Part 83
„Ach, mijn beste,” hernam Bianca, „waarlijk, ik vertrouw geloovig op God; doch reeds onze redding uit dezen alles vernielenden maalstroom te hopen, schijnt mij vermetelheid toe, hoeveel te meer dan de zijne, uit dien moorddadigen slag. Ik heb de aarde vaarwel gezegd, die ik vereerde, die ik beminde—nu, wij zien elkander immers daarboven weder.”
„Wees bedaard, Bianca,” zei Bernard en vermande zich, om het zelf te schijnen; „gij hebt nog nooit gedobbeld, waar het één tegen één stond; ik heb nog zooveel hoop op winnen als vrees voor verliezen. En ons spel staat goed, want wij hebben hier ten minste een anker in de sneeuw geworpen, dat ons steun geeft tegen de bergstroomen, die daar ginds van de hoogte afrollen. Eens moesten zij toch verloopen, en dan krijgen wij ruimte.”
„Voorzeker,” voegde Lodewijk er met mannelijke vastheid bij; „en ik bid u, bedenk toch, Bianca, welke wonderen de hemel reeds voor ons gedaan heeft; zij staan mij borg voor de toekomst, zijn mij een vast steunsel, waarop ik gerust mijn vertrouwen stel.”
„Dat herinnerde de goede Gregoor mij ook,” antwoordde Bianca; „maar wie doorgrondt de raadsbesluiten des hemels?”
„Dan zou onze ondergang toch al heilrijk voor ons zijn,” hervatte Lodewijk met diepen ernst. „Dat zij uw troost!”
„Het is die ook, geliefde,” sprak zij kalmer en hief het oog ten hemel; „maar ook daarom juist neem ik afscheid van de aarde.”
„Ik niet,” sprak Bernard, „en gij moet het ook niet doen, mijne zuster; uit aardsche nooden en gevaren heeft het lot ons ook voor aardsch geluk gered. Lodewijk heeft gelijk, wij hebben een onderpand; de hemel is niet zoo kwistig met genade en wonderen....”
„O, spot niet,” viel Bianca hem verschrikt in de rede, daar hij weder in zijn ouden, ruwen toon verviel en de bekommernissen stoutmoedig afschudde als een leeuw, wien een muggenzwerm om het hoofd gonst; „spot hier niet, waar de Almachtige zijn vreeselijk gericht houdt.”
„Neen, neen, zuster,” antwoordde Bernard; „gij verstaat mij niet; Lodewijk weet wel hoe ik 't meen; hij kent mij langer.”
Deze drukte hem geroerd de hand. „En de Alwetende kent hem het best,” fluisterde hij Bianca toe, „en heeft nooit een trouwer, edeler hart in eene menschelijke borst gezien.”
„Dat is nog zoo zeker niet,” mompelde Bernard; „maar laat ons door beuzelpraat den tijd niet verzuimen.—Willhofen! hebt gij nog eenig voeder voor de paarden? Zij konden ons anders in het oogenblik van nood in den steek laten.”
„Vóór het licht werd heb ik ze in stilte afgevoerd,” was het heimelijk antwoord; „men mag hier niet te veel vertoonen; voor éénmaal is nog voorraad.—Maar zie eens daar achter ons! Dat komt mij voor, alsof het ons gelden moet.”
Hij had nauwelijks gesproken, of het eerste kanon schoot zijn bliksem uit en na weinige seconden kaatsten de omliggende heuvels den doffen knal daverend terug. In hetzelfde oogenblik sloeg een kogel met verpletterend geweld in den dichtsten hoop voor de brug neder, zoodat deze naar alle zijden uiteen stoof. Men had den tijd niet, zich te bezinnen en den omvang van dit nieuwe gevaar te beseffen, want dadelijk daarop volgde een tweede schot en toen een volle laag, die vreeselijke openingen in deze opeengepakte menschenmassa's boorde.
In de eerste seconden hielden schrik en ontzetting de ongelukkigen aan den grond geketend, en zelfs de spraak verliet hen. Daardoor ontstond er eene doodsche stilte, die het dreunen der batterij nog te schrikwekkender deed voorkomen. Spoedig echter gaf zich de angst in huilend weeklagen lucht, en de een wierp zich in blinde, dolzinnige drift op den ander, onverschillig waarheen, zoo men slechts uit dezen vuurspuwenden krater ontkwam. Ruiters wierpen zich in den stroom en zochten dien niettegenstaande het drijfijs over te zwemmen; de meesten werden op korten afstand van den oever door de bruisende golven medegesleept. Anderen sneden de strengen der voor vreemde wagens gespannen paarden door, wierpen zich op den rug der vermoeide dieren en wilden zich insgelijks door zwemmen redden, zonder zich om de ongelukkigen te bekreunen, die nu hulpeloos moesten achterblijven. De straf volgde deze daad op den voet. De massa's wentelden zoo geweldig naar de boorden des strooms voort, dat zij thans niet enkel op de brug, maar ook regelrecht op de rivierbedding aandrongen. Te vergeefs verzetten de voorsten zich tegen het drukkende overwicht; gelijk gisteren honderden van de bezwijkende brug nederstortten, werden heden duizenden in den vrijen stroom gedrongen. Moeders met hare zuigelingen op den arm zag men tusschen de drijvende ijsschollen, en vruchteloos riep haar jammergeschrei om den man en beschermer, van wiens zijde zij eerst zoo even waren weggerukt, doch dien misschien de vloed reeds verslonden had, zoo hij niet onder de voeten der aandringenden vertrapt werd. Het water zwol haar tot aan den gordel, tot aan de borst; nog altijd hielden zij hare kinderen boven: eindelijk bereikte het den hals, het hoofd, zij werden voortgesleurd, zonken, maar onder het zinken hielden de verkleumde handen het dierbaarste leven nog boven den zwarten afgrond der golven omhoog geheven, tot de stroom alles verslond en begroef.
HOOFDSTUK V.
Bianca hield beide hare handen voor de oogen en ademde krampachtig; geen enkelen traan had zij meer, zoo greep haar de alles verstijvende schrik der ontzetting aan. Lodewijk en Bernard sloten zich dicht aan haar en zochten haar door bemoedigende toespraak tot kalmte te brengen. Jeannette was doodsbleek en rilde koortsachtig; ook zij weende niet meer, hare lippen beefden, alsof zij spreken wilde, doch zij vermocht zulks niet. Het kind klemde zich schuw aan Bianca's boezem.
Plotseling kraakte en dreunde het om hen heen, en als door een aardbeving geschokt, werden zij van hunne zitplaatsen opgelicht.
„Barmhartige God!” riep zij, toen zij opzag, en strekte de beide handen afwerend voor zich uit. Een kogel had het voorste gedeelte van den wagen getroffen, verbrijzeld en de bloedige, gescheurde ledematen der beide officieren op den grond geslingerd. De schuwe paarden steigerden hoog op en zouden, wanneer dissel en vooras niet verpletterd waren geweest, den wagen zijwaarts gesleurd hebben. Willhofen sprong toe om ze in de teugels te vatten; Lodewijk en Bernard beijverden zich, hem bij te staan. Doch reeds had Jeannette zich met loshangende haren van den wagen geworpen, en Bianca, onbewust wat zij deed, volgde dit voorbeeld, terwijl zij de kleine aan haren boezem klemde.
„Leeft het nog? Leeft het?” riep eene forsche stem in hare nabijheid, en zij voelde zich eensklaps van achteren vastgehouden. Toen zij zich omwendde, stond Regnard, den linkerarm in een doek gebonden, voor haar. „O, ik heb u gevonden,” sprak hij snikkend en kuste en liefkoosde het kind in Bianca's armen, die, nog geheel bedwelmd door den schrik, niet eens besef genoeg had, om zich over zijne plotselinge verschijning te verwonderen.
Ook Bernard ontdekte hem, ijlde op hem toe en vroeg vol verbazing: „Gij hier, overste? In 's hemels naam, hoe komt gij hier?”
„Van daarginds uit het gevecht,” antwoordde hij. „Het gaat er vreeselijk moorddadig toe; onze soldaten staan als de muren van Troje, doch dra zal alles instorten; want zij begraven ons onder hunne kogels!”
„Zaagt gij Rasinski? Leeft hij? Leven Boleslaw en Jaromir?” vroeg Bernard driftig.
„Zij vechten als leeuwen, als duivels, die Polen,” hernam Regnard. „Maar het zal alles te vergeefs zijn, wij kunnen geen uur meer standhouden! En dan dit défilé, dat zoo goed als de open helpoort is.”
„Zijt gij gewond, overste?” vroeg Bernard, hem eene krampachtige beweging naar den arm ziende maken, die met een zakdoek omwonden was.
„Mijn rechterarm is verbrijzeld,” was het antwoord; „mijn paard werd door een granaat neergeworpen; ik sleepte mij naar Studianka, om een wondarts te zoeken, doch daarginds is niets te vinden dan asch en lijken. Vechten kan ik niet meer, ik wilde dus beproeven of ik over de brug kon komen. Daar zag ik uit de verte deze wagens! Ik wist, dat gij gisteren hier gestaan had en dacht: misschien vind ik hen nog daar. Mogelijk kunt gij uw klein dochtertje nog eens zien! sprak het in mijn binnenste, en—lach mijnenthalve, vriend,—dat klonk mij als eens stem uit den hemel in de ooren. Wellicht is het de laatste wensch, dien gij vervuld ziet, dacht ik en ging regelrecht hierop aan. Het was of een goede geest mij geleidde, want ik was juist bij uwe wagen, toen de twaalfponder u dien trek speelde.—Ach zie eens, hoe vriendelijk het kind nog is; het lijkt toch sprekend op de moeder!—Ja, had ik maar iets voor u, mijn arm schaap! Waren wij in Parijs, en kon ik u een zak vol bonbons geven!”
Hij gaf zich geheel aan het liefkoozen der kleine over en scheen zoowel zijn verpletterden arm, als de verwoesting om hem heen te hebben vergeten. De kogels verschrikten hem niet, twintig veldslagen hadden hem daaraan gewoon gemaakt; maar de vaderliefde was nieuw voor hem, en een voorgevoel scheen hem te zeggen, dat hij dit geluk niet lang meer genieten zou.
Middelerwijl was ook Lodewijk toegetreden en heette hem welkom. Bianca gaf de kleine, die Regnard met zijn éénen arm niet houden kon, aan Jeannette over: zij voelde dat zij wankelde, en trachtte zich aan het rad van den wagen staande te houden. Bernard speurde dit, sloeg den arm om haar middel en kuste hare bleeke wangen. Hij sprak niet, maar zijne vurigste bede rees tot den Almachtige omhoog en smeekte: „Red mij om harentwil en haar om mijnentwille, of laat ons allen omkomen!”
„Gij zijt zoo verschrikt geworden,” sprak hij na eenige oogenblikken; „dat komt wijl gij uw oog voor deze tooneelen sluit: beschouw ze lang, gij zult er aan gewoon worden en daardoor den indruk verflauwd zien.”
„O, mijn broeder!” riep zij smartelijk, „zou mijn hart dàt leeren?—Neen, neen; dat kan ik niet.”
„Zie daar gindsche vrouw,” ging Bernard voort; „neem een voorbeeld aan haar; zie, mijne lieve, hoe kalm en rustig zij onder de verwoestingen des doods blijft.”
Inderdaad zag men, ongeveer twintig schreden van hen verwijderd, eene edele vrouwelijke gestalte, die, een driejarig kind in den arm houdende, te paard zat en naar het scheen met onafgewende oogen het gewoel gadesloeg. Een zwarte sluier was om haar hoofd gewonden, doch liet het gelaat vrij, welks regelmatige, edele trekken onwillekeurig ontzag inboezemden. Zij moest zich eerst sinds eenige minuten hier bevinden, want hare verschijning had anders, zelfs in dit gewoel, waar ieder slechts aan zich zelf dacht, reeds vroeger de algemeene deelneming moeten gaande maken. Bernard maakte ook Lodewijk op haar opmerkzaam.
„Kalm, rustig?” vroeg Bianca, die haar lang oplettend had aangestaard; „rustig meent gij? Versteend moest gij zeggen; want bemerkt gij de tranen niet, die over haar onbewegelijk aangezicht rollen, en den wanhopigen blik, dien zij van haar kind ten hemel slaat?... O, de rampzalige!”
„Het is de weduwe van den overste Lavagnac,” sprak Regnard; „haar man viel voor drie weken bij Wiasma en het kind, dat zij op den arm heeft, is haar dochtertje.”
Allen hielden het oog op de rijzige, edele treurgestalte gevestigd. Daar sloeg een gierende kartets verpletterend neder en wierp vrouw, kind en paard ter aarde.
Zelfs den mannen werd bij dit gezicht een kreet van ontsteltenis afgeperst. De ongelukkige was verdwenen; in het gedrang liet zich geen spoor meer van haar ontdekken.
„In 's hemels naam, is zij dood?” kreet Bianca; „o, vliegt haar te hulp, ziet of zij te redden is!”
De drie mannen zochten door de opeengedrongen menschen en paarden een weg te banen, doch het was niet mogelijk, hierin spoedig te slagen. Bianca volgde hen, deels door hare deelneming gedreven, deels ook om hen in dit vreeselijk gedrang geen oogenblik uit het oog te verliezen. Na eenige minuten opende zich de zwarte hoop, zoodat men, ofschoon een omgestorte wagen belette haar te naderen, de rampzalige op de sneeuw kon zien liggen.
Daar zat de edele vrouw, zonder een klacht te uiten, op de met bloed gedrenkte sneeuw tegen een boomstam geleund en hield haar kind in de armen, de kartets had hare beide voeten verbrijzeld, doch de kleine scheen ongedeerd en sloeg de beide handjes angstig om den hals der moeder. Niemand dacht er aan, haar hulp te bieden, elk ging, zich alleen met zichzelf bezig houdende, haar gevoelloos voorbij; slechts dewijl alles voor het zich in stuiptrekkingen rondwentelende paard op zijde week, had zich eene opening om haar gevormd, anders ware zij wellicht vertrapt geworden. Lodewijk en Regnard wilden beproeven, over het omgeworpen voertuig heen te klimmen, terwijl Bernard de bevende Bianca ondersteunde. In dit oogenblik rukt de edele lijderes een haarsnoer van haren boezem los, legt het, eer iemand het verhinderen kan, om den ontblooten hals van het kind en trekt den strikt met hare laatste krachten te zamen, zoodat het kleine wezen met neerhangend hoofd, verworgd, in haren schoot terugzinkt. Daarop omklemt zij het in krampachtigen doodsangst, heft het woest, verwilderd, brekend oog ten hemel, hijgt nog eenmaal uit holle, diepe borst en zijgt ontzield op haar kind neder.
Tegelijk sprongen Lodewijk en Bernard toe, doch het was te laat; Bianca wierp zich aan de borst des broeders en verborg haar gelaat, als wilde zij den aanblik ontvlieden, die als eene Medusa haar binnenste versteende. Bernard sloeg zijne armen om haar heen, en vermocht noch te spreken, noch zijne overvloedig opwellende tranen te bedwingen. Plotseling rukte zij zich los, staarde hem met strakke oogen aan en sprak met doffe kalmte: „Thans kan mij niets meer verschrikken, mijn broeder; heb ik dat gezien, zonder vernietigd neer te zinken, dan is mijn hart voor eeuwig versteend en ik kan met den jammer spotten.”
Bernard huiverde; hij leidde haar langzaam naar de plaats, waar Jeannette met het kind stond, en zeide: „Ween uit, zuster, en ontdooi het koude ijs, dat zich op uw hart legt, met warme tranen; zie, ik ween immers ook en ik ben toch een man.”
Het meisje strekte de armpjes verlangend naar Bianca uit, nam het kind, drukte het met onstuimige hevigheid aan hare borst en barstte nu in een stroom van tranen uit. Hare knieën knikten, Bernard liet haar behoedzaam op de sneeuw nederzinken en plaatste zich naast haar op den grond.
Het moorddadige vuur der Russen duurde inmiddels voort; de batterijen op de heuvels werden versterkt, kogels en granaten kletterden onophoudelijk op de brug en de dichte drommen neder. Ook in den rug, van de zijde van Studianka, kwam het gevecht al nader en nader, en weldra moest men den vervolgenden vijand ook van daar duchten. Zoo ratelde de donder van het geschut in alle richtingen en smolt ineen met het gehuil van half verpletterden, de wanhoopskreten van de ongelukkigen, die in den stroom verzonken, het woest gebrul van hen, die zich met geweld de baan der redding trachtten te ontsluiten.
De kogels sloegen thans weder meer in de nabijheid van Bianca en hare vrienden neder, zoodat Willhofen moeite had, de paarden in toom te houden. Regnard liefkoosde zijn kind en sloeg inmiddels den voortgang van het gevecht en den aftocht met opmerkzaamheid gade. De pijn van zijn verbrijzelden arm deed hem geen enkele klacht uiten; echter zag hij met een gefronst voorhoofd den vloed des onheils steeds hooger en hooger opzwellen.
Eene granaat raakte op eenige voeten afstands van de vrienden den grond, deed ijs en sneeuw opstuiven en woelde een kuil in de aarde. „Neder, bukt u!” riep Regnard, doch in hetzelfde oogenblik barstte het moordtuig reeds in eene wolk van damp en gloed uitéén en spatten de stukken in het rond. Een angstkreet ging er van alle zijden op; Bernard voelde zich ongekwetst, de zuster in zijn arm was het ook, maar eene zwarte rookzuil hield hem zoodanig omhuld, dat hij niemand der anderen kon ontdekken. „Lodewijk!” riep hij, „Lodewijk, leeft gij?” Doch het kraken der vuurmonden, het angstgeschrei der verschrikten en het gehuil van den storm, die met vernieuwde woede opstak, versmoorden zijne stem. Eindelijk wentelde de rook langzaam weg en men kon om zich heen zien.
„Gij leeft!” klonk Lodewijks stem en hij zelf lag aan Bianca's voeten en drukte de geliefde met warme dankbaarheid voor hare redding aan zijne borst. Eensklaps echter rukte hij zich los en riep: „Heilige God, ook dat nog!” Zijn oog viel op Willhofen, die vreeselijk verminkt tusschen de paarden op den grond lag. Slechts het gelaat was ongeschonden; zijn brekend oog zocht verlangend eene vriendenhand, die het toedrukte. Lodewijk snelde op hem toe en ondersteunde het zware hoofd met beide handen. Bernard had de rechterhand van den gevallene gegrepen en knielde naast hem neder. „Leeft gij nog, getrouwe vriend? Kunt gij ons nog vaarwel zeggen?” stamelde Lodewijk met eene door aandoening gesmoorde stem. De stervende kon geen woord meer uitbrengen; hij bewoog slechts met moeite de lippen, en zijne machtelooze hand sloot zich tot een zachten druk. Een smartelijk lachje zweefde over zijne wangen, vervolgens zonk het hoofd op de borst neder en het oog brak.
„Dus mocht gij toch het vaderland niet wederzien,” riep Lodewijk, „gij, getrouwe dienaar! Nu is het lijden voorbij,—gij zijt de gelukkige!” Zij wilden het lijk opheffen, maar eene vernielende laag uit de russische batterijen slingerde juist weder eene menigte kogels en granaten in het gedrang om hen heen.
„Laat ons opeensluiten,” riep Regnard; „anders zijn wij voor eeuwig gescheiden.” Juist wilde hij Lodewijks hand grijpen, doch tusschen beiden gierde een kogel door en wierp den overste ter aarde. „Regnard!” riep Lodewijk, geheel verpletterd, en sprong op hem toe; „zijt gij doodelijk getroffen?”
Bernard beurde den gevallene bij de schouders op en boog zich over hem neder.
„Ik heb mijn deel,” steunde deze; „waar is mijn dochtertje?”
Bianca trad, hoewel bevende, met het kind op den arm nader; zij knielde voor den vader neder en hield het hem toe. „Hier, hier,” snikte zij. Regnard lachte de kleine weemoedig toe, kuste haar mond en voorhoofd en sprak: „Leef gelukkig! Gij hebt geen vader meer... maar eene moeder... niet waar?... Groet Rasinski... als nog een van u overblijft... Leve de keizer!”
Deze kreet uitte hij met alle inspanning der laatste krachten in den ruwen soldatentoon; hierop kromp hij zenuwtrekkend ineen—en was niet meer.
_„Er is een maaier, die heet de Dood,”_
neurde Bernard, om zijn woeste smart te bekampen, uit een oud lied; maar de tonen bestierven hem op de lippen.
_„Van God hij kracht ontving zeer groot!”_
ging hij nog, zich zelf vermannend, voort. „Van God! Ik ben getroost!”
Doch hun bleef de tijd niet, zich aan hunne droefheid over te geven, want een vreeselijk gedreun en geratel in de nabijheid, een mengeling van schreeuwen en brullen, een alles overhoop werpend dringen en golven der vluchtelingen kwam nader.
„Laat ons dezen stroom ontwijken, hij overstelpt ons!” schreeuwde Bernard. „Terug! Daar, de hoogte op.”
Lodewijk sleepte Bianca, Bernard de radelooze Jeannette met zich voort. Alles achterlatende, zochten zij slechts het gevaar van het oogenblik te ontkomen en waren dan ook gelukkig genoeg, zijdelings af eene plaats te bereiken, werwaarts de menigte zich niet voortwentelde, daar zij niet in de richting van de brug gelegen was en niemand anders dan over deze zijne redding zocht.
„Hier is lucht,” riep Bernard geheel ademloos; „de vloed stroomt hier voorbij. Hier kan ons niets ergers meer overkomen, dan door de vijandelijke kogels getroffen of door den vijand zelf gevangen te worden. Onbarmhartiger kan hij niet zijn, dan de tijgerwoede, waarmede het verderf daar ginds moordt en worgt.”
Nu was echter ook het ontzettendste oogenblik daar; want van de hoogten van Studianka kwamen de vluchtende benden des legers afstroomen. Het geschut kletterde in vollen draf de steilten af; de paarden waren niet in staat de stukken te houden. Zoo bleef er geene keus meer; de weg liep midden op het diepste gedrang van ongelukkigen aan. Verpletterend rolden de ijzeren raderen op eene straat van lijken en over de krakende beenderen van vele honderden voort. Het angstgehuil scheen uit den schoot der aarde op te rijzen; wagens, kanonnen, paarden en menschen stormden over elkander heen, de oeverboorden af, op de brug toe.
Het vreeselijkst echter woedde de vernieling op de brug zelve. Hier liepen behoud en verderf op het smalste pad langs den afgrond naast elkander voort. De voet trad niet op lijken, maar op levenden, op zieltogenden, die zich half vertrapt in dolle stuiptrekkingen kromden en martelden. Gulzig spalkte de vloed aan weerszijden den zwarten muil op en verslond duizende offers, die meedoogenloos in zijn gapenden afgrond werden neergestort. Eene onmenschelijke worsteling werd op dit punt met afwisselende kans voortgezet. De broeder wilde zich de baan breken over het lijk des broeders en trapte diens hoofd onder den voet.
Die neergesleurd werden in de koude doodsomarming der golven, klemden zich met woede aan de naast omgevenden vast en wilden dezen met zich in het verderf trekken, of door hen op den veiligen oever gesleept worden. De aangegrepenen stelden zich te weer, alsof zij door wolven overvallen werden. Met de sabel, door een verpletterenden kolfstoot zochten zij zich uit de krampachtig vastgeknelde armen der wanhopigen los te rukken en stieten, zoo hun dit gelukte, de verminkte lichamen in de branding neder. Maar de razernij der vertwijfeling nam nieuwe reddingsmiddelen te baat; met scherpe tanden beten zich de nederstortenden in voet of kleeding vast, tot een dreunende kolfslag op den schedel of een schop, die het gelaat ontvleeschte, hen bedwelmd in den geopenden grafkuil deed nedertuimelen.
HOOFDSTUK VI.
In dichte scharen stroomden de soldaten, die in den laatsten slag gevochten hadden, van de heuvels af. Daar zij de brug en den geheelen oever zoo dicht met vluchtelingen bezaaid zagen, dat het onmogelijk was, zich hier een doortocht te banen, namen zij hun loop verder stroomopwaarts, teneinde met zwemmen of over eene doorwaadbare ondiepte de overzijde te bereiken. Deze stortvloed bedreigde ook de schuilplaats, die Bernard had opgespoord. Lodewijk bemerkte dit het eerst en ried aan, voor de anderen dieper landwaarts in te vluchten. Zulks geschiedde met driftigen tred en zoo snel de uitgeputte krachten der vrouwen het toelieten. Maar ook nu was de natuur vijandig gezind, want de storm loeide hen tegen, en joeg hun de opeengehoopte sneeuw vlak in het aangezicht. Velen, die aan de redding over de brug wanhoopten, volgden hen na en zoo pakte zich ook hier eene dichte, golvende zwerm opeen. De uit het gevecht terugkeerende ruiters, soldaten, wagens en veldstukken stormden in teugellooze verwarring van de hoogte naar beneden. Weldra smolten de beide stroomen inéén en thans werden al de verschrikkingen van het vreeselijk gedrang vernieuwd. „Volgt mij,” schreeuwde Bernard zijnen verbijsterden lotgenooten toe; „altijd naar boven, nog hooger op moeten wij doorworstelen; waar niemand zich redden wil, zullen wij ons behoud zoeken.”
Zij moesten dus den stroom van vluchtelingen doorsnijden en zulks kostte hun eene geweldige inspanning; hijgend, ademloos, op het punt van te bezwijken, zagen zij zich echter toch eindelijk aan de grenzen van het gewoel verplaatst. IJlings spoedden zij over eene gladde heuvelhelling voort, doch ook hier loerde het verderf op hun ondergang. Twee kanonnen komen van de hoogte af, geraken op de met ijs bedekte helling, de paarden struikelen, dreigen te vallen. Niets kan meer redden dan een blind doorhollen. Door zweepslagen en wild getier voortgejaagd, komen de paarden in vollen loop aanrennen en stormen regelrecht op Bernard toe. Deze, Jeannette om den middel grijpende, wil op zijde springen; doch het is te laat. Het voorste span heeft hem bereikt, doet hem met het meisje ter aarde tuimelen, en kletterend rollen de ijzeren raderen over hen heen.