Part 8
Maria opende nog twee vensters, om aan de zachte Meilucht den vrijen toegang in het vertrek te laten. Den arm om haren hals geslagen, trad de jongeling aan het venster en vestigde het oog op den breeden, glansrijken stroom. Hij zweeg, Maria eveneens; doch haar zwijgen was dat der schoonste innerlijke gemoedsrust, het zijne dat van het stomme sprakelooze zielelijden. Had zij thans het flonkerend oog opgeslagen, zij zou in zijne bleeke gelaatstrekken, in zijne sombere blikken gelezen hebben, dat eene zware strijd zijn binnenste schokte.
„Vertel mij nu iets van moeder, lieve Marie,” begon hij eindelijk; „zij ziet er bleek uit, is hare ziekte bedenkelijk? Lijdt zij nog aan de borst?”
„De geneesheer geeft bij voortduring de beste hoop en wij verwachten alles van den zomer, beste broeder,” antwoordde zij geruststellende.
„En hoe leeft gij overigens in dezen onrustigen tijd? Is moeder bezorgd, zijt gij het?”
„Nu gij hier zijt, ben ik ook weder geheel zonder vrees,” hervatte het meisje en vlijde zich zacht aan den broeder. „Tot hiertoe heeft het ruwe krijgsgewoel en zelfs de glansrijke wapenpracht, die men hier ten toon spreidt, mij beklemd en beangstigd. Morgen zegt men, komt de keizer zelf; vele vorsten zijn reeds verzameld om hem te ontvangen. Welk een geweld moet die man toch op de menschen uitoefenen! Hoe is hij wel in staat, hen tot zulke vreeselijke opofferingen te bewegen, die zij hem toch gewis niet dan met innerlijken weerzin brengen? Slechts onze koning niet, die hem met onzinnige verblinding aankleeft, die...”
„Spreek niet verder, Maria,” viel Lodewijk haar met ernst in de rede. „Veroordeel niet, waar de verstandigste huivert een vonnis te vellen. Weet gij, wat een vorst al in de weegschaal heeft te leggen? Beseft gij de onwederstaanbare kracht, welke een reuzengeest, als die des keizers in staat is uit te oefenen? Plicht en gevoel mengen zich hier dikwijls zoodanig dooreen, dat het den scherpzinnigste niet gelukt ze behoorlijk te onderscheiden.”
„Hoe,” sprak Maria met smartelijke verwondering, „zoudt gij ook een aanhanger van den man zijn, die ons vaderland in zulk eene namelooze ellende gestort heeft en het nog dagelijksch rampzaliger maakt?”
„Lieve zuster,” antwoordde Lodewijk, „gij spreekt als een meisje, maar tevens als vele mannen, die slechts op het naastbij gelegene achtgeven, niet de keten van oorzaken en gevolgen overzien, welke Duitschlands beklagenswaardigen val hebben voorbereid, die niet meer oordeelen kunnen daar zij reeds partij in den strijd gekozen hebben. Houdt gij mij voor een vijand van het vaderland? Hoe echter, wanneer een volkomen oprecht, niet een gehuicheld aansluiten aan Frankrijk alleen in staat was het vaderland te redden?—Maar laten wij dat daar; dat zijn moeilijke vragen, die ons thans niet bekommeren en ons de eerste uren des wederziens niet verbitteren moeten.” Maria zweeg en sloeg het oog onrustig neêr.
„Zie mij aan,” ging Lodewijk voort, „ik ben eerlijk en trouw als immer, ben uw broeder als voorheen; gij moogt mij nog van harte liefhebben, want ik heb niets gedaan, dat mijner onwaardig was. En of ik het welzijn van mijn vaderland wil? Maria, zoudt gij daaraan twijfelen, ook zelfs wanneer ik het langs een anderen weg wilde dan gij, dan zoo velen, die gelijk met u denken?”
„O, gij zijt voorzeker braaf en goed van ganscher harte,” riep Maria; „maar daarom zoude het mij toch even diep bedroeven, wanneer wij hierin verschillend dachten.”
„Wij zullen elkander wel leeren verstaan,” hervatte Lodewijk; „laat ons thans naar moeder terugkeeren.”
Zij gingen.
Daar Lodewijk met mannelijke kracht zijne stemming meester werd en in het verhaal zijner reizen, dat hij opzettelijk uitvoerig en stelselmatig inrichtte, eene afleiding vond, die hem verhinderde zich aan zijne sombere mijmeringen over te geven, vloog de avond onder vertrouwelijke gesprekken spoedig daarheen, veraangenaamd door de liefderijke, echt zusterlijke oplettendheden van Maria, die alles aanwendde, om het den broeder in het moederlijke huis recht genoegelijk te maken, zijne geringste wenschen te vervullen en, zoo dacht zij, na het gesprek op zijne kamer en zonder het zich zelve te willen bekennen, hem weder geheel de hare te doen worden. Want zonder het te berekenen, gevoelde zij toch, hoe vast de mensch door de kleine, fijne draden des dagelijkschen levens en der naaste betrekkingen omsponnen wordt, en hoe hij door deze gebonden, dikwijls aan eene grootere macht weerstand biedt, of wel gemakkelijker eene sterke boei verbreekt, dan hij zich van die duizend bijna onzichtbare weefsels kan loswinden.
HOOFDSTUK II.
Den volgenden avond leverde Dresden het trotsche schouwspel der samenstrooming eener ontzaglijke volksmenigte en der geordende tentoonstelling eener schrikwekkende krijgsmacht op. De intocht des keizers, dien men met eene sombere, aan bange ontzetting grenzende spanning te gemoet zag, was de reden van dit rusteloos wenden en woelen in de anders min levendige stad. Zijne verschijning zoude het teeken zijn tot eene onderneming, wier reusachtige stoutheid zelfs de koenste hoofden deed duizelen. Aan dit gevoel paarden zich de gewaarwordingen van schrik, van haat of van bewondering, welke de zeldzame man allen zijnen tijdgenooten inboezemde; gewaarwordingen, die bij sommigen wellicht elk afzonderlijk opwelden, doch bij de meesten gelijkelijk gepaard gingen.
Het was de vijftiende Mei.
Lodewijk had moeder en zuster naar het huis eener vriendin gebracht, waar zij den intocht des keizers zonder stoornis konden zien. Hij zelf verkoos onder den woeligen, onrustigen volkshoop te blijven, die in ongeduldige verwachting de straat op en neder golfde.
Eensklaps hoorde hij zijn naam noemen. Het was Rasinski, die op een prachtigen poolschen schimmel door de onafzienbare gelederen der soldaten reed en met lossen teugel op hem toerende.
„Goeden avond, mijn vriend van den Gotthard!” riep hij Lodewijk toe, „u heden reeds weer te zien had ik niet verwacht, want wij hebben een drukken dag gehad. Ik heb mij zooals gij ziet, reeds uitgerust; Boleslaw en Jaromir zoeken nog naar paarden. Binnen een uur zal de keizer hier zijn, en ik weet, dat zij gaarne den dubbelen prijs betalen, om, als hij aankomt, nog in zijn gevolg te zijn.”
Daar Lodewijk met een officier sprak, lieten de gebaarde krijgers, die dezen omringden, hem gewillig den toegang. Hij reikte Rasinski de hand. Toen hij den fraaien man in zijn schitterende uniform zoo fier en ongedwongen te paard zag en in het zwarte oog de krijgszuchtige vreugde zag flonkeren, die hem zelfs boven de diepe smart over zijn ongelukkig vaderland verhief, moest hij bijna onwillekeurig den stand benijden, die het leven zoo frisch, zoo schuimend en bruisend geniet, daar hij slechts van het naaste oogenblik verzekerd is. Het scheen hem alsof de toekomst, hoe treurig, geen zorg kon baren, alsof het noodlot zelfs alle macht over het menschelijk hart moest verliezen, waar het niet met toekomstige rampspoeden bedreigen, niet door verre verwachtingen misleiden kan, maar de schaar der Schikgodin elk oogenblik bereid is den draad af te snijden, en de mensch dus slechts op uren, niet op jaren van geluk zijne hoop en uitzichten vestigt.
„Gij beschouwt mij zoo nauwkeurig,” vroeg Rasinski, „is er iets aan mij, dat uwe aandacht wekt?”
Lodewijk wilde antwoorden, toen zich eensklaps het geroffel der trommen deed hooren en de soldaten hunne gelederen ordenden en sloten, zoodat hij zich ijlings uit den kring verwijderen moest. Een generaal kwam met een luisterrijk gevolg van het slot aanrennen; het was de koning van Napels, die in zijne met goud overladen, vreemdsoortige huzarendracht, op een snuivenden andalusischen goudvos in waarlijk koninklijke houding voorbij reed, om den keizer bij den Freiberger slagboom op te wachten. Zijn fonkelend oog vloog met bliksemsnelheid over de scharen heen; hij scheen tevreden. Rasinski had zijn paard ter zijde gewend en begroette den generaal met eerbied; deze hield stil, sprak eenige woorden met hem en drukte hem vertrouwelijk de hand. Men bespeurde, dat deze eervolle onderscheiding den ganschen stoet een zekere achting voor den poolschen generaal inboezemde, want zelfs de generaals boden hem, toen hij zich in hun midden voegde en zich bij het gevolg aansloot, een minzamen groet.
De prachtige ruiterschaar, waaronder zich maarschalken, generaals, de voornaamste staf-officieren en ook vele Duitsche vorsten bevonden, stoof spoedig voorbij, de Slotstraat door en op de Wilsdrufferpoort toe, welke de keizer moest binnenrijden. Vroolijke stoutheid, zelfs koene overmoed, was op aller gezichten te lezen. Lodewijk stond eene wijl in gepeins verzonken en liet zijne gedachten den vrijen loop, toen de naderende hoefslag van eenige paarden hem deed omzien. Het waren de beide jongere Polen, Boleslaw en Jaromir, die met losse teugels voorbij stoven om den trein nog in te halen. Ook zij bemerkten Lodewijk en wierpen hem in het voorbijsnellen een vriendelijken handgroet toe.
Gij gelukkigen, dacht hij, wat zou uw vroolijken moed kunnen doen wankelen, daar gij de toekomst met geen ander verlangen te gemoet ijlt, dan om elk oogenblik uw leven voor uwe dierbaarste wenschen op het spel te zetten! Gij wint wanneer gij zegepraalt en uw wit bereikt, gij verliest niet wanneer gij eervol sneeft, eer gij de vruchten hebt mogen plukken! Gelukkig ieder krijgsman, maar bovenal gij, die zoo van heeler harte der zaak zijt toegedaan, voor welke gij strijden zult, die, terwijl gij de stem der eer en der roem volgt, te gelijker tijd den heiligsten en zoetsten plicht vervullen kunt!—In zulke gedachten verdiept, liet hij zich door de golvende menigte voortslepen, zonder op haar zijne aandacht te vestigen of te bemerken, wat rondom hem voorviel.
Plotseling hoorde hij luide zijn naam uitroepen, en toen hij zich omkeerde, voelde hij zich door mannelijke armen omstrengeld, terwijl een warme kus van broederlijke vriendschap op zijne wang brandde, nog eer hij den tijd had gehad te ontdekken, wie zijner vertrouwde vrienden hem zoo hartelijk begroette. „Lodewijk! herkent gij mij dan niet?” vroeg de vriend, met verbazing de verrassing en onzekerheid bemerkende, welke Lodewijks gelaatstrekken onmiskenbaar uitdrukten. „Hebt gij mij dan zoo geheel vergeten of ben ik dan zoo ontzettend veranderd?”
„Bernard, mijn goede, beste Bernard!” riep deze thans; „zou ik u niet herkennen? Maar hoe kon ik u hier vermoeden?”
„Nu voor den drommel, toch even goed als ik u,” juichte Bernard, hem vroolijk onder de oogen ziende, terwijl hij de hand, die hem nog steeds vasthield, met warmte drukte.
„Mijne zuster zeide mij gisteren nog dat gij sinds twee jaren in Noorwegen en Schotland rondzwierft.”
„En ik, die ook gisteren pas ben aangekomen, wist van u niet anders dan dat gij op den Vesuvius of Etna omklauterdet. Maar zou ik u daarom niet herkennen? Al had ik u op den Hekla ontmoet,—om nu ook maar dadelijk den derden vuurbalg in Europa te noemen—meent gij dat ik u voor een ijsbeer zou hebben aangezien?”
„Maar gij paktet mij zoo onverwachts aan en smoordet mij bijna in uwe armen, ik had immers pas een seconde...”
„En ik pas eene halve, want ik zweer u, dat ik niets van u gezien had dan hoogstens een achtste profiel, toen ik juist uit de Wilsdrufferstraat kwam en gij voorbij schoot. Maar al had ik ook enkel deze lok van uw haar in den wind zien fladderen, ik zou u herkend hebben, daar ik oude vrienden in 't geheugen houd, en dat doet gij niet, gij verrader!”
„Omdat gij een schilder zijt,” sprak Lodewijk glimlachend en verheugd, den trouwen makker nog geheel den ouden te vinden; „een schilder, die van zijne vrienden slechts de omtrekken in het hoofd houdt, terwijl wij meer op het innerlijke letten en hem daarom des te meer beminnen.”
„Ook goed; maar ik doe beide en zou een bont slangenvel juist niet bijster hartelijk omhelzen; wie echter als gij eene dragelijke ziel in eene dragelijke huid rondvoert, die kan op mijn geheugen staat maken. Maar zou het niet verstandiger zijn, broertje, dat wij bij den Italiaan Longo onder dak kropen en gingen zitten en dronken en elkaar de zonden der verloopen jaren opbiechtten? Het verveelt mij reeds lang, mij hier door elken pakhuisknecht, snijdersgezel of brillenjood te laten aangapen en op de teenen trappen: men raakt al die drukte ontwend, als men zoolang op de Schotsche bergen heeft omgezworven. Kom, een glas italiaansche wijn smaakt hem, die uit Napels komt, in de herinnering, en hem, die van de Hebriden aanlandt, in het vooruitzicht even kostelijk. Kom dan, want ik heb eigenlijk een donkeren hoek noodig om mijn waarachtig reisrelaas op te dreunen, en ik zal tusschenbeiden een duchtigen slok nemen, zoodat ik 't op den wijn kan schuiven, als mij nu en dan een kleur in 't gezicht stijgt, die het janhagel schaamteblos noemt. Kom vriendje, kom!”
Bernard was van kindsbeen af de schoolmakker en boezemvriend van Lodewijk geweest; reeds van oudsher had hij zijne diepere gewaarwordingen, zooals dat menschen van een krachtigen wil meer eigen pleegt te zijn, met den sluier der scherts en van den spot trachten te bedekken; zijne vertrouwde vrienden kenden echter het edele gelaat, hetwelk zich achter dat grijnslachend masker verborgen hield. Lodewijk was derhalve overtuigd, dat Bernards ontroering en vreugde over het onverwachte wederzien niet geringer waren dan zijne eigene, en voldeed gewillig aan diens uitnoodiging, daar hij wist, hoe gaarne Bernard den vurigen gloed zijner ziel door de kracht van den wijn tot heldere vlammen placht op te jagen.
„Geef ons eene flesch Syrakuser, Signor Longo, of Lacrymaë Christi,” riep deze bij het binnentreden; „maar zorg, dat ze vurig, geurig en krachtig, kortom dat ze echt zij.—Kom hier aan 't venster, Lodewijk, waar wij het volk kunnen zien woelen en tot een barometer gebruiken, die ons aanwijst wanneer het tijd is voor den dag te springen om den keizer te zien.”
De wijn kwam, de vrienden klonken; Bernard ledigde zijn glas, Lodewijk had het zijne slechts even aan de lippen gebracht.
„Ik dien vooraf wel eene pleitrede te houden,” begon de eerste, „om niet in eene valsche verdenking bij u te komen. Gij mocht eens gelooven, dat ik een zuiper geworden was, wijl ik dat edele vocht zoo gulzig binnenzwelg als een vampyr het hartebloed. Neen, broertje! slechts op hooge feestdagen steek ik zulke vreugdevuren aan, maar dan wil ik ook dat zij ras in vlam staan. Maanden lang leef ik ingetogen als een Carthuizer of Spartaan, van tijd tot tijd echter moet men den levensdroesem, dien de beste kerel zoo goed afscheidt als het edelste metaal, in zulk vuur oplossen. In den grond is het niets anders dan het logge, aardsche lijf des filisterdoms, dat men op dien vlammenden brandstapel verteert, opdat de ziel zich reinige als asbest en ontslagen worde van hare banden en juichend opstijge als een feniks uit de asch. Ik was sedert ettelijke maanden weer sterk aan 't aanzetten, zoodat hart en ziel in de aarden korst, die zich daaromheen bakt als de schelp om de parel, bijna stikken moesten en de arme dingen zich in de verwenschte kooi de vleugels lam sloegen; want ik hield een engelsche lord gezelschap op zijne reis naar Duitschland—waarom zeg ik u naderhand wel eens—en derhalve wordt het tijd, dat ik de lont in 't kruit steke en den rommel in de lucht doe springen. Klink meê! Wat ons lief is! Dat is en blijft mijn oude heildronk.”
[Illustratie: Lodewijk hief het glas op, stiet aan en ledigde het met aandoening.]
Lodewijk hief het glas op, stiet aan en ledigde het met aandoening. Hij maakte thans de ervaring, dat, wanneer onze ziel ergens mede vervuld is, zij ook door alle toevallige uiterlijke aanrakingen en ontmoetingen daarop wordt teruggebracht en dat niets zoo vreemdsoortig is, dat haar daaraan niet op eenige wijze herinnert. Het is waar, de herinnering door Bernards heildronk opgewekt, was zeer natuurlijk, maar ook elke andere omstandigheid, elk ander voorval vond in hem steeds een verbindingspunt met het voorwerp zijner liefde. In de eenzaamheid hield hij zich met haar bezig, in het woeligste gedruisch vormde zij het tegenbeeld van alles, wat hem omringde, evenals de zeeman te midden der onstuimige golven slechts het stille lichtpunt van den verren vuurtoren in het oog houdt.
Maar ook Bernard werd, nadat hij gedronken had, een oogenblik nadenkend en zag peinzend voor zich neder; de eene of andere zoete, maar weemoedige herinnering, dit bemerkte zelfs Lodewijk in weerwil zijner eigene ontroering, gleed over het koene, fiere voorhoofd heen, evenals het dichte wolkenfloers zich soms voor eenige oogenblikken vaneen scheurt en de stille maan laat aanschouwen, wier zachte gloed voor ons oog zoo lang werd verduisterd. Doch spoedig werd hij die verteedering meester, terwijl zijn oog eenige fonkelende vuurstralen door den donkeren gezichteinder liet kruizen, als ware hij beducht zijne aandoening te hebben verraden.
„Wat ons lief is,” riep hij uit, „vurige kussen of vurige wijn! Eene kuische Muse of eene lokkende Aspasia! Mijn dronk legt ten minste niemand boeien of voetangels aan. Wie er meê in het moeras wil blijven steken, het is zijne zaak; wie de vleugels uitspreidt om naar de sterren te vliegen, goede reis! wie in stilte zijne eigen gezondheid drinkt, in 's hemels naam, ik zal het hem ook niet verbieden, ja, ik drink zelfs meê.—Maar drink dan toch, Lodewijk, en zie mij aan en vertel, waar gij gezworven hebt die vier jaren, dat wij elkander niet gezien hebben.”
Lodewijk verhaalde het een en ander van zijne studiën en zijne reis, doch zweeg van Bianca.
„En ik,” dus nam Bernard het woord op, „kan even kort zijn. Nadat gij vertrokken waart, copiëerde ik een jaar lang staag drie narren- of apentronies tegen één Raphaël, zoodat het mij ongeveer als de soldaten ging, die, na drie dagen streng diëet, den vierden wat beter kost krijgen dan brood en water. Dat verdroot mij; en nu begon ik staljongens, keukenmeiden, oude heksen bij 't spinnewiel, kwakzalvers, tandmeesters, dronken boeren, ja zelfs zwijnenkotten en aangrenzende departementen naar 't leven op het doek te tooveren, en dat bracht geld aan. De menschen toch hebben het meest met die kunstwerken op, waarin zij hun eigen natuur het getrouwst weervinden.—Wat ik in de beschaafde wereld gewonnen had, besloot ik in de wildernis te verteren, in Noorwegen en Schotland namelijk, daar 't mij reeds lang op de leden lag, mijn hart aan die koude noordsche landschappen eens ter deeg te verwarmen. Zonder grootspraak, Lodewijk, ik heb ettelijke zeestormen, een half dozijn rotsen en een paar watervallen geschilderd, die misschien een handvol zilverlingen waard zijn en meer nog. Maar dit in 't voorbijgaan. Pas was ik te Londen, of daar kwam een brief van mijn oom, die mij allerlei zotternij van mijne geboorte, mijne ouders en ik weet niet wat al niet meer voorleuterde, die mij eene poos geheel van streek bracht. Spoedig echter wierp ik den ganschen rommel, die eigenlijk op niets anders neerkwam, dan dat mijn vader een schelm was, die zich zijn leven lang niet om mij bekommerd had, door alle vensters van mijn hart uit; want ik had in die dagen aan vrij wat gewichtiger dingen te denken dan aan zulke kleinigheden. Ik was blij, dat ik mijn bestaan eigenlijk aan niemand te danken had, en besloot meer dan ooit de wereld te trotseeren en te veroveren, wat ik bezitten wilde. Dat was toenmaals niet weinig, broertje, want....”—
Hier hield hij op. „Want?” herhaalde Lodewijk.
„Stil! hoort gij dat kanonschot? De keizer komt! Zie hoe het volk in beweging raakt! Daar dienen wij bij te zijn, kom, vriend, naar buiten!”
Met deze woorden sprong hij op en sleepte Lodewijk driftig met zich voort.
De menigte, die zich tot hiertoe zonder bepaald doel op en neder bewoog en zich ook hier en daar meer in de verte verspreid had, vloeide nu van alle zijden te zamen en stroomde op de Wilsdrufferpoort toe.
Intusschen was het bijna geheel donker geworden; men ontstak reeds de lantaarnen, en ook de pekkransen, die tot meerdere verlichting der straat dienen zouden, was men bezig in gereedheid te brengen.—„Wij zullen een nachtstuk te zien krijgen,” zeide Bernard, „daar ben ik een vriend van. Nu de keizer zich zoo lang heeft laten wachten, wensch ik ook maar dat hij nog wat langer uitblijve, anders branden vuurbekkens en lantaarnen niet helder genoeg, om zijn gezicht niet behoorlijk te kunnen opnemen”.
Het was inderdaad slechts een loos alarm geweest; men had een ander rijtuig voor dat des verwachten gehouden. De saamgeschoolde menigte verstrooide zich weder.—„In het somber kerkerhol werd het mij te eng,” ging Bernard voort; „laat ons hier liever de vrije lucht inademen.” Zij wandelden tusschen de woelende en wendende volkshoopen op en neder, die, half door het roodachtig schijnsel der ontvlammende pekkransen bestraald, half in het duister van den nacht gehuld, eene zonderlinge vertooning opleverden. „Zie eens, broeder,” sprak Bernard, „hoe vredig de zachte Meihemel zijn helder sterrenkleed uitspreidt over de woelige aarde, welker gedruisch tot hem niet doordringt.—Doch hoor! Het komt nader en nader het gejoel! Nu moet er toch iets ophanden zijn.” Hij sprong op den nog ledig gebleven drempel eener stoep, die voor twee plaats bood. „Daar komt hij!” riep Bernard en wees op een wagen, waarachter men vele ruiters ontdekte, wier sabels en lansvaantjes in rooden vuurgloed blonken. Het was de poolsche edelgarde, die den wagen begeleidde. De keizer zat in een hoek gedoken en scheen zich niet te willen vertoonen. Doch, dicht bij de plaats gekomen, waar de beide vrienden stonden, boog hij zich, daar eenig toeval den doorgang stremde, uit het portier voorover, en men kon zijne, door den toortsgloed hel verlichte gelaatstrekken onderkennen. „Dat is hij!” fluisterde Bernard met ingehouden adem. Alles in het rond was doodstil, als had het oog des machtigen, die de wereld met zijn roem en zijn schrik vervulde, dit eerbiedig zwijgen geboden. Bernard en Lodewijk hielden hunne blikken onbewegelijk op het hoofd des keizers gevestigd. Eerst toen het verdween en het rijtuig verder rolde, ontwaakte Lodewijk als uit eene zinsverdooving en wendde zich tot Bernard. Nog meer dan over zich zelven, verwonderde hij zich over dezen; want de zeldzame mensch, die den ernst bijna nimmer over zich meester liet worden, dien ten minste niet dan hoogst zeldzaam blijken liet, stond thans roerloos als een marmerbeeld en hield de vurige, sombere blikken strak en onwrikbaar op de plek gericht waar de keizer verdwenen was. „Bernard!” riep Lodewijk hem in het oor en vatte hem bij de hand.
Thans ontwaakte hij en staarde den vriend verschrikt aan. „Ja, zoo!” hernam hij, zich met de hand langs het voorhoofd wrijvende. „Hm! Hij zag er goed uit! Een schilder mag wel oplettend zijn op zijns gelijken. Zóó had ik hem mij niet voorgesteld. Geen enkele schoone trek in het gansche gezicht en toch zoo'n zeker iets! Op mijne eer, ik weet nog niet, met welk soort van lijnen en strepen men uitdrukt hetgeen op zijn voorhoofd stond en wat ik in zijn oog gelezen heb!—Maar ik bid u, zie nu eens al die verdraaide, alledaagsche, scheeve, laffe, nuchtere tronies hier om ons heen! Heb ik dan nog nooit een gezicht gezien? Zijn dat gezichten? Ik weet niet wat ik er van denken moet, maar mijn leven lang heb ik niet zoo veel versleten, misselijke, flauwe, verdroogde kalfskoppen bij elkander gezien. Als ik den kring rondkijk, is 't mij of ik een slok zeepwater na een beker Johannesberger moest naar binnen slaan.”
Lodewijk zocht te vergeefs naar een beeld of naar woorden, om den indruk, dien hij ondervond, weer te geven.
„Mij scheen het,” begon hij, „alsof eene machtige adelaar met uitgespreide wieken te midden eener schaar van geringe vogels voorbijtoog.”