1812: Historische roman

Part 79

Chapter 793,864 wordsPublic domain

Thans werd een rot van twintig man afgezonden, die elk afzonderlijk van schots op schots klimmende, den anderen oever trachtten te bereiken. Dit gelukte. Eene nieuwe hoop doorgloeide de borst der soldaten. Daar hoorde men op een niet verren afstand het donderen van het geschut! Dit geluid herinnerde weder aan de overmacht van den vijand, die elk oogenblik de sporen van het leger ontdekken en ze volgen kon; de zucht tot redding kreeg daardoor in elke borst te zeer de overhand. Kwam de vijand opdagen, zoo waren zij gered, die de overzijde bereikt hadden, terwijl integendeel zij, die nog op den oever verwijlden, zich reddeloos verloren moesten achten. Met woeste onstuimigheid drongen de massa's derhalve op den oever aan en verhaastten hun eigen verderf, door te wedijveren wie de gevaarlijke reddingsbaan het eerst betreden zoude. Bevelen, voorstellen, gebeden zijn vruchteloos, zelfs de maarschalk tracht te vergeefs zijn gezag te doen gelden. Zijne nabijheid vreezende, begeven de ongelukkigen zich naar andere punten, waar de duisternis hen aan zijn oog onttrekt. Zoo wordt, wat hunne redding had kunnen worden, hun ondergang; de haast, de blinde begeerte, de onvoorzichtigheid dooden hen. Het ijs wordt te zwaar belast, het vermag de massa's niet te dragen, het buigt, kraakt, stort in. Het gedrang beneemt aan ieder het gebruik van zijne kracht en behendigheid. De kameraad stoot den kameraad, de vriend den vriend, de soldaat het heilig geachte hoofd des aanvoerders in den poel des verderfs neder. De gansche oppervlakte van het ijs weergalmt van krakend vaneensplijtende schollen, van gierende angstkreten, van razende vloeken en verwenschingen. De oever aan de overzijde strekt hun, die hem bereiken, eene steile met ijs ompantserde borst te gemoet. De door schrik en inspanning uitgeputten vermogen dien niet meer te beklimmen; zij tuimelen van de hoogte naar beneden, rollen naar den stroom af en breken het ijsdek of hunne eigene, half verstijfde leden. Bloedend wentelen zij zich op de harde schollen rond en kermen te vergeefs om hulp. Het medelijden is doof geworden, de menschelijkheid uit elke borst verbannen. Over de stuiptrekkende lichamen hunner broeders dringen de nakomenden gevoelloos voort en de ruwe voetstap van den onverzeerden kneust en misvormt de borst en het gelaat van den bezwijkenden makker. Maar in het volgend oogenblik reeds achterhaalt hem de Nemesis; ook zijn voet glijdt uit, ook zijne hand weigert hem den reddenden dienst, ook hij rolt op het ijs terug en kermt hulpeloos aan de zijde van hem, dien hij nog zoo even meêdoogenloos met voeten vertrapte.

De gewonden, de vrouwen en kinderen aan den oever hooren het jammergeschrei der ongelukkigen door den nacht weergalmen; de donkere sluier welken deze over het tafereel heenspreidt, vermeerdert nog de ontzetting, want de scheppende verbeelding maalt de verschrikkingen van het verderf met reusachtige trekken af. Eene razende vertwijfeling grijpt de versagenden aan; kermend en de handen wringend dwalen zij langs den oever rond. Eenigen, aan wie dit lijden vreeselijker toeschijnt dan de dood zelf, storten zich in blinde razernij in de gapende wakken van den stroom neder; anderen, aan alles en vooral aan hunne eigene kracht wanhopende, werpen zich jammerend op den ijskouden grond en verwenschen hun daarzijn en den dag hunner geboorte!

Dit was het tafereel, dat zich aan Bianca's blikken voordeed. Een tijdlang had zij met stomme gelatenheid hare smart gedragen; thans werd zij daardoor overweldigd, barstte in tranen uit en zeeg aan de borst des broeders neder, die te vergeefs al zijne mannenkracht inspande, om bedaard te schijnen. Gaarne had hij zich op zijne gewone ruwe wijze lucht gegeven, maar om zijne zuster, die hem thans immers het liefste was, wat hij op het wijde wereldrond bezat, bedwong hij zich en sprak haar geruststellend toe: „Troost u, lieve zuster; de Algoede heeft ons voorzeker niet vereenigd, om de eerste bloesems van ons geluk hier onder de ijsschollen van den stroom te vernielen. Zijn oog waakt over ons!”

„O mijn broeder,” hernam zij, „zie op de ellende om ons heen; zij verscheurt mij de ziel! Ach, ik ben immers niet zóó ondankbaar, om over mij zelve te klagen!”

Lodewijk trad nader en sprak met zachten ernst: „De Almachtige heerscht ook te midden dezer verschrikkingen, lieve Bianca. Die de stroom in zijne diepte begraven heeft, zijn zij niet bevrijd van een eindeloos lijden? Ach hunne borst is immers reeds rustig en misschien zien zij nu reeds met een verhelderd oog op de donkere aarde neder! Laat u door het akelig gezicht van de korte worsteling niet verschrikken.”

Rasinski, die nog altijd te paard zat en ordende en regelde, waar zulks slechts geschieden kon, kwam op dat oogenblik nader en sprak de vrienden aan: „Houdt u slechts rustig, mijne besten, doe niets met overhaasting, want hier vrees ik geen gevaar. Slechts de schrik, die de soldaten heeft aangegrepen, is hun ondergang.—Ook ik blijf met mijne ruiters tot het laatste toe; doet dus geene poging, eer ik u kom waarschuwen. Wellicht is er nog mogelijkheid, om ook de wagens en sleden over te brengen.”

