid zetten zij thans hunne vlucht voort. Eene aanmerkelijke kromming van den rivieroever bracht hen geheel buiten het gezicht der brug, en zij hoorden niets meer, dan het doffe gekraak der vijandelijke vuurmonden; overigens omgaf hen een bar, noorsch winterlandschap. Ter linkerzijde van hun pad kruide de Beresina hare dikke ijsschollen opeen, rechts werd het door de hoogten begrensd, van welke de storm de sneeuwvlokken dwarlend opjoeg. Deze blies koud tegen hen in, zoodat gezicht en handen verkleumden, en gierde met hevige rukken door de lucht. En toch was deze ruwe, akelige wildernis een vriendelijk toevluchtsoord, vergeleken bij het tooneel van moord en verwoesting, dat zij ontvloden.
Evenwel moest zich spoedig eene schuilplaats vertoonen, want Bianca was doodelijk afgemat en op het punt van machteloos neerzinken. Bernard zocht haar daarmede moed in te spreken, dat Weselowa niet ver meer kon verwijderd zijn. Wanneer zij daar ook slechts Russen vonden, was hunne redding toch verzekerd, daar Bianca zich naar Bernards aanwijzing voor eene, voor de Franschen gevluchte Russin en hem en Lodewijk voor hare uitlandsche huisbedienden zoude uitgeven. Vonden zij Franschen, dan was het de taak der mannen, voor hulp en redding te zorgen.
Verder dan een uur hadden zij thans hunne schreden voortgezet en nog liet Weselowa zich niet ontdekken. Eensklaps maakte Lodewijk zijn vriend op eenige ruiters opmerkzaam, die zich rechts van hun pad op de steile hoogte bevonden. Bernard, wiens scherp oog verder reikte, riep dadelijk: „Dat zijn kozakken, ik zie het aan de pieken; zoo de gierige roofvogels ons hier overvallen, is uitplundering het minste, dat wij te wachten hebben. Vriend of vijand, den kozak is alles buit. Wij willen ons zoo dicht mogelijk aan den oever houden”.—Dit geschiedde, doch te vergeefs, want reeds hadden de ruiters hen in het oog gekregen en schenen voornemens, jacht op hen te maken. Andermaal nam de rivier eene bocht, die hen gelukkig den vervolgers uit het gezicht bracht; tegelijk zagen zij de besneeuwde daken van Weselowa in de verte voor zich en hadden zij dus de veilige haven in het gezicht.
Maar Bianca's krachten waren door de geweldige inspanning dezer laatste minuten geheel bezweken; hare knieën knikten, zij zeeg op den grond neder en riep: „Ik kan niet meer! O, vlucht gij, redt u en laat mij het kind; de barbaren zullen met mij medelijden hebben.”
„Wij dragen u,” riep Bernard; „tot aan gindsche hut kunnen wij het nog uithouden.”
Reeds hadden hij en Lodewijk haar opgeheven, doch zij beproefden het onmogelijke. Na weinige schreden moesten zij het opgeven, daar zij zelven zich met moeite staande hielden.
„Vlucht, ik smeek het u! Broeder, geliefde, vlucht, dat is de eenige redding voor u en mij; zóó storten wij ons gezamenlijk in het verderf.”
„Bianca,” sprak Lodewijk vriendelijk, ofschoon eenigszins gekrenkt: „kunt gij dat werkelijk van ons verwachten? Neen, uw hart weet niet, wat uwe lippen vorderen!”
„Waarom luistert gij er dan naar, Lodewijk,” vroeg Bernard met een weemoedig glimlachje. „Maar wij kunnen hier verder niets doen en willen ons op de sneeuw nederzetten en er ons lot met bedaardheid afwachten. Wij scheppen inmiddels toch weder adem.”
Bianca besefte, dat haar smeeken niets zoude baten. Zwijgend zette zij zich dus op den kouden grond neder en nam het kind op den schoot. Bernard en Lodewijk plaatsten zich nevens haar, sloegen elk den arm om het schoone edele wezen en zagen zoo in eene liefelijke omhelzing hun gemeenschappelijk lot te gemoet.
Thans hoorden zij het getrappel van paarden achter de spits des sneeuwheuvels, om welken de rivier heen kromde; nog eene minuut, en hun lot was beslist. Zij zagen niet op, maar hielden elkander slechts te inniger omsloten en verwachtten als met gebukten hoofde den slag van het doodszwaard, dat hen dreigde.
De ruiters kwamen nader, hielden voor hen stil, en eene stem vroeg in het russisch: „Zeg, is dat daar ginds Weselowa?” Bianca hief het hoofd langzaam op, maar juichte, het gelaat van den vrager herkennende, op een onbeschrijfelijken toon: „Almachtige God, Rasinski!”
Met onstuimige vreugde sprongen Lodewijk en Bernard bij deze woorden op en tegelijk wierp Rasinski zich van het paard en in hunne armen. Ook Boleslaw en Jaromir die zich onder de achterste ruiters bevonden, vlogen toe en aan de borst der vrienden. „Gij leeft, gij leeft! en hier moeten wij elkander vinden!” klonk het uit aller mond; het hart was niet in staat het overstelpende geluk te bevatten, en tranen der vreugde bevochtigden zelfs Rasinski's wangen.
Bianca hing aan zijn hals als eene dochter aan de borst haars vaders. De geweldige stroom der omstandigheden had de nietige grenzen en beperkingen, binnen welke de mensch zich in gewone tijden kleingeestig vastnestelt, geheel omvergerukt. Tusschen edele zielen bestonden geen palen van armzalige gewoonte en stijve vormelijkheid meer, welke de argwaan om zich afbakent en die uit de verdorven kiemen van het hart opwassen. Het verheven geluk of ongeluk verbant al wat bedriegelijk en valsch is uit de menschelijke borst; slechts het gelouterde hart blijft over, en het edele slaat voor het edele.
De onstuimige, half bedwelmende minuut van zaligheid was voorbij, en werd gevolgd door eene liefelijke rust, gelijk de stroom zich na een woelig bruisenden waterval rustig voortstuwt en de gansche diepte van den aether in zich afspiegelt.
Ook aan diep smartelijke inmengsels ontbrak het niet; Willhofens, Regnards, Jeannette's lot werd verhaald. Rasinski vernam het met innige ontroering, wendde zich om, wees op de weinigen, die hem volgden, en sprak met eene bevende stem: „Ziedaar allen, die ik van mijne getrouwen uit de slachting heb overgehouden! Wij zijn tot hier verjaagd!”
Eene ernstige stilte heerschte in den kleinen kring; elk gaf zich aan zijne sombere mijmeringen over en bepeinsde, welke offers gedurende deze korte scheiding gevallen waren. Ten laatste brak Rasinski het zwijgen af. „Om niet nog anderen van onze weinige vrienden te verliezen, willen wij opbreken; ginds ligt Weselowa, daar hoop ik over de rivier te komen. Aan gene zijde zijn wij, vertrouw ik, in veiligheid.”
Hij hief de uitgeputte Bianca met het kind op zijn eigen paard en voerde het bij den teugel. Boleslaw en Jaromir boden Lodewijk en Bernard hunne rossen aan, doch dezen, zich nog sterk genoeg voelende om te voet te gaan, wezen dit aanbod van de hand.
Zoo brak men op. Na verloop van een uur had men het plaatsje bereikt; een litthauwsche boer wees een punt aan, waar de stroombedding niet meer dan eene manshoogte diep was; niettegenstaande het drijfijs, begaf men zich moedig te water. Ditmaal zou hen geen nieuwe ramp treffen: zij bereikten gelukkig den anderen oever, en aller oog en hart verhief zich met een vurig dankgebed ten hemel.
VEERTIENDE BOEK.
HOOFDSTUK I.
Een langdurig ziekbed had Lodoiska in een toestand van bedwelming gehouden; haar leven gedurende dat tijdsverloop was bij een zwaren droom te vergelijken, waarin zij zonder bewustzijn leed of genoot, naar gelang donkere of lichte gestalten hare bedwelmde zinnen voorbijgleden. De beelden, die haar oog om zich zag, vielen niet dan door een schemerachtig floers in hare ziel. Somtijds herkende zij hen, die aan hare legerstede gezeten waren; meestal schenen deze haar geheel vreemd en sprak zij hen verward en zonder samenhang uit de wereld harer verbeelding aan. Het was eene weldaad voor de arme te noemen, dat de ziekte haar niet het volle besef van haren toestand liet; want bij de prikkelbaarheid van haar gevoel zoude zij onder de zielesmart, welke zij op geene andere wijze had kunnen lucht geven, innerlijk weggekwijnd en ongemerkt bezweken zijn.
Na eenige weken begon de hevigheid der ziekte te breken en mocht men gegronde hoop voeden, dat de benevelde begrippen der lijdende nu toch eindelijk zouden worden opgeklaard. Maria verheugde zich hierover met zusterlijke deelneming; maar de gravin zag dit wederkeeren tot de werkelijkheid des levens met gestadig toenemende bezorgdheid te gemoet; want bij Lodoiska moest met het begrip der werkelijkheid om haar heen ook het besef van de oorzaak van haar hartverscheurend lijden terugkeeren, en dan was te duchten, dat de ziekte zich òf met doodelijke hevigheid hernieuwen òf in eene stille, maar des te onverzettelijker, alle inwendige levenskrachten verterende zwaarmoedigheid verkeeren zoude. Ach, en niemand kon haar ook zelfs den geringsten schijn van troost geven, want sinds die noodlottige regels van Jaromir waren geen brieven uit het leger aangekomen, met uitzondering van eenige vluchtige woorden van Rasinski, welke een keizerlijke renbode had medegebracht; maar deze behelsden niets, dan dat alle vrienden nog leefden en waren klaarblijkelijk in groote haast geschreven, om slechts de gelegenheid niet te laten voorbijgaan, die zich tot eene groete aan de achtergelaten betrekkingen aanbood. De gravin daarentegen had terstond na het ontvangen van den ongeluksbrief van Jaromir haren broeder geantwoord en op een onbewimpeld verslag van de reden dezer onbegrijpelijke aantijging ten dringendste bij hem aangedrongen. Het antwoord op dezen haren brief kon zij wel is waar nu nog niet verwachten; maar het plotseling stilzwijgen van alle overigen, want ook Maria had geen enkelen regel ontvangen, vervulde haar daarom toch met bange vermoedens.
„Wat moeten wij het arme kind zeggen,” vroeg zij op zekeren morgen, terwijl de kranke nog sluimerde, aan Maria, „als zij nu eindelijk wakker wordt en ons vraagt, of het een droombeeld was, dat haar zoo vreeselijk beangst heeft, dan of deze aarde wezenlijk zulk eene bittere waarheid oplevert?—Wat zouden wij haar antwoorden, zoo juist deze zachte slaap haar het heldere bewustzijn van hare schuldelooze ziel eens teruggaf?”
„Ik geloof niet, dat zij de waarheid vernemen mag,” sprak Maria; „wij moeten haar door een liefderijk bedrog trachten te misleiden, totdat haar hart meer veerkracht bekomen heeft en in staat is, het scherpe vergif te verdragen. De rampzalige brief mag haar niet onder de oogen komen; wij zullen haar in de waan trachten te brengen, dat het eene koortsachtige inbeelding van haar is, dien te hebben ontvangen.”
„Dat zou mogelijk zijn, wanneer wij haar andere brieven konden toonen,” hernam de gravin; „maar zoo zal zij op het vermoeden komen, dat Jaromir dood is en deze gedachte, deze vrees pijnigt de arme wellicht nog vreeselijker. Ach, ik zie geen uitweg uit deze akelige verwarringen en ik hoop er ook niet op, want sinds lang ben ik gewoon, dat de bloesems van mijn geluk zich slechts openen, om door de ruwe stormen van het lot te worden afgeschud, opdat elke schrede van den voortsnellenden tijd ze te dieper in den grond trappe!”
Dit droevig onderhoud werd door het binnenkomen van een bediende afgebroken, die de oplossing der bange twijfelingen in de hand droeg, want hij bracht een pakket brieven van Rasinski. Driftig brak de gravin het open, om zoo spoedig mogelijk zekerheid te erlangen. Zij vond den brief haars broeders, waarin deze van Jaromirs treurige geschiedenis volledig verslag gaf, benevens dien, welken de ongelukkige na zijne genezing aan Lodoiska geschreven had, om zich in zijn diepen rouw de boete van onherroepelijke verbanning uit haar hart op te leggen. De gravin had zwijgend ten einde toe gelezen, terwijl Maria met vragende blikken aan hare lippen hing, met ongeduld hare mededeeling verwachtte en toch niet waagde eene vraag te doen, wijl zij wist, dat dit zwijgen niet uit vergeetachtigheid en nog minder uit koele achterhoudendheid voortsproot, maar veeleer tot het sterke, zelfstandige karakter der edele vrouw behoorde, die al hare gevoelens zoolang voor zich zelve hield, tot zij zich bewust was, die volkomen meester en tot een vast besluit gekomen te zijn. Een blos van verontwaardiging kleurde nu en dan het gelaat der gravin, maar ging spoedig in een weemoedig lachje over. Eindelijk nam zij ook Jaromirs brief, maar onder het lezen welden verduisterende tranen in haar oog op en mompelde zij half voor zich zelve: „Hij is toch meer ongelukkig dan schuldig!” Opstaande gaf zij Maria de beide brieven over en wandelde met rassche schreden door het vertrek.
„O, die Françoise Alisette!” riep zij bijna luide uit. „Wie had zulk een giftige doortraptheid bij haar vermoed! Dus leert men toch nimmer de diepten des harten doorgronden! Voor lichtzinnig had ik haar misschien kunnen houden, en toch zou ik haar geene koele, vooraf berekenende, maar veeleer die dweepende lichtzinnigheid hebben toegeschreven, die meer zichzelve bedriegt dan anderen—en toch!—Zij zij vergeten en veracht!”
Ook Maria had Rasinski's brief gelezen, onder maagdelijk blozen, vermengd met diepe, zedelijke verontwaardiging tegen de verleidster; maar Jaromirs berouwvolle boete perste haar warme tranen van mededoogen uit het oog. „Arme Lodoiska,” zuchtte zij, „hoe zult gij nog gefolterd worden! Maar uw minnend hart zal alles overwinnen en vergeven.”
„Dat mag zij niet,” sprak de gravin met vastheid. „Jaromir is harer niet meer waardig. Zij moet achting hebben voor zich zelve! Kon zij hem ook al vergeven, hij mag geen vergiffenis aannemen.”
Inmiddels sloeg de zieke de oogen op; zij geleek eene lieflijke, bleeke roos; haar vroeger zoo vurig, donker oog had de vlam verloren, maar den zachten gloed behouden; met teedere innigheid vestigde zij haren blik op moeder en zuster en zeide: „Ik heb zeer gerust geslapen, ik ben lichter en beter geworden.”
De gravin boog zich over haar neder en drukte een zachten kus op haar voorhoofd. „Dat verheugt mij, lieve,” sprak zij, terwijl zij moeite had hare inwendige ontroering door toon en stem niet te verraden. Maria trad met een vriendelijk lachje op de zieke toe en vroeg: „Zijt gij nu weer wel, volkomen wel?”—„O ja, mij dunkt ik ben geheel gezond,” hernam Lodoiska, de aangeboden hand zachtkens drukkende; doch haar blik verried, dat zij iets anders dacht, dan zij sprak. Met pijnlijke onrust scheen zij zich op iets, dat zij vergeten had, te bezinnen. „Ik weet niet, Maria,” vervolgde zij en zag de vriendin vragend aan, „mij verontrust en beklemt iets, als had ik eene zware zonde begaan, die ik niet biechtte.”
„Gij eene zonde!” antwoordde Maria. „Neen, die gedachte bleef u nog uit de koortsachtige droomen uwer ziekte bij. Het vroolijke licht der gezondheid zal die donkere nachtvogels weldra geheel verdrijven.”
„Ach, ik vrees neen,” vervolgde Lodoiska; „het is mij, alsof een vreeselijk spook in mijne ziel stond, dat wijken noch wankelen wil. Slechts weet ik niet, wat het met zijn zwarten sluier bedekt; maar het beangst en knelt mij meer en meer.” Thans trad de gravin op het leger toe, nam de hand der zieke en sprak liefderijk, maar ernstig: „Mijne dochter, is u waarheid of ontveinzing liever? Zoudt gij thans in staat zijn, de bittere waarheid, die u verpletterde, toen zij eensklaps verraste, te verdragen, wanneer eene moeder ze u behoedzaam onthulde?”
Lodoiska staarde de gravin met angstig vorschende blikken aan en scheen het geheim te willen raden. Eindelijk sprak zij met stille onderwerping: „Van u kan ik alles hooren, ik wil bedaard blijven en lijden; ik weet immers, dat gij mij lief hebt.”
„Ik wil u zeggen, wat toch niet voor u verzwegen kan blijven,” begon de gravin. „Herinnert ge u nog de laatste woorden, die Jaromir u schreef?”
„O God!” riep Lodoiska angstig; „zoo is dat toch geen droom geweest! En die furie vervolgt mij nog altijd!”
„Neen, neen, geliefd kind,” trachtte de moeder haar gerust te stellen; „het was half een droom, half waarheid. Jaromir veroordeelde u in de verbijstering van zijn schuldig hart; nu echter is hij tot beter inzicht gekomen; aan hem lag de schuld, op hem rusten nu ook rouw en boete.”
„Hoe?” snikte Lodoiska, die thans alle herinneringen weder met gloeiende kleuren zag terugkeeren, maar niet verstond, wat de laatste woorden der gravin moesten beteekenen; „dan gelooft hij toch weder aan mijne liefde en miskent mijn hart niet langer? O, dan ben ik immers gelukkig. Hij heeft mij diep gegriefd, maar alles, alles zij hem vergeven! Ach, mijne moeder, hoe gelukkig maken mij uwe woorden!”
Zij strekte de zwakke armen uit, ten einde die om den hals der geliefde moederlijke vriendin te slaan, maar was te zeer uitgeput; de gravin echter volgde den teederen wenk, boog haar gelaat tot de lijdende neder en liet zich door deze aan de hijgende borst drukken. Weldadige vreugdetranen bevochtigden de wangen der kranke, maar eene angstige beklemdheid drukte op het hart der moeder, die haar dezen nieuwen waan ontrooven moest.
Doch de gravin erkende de noodzakelijkheid; zij had haar besluit genomen en bracht het ten uitvoer.
Nadat Lodoiska kalmer was geworden, vervolgde zij dus: „Uw minnend hart vergeeft; maar mag Jaromir, die de schuldelooze zoo diep krenkte, die vergeving aannemen?”
„Ach, het besef van schuld zal zijne boete zijn, en boete verzoent!”
„Zoo hij echter nu zelf schuldig ware, zoo hij....”
„Verlaat hij mij?” riep Lodoiska buiten zich zelve en met zulk eene hevigheid, dat de gravin het terugkeeren der woeste koortsvlagen duchten moest.—„Neen, lief kind,” vervolgde zij: „maar hij heeft zwaar tegen u misdreven, zóó zwaar, dat gij hem niet vergeven moogt, dat hij zich niet kan laten vergeven.”
„O moeder, ik weet niet wat hij misdeed; maar iets harders voor mij bestond er niet, dan dat hij mijn hart miskende en van ontrouw verdacht hield. God, die barmhartig is, vergeeft elken berouwhebbende, en zou het mij dan niet vrijstaan?”
Toen zij deze woorden sprak, glansde zulk eene hemelsche zachtheid op haar gelaat, straalde zulk eene vrome geestdrift uit hare oogen, dat de gravin zich in hare eigene strenge grondbeginselen overwonnen gevoelde. „Ja, _gij_ moogt hem vergeven, _gij_ moogt het,” sprak zij vol aandoening; „gij hebt het gedaan, nog eer gij zijne schuld kendet—thans, verneem ook die.”
Zij gaf haar den brief van Rasinski. Lodoiska beschouwde dien eenige oogenblikken en zeide: „Neen, lees gij hem slechts, als ik toch hooren moet; maar nog veel liever hoor ik niets, het is immers genoeg dat hij berouw heeft.—Zou hij dan zoo gruwzaam tegen mij zijn, wanneer ik gedwaald had?”
Het reine hart van Lodoiska vermoedde Jaromirs schuld niet; hare ziel had geen denkbeeld van de vele overtredingen, omtrent welke de bezoedelde omgang des gemeenen levens den man vaak geheel onverschillig doet zijn. Maar de gravin achtte het noodzakelijk, haar alles te ontdekken. „Waarheid zij tusschen u en hem,” sprak zij; „vergeef dan, zoo gij het kunt en wilt. Alles moet gij weten; de vergeving zelve ware anders immers slechts eene halve vergeving, en Jaromir mocht ze niet aannemen, daar hij zou moeten gelooven, dat zij niet waar en niet volkomen was, wijl het u aan moed had ontbroken, de schuld te vernemen, die gij vergeven wildet.”