Part 81
Tegen den avond van den volgenden dag bereikte het leger Borisow, dat dicht aan de steile oevers der Beresina, die hier een breed moerassig meer gelijkt, gelegen is. De vaste brug over haar was, daar de stad eerst eenige dagen vroeger aan de Russen was ontrukt geworden, geheel vernield en onbruikbaar gemaakt. De maarschalk Oudinot hield Borisow bezet. Rasinski vernam spoedig, dat men, gelijk hij zelf zou hebben aangeraden, alles gedaan had, om den vijand in den waan te brengen, dat men het overgangspunt ten zuiden van Borisow kiezen wilde, waar de rivier inderdaad twee gunstige doorwaadbare plaatsen aanbod. De generaal Laurencé, als chef van den generalen staf met de herstellingen der bruggen belast, had verscheidene Joden, die spionnendiensten verrichtten, laten ontbieden en van de nauwkeurigste berichten aangaande die plaatsen ingewonnen. Hij was ten volle verzekerd, dat zij, na van hem hunne betaling ontvangen te hebben, den vijand alles zouden verraden, ten einde ook door dezen beloond te worden. Derhalve werden alle vragen zoo ingericht, dat ze niet anders vermoeden konden, of de armee zou door eene onverhoedsche wending langs den stroom zuidwaarts trekken, om zoo de vervolgers te misleiden, Tschitschagoff te ontduiken en het boven alles gewichtige Minsk door verrassing te hernemen. Inmiddels begaf zich het korps van maarschalk Oudinot in diepe stilte naar Studianka, waar de overtocht werkelijk zou volvoerd worden, op marsch. Ook Rasinski moest, nadat zijne manschappen eenige uren gerust hadden, derwaarts opbreken. Het uitdrukkelijk bevel luidde, dat men op dezen marsch de diepste stilte moest in acht nemen; ook was het ten strengste verboden, vuur te slaan of iets anders te doen, wat van den anderen oever zou kunnen bemerkt worden, daar deze door een keten van russische voorposten bezet was, welker verwijderde wachtvuren men op de boschrijke heuvelkruinen als bleeke sterren zag flonkeren. Zouden ze met haar bloedig schijnsel den ondergang van het leger verkondigen, dat in dit land door zulke vijandige gesternten bestraald werd? Om het onheil ten top te voeren, scheen door het noodlot de voltooiing van hun verderf, in het gezicht der redding, besloten. Een sombere ernst, door het diepe zwijgen en de angstig gespannen stilte nog verhoogd, had zich van de ziel der krijgslieden meester gemaakt. Bij alle harde ontberingen kwam thans ook nog het gemis van eene troostende bemoedigende toespraak, ja, de stikdonkere nacht vergunde niet eenmaal een versterkenden blik der liefde en der vriendschap op de naaste dierbaarste panden. Rasinski had Lodewijk en Bernard willen overreden, met Bianca het leger te verlaten en, zoover mogelijk, hunne reis langs de rivier voort te zetten, wijl hij geloofde, dat het hun onder bescherming van Bianca, die overal voor eene Russin kon doorgaan, misschien gelukken zou, een toevluchtsoord en wellicht spoedig de onbelemmerde baan naar Warschau te bereiken. Doch beide vrienden, en ten stelligste Bianca zelve, verklaarden, dat zij hun lot niet van dat van Rasinski en de zijnen wilden scheiden. Met dezelfde roerende hartelijkheid hadden Willhofen en Jeannette aan elke poging van Bianca, die hun insgelijks dezen weg tot levensbehoud wilde opdringen, wederstand geboden. Zoo waren er dan toch nog harten, in welke met de sterkte der beproeving de kracht aanwies en die, verre van door den ijzeren voet van het lot gestadig dieper in het stof der verworpenheid vertreden te worden, in elken nieuwen druk slechts de aansporing tot verdubbelden tegenstand vonden.
Bernard en Lodewijk gingen te voet dicht nevens den wagen, waarop Bianca gezeten was; het verleende haar en hun troost, zich in elkanders nabijheid te weten en, nu het gevaar van het oogenblik elke mondelinge mededeeling verbood, althans de schemerende omtrekken der gedaanten in het oog te houden.
Naarmate men Studianka meer en meer naderde, werden ook de legervuren op de hoogten gestadig talrijker. Rasinski merkte zulks met bekommering op, daar men uit die menigte kon opmaken, dat de tegenoever door een aanzienlijk legerkorps bezet werd, en alles was reddeloos verloren, wanneer het niet gelukte, den vijand te misleiden.
Omstreeks vier uren, in den nanacht, kwam Rasinski op de verzamelplaats bij Studianka aan. Reeds van den vorigen avond af waren de ingenieurs hier met het slaan van twee bruggen bezig, wier voltooiing men voor het aanbreken van den dag te gemoet zag, ten einde nog onder bescherming der duisternis zoovele troepen over te brengen, als noodig waren, om aan genen oever de eerste baan te breken. Doch deze verwachting werd op het gruwzaamst teleurgesteld en leed wederom schipbreuk op de der, naar het scheen, met den vijand saamgezworen elementen. Door het dooiweder van den vorigen dag opgezwollen, was de vloed ettelijke voeten gewassen, zoodat de plaats, welke de infanterie in geval van nood had moeten doorwaden, zelfs voor de ruiterij te diep werd. De sedert gisteren ingevallen koude was juist voldoende, om sterke ijsschotsen te vormen, die met den stroom afdreven en alles met zich voortsleepten, doch zij was niet hevig genoeg, om een hecht ijsdek te vormen. Zoo behield de ruwe kracht der natuur op de uiterste inspanningen van menschelijk pogen de overhand. Te vergeefs hadden de pontonniers, dikwijls tot aan de borst in water en moeras weggezonken, den ganschen nacht door gezwoegd en gearbeid, te vergeefs met de vinnige koude, de snijdende ijsschollen, den machtigen stroom gekampt en geworsteld! De morgen was nabij, en nog geen enkele steunbalk stond behoorlijk bevestigd, want tweemalen had de opgeruide vloed de ingeheide palen en kromhouten weggevaagd en wat met ongehoorde inspanning van krachten was tot stand gebracht, als ijdel speelwerk vernietigd.
Het gevaar was ten top gestegen; brak de dag aan en was de brug niet voltooid, dan had men te duchten, dat de vijandelijke batterijen aan gindschen oever door eene volle laag den gebrekkigen arbeid vernielden, en dan verdween de mogelijkheid, om zelfs een enkelen man voor het vaderland te redden, dan was alles, alles verloren!
Rasinski was met zijne manschappen op een heuvel nabij Studianka gelegerd. Hij zelf begaf zich met Regnard naar den oever, waar de generaals te vergeefs naar een middel ter redding uitzagen.
Mortier, Davoust, Ney en Eugenius vormden een kleine groep en vestigden hunne donkere blikken op den anderen oever, waar de russische wachtvuren als zoovele brandtoortsen des verderfs helder opvlamden. Zelfs de onverschrokken Ney liet zich in zwaarmoedige gramschap op de verraderlijke krijgskans de woorden ontvallen: „Vindt de keizer hier nog een uitweg, dan houdt hij de geluksgodin met ketenen aan zich vastgeboeid en dient zij hem als slavin.”
Daar verscheen deze zelf in den kring der maarschalken en legerhoofden. Met zijne garden van Borisow opgerukt, had hij in stilte eene legerplaats in de nabuurschap betrokken. Hier waren hem van minuut tot minuut de ontmoedigendste berichten aangaande de mogelijkheid, om de brug tot stand te brengen, overgebracht; hij beschouwde zich dus als door het geluk verlaten en verscheen nu op de plaats des gevaars, om zelf te zien, te beoordeelen, te meten en, zoo hij al niet bij machte was, het te overwinnen, er ten minste roemrijk mede te kampen.
Hij groette kort, ernstig, maar vriendelijk. Hierop vorschte hij met onverzettelijke bedaardheid naar alle omstandigheden, tegenspoeden, teleurstellingen. De berichten luidden zoo, dat zelfs hij de onmogelijkheid der redding bijna moest toegeven. Op een gewelddadig doorslaan midden door 's vijands legermacht was hij in het gunstige geval voorbereid geweest.
Rasinski hing met onafgewende oogen aan de ernstige, maar volkomen kalme wezenstrekken van den reusachtigen man, die den trotschen nek nog niet voor de slagen van het noodlot gekromd had, maar op nieuwe wapens zon, om er mede te worstelen. Een somber zwijgen heerschte om hen heen. Daar rijst eensklaps in Rasinski het denkbeeld op: Wordt _hij_ slechts gered, zoo is niets verloren, dan een groot leger; gansch Frankrijk, half Europa kan zich opnieuw voor hem wapenen! Deze massa's zijn dood, verplet, verstoven, als vergruisde steen, zoo zijne kracht ze niet samenbindt; zij zijn onverwinnelijk, zoo hij ze met de vlam van zijn geest bezielt. Honderd duizenden zijn in de sneeuwgroeven begraven; wat komt er het op eenigen meer of minder aan? _Hij_ moet gered worden, dan is alles gered.
Met dit denkbeeld bezwangerd, ijlt hij op den maarschalk Ney toe en ontsluiert dezen de ingeving van zijn hart. De koene soldaat juicht dit denkbeeld met geestdrift toe; hij zelf zou wel is waar in een dergelijken voorslag zijner onderhoorigen nimmer hebben ingewilligd, doch thans voelt hij slechts als soldaat, niet als veldheer. „Is de redding mogelijk, dan moet zij beproefd worden,” roept hij uit.
„Met mijn hoofd sta ik voor het welgelukken borg,” betuigt Rasinski met edel vuur. „Van hier af ken ik elk pad, mijne Polen ook. Elk hunner geeft tienmaal zijn leven voor dat des keizers. Verder opwaarts naar Weselowa is de rivier niet breed; met onze paarden zwemmen wij over, nog voor het daglicht zijn wij aan genen oever. In vijf dagen breng ik den keizer naar Wilna; van daar staat Europa voor hem open. Beweeg den keizer, maarschalk! Zijne redding is immers ook de onze; weet Rusland, dat hij van Parijs nieuwe legers zendt, zoo zijn wij hoogstens _krijgsgevangenen_; deelt de keizer in ons lot, dan zijn wij met hem _staatsgevangenen_ en gij kent den onmetelijken kerker, welken Rusland voor dezen bezit.”
Rasinski's vuur had den maarschalk volkomen overtuigd. „Hij moet willen,” riep hij driftig uit; „en er mag geen oogenblik verloren gaan.”
De keizer had zich juist in eene hut aan den oever begeven. Ney ijlt derwaarts; hij vindt den koning van Napels en den onderkoning van Italië, aan hen deelt hij Rasinski's voorslag mede; zij juichen dien toe, besluiten gezamenlijk tot den keizer te gaan en treden de hut binnen.
In angstige spanning ziet Rasinski den uitslag te gemoet. Een vierde uur verloopt; niemand laat zich zien. Het wordt reeds laat—reeds wil Rasinski het wagen, zelf tot den keizer door te dringen,—daar komt Ney terug, gaat hem langzaam te gemoet en zegt:
„Graaf Rasinski: De keizer is niet te bewegen, het leger te verlaten. Wij wachten hier gezamenlijk den dag, den vijand, den ondergang af!”
De ruwe toon waarop de maarschalk dit zeide, bewees, hoe hevig hij ontroerd was, en hoeveel moeite hij zich aandeed, om het niet te schijnen. Rasinski stond als versteend; een onbeschrijfelijk smartelijk gevoel doorpriemde zijne borst en benam hem den adem. „Hebt gij den keizer gezegd....” begon hij eindelijk weder, doch werd dadelijk door den maarschalk in de rede gevallen:
„Alles! alles, waartoe liefde en overreding in staat zijn; de koning van Napels, de onderkoning van Italië, Davoust, Mortier, Rapp, graaf Daru, Berthier zelfs—bijna hadden wij ons aan zijne voeten geworpen. Doch hij bleef onwrikbaar als een rots. „De soldaat heeft zijn vertrouwen op mij gesteld, ik wil het niet teleurstellen,” was het eenige antwoord.”
„En Parijs, Frankrijk, Europa, wogen die gewichten in de schaal nog te licht?”
„„Hier is het dringendste gevaar,” herhaalde hij slechts; „ik ga niet, eer het voorbij is.””
„Dan is het te laat,” riep Rasinski buiten zich zelf; „vergun mij, dat ik nog eens....”
„Neen, graaf,” antwoordde de maarschalk; „de keizer laat zich door gebeden niet van zijne besluiten afbrengen. Ook ik zeide hem: Dan is het te laat.—„„Maar thans is het nog te vroeg,”” was zijn antwoord, „„en,”” voegde hij er na eenig zwijgen bij, „„wilt gij dan met geweld zien, dat ik bij het ongeluk ook nog schande op mijn hoofd lade! Ik zal gaan, ik zal niet tot Parijs aan de spits des legers marcheeren, maar eerst dan, als uwe tegenwoordigheid hier voldoende is. Dat oogenblik is nog niet gekomen.”””
Rasinski zweeg. Zoo diep het denkbeeld hem griefde, dat de groote man hier in het aangezicht der redding een onherroepelijken ondergang vinden zou, zoo diep doordrong hem toch ook het gevoel van opbeurende bewondering, welke het vaste besluit des keizers inboezemde. Eenige minuten duurde de kamp in zijn binnenste; vervolgens riep hij: „Waarlijk, hij mocht niet anders, hij heeft ons ook ditmaal overtroffen en beschaamd. Zoo is het beter! Wij willen hem het, aan elke menschelijke borst dierbare bewustzijn ontrooven van edel, waardig, groot te handelen. Wèl hem, wèl ons, dat hij het niet duldde. Ook het ware voordeel is aan dezen kant! De wereldgeschiedenis wint weinig, wanneer hij nog eenige jaren over Europa heerscht, veel, wanneer hij zijner waardig valt! Voor den glans des roems heeft hij tienvoudig genoeg gedaan, thans handelt hij voor het echte goud van dien roem.—Maarschalk, ik ben meer dan getroost, ik ben bemoedigd en gesterkt.”
„En gij hebt gelijk, en onze diepe droefheid is daarvan het onbedriegelijke bewijs.” Zij reikten elkander de hand en scheidden. Rasinski reed naar de zijnen terug en verhaalde wat gebeurd was. De gloeiende geestdrift voor den veldheer vlamde in aller borst weder helder op en allen zagen het verderf, dat hen weldra zoude naderen, met kalmte en trotschen moed tegen.
HOOFDSTUK III.
De dag begon aan te breken. Thans boorden aller blikken door de verdunde nevels van den nacht, om de vijanden te tellen, die zich voor de poorten der redding gelegerd hadden.—Rasinski had met Boleslaw eene kleine, met struiken omzoomde hoogte bestegen, vanwaar hij den loop des strooms en de kromming van diens oever tot in de verte kon overzien. Nog glinsterden de vlammen der russische wachtvuren door de morgennevels en het blauwachtig schemerende licht des daags. Echter was alles stil op de besneeuwde heuvelkruinen.
„Mij dunkt, men moest toch reeds beweging onder de lieden bespeuren,” sprak Rasinski; „of zouden zij zich achter den rand der hoogten verschanst hebben?”
„Voor zoover ik zien kan, zijn de vuren verlaten,” antwoordde Boleslaw; „althans de voorste. Daar achter den woudzoom zijn zij misschien nog bezet.”
„Zij zullen zich buiten het vuur onzer artillerie hebben begeven; echter verwondert het mij, dat ik nergens kanonnen in batterij zie.”
Zij reden nog ettelijke honderden schreden verder voorwaarts; intusschen verstrooide de wind de vochtige morgendampen en het werd allengs helderder.
„Bij den hemel!” riep Rasinski, die met stijgende verbazing in het rond zag; „de gindsche oevers zijn verlaten! Daarachter moet eenig opzet schuilen. Men wil ons misschien den overgang laten beginnen, om dan een des te vreeselijker bloedbad onder ons aan te richten.”
„Wellicht blijft ons ten minste tijd genoeg om de brug te slaan,” meende Boleslaw en wees naar den stroom, waar men thans de arbeiders in volle bezigheid ontdekken kon.
„Op de heuvels daar rechts zie ik ruiters; zij schijnen ook op verkenning uitgezonden. Laat ons derwaarts rijden; men moet van die hoogte de bochten van de rivier beter kunnen volgen.”
Zij reden naar het gezegde punt en vonden er den maarschalk Ney, Regnard en eenige andere officieren. Deze waren niet minder dan Rasinski verbaasd, den gevreesden oever van troepen ontbloot te vinden. Eensklaps riep Regnard: „Daar in de verte, naar Borisow, zie ik volk op marsch; het is eene sterke colonne. Rasinski, gij hebt een valkenoog, wat dunkt u, is het geen russische cavalerie?”
