1812: Historische roman

Part 80

Chapter 803,575 wordsPublic domain

Door de dichte duisternis, langs ongebaande wegen breekt men op, Rasinski en zijne ruiters rijden als wegwijzers aan de spits. Doch de vijandige natuur rust ook nog thans niet; de sneeuw stuift dwarrelend op; elk spoor wordt onkenbaar. Hoe zal men thans de juiste richting houden? Hoe in deze onafzienbare wildernissen de verlorenen opsporen?—Twee uren is men, op het goed geluk vertrouwende, onophoudelijk verder voortgedrongen; thans echter schijnt elke baan en daarmede elke hoop verloren; verder gaande moet men vreezen in de netten des vijands te verwarren en op zijne legers, niet op die der vrienden, te stooten.

„Wij zijn hier op zee, ofschoon de golven ook al bevroren zijn,” roept de koning. „Wij moeten de middelen van benarde zeelieden te baat nemen en seinschoten doen.”

Hij gebiedt halt. Twee stukken worden blind geladen. Met behoorlijke tusschenpoozen worden drie schoten gelost, welker dof gedonder tot in de verte voortrolt. In angstige verwachting luistert men, of het signaal beantwoord wordt. Lang blijft alles stil; reeds begint men te wanhopen, of het teeken wel verstaan is. Daar doet zich eindelijk een verwijderd geweervuur hooren.

„Hoe? Wat moet dat beteekenen?” vraagt de onderkoning.

„O, dit teeken is ons gunstig,” valt Rasinski hem haastig in de rede, „het derde armeekorps heeft geen kanonnen meer en kan slechts op deze wijze antwoorden.”

„Dan heeft hij ons toch verstaan,” roept Eugenius. „Hoe voorzichtigheid en koenheid altijd bij hem gepaard gaan! Hij wachtte af, of de drie schoten niet door andere zouden gevolgd worden, en zoo ried hij de eenige beteekenis, die zij hebben konden.”

„Het was in des maarschalks toestand buiten twijfel gevaarlijk, op het sein te antwoorden,” hernam Rasinski; „hij kon zich daardoor even goed aan den vijand verraden. Doch zijn veldheersblik doorziet alle omstandigheden met ongeloofelijke snelheid, en waar verderf en redding nauwelijks te onderscheiden zijn, weet hij toch met vaste hand aan te grijpen, wat hem heil aanbrengt.”

„En ditmaal zal hij zich niet bedrogen vinden,” sprak de onderkoning, terwijl hij zijne afdeeling de richting liet aannemen, in welke de schoten gevallen waren.

Met vernieuwden moed en frissche kracht trekken de getrouwe kameraden voorwaarts. Eensklaps scheurt het wolkenfloers vanéén en de maan, na zoo dikwerf hunne gevaarlijke vijandin geweest te zijn, wordt eindelijk eene vriendin der bekommerden. Zij werpt haar zacht schijnsel over de sneeuwheuvels, en thans ziet men een zwarten legertroep langs den zoom van het woud afdalen.

„Dat zijn zij!” roept Rasinski, en de manschappen verdubbelen hunne schreden. Weldra heeft men elkander wederkeerig herkend; de vreugde drijft tot spoed aan; de edele aanvoerders kunnen het oogenblik der ontmoeting niet afwachten, zij snellen hunne benden vooruit, springen uit den zadel en houden elkander innig omarmd.

Het gansche leger volgt dit roerend voorbeeld na. Als had elk een broeder, een zoon, een vader gered, ijlen officieren en soldaten met open armen op elkander toe. Alle gevaren, ontberingen en opofferingen zijn vergeten. Op de zwarte zee des onheils blinkt eindelijk eene flonkerende ster des geluks, en Ruslands koude ijsvlakte, tot hiertoe slechts het akelige tooneel der verschrikking, ziet een treffend schouwspel van liefde en trouw, waarbij slechts vreugdetranen vlieten.

Met eerbiedige bewondering wordt de held, die zich met leeuwenkoenheid door alle vijanden en gevaren den weg baande, door de krijgslieden omringd. Zelfs niet de nijd van hen, die met hem gelijk staan, bezoedelt zijne lauweren; elk legt gewillig den prijs aan zijne voeten, doch hij, zóó hebben plicht, eer en roem zijne natuur veredeld, weet nauwelijks, dat hij dien verdiend heeft.

In zegepraal wordt hij naar Orsza gevoerd; op den weg derwaarts deelen de soldaten des konings met die van den geredden maarschalk de levensmiddelen en verkwikkingen, welke zij zoolang ontberen moesten. Zij verhalen elkander van hun lijden, van hunne gevaren en van hunne daden; doch zijn lijden vergeet de soldaat, zijne daden blijven vast in zijn geheugen ingeprent, op deze beroemt hij zich met trotschheid, uit deze put hij kracht tot nieuwe waagstukken.—Zoo betrekken de dapperen de legerplaatsen voor dezen nacht. Zij gevoelen zich weder de soldaten van de groote, onoverwinnelijke armee, nu zij het kostelijkste goed, den roem, uit de vreeselijke schipbreuk van hun geluk gered hebben. De vijand toch kan van geen leger spreken, dat voor hem de wapens heeft nedergelegd; allen zijn zij door de russische legermassa's en de verschrikkingen eener vijandige natuur stoutmoedig heengeworsteld. Deze trotsche gedachte doet een edel vuur in de borsten der krijgers ontvlammen, en in den gloed daarvan wordt het stalen harnas eener onverzettelijke standvastigheid om de heldenborst nog hechter vastgesmeed.

DERTIENDE BOEK.

HOOFDSTUK I.

Door Rasinski's toedoen waren de vrienden weder in het bezit van een wagen gekomen, waarop Bianca, Jeannette en het kind den bezwaarlijken tocht konden voortzetten. Om in den algemeenen nood nog hulp aan te brengen, waar zij zulks vermochten, namen zij nog drie gekwetste officieren op, die beurtelings een der paarden bestuurden. Bernard, wiens wonde bij zijne frissche, jeugdige krachten en onder de betere verzorging, welke hij in de laatste dagen genoten had, volkomen genezen was, ging met Lodewijk te voet, maar zij hielden zich in de nabijheid van het voertuig. Rasinski en zijne manschappen beschouwden zich eenigermate als de bedekking van den wagen en verlieten dien slechts wanneer de krijgsplicht hen ergens elders riep.

De koude was geheel geweken en werd door een zóó sterken dooi gevolgd, dat zelfs de sneeuw ten deele wegsmolt en ten minste van den grooten weg geheel verdween. Viel dus ook al de winter het leger met zijne scherpe wapenen niet meer met zooveel geweld aan, zoo werd daarvoor de marsch nu dubbel bezwaarlijk. Zij, die in het vertrouwen, dat de vorst van duur zijn zou, hunne wagens met sleden verwisseld hadden, zagen zich thans bitter bedrogen, daar deze voertuigen bij het verdwijnen der sneeuw geheel onbruikbaar werden. Het toeval, meer dan eigen inzicht, had voor Bianca op eene tegenovergestelde wijze zorg gedragen. Gelijk men in tijden van druk en beproeving zelfs aan de geringste gunstig schijnende omstandigheden groote waarde hecht, zoo wilde ook zij daarin een bijzonder teeken ontdekken, dat de hand des hemels zich beschermend over haar uitstrekte en haar gelukkig uit den diepen afgrond dezer grenzenlooze ellende redden zoude. Met angstig medelijden zag zij echter den jammer aan, welke om haar heen heerschte en van uur tot uur eene meer verschrikkelijke gestalte aannam; het scheen haar bijna misdadig, in dezen algemeenen ondergang op eigen redding bedacht te zijn en dood en ellende niet gemeenschappelijk te willen deelen. Had de smart zich overal onder eene edele gedaante vertoond, zij zou misschien huiverig zijn geweest, slechts aan eigen behoud te denken; thans echter kwam onder deze ernstige beproevingen meerendeels alleen de diepe verdorvenheid der menschelijke ziel in hare gansche afschuwelijkheid te voorschijn. Hoogst zeldzaam bespeurde men eene verhevene, edele gelatenheid onder het verpletterend noodlot, des te menigvuldiger daarentegen eene wrokkende woede, een luid vloeken en verwenschen van alle menschelijke, heilige en goddelijke instellingen. Bianca ijsde hiervoor terug; haar gemarteld oog wendde zich van deze tooneelen van afgrijzen af en zij boog zich over het aanminnig kind op haren schoot neder, om in de beschouwing van diens zachte trekken de vreeselijke ontaarding der menschheid te vergeten. Ach, en juist dit kind herinnerde het haar niet ook de onnatuurlijkste daad? Stond achter het vriendelijke beeld van dezen lachenden engel niet de furiëngestalte eener aan het verderf ten prooi gegeven moeder, die in snoode waanzinnigheid zelve de heilige vrucht van haren schoot had willen vernietigen?—En wanneer de beangste het oog weder opsloeg, wat ontdekte zij dan om zich heen? Jammer, ellende, razernij, vertwijfeling, onmenschelijke woede tegen den Schepper en zijn schepsel!

De slijkige, in een moeras veranderde weg, vorderde eene bovenmatige inspanning van alle krachten. De voor sleden gespannen paarden stortten, in weerwil der meedoogenlooze zweepslagen, waarmede de geleiders hen onder grimmige vloeken trachtten voort te drijven, ter neder en waren nauwelijks in staat zich weder op te richten. Thans eerst, schoon te laat, werd het besluit genomen, het onmogelijke op te geven. Men spande de dieren uit en overlaadde hen met buit en voorraad; te vergeefs smeekten de zieken en gewonden, dat men hen niet vergeten zou. De hebzucht en het eigenbelang waren doof; wie nog krachten bezat, om voor zich zelf te handelen, zich zelf te redden, dacht aan geen plichten der menschelijkheid meer. Echter werd deze daad door de verdiende straf op den voet gevolgd, want nauwelijks had men, zonder zich om het gekerm der kameraden, die men aan een akeligen dood door honger of koude prijsgaf, te bekommeren, de uitgeputte paarden eenige honderden schreden vooruitgezweept, of deze stortten andermaal ter aarde en thans waren alle pogingen, om hen opnieuw op te jagen, vruchteloos. Huilend van woede trapten de verbitterde bezitters hun bijeengeraapten buit in het slijk en vernielden in hunne grimmigheid zelfs de levensmiddelen, die hen wellicht den volgenden dag van den hongerdood zouden gered hebben.—En honderden en duizenden zagen deze tooneelen aan, doch niemand stoorde zich daaraan, niemand ging het lot der verlatenen ter harte, zoo had de vreeselijke herhaling van dergelijke voorvallen zelfs het verschrikkelijkste tot iets onverschilligs, iets gewoons gemaakt, zoo de ondragelijke zwaarte van het eigen lijden elk gevoel voor dat van den vreemden verstompt! En niet alleen de ruwe, de onbeschaafde, dien beter weten en gevoel voor het ware en edele de borst niet gelouterd hadden, maar zelfs hij, die met de hoogere voorschriften der deugd bekend moest zijn, had ze ganschelijk vergeten en droeg van den mensch nog slechts de uiterlijke gedaante, en ook deze nog misvormd en bijna onkenbaar door honger, uitputting, ellende en krankheid.

Zoo zag men hoofdofficieren, zelfs generaals, onder de massa's der krijgers verloren, zich met behulp van een stok voortsleepen en den bodem, dien zij als overwinnaars betraden, als bedelaars verlaten, gelukkig genoeg, zoo zij buiten de bezwaren van den marsch niet nog de gevaren van den kamp en den hoon des vijands te verduren hadden, wiens zwervende aziatische horden, als eene schaar hongerige roofvogels, die om een verrottend lijk in het rond zwierf, het leger verzelden.

Eenige dagen verstreken, gedurende welke de sombere beelden zich in gestadige opvolging vernieuwden. De hoop van weldra het niet ver meer verwijderde Minsk te bereiken en aldaar voorraad in overvloed, ruimte ter herberging van allen en bovendien onderstand van versche, wel uitgeruste troepen te vinden, hield de kracht staande. Zoo trok men Toloczin binnen. Den volgenden morgen had men zich nauwelijks weder op marsch begeven, toen een officier den keizer met een schriftelijk bericht te gemoet kwam. Deze opende de depêche en verried door eene driftige beweging, dat de inhoud verre van geruststellend was.

Schoon het bericht nog een geheim bleef, liepen weldra allerlei vermoedens en geruchten, die aan de waarheid zeer nabij kwamen, door de gelederen rond. Tegen den avond van den volgenden dag liet zij zich niet langer ontveinzen, want reeds langs andere wegen was zij het leger ter ooren gekomen.—Minsk was verloren, in 's vijands handen!

Toen Rasinski op het bivak dit naricht uit den mond van Regnard vernam, verwisselde zelfs hij van kleur en drukte zich de hand voor de oogen, als wilde hij dat nieuwe onheil niet zien. „Zoo is dan de keizer een russisch staatsgevangene!” riep hij in onstuimige gemoedsbeweging.

Een somber zwijgen heerschte in den kleinen kring der verzamelde vrienden. Met vragende blikken hingen allen aan het gelaat van hun aanvoerder en trachtten vruchteloos nog eenige hoop op zijn gefronst voorhoofd te lezen.

„Dus ook dat nog,” vervolgde hij na een lange stilte. „En deze winter, die ons eerst eene maand te vroeg overviel, verraadt ons nu ten tweede male, daar hij ons verlaat, waar hij onze bondgenoot worden kon. Het verlies van Minsk, hoe hard het ook zij, ware nog te verkroppen, zoo de Beresina ons niet met hare moerassige diepten gevangen hield. Eene russische armee aan de overzijde der rivier is als een ijzeren grendel, die ons de poort van dezen Tartarus onherroepelijk sluit.”

„Ons blijft geene andere hoop,” hervatte Regnard, „dan deze, dat de vijand vóór ons onzen toestand hier nog niet kan kennen; dat hij ons wellicht vreest, wellicht te misleiden is.”

Rasinski schudde het hoofd. „Kutusow, meent gij, zou geen bode gevonden hebben, om Tschitschagoff, Wittgenstein, of hoe die generaals heeten mogen, van alles te verwittigen?—Een demon moest hen verblinden, zoo zij nu het net niet over de kostelijke vangst toetrokken! Eén uitweg rest ons nog—de eervolle kamp en ondergang.—Op de baan der schande kan ons het lot niet brengen, dat echter is ook de eenige gunst, die het ons toedeelt.”

Over Jaromirs wangen zweefde een weemoedig lachje, toen Rasinski zich dus uitliet. Bernard, die zulks bespeurde, ontdekte hieruit, welke hoop door het geheel verbrijzeld hart van den armen jongeling gekoesterd werd. Sedert de ongelukkige Alisette's lot kende, had buiten den somberen ernst, die na den rampzaligen avond in Moskou zijne jeugdige opgeruimdheid in ijzeren boeien geketend hield, ook nog eene stille droefgeestigheid hem overmeesterd, die dikwijls een wezenloos mijmeren en droomen geleek. Het mannelijk besluit zijner ziel, om door een stalen krijgsmansmoed de schuld, met welke hij zich bezwaard gevoelde, te verzoenen, was door een, buiten de grenzen van zijn wil gelegen oorzaak verlamd. De vastberadenheid, waardoor hij zich tot hiertoe in deze dagen van tegenspoed ook boven Boleslaw zoo gunstig had onderscheiden was verdwenen, de ellende om hem heen scheen hem koud en gevoelloos te laten, ja zelfs de roerende deelneming en bezorgdheid zijner dierbaarste vrienden bespeurde hij nauwelijks en beantwoordde hij met merkbare onverschilligheid.

Met diepe droefheid had de steeds opmerkzame Bernard deze verandering in het geheele gemoedsbestaan van den jongeling waargenomen. En thans nu het vonnis der veroordeeling over zijne makkers, over zijne vrienden, welke hij innig liefhad, over den roem van het leger en dien des keizers, ja over het lot van zijn vaderland werd uitgesproken, nu hij zijne lotgenooten verpletterd en als versteend voor zich zag, thans glimlachte hij, alsof eindelijk een lichtstraal der vreugde in den nacht zijner smarten doordrong. Hij geleek een afgemartelden lijder op het doodbed, die den engel der verlossing ziet naderen.

Bernard werd door den aanblik van den ongelukkigen vriend zelfs nu ten diepste ontroerd, daar de verbrijzelende knodsslag der wereldgebeurtenissen, die allen gelijkelijk trof, even bedwelmend op hem nederviel als op alle overigen. Dit ware onmogelijk geweest, wanneer hetzelfde oogenblik de zekerheid van den ondergang en zijne vervulling had doen geboren worden; doch wanneer nog een arm van den tijdstroom tusschen deze twee heenbruist, is de mensch, zelfs onwillekeurig, nog steeds geneigd, zijn geluk aan het zwakste, met de golven worstelende vaartuig der hoop toe te vertrouwen, en behoudt hij het gevoel eener tegenwoordigheid met al hare smarten en genietingen.

„Dus is juist dat zijne hoop en het doel zijner wenschen geworden, wat in elke andere borst alle wenschen en alle verwachtingen vernietigt?” dacht Bernard en liet zijn blik in weemoedige beschouwing op het bleeke gelaat en het matte oog van den jongeling rusten. „Zijt gij zoo diep ongelukkig, gij arme lotgenoot?”—Het vorschend oog van den scherpzienden vriend drong dieper door. Het was niet de verlossing uit zijn lijden, welke met de vernietiging der vrienden, des roems en van het vaderland gepaard ging, die Jaromir, nog bij zijn volle bewustzijn verkeerende, met een vriendelijk lachje had begroet! Dat kon slechts hij, voor wien de beelden des levens zich reeds begonnen te verwarren, voor wien zij in schemerende droomen overgingen. Ach, reeds lang had Bernard het bemerkt, maar de gedachte als een pijnigenden vijand van zich trachten af te weren, dat de Nemesis, die de schuldige Alisette achterhaald had, voor Jaromir een gruwzaam spiegelbeeld was geworden, waarin hij zijn eigen noodlot dreigend voor zich zag.

En dit niet alleen, maar ook de gedachte, dat zulk eene vreeselijke schuld op hem rustte, dat zijne misdaad de duistere wraakgestalten opriep en ze dreigend aan zijne schreden vasthechtte, folterde Jaromirs borst met duldelooze wroegingen, van welke hij geene verlossing zag dan in den dood, dien hij zich zelf niet geven mocht, zonder zich met nieuwen vloek te beladen. Door deze gestadige, inwendige marteling verteerde hij zich zelf, zijne kracht bezweek, zijn edele geest verloor het heldere, vrije bewustzijn; als nachtelijke spooksels slopen de verschrikkingen der krankzinnigheid zijne ziel binnen en hij ijsde terug bij hare kille aanraking. Wie zal het thans in hem veroordeelen, dat de donkere poort des doods hem die der bevrijding toescheen, toen zijn gemartelde ziel niet meer in staat was, haar zich anders voor te stellen?

Met ijskoude huivering wendde Bernard het oog van den ongelukkige af. De openhartige mededeeling zijner bange vermoedens zou thans eene verkwikkende weldaad voor hem geweest zijn, doch hij ontzeide zich die, om het hart zijner vrienden niet met nieuwen bitteren kommer te beladen. Het leed had hunne borst reeds genoeg verpletterd, waartoe ze met nieuwe, diepe wonden te doorpriemen?—Tot Jaromir wendde hij zich echter met warme, broederlijke liefde en beproefde, of woorden van opbeuring en hoop nog in staat waren, den zwarten roofvogel der krankzinnigheid te verjagen, die in enger en enger kringen om diens ziel zweefde en haar met giftige klauwen dreigde vaneen te rijten.

HOOFDSTUK II.

Na onuitsprekelijk vermoeiende marschen bereikte het leger eindelijk Niamanitza. Duizenden hadden op dezen vreeselijken weg den dood gevonden en de schrikwekkende tijding, dat Minsk in de handen der Russen was gevallen, werd dagelijks meer bevestigd. De landstreek werd gestadig woester, de weg liep bijna onafgebroken door onmetelijke mastbosschen voort, die slechts nu en dan door enkele armzalige hutten werden afgewisseld. Een grauwe, drukkende wolkenhemel scheen tot laag op de aarde neder te hangen en haar met zijne vochtige nevelsluiers aan te raken. Het was noch strenge vorst, noch dooiweder, doch bij voortduring woei een waterkoude, verstijvende wind, die door de ellendige kleeding der krijgslieden heendrong en hunne vermoeide ledematen verkleumde. De grond werd met spiegelgladden ijzel overtogen; elke schrede vorderde eene vreeselijke inspanning en bijna elke mistred had den dood tengevolge, daar het den kranken, die meerendeels uit krachteloosheid nederzonken, dikwijls onmogelijk was, zich weder op te richten.

In de dichtste duisternis had Rasinski met de zijnen een verlaten huis gevonden, dat, ter zijde van den weg gelegen, bij toeval door een zijner lieden was ontdekt geworden. Men zou den nacht in deze bekrompene, maar toch eene veilige schuilplaats verleenende hut dragelijk hebben doorgebracht, zoo men niet door de ontmoedigendste tijdingen ware verontrust geworden. Regnard, wiens ijzeren lichaam tegen alle vermoeienissen bestand was, en die zich met onbezweken ijver bezighield met het inwinnen der noodige berichten, kwam nog in den laten avond Rasinski van alles, wat hij had kunnen uitvorschen, verslag brengen en tevens zijn dochtertje bezoeken, dat nog steeds aan de hoede van Bianca bleef toevertrouwd.

„Nu, Regnard, wat nieuws?” vroeg Rasinski, die zich reeds op den grond had te slapen gelegd.

„Ik wilde u liever niet verontrust hebben, maar ik moet wel,” antwoordde de binnentredende. „Het schijnt, dat ik altijd de krassende ongeluksvogel zijn moet; maar wie duivel kan een nachtegaal of leeuwrik zijn op een veld van lijken, zooals onze marsch van Moskou tot hier geweest is. De raven zijn hier op hunne plaats.”

„Welnu, kras dan,” hernam Rasinski, zich van zijn leger oprichtende. Ook de overigen traden nieuwsgierig nader.

„Wij zijn geheel en al in het net,” vervolgde Regnard. „De brug bij Borisow is verbrand en de rivier zoo breed, dat aan opbouwen niet te denken is. De andere oever is met vijanden bezaaid; het leger van Tschitschagoff strekt zich tot alle punten uit, waar men de Beresina zou kunnen overtrekken; kortom, het is onmogelijk, den overtocht te bewerkstelligen.”

„Slechts één enkele nacht strenge vorst, en alles zou goed gaan,” riep Rasinski.

„Misschien, en vooral daar ik u toch nog ééne goede tijding kan brengen en wel, dat wij tegenover Kutusow toch eindelijk een geregeld legerkorps kunnen stellen. De maarschalk Victor komt met twintigduizend man versche troepen aanrukken, waarmede wij ons morgen in de vroegte zullen vereenigen. Zoo even is de lichte cavalerie van de voorhoede aangekomen.”

„Het zijn slechts zoovele offers te meer,” was Rasinski's somber antwoord. „Wel is waar, zoo het mogelijk werd, over den stroom te komen, zoo de hemel te onzen behoeve een wonder deed, zoo hij de rivier de Beresina in banden sloeg en haar deed stilstaan als de zon te Jericho—ja, dan konden de frissche strijdkrachten tot onze redding bijdragen.—Er bestaat nog eene mogelijkheid,” ging hij driftig voort, alsof hem een gelukkig denkbeeld was ingevallen; „zoo men Tschitschagoff omtrent het punt van onzen overgang misleiden kon! Men moet valsche berichten uitstrooien, wendingen maken, den vloed afwaarts in de richting van Ukoloda en Beresino, en dan plotseling den overtocht voor allen volvoeren. Thans, nu een versch armeekorps ons misschien eenige dagen uitstel kan verschaffen, is zulks mogelijk.”

„Op iets dergelijks is men bedacht,” hernam Regnard; „er worden reeds aanstalten gemaakt. De zwarigheid is slechts, het leger ongemerkt op het zware overgangspunt te vereenigen.—Doch het is laat; goeden nacht. Gij hebt rust noodig en ik niet minder; morgen althans vinden wij elkander, hoop ik, nog in leven.”

Hij wilde gaan, doch bleef eensklaps staan en wierp nog een teederen blik op zijn kind, dat op een leger, hetwelk men achter in de hut van stroo en eenige dekens zoo goed mogelijk gespreid had, in Bianca's armen gerust sluimerde. Hij sloop nader, doch behoedzaam, om de slapende niet te wekken. „De hemel bescherme slechts deze,” fluisterde hij; „wat ons betreft, wij willen niet klagen, want wij zijn bestemd om te vallen.”—Haastig verliet hij de hut; Rasinski en de overigen wierpen zich weder op den grond, waar zij weldra vast insliepen.