1812: Historische roman

Part 82

Chapter 823,682 wordsPublic domain

Rasinski gaf Bernard den raad, zich thans met Bianca's wagen bij den trein aan te sluiten, opdat deze niet door den stroom der verwarring zou worden medegesleept, wanneer misschien nieuw opdagende colonnes of wel de aanrukkende vijand grooter haast en ontsteltenis verwekken mochten. Met een beklemd hart scheidden Lodewijk en Bernard van den vaderlijken vriend; doch zij zagen in, dat hij met de zijnen wellicht een der laatsten zijn zou, ja, misschien hier nog in een gevecht kon gewikkeld worden. Daarenboven had hij toch over de andere brug moeten trekken, daar de bovenste bij uitsluiting voor de wagens was aangewezen. Zij zeiden hem dus een weemoedig vaarwel en verzelden den weder door Willhofen bestuurden wagen naar Studianka.—De schemering begon te vallen. De tros der voertuigen bewoog zich langzaam voorwaarts; den oever naderende scheen hij een ontzettende wagenbrug, waarbij aan inachtneming van rang en orde niet meer te denken was. Al naarmate men zich het best uit den saamgepakten klomp ontwarren en de brug bereiken kon, trok men over.

Bianca wierp angstige blikken op dit gewemel van paarden, menschen, wagens en sleden; een dof gedruisch van roepende en schreeuwende stemmen, dat van minuut tot minuut met de duisternis toenam, verhoogde den huiveringwekkenden indruk, dien deze onbeschrijfelijke verwarring maken moest.

„O, waart gij thans niet in mijne nabijheid,” fluisterde zij haren broeder en Lodewijk toe en drukte beider handen, „ik verloor mij zelve in dit afgrijselijke gewoel! Doch zoo is mijn hart zonder zorg en vrees.”

Lodewijk besefte wel, dat zij door deze schijnbare gerustheid slechts zijne en haars broeders bezorgdheid wilde verminderen, daar het harer schoone ziel eigen was, altijd eerst de vreemde smart, de vreemde zorg te gevoelen en te verzachten. Hij antwoordde dus ook voor haar troostend en opbeurend, en schertste, om haar te verstrooien, met het kind, dat, geen gevaar vermoedend, met roerende onschuld snapte en keuvelde. Bernard zag inmiddels opmerkzaam in het rond, om elk voordeel, dat zich aanbood, ras waar te nemen. Een onrustig gemompel aan zijne linkerzijde deed hem het oog derwaarts wenden. Eene menigte soldaten wees op de sneeuwheuvels afwaarts den vloed, en het gefluister, dat door de rijen liep, bewees, dat eenig voorval van aanbelang hunne opmerkzaamheid bezig hield. Aanvankelijk kon Bernard niet gissen, wat het zijn mocht, doch plotseling bespeurde hij een roodachtig schijnsel op de sneeuw, dat in omvang en helderheid scheen toe te nemen.

„Borisow staat in vlammen!” riep eene stem naast hem; het was Willhofen.

„Meent gij?” vroeg Bernard.

„Het kan geene andere plaats zijn; ik weet, dat het juist die streek uit ligt.”

De vlammen sloegen hooger op; allengs werden allen, die aan den oever verzameld waren, de verschijning gewaar en terwijl elk zijne opmerkzaamheid daarop richtte, werd het verdoovende gedruisch der stemmen eenige oogenblikken afgebroken. Inmiddels vernam men duidelijk het dreunen van geschut. Dus werd om Borisow, nauwelijks twee uren van Studianka, gevochten!

Nog dezen nacht kan ons de vijand overvallen.—Deze gedachte scheen in aller borst gelijktijdig post te vatten en plotseling eene razende aandrift en begeerte, om den anderen oever te bereiken, op te wekken. Van drie zijden tegelijk werden de wagens op den engen toegang der brug aangedreven; zij hortten tegen elkander aan, dat raderen en dissels te pletter stoven, sloegen om en versperden zoo de baan. Dit veroorzaakte een grimmig vloeken en verwenschen, dat gestadig toenam. Met woede wierpen de nakomenden zich op hen, die verongelukt waren en hun zoo den weg ter redding versperden. Meêdoogenloos sleurden zij de ongelukkigen, die zich nog op de neergestorte wagens hielden vastgeklemd, naar beneden en verbrijzelden de voertuigen in duizend stukken, om baan te maken. Doch nog eer hun dat volkomen gelukte, drongen reeds weder andere wagens na. De voorsten joegen dus in onzinnigen ijl over de verpletterde wielen en spaken op de brug toe, botsten eveneens tegen elkander aan, braken de assen, kantelden om en vernieuwden zoo zelven het schouwspel, hetwelk hunne onbesuisde drift had teweeggebracht. Paarden en menschen tuimelden over elkander heen; een huiveringwekkend geschreeuw en gekerm deed zich van alle zijden hooren.

De cavalerie mengde zich in het gedrang en zocht de orde te herstellen, door met sabelhouwen diegenen terug te drijven, welke zich van buiten in de rijen wilden indringen; maar nauwelijks was haar dit aan de eene zijde gelukt, of aan de andere had de verwarring ook reeds weder driewerf grooter onheil aangericht. Gekwetsten raakten onder de wagenwielen en hieven een hartverscheurend jammergeschrei aan, doch het werd overschreeuwd door het tieren, razen en vloeken, waarmede zij, die, het doel nabij, slechts nog een laatste inspanning behoefden, om behouden te zijn, hunne dieren aanzetten.

„Heilige God, wat moet daaruit worden!” riep Bianca verbleekend en vestigde, terwijl zij het angstig geworden kind bijna bewusteloos aan haren boezem drukte, angstige blikken op dit tafereel van ontzetting.

„Wees bedaard, mijn lieve,” zei Lodewijk geruststellend; „het is slechts de ontsteltenis van het eerste oogenblik; buiten twijfel komt alles spoedig weer tot rust, want elk kan immers zien dat hij op deze wijze slechts zijn eigen verderf bespoedigt.”

„O, laat ons liever naar Rasinski terug gaan,” bad zij smeekend; „deze afschuwelijke redding over de verbrijzelde borst van hulpelooze gewonden verlang ik niet. Liever wacht ik den dood van de vijandelijke kogels, dan dat ik dezen bloedigen weg betreden zou.”

„Terugkeeren is onmogelijk, Bianca,” antwoordde Lodewijk, een blik om zich heen werpende. „Zie, met welke massa's van wagens en menschen deze hellingen en alle afdalende wegen bedekt zijn; men kan zich eer een weg door eene rots graven, dan door dit gewoel dringen.”

Bernard, die met Lodewijk naast den wagen gestaan had, klom op de as van het achterwiel, teneinde een ruimer uitzicht te hebben. Een onafzienbaar zwart gewemel, dat zich, zoover men de oevers met het oog volgen kon, langs hunne krommingen naar de besneeuwde heuvelklingen uitstrekte, vertoonde zich aan zijn zwervenden blik. Door de toenemende schemering scheen het nog onzekerder en reusachtiger.

„Hm!” mompelde hij, „de Zwarte Zee midden in den Noordpool-oceaan; en de golven beginnen te spoken, wij krijgen storm.”

Aan den uitersten rand van den horizon, waar duisternis en afstand inéénsmolten, gloeide de donkerroode weerschijn van het brandende Borisow. Een nachtelijke storm begon zijne vleugels uit te spreiden en gierde ijskoud over de wijde vlakte.

Zelfs den onverzettelijken Bernard bekroop eene kille huivering, en een drukkend voorgevoel zeide hem, dat alle verschrikkingen, welke deze veldtocht reeds had opgeleverd, zich hier zouden opéénhoopen en de vroegere ellende als in het niet doen verzinken. Voor zich zelf alleen voelde hij kracht, om alles te trotseeren, maar als hij een blik op zijne zuster wierp, als hij hare jeugd, hare schoonheid beschouwde, zich de offers herinnerde, die hare reine liefde hem gebracht had, en dan het oog vestte op deze grondeloos diepe zee van verderf en verschrikking, die om hem heen hare zwarte golven verhief—dan moest hij het harnas van den ijzeren wil om zijne borst smeden, opdat zij onder het drukkend gewicht der zorgen niet breken zou.

Uit maagdelijken schroom neigde Bianca zich met haar vertrouwen nog altijd meer tot den broeder, dan den geliefde; ook hield zij hem wegens zijne rassche wijze van handelen voor stoutmoediger en omzichtiger in gevaren, dan den even vasten, maar meer zachtaardigen Lodewijk. Daarom vestigde zij ook thans hare angstig vragende blikken, die raad en troost schenen te verlangen, op Bernard. Ze drongen tot diep in zijne borst door; opzettelijk echter zweeg hij, want hij was te hevig ontroerd, om dit niet door zijn spreken te verraden, en zijn gewoon ruw masker, zijn stekelig pantser van dolle scherts wilde hij tegen de teedere zuster niet aanleggen, wijl hij wist, dat zij zich daaraan bezeeren zou.

Gelukkig bevond de wagen, waarop zij gezeten was, zich op eene plaats, die buiten het bereik der golven van het stroomende gedrang gelegen was en van waar men dus, schoon de terugweg versperd bleef, ten minste niet met geweld in de alles verslindende dwarling kon worden voortgedreven. Dit verstrekte Bianca wel is waar tot eigen behoud, doch daar hare medelijdende ziel haar gedurig in den toestand van anderen verplaatste, leed zij des te onuitsprekelijker bij den aanblik van den jammer, dien zij voor oogen had, zonder te kunnen redden of verzachten. Stom en zwijgend, als een offerlam, dat onder de opgeheven bijl siddert, zat zij daar en hield het oog onbewegelijk op het weenende kind op haren schoot geslagen; zelve bevende, troetelde en kuste zij het en zocht het gerust te stellen. Jeannette die naast haar zat, was bleek als een lijk en gaf geen geluid, maar koude tranen van den angst biggelden onophoudelijk langs hare wangen. Tegenover de beide vrouwen zaten twee zwaar gekwetste officieren, die echter door eene ijlende koorts, het gevolg van zware hoofdwonden, van de verschrikkingen, die zich om hen opeenhoopen, geen besef hadden. Onder den druk van angst en kwellende zorg kropen de minuten met tragen, slependen gang voorbij.

HOOFDSTUK IV.

Plotseling vernam men een dof, donderend gekraak, en dadelijk gierde een gillende angstkreet door de lucht. Aller oogen wendde zich naar de rivier, vanwaar het snijdend angstgegil zich hooren liet, en een ijskoud afgrijzen versteende borst en lippen, toen men de brug onder haren last en door den aandrang van vreeselijke ijsschollen bezweken en verschillende bogen vernield zag. Slechts van de omliggende hooge punten des oevers kon men dit bemerken. De tallooze menigte echter, die zich op de brug zelve en op den lager gelegen rivierzoom bevond, vermoedde niets van het ongeval, maar drong in rampzalige verblinding voorwaarts en dreef hen, die aan den rand des afgronds stonden, met geweld in het gapende graf. Te vergeefs klemden de ongelukkigen zich aan de balken der brug vast, te vergeefs riepen zij met hartdoorvlijmend gekerm het mededoogen hunner broeders in—er bestond geene keuze meer, met geweld werden zelfs zij, die gaarne zouden hebben willen redden en helpen, tot den gruwzamen moord hunner lotgezellen genoodzaakt, om het volgend oogenblik op dezelfde wijze in den zwarten muil van den verslindenden stroom te worden neergestort. De doodsangst baarde vertwijfeling en razernij. Zij, die zich verloren achtten, werden in bloedgierige tijgers herschapen, want met getrokken sabels en degens stormden zij op de saamgedrongen scharen hunner broeders in, om baan naar den oever te breken. Zoo ontstond een onmenschelijke kamp, een waanzinnig moorden, worgen en slachten onder bevriende kameraden; de achterwaarts golvende vloed des gedrangs worstelde met den voorwaarts stroomenden, en daaruit volgde een vreeselijk samenpersen naar het middenpunt. De schuwe paarden steigerden of zochten zijwaarts een uitweg en plompten dan met wagen en al in den schuimenden vloed neder. Angstkreten, weegeschrei, gebeden, vervloekingen, wapengekletter, gedruisch en verwarring aan alle zijden!

Slechts weinige oogenblikken duurden deze schriktooneelen, die door eene vreeselijke onwetendheid, eene rampzalige dwaling waren teweeggebracht; doch elke minuut kostte aan honderden het leven, die reeds den voet op den dorpel der redding gezet hadden. En in de borst van vele duizenden sloeg het akelig spooksel der ontzetting zijne ijskoude klauwen en een beklemmend voorgevoel zeide hun, welk lot de dreigende schrikgodinnen ook voor hen weefden.

Terwijl de brug weder hersteld werd, heerschte eene doodsche akelige stilte. Het reeds voorgevallen onheil had, meende men, de overigen bedachtzamer gemaakt; ook werd al wat mogelijk was in het werk gesteld, om eenige orde bij den overtocht voor te bereiden. Doch thans maakte de diepe duisternis elke leiding der onafzienbare menigte nog oneindig bezwaarlijker, en slechts het kleinste deel kon weten of vermoeden, wat er gebeurd was. Elk werd als geblinddoekt zijner bestemming te gemoet gevoerd, en eerst wanneer hij zich midden op den wentelenden stroom des verderfs, waar geen vluchten, geen terugkeeren meer mogelijk was, verplaatst zag, werd hem de blinddoek van voor de oogen weggerukt en hij stond rillend aan den rand des afgronds.

Het aantal dergenen, die tot offers bestemd waren, wies daarenboven van minuut tot minuut aan, daar nog gestadig eene menigte naloopers, gekwetsten en zieken van alle zijden kwamen opdagen. Eensklaps werd het dof, akelig gemompel, dat men aan de oevers van den verderfelijken stroom hoorde, weder door luide, ratelende kanonschoten afgebroken. De vlammen van Borisow wakkerden helderder op; van dien kant scheen de gloeiende lavastroom van den kamp langzaam te komen aanwentelen. Terwijl men angstig naar den rollenden donder van dit nieuwe onweder luisterde, opende de krater zich nog aan eene andere zijde en kondigde zijn uitbarsting door een verdoovend kraken en dreunen der vuurmonden aan.

Dit tweede gevecht had zich naar alle waarschijnlijkheid voor Studianka, misschien wel op de heuvels, waar Rasinski legerde, ontsponnen, zoo nabij hoorde men het gedruisch van den slag. Dit vermoeden werd versterkt, daar men van verschillende zijden renboden op den keizer zag toesnellen, die nog immer aan den oever vertoefde en bij de brug voor het voetvolk den overgang bestuurde. Andere boden werden ijlings teruggezonden, aan allen bespeurde men, dat er iets gewichtigs moest zijn voorgevallen.

Aan de herstelling der brug werd reeds met de grootste inspanning gearbeid; echter zond de keizer den eenen officier na den anderen af, om de voleindiging te verhaasten. Intusschen duurde het donderen van het geschut nog immer met kleine tusschenpoozen voort, zonder echter naderbij te komen. De donkere nacht maakte een slag onmogelijk; het wederzijdsche vuren scheen derhalve alleen ten doel te hebben, elkander bij voortduring te verontrusten.

Middernacht was voorbij. De overspannen krachten van lichaam en ziel zouden de meeste aan den oever verzamelde ongelukkigen weldra hebben doen insluimeren, hadden niet honger en koude en vooral een snijdende noordoostenwind, die zich gestadig heviger verhief en alles, wat hij met zijn adem aanblies, versteende, hen aangedreven een ander toevluchtsoord op te zoeken. Zij verscholen zich onder de wagens, kropen tusschen de paarden, om hunne bevriezende ledematen aan de dierlijke warmte te ontdooien, en pakten zich in dichte klompen opeen. Eensklaps verlichtte een helder flikkerende fakkel het donkere nachtstuk en een bloedige weerschijn blonk op den stroom en de besneeuwde heuvelkruinen. Toen men zich omwendde, stond het dorp Studianka in vlammen. De ongelukkigen van de oeverhoogten, die zich nog zoover hadden kunnen voortsleepen, waren daar eene schuilplaats gaan zoeken; doch de hutten waren bezet en de koude van den ruwen nacht nam met den storm toe. Hout was in de nabijheid niet te vinden, dus trokken de wanhopigen de ellendige huizen omver, joegen de daarin gevluchten naar buiten, en staken balken, delen en daksparren in brand, om zich aan den gloed te verwarmen.

De keizer was hevig vertoornd over dit voorval, dat den vijand het overgangspunt verraden en het verderf van allen na zich sleepen kon. Intusschen was het onheil gebeurd en daarenboven de drang der omstandigheden zoo groot, dat zelfs zijn machtige wil niets daartegen vermocht.

Den ganschen nacht door hield het defileeren der geregelde troepen over de onbeschadigde brug aan, doch deze werd thans ook voor de artillerie gebruikt, tot zoolang de tweede gereed zoude zijn. Na hare herstelling had men hoop gekoesterd, den overgang met meer regelmatigheid bewerkstelligd te zien, daar èn de menigte aan den oever aanmerkelijk verminderd was èn de bittere ervaring, welke men reeds gehad had, ter waarschuwing kon verstrekken. Maar een nieuw onheil doet zich voor. Onverhoeds komt eene menigte wagens met zwaar gewonden, door vrouwen en lichter gekwetste soldaten te voet geleid, bij het leger aan. Het zijn schrikgestalten, door honger, koude en smarten half ontzield. Men is verbaasd, vraagt van waar zij komen? Van Borisow, waar de vijand de brigade van den generaal Parthouneau dezen nacht voor het grootste gedeelte heeft gevangen genomen. Slechts een deel is het gelukt, zich te redden; het trekt voor de vervolgende Russen terug en wordt voorafgegaan door dezen hoop gekwetsten, verminkten en wapenlooze, uitgehongerde naloopers, die hier hun behoud zoeken. Nauw zijn deze eerste berichten ingewonnen, of men ontdekt reeds dichte, zwarte scharen, die de hoogten en oeverranden bedekken.

Bij het vale schijnsel der smeulende hutten van Studianka, bij het flauwe schemerlicht van sneeuw en sterren ontwaart men, dat het vele duizenden zijn, die in teugellooze verwarring naderen. Nauwelijks ontdekken zij gewapende kameraden, van welke zij zich bescherming beloven, of in wilde jacht, als zat hun de vijand reeds op de hielen, snellen zij toe en pakken in zwermen opeen. Bleek, met holle wangen, de razernij des knagenden hongers in het oog, van angst en koude klappertandend, naderen deze rampzaligen met dof gejammer, en smeeken met opgeheven handen om hulp en voedsel. Met medelijden bezield, wil men hen aanvankelijk niet terugwijzen, doch hunne massa's dringen zoo geweldig op, dat zij de geordende gelederen der soldaten doorbreken; en daar zij eindelijk de brug ontdekken, stormen zij in blinde drift op dezen reddingsweg toe en dreigen zoo de ramp van gisteren te hernieuwen. In dezen oogenblik gelast de keizer, die nadere berichten van het aanrukken der Russen bekomen had en wien men te gelijker tijd meldt, dat de brug voor de wagens weder hersteld is, den overtocht der garden op beide bruggen. Hij zelf werpt zich te paard, om aan hare spits de overzijde te bereiken en haar bij Brilowa met de reeds overgebrachte troepen in slagorde te stellen, wijl men, helaas! ook aan den oever de vijanden te duchten had. Dit bevel tot opbreken brengt alles in beweging. Ieder waant het gunstig oogenblik der redding thans ook voor zich gekomen, en zoo stormen en dringen allen gezamenlijk op de nauwe toegangen der brug in. Aan zulk een massa is geen wederstand te bieden; de gelederen der oude garden stuiven uiteen, vreemde voertuigen mengen zich onder den geschuttrein, alle orde is verbroken, alles aan de vreeselijkste verwarring ten prooi gegeven. Zelfs het gezag des keizers is ongenoegzaam om baan te maken. Trosknechten, gekwetsten, pakwagens, vrouwen en kinderen versperren den toegang tot de eerste brug en de golvende zwermen dringen zoo onophoudelijk voorwaarts, dat zonder geweld aan geen doorbreken meer te denken is. De ijzeren noodzakelijkheid dwingt tot het verschrikkelijkste besluit. Ruiterbenden moeten in den dichten warklomp indringen en dien met scherpe wapenen verbreken en verstrooien: met huivering volbrengen zij het bevel, dat hen dwingt, het bloed van hulpelooze lotgenooten te vergieten en de krimpende lichamen der gevallenen onder de hoeven hunner paarden te verbrijzelen. Een luid gehuil, dat zelfs den gierenden Noord overschreeuwt, verscheurt de lucht, en om den schrik ten top te drijven, doet het donderen van het vijandelijk geschut zich ook thans wederom opnieuw hooren. Het bewijst althans, dat de onmenschelijkste last niet dan door den dringendsten nooddwang is afgeperst geworden. De baan is nu geopend; eene afdeeling ruiterij rukt vooruit; hierop volgt de keizer, van zijne officieren omgeven, de garden sluiten zich achter hem aan; doch gestadig opnieuw, naarmate het geschut nader en luider achter hun rug aandreunt, stormen de vluchtende scharen op de troepen in. Slechts der vereende, geregelde strijdkracht gelukt het, ze af te houden, en slachtoffers bij honderdtallen laten in deze onnatuurlijken kamp het leven.

Toen de laatste colonnes de brug betraden, begon het te schemeren, en allengs werden de zwarte sluiers voor het tafereel weggeschoven en kon men zien, wat zij achter hun somber hulsel verborgen hielden. O, de nacht was weldadig geweest, toen hij deze schriktooneelen met zijne donkere vlerken bedekte! De meedoogenlooze dag onthulde de volle, afgrijselijke waarheid! Vertrapte lijken, verbrijzelde wagens en geschut, gevallen paarden, die zich in hunne laatste stuiptrekkingen over nog bloedende menschelijke lichamen heenwentelden, bedekten de steile boorden, die nabij de brug naar de rivierbedding afdaalden. Tusschen de tegen de oeverranden opgekruide ijsschotsen ontwaarde men half gezonken ongelukkigen, die dood en koude in hetzelfde oogenblik versteend hadden, dat zij de armen nog smeekend naar hemel en menschen uitstrekten, doch vruchteloos, wijl beide doof waren voor de kreten van den angst en der vertwijfeling. Wendde het oog zich met afgrijzen van de grijnzende schrikbeelden af, dan deinsde het nog schuwer terug, wanneer het zich op de levenden aan den oever vestte; want het ontwaarde slechts eene tallooze schaar bleeke spooksels, uit welker holle, verglaasde oogen de wanhoop staarde, die sidderend, krijtend, huilend of vloekend door elkander kropen en door eigen lijden verstompt, dat hunner lotgenooten niet meer gevoelden. Slechts een woest, onzinnig streven naar redding uit deze ellende bestuurde, als eene donkere, dierlijke aandrift, al hunne bewegingen en schreden. Velen echter konden daartoe zelfs geen klacht of wensch meer uiten, maar zaten roerloos als lijken op de met ijs omschorste aarde en staarden onwrikbaar op de plaats, die hun graf moest worden. Slechts het weeklagen der vertrapten, der verpletterden, van dezulken, die in den stroom nederstortten en door de ijsschotsen werden voortgesleept, slechts de vloeken en de godslasteringen der onmenschen, die zich over de lijken hunner broeders een pad baanden mengden in dit reusachtige beeld des doods de laatste krampachtige stuiptrekkingen des levens. Doch het treurtooneel zou een nog schrikwekkender voorkomen aannemen. De _menschelijke_ maat van jammer en ellende scheen wel is waar geledigd, maar de machtige wraakgodinnen wisten het onheil uit opnieuw gevulde vaten in nog vreeselijker golven uit te gieten. Plotseling toch rolde en klaterde het, als de donder van het jongste gericht, boven de hoofden dezer verworpenen. Uit hunne doffe bedwelming wakker geschud, beurden zelfs zij, die alle hoop hadden opgegeven en in koude wezenloosheid hun einde naderden, het hoofd op, en zagen de heuvels in de nabijheid in zwarte rookwolken gehuld: de slag woedde boven hunne hoofden. Alsof een demon der blinde verschrikking zich plotseling in het midden der scharen wierp en ze in radelooze vlucht opjoeg, wentelden zij zich thans, geene mogelijkheid en waarschijnlijkheid der redding meer berekenende, in dichte, zwarte golven op de rivier en de brug toe. En als brak hij uit duizende geopende kolken te voorschijn, wies de vloed aan en zwol op door de stroomen van vluchtelingen, die, door het gevecht voortgestuwd, van de heuvels om Studianka en Borisow neerdruischten. Het oogenblik was daar, dat het ijzeren rad der vernietiging van de besneeuwde hoogten nederrolde, om al wat daar ademde te verpletteren.

Bianca, door angst en ontzetting uitgeput, wendde langzaam het hoofd naar de vlammende en rookende hoogten. „Denkt gij, mijn broeder,” vroeg zij Bernard op fluisterenden toon, alsof zij bevreesd was, het antwoord te vernemen, „denkt gij, dat de edele Rasinski daarboven mede in het gevecht is?”

„Het kan wel niet anders, lieve,” was het antwoord.

„Dan neemt mijn hart afscheid van hem,” sprak zij op een vasten, maar diep roerenden toon.

„Waarom?” vroeg Lodewijk getroffen.