Rasinski hield de hand boven het oog, daar de zoo even opgaande zon reeds begon te verblinden, zag scherp voor zich uit en riep: „Het is artillerie en voetvolk; zij marcheeren naar Borisow.”
„Zou de vijand wellicht aftrekken!” riep maarschalk Ney op den toon van twijfel. „Het is onmogelijk!”
„En toch is er niet meer aan te twijfelen,” viel Rasinski hem in de rede.
„Dan straalt de ster des keizers nog immer helder en gunstig!” riep Ney met vlammenden blik; „dadelijk moet hij daarvan onderricht worden.”
Allen renden, wat de paarden vermochten, op de brug toe, waar de keizer bemoedigend en aansporend onder de arbeiders stond en op berichten wachtte.
De op verkenning uitgezonden officieren kwamen thans van alle zijden terug. Niemand had een spoor van den vijand ontdekt, meer dan een de aftrekkende troepen bemerkt.
„Zoo is het ons dan toch gelukt, Tschitschagoff te bedriegen!” riep de keizer. „Men moet een gevangene zien te krijgen, die ons zekerheid verschaft.”
Rasinski bood zich hiertoe aan. Hij reed dadelijk met Boleslaw den stroom opwaarts, nam eenige jagers mede en zwom met hen door de rivier. Toen zij de hoogten aan de overzijde bereikten, ontdekten zij alle sporen van een belangrijk korps, hetwelk hier gedurende den nacht moest gelegerd hebben. De vuren brandden nog meerendeels; men zag dat zij eerst sedert eenige uren heimelijk verlaten waren en dat hunne vlam den keizer had moeten misleiden. De sporen van den weg, dien het russische leger had genomen, waren op de sneeuw gemakkelijk te ontdekken; zij trokken zuidwaarts op Borisow aan, Rasinski volgde ze ras, maar met behoedzaamheid; door een klein kreupelbosch gereden zijnde, kreeg hij eenige verstrooide kozakken in het oog; geheel onverhoeds overviel hij ze; zij vluchtten, doch één struikelde met zijn paard, kon zich op de gladde sneeuw niet spoedig genoeg weder oprichten en viel zoo in de handen van Rasinski, die met dezen buit onverwijld terugkeerde.
Onderweg vroeg hij zijnen gevangene over alle omstandigheden uit en vernam, dat de generaal Tschaplitz met tien duizend man en dertig kanonnen de hoogten tegenover Studianka gedurende dezen nacht had bezet gehouden, maar op Tschitschagoffs bevel tegen den morgen over Borisow naar Beresino was opgebroken. Zijn hart klopte van vreugde, nu hij zijne vermoedens aldus hoorde bevestigen; want thans was de redding mogelijk, ingeval de overgang slechts in den loop van den dag beginnen kon. „Verheug u, Boleslaw,” riep hij dezen toe, „nog glanst onze zon. Heden heeft de godin des geluks getoond, dat zij den keizer nog niet wil verlaten. Dit zijn de onbezette bergpassen van Cilicië; de ster van den Macedoniër straalde niet luisterrijker, dan die van onzen Corsikaan.”—Ongeduldig dit bericht aan den keizer mede te deelen, gaf Rasinski zijn paard de sporen, stak den stroom over en meldde, wat hij gezien en gehoord had.
De keizer ontving deze tijding met merkbare tevredenheid, maar toch even kalm, even bedaard, als hij gisteren het bericht der dreigendste gevaren aanhoorde. Hij gaf dadelijk bevel, het bouwen van de brug met man en macht door te zetten. Met deze was men eindelijk zoover gekomen, dat twee bokken ingeheid en met balken verbonden waren; nu moest het werk rasser voortgaan, en de generaal Eblé beloofde, het tegen den middag te voleindigen.
Inmiddels begonnen de troepenmassa's van alle zijden op te dagen. Studianka zelf was met kanonnen, kruitwagens, transporttrein, de bagage des keizers, der maarschalken en der andere officieren opgevuld; evenzoo de wegen, die op het plaatsje aanliepen, en de hoogten, die het van rondom omgaven. Rasinski zag met een beklemd hart deze ongeregelde ophooping der massa's aan, welke slechts met den toestand van volslagen oplossing, waarin het leger zich bevond, kon verontschuldigd worden. Thans nog eene ordening, eene regeling te bewerken, scheen onmogelijk, te meer daar menschen en paarden, tot het uiterste afgemat, zich dit korte uitstel, zooveel de omstandigheden zulks toelieten, moesten ten nutte maken. Men zag de uitgeputte trekdieren zich op de sneeuw nederleggen en slecht haksel, verrot stroo of wat slechts naar voeder geleek, met woedenden honger verslinden. De geleiders hadden deels eene schuilplaats in de ellendige hutten gezocht, deels zich om vuren gelegerd. Wanneer deze verwarde klomp zich begon te ontbinden en in beweging te stellen, wanneer wagens braken, paarden neerstortten, de enge wegen versperd werden, haast en begeerte om zich te redden de bezinning roofden en, gelijk op dezen terugtocht reeds zoo dikwijls gebeurd was, elk aan zijn eigen oogenblikkelijk voordeel het voortdurend welzijn van het geheel opofferde—dan kon, hoe gelukkig de omstandigheden zich ook hadden geschikt de ellende hier haar toppunt bereiken en zich aan de oevers van den stroom nog een laatst, vreeselijk gedenkteeken oprichten. Deze bange vermoedens van Rasinski werden, helaas! maar al te ontzettend bewaarheid.
Toen hij zich weder naar de hoogte, waar zijn volk gelegerd was, wilde terugbegeven, hoorde hij in de verte, naar de zijde van Borisow, het doffe gekraak van een kanonschot. Eenige oogenblikken bleef het stil, daarna herhaalde het zich en werd door een regelmatig vuren gevolgd.
„Hoort gij, Boleslaw,” sprak hij tot dezen, „daar beneden gaat het er op los; wij willen hopen, dat het onweder ten minste heden nog niet los breekt.”
Boleslaw luisterde aandachtig toe en antwoordde: „Het is mogelijk, dat de wind mij bedriegt, maar ook daar opwaarts verbeeld ik mij kanonschoten te hooren. Luister, opnieuw! Hoort gij wel? In de richting van Niamanitza.”
Rasinski's voorhoofd fronste zich. „Zou het toch besloten zijn? Drie russische legers zijn op het punt van zich te vereenigen!—Slechts twee dagen uitstel!”
Het vuur werd intusschen levendiger; er moest hevig gevochten worden. Wanneer het den Russen gelukte, het korps van maarschalk Victor te slaan, dan zouden de massa's met geweld doordringen en de overblijfsels van het fransche leger waren vernietigd. Dit zag Rasinski onvermijdelijk voor zich en met deze nieuwe bezorgdheid keerde hij naar de zijnen terug.
Hier heerschte nog eene algemeene vreugde over den aftocht der legermassa's op den anderen oever; wel is waar was de verwijderde donder van het geschut niet onopgemerkt gebleven, doch men geloofde het gevaar niet zoo nabij.
Inderdaad werd het vuren gestadig flauwer en tegen den middag was alles stil. Te een uur kwam eindelijk het bericht, dat eene der bruggen, de voor het voetvolk bestemde, voltooid was en dat de brigade Legrand reeds met hare artillerie overtrok. Ook de andere zoude spoedig gereed zijn.
Reeds ontstond er een onrustig golven en dringen onder de saamgepakte menigte, wijl ieder den reddenden oever het eerst wenschte te bereiken; evenwel, nog was de keizer te Studianka, nog waren te veel geregelde troepen tegenwoordig en ook de zwermen wapenlooze, ongeordende vluchtelingen nog niet in die mate aangewassen, dat de stroom alle banden verbroken en alles met zich voortgesleept zoude hebben. Tegen den namiddag hoorde men opnieuw het donderen der kanonnen en wel nader en sterker dan vroeger. Het gevecht rukte ontwijfelbaar nader; het scheen mogelijk, dat de colonnes tegen het aanbreken der duisternis tot Studianka konden zijn teruggeworpen. Intusschen zag men de artillerie en hare troswagens, benevens eenige andere troepenkorpsen de Beresina in twee zwarte rijen overtrekken. Alles scheen met zooveel orde toe te gaan, dat men verwachten mocht, het grootste gedeelte der bagage, der gekwetsten en der wagens, voor welke de eene brug uitsluitend bestemd was, nog vóór middernacht aan genen oever te zien.