De kalme bedaardheid, welke Rasinski te midden der bedenkelijkste ontmoetingen wist te bewaren werd een vast steunsel voor allen, die hem omgaven. Wel is waar was hij op hetzelfde oogenblik weder verdwenen, om eenige grenadiers, die niet ver van den oever door het ijs waren gezakt, te hulp te snellen, doch de weinige seconden zijner tegenwoordigheid waren voldoende geweest, om aan allen nieuwen moed en nieuwe verwachtingen in te boezemen.

Allengs begon het tooneel zich te ontwarren; de troepen waren meerendeels over, slechts tot het overbrengen van voertuigen en kanonnen had men nog geene pogingen in het werk gesteld. Rasinski's ruiters waren ter dekking van een wagentrein met zwaar gekwetsten achter gebleven. De maarschalk ging te voet aan den oever rond en gaf nog gestadig bevelen; hij wilde, als de kapitein van een strandend schip, het wrak van zijn korps niet verlaten, eer hij het reddeloos verloren zag.

Eindelijk was de overgang volbracht en de scharen begonnen zich aan gene zijde reeds weder te ordenen. Thans zou men beproeven, of het mogelijk was, eenige wagens over te brengen, waarop zich zoodanige gekwetsten bevonden, die geheel buiten staat waren, te voet te gaan. Door den gestadig nieuw aanbrengenden stroom werden de schotsen bij elke opening dadelijk weder dicht op elkander geschoven; ook had men van lieverlede de plaatsen leeren kennen, die de veiligste baan aanboden. Op deze zou thans de proef gewaagd worden. Voorzichtig worden de wagens van den oeverkant nedergelaten; ongeveer dertig schreden houdt het ijs. Daar stort het plotseling in. Luid angstgeschreeuw verheft zich, de ongelukkigen verzinken, zij kampen met den vloed, zij worstelen onderling om de laatste, reeds half uitgebluschte vonk van hun jammervol leven. God en menschen roepen zij smeekend om redding aan. Vruchteloos! Weinige oogenblikken zijn genoeg, om hen allen in de diepte te doen wegzinken, en op de door de ziel snijdende angst- en jammerkreten volgt eensklaps weder de huiveringwekkende stilte, die slechts door het doffe ruischen en kabbelen van den stroom en door het holle dreunen en horten der ijsmassa's wordt afgebroken.

Met hevig, maar gewelddadig beteugeld smartgevoel staart de veldheer de plaats aan, waar de edelste, de dapperste, de aan de diepste wonden bloedende martelaars door den zwarten afgrond zijn verslonden geworden. Daar beweegt zich nog iets boven de oppervlakte van het water! Een klagelijk geluid laat zich hooren; men ziet eene gestalte op eene schots, nu dalend, dan rijzend ronddrijven.

„Daar is nog iemand te redden,” roept de menschelijke veldheer en waagt zich zelf op de gevaarvolle baan, waar elke mistred naar het graf voert. Rasinski, die in de nabijheid is, springt pijlsnel van het paard en vliegt den maarschalk te hulp.

Werkelijk is het een der zoo even verongelukten, die als door een wonder uit de diepte van den afgrond opduikt, doch, zwaar gekwetst en krachteloos, niet in staat is de vaste schol te beklimmen. Daar strekken zich de bevriende armen naar hem uit; zijn veldheer en Rasinski zijn het, die hem de reddende hand toereiken. Zij trekken hem op den vasten grond, geleiden hem naar den oever—hij is den dood ontrukt. Doch nu begeven hem de krachten; het verstijfde, uitgeputte, verbrijzelde lichaam houdt de ziel niet meer in vaste banden—zij ontvliedt! Zijn dwalend oog valt op zijne redders, zoekt vervolgens zijn vaderland, breekt, en sluit zich voor eeuwig.

Eene minuut wandelt de maarschalk in sombere mijmering op en neder; eene minuut is hij mensch en vriend, in de volgende weder geheel veldheer.

„Wagens kunnen niet worden overgebracht,” spreekt hij op een beslissenden toon; „vernagelt de kanonnen! Pakgoederen en levensmiddelen, die niet vervoerbaar zijn blijven voor diegenen achter, die ons niet kunnen volgen.”

Met dit bevel is het doodvonnis over de ongelukkigen uitgesproken, die op hunne eigene kracht niet meer kunnen vertrouwen. Een luid weeklagen verheft zich; wie nog een voet, nog eene hand verroeren kan, klimt met moeite van de voertuigen, om zich naar den anderen oever voort te sleepen. De anderen plunderen in vliegende haast de bagage, want deze bevat, wat alleen redden kan, den geringen spijsvoorraad, de beschermmiddelen tegen de nijpende koude, de noodzakelijkste behoeften! Bijna niets is te vervoeren en toch kan men niets ontberen! Zij grijpen, werpen weg, grijpen nog eens aan, slingeren opnieuw van zich.

Als razenden, wier have in vlammen staat, redden zij in hunne verbijstering het minst bruikbare. Velen konden niet tot een besluit komen. Daar hooren zij het geroffel der trommen, die aan de overzijde den afmarsch aankondigen, de angst van terug te blijven grijpt hen aan, en in wilde vertwijfeling snellen zij op de rivier toe en wagen de poging tot redding.

Thans eerst denkt Rasinski aan zich zelf, aan zijne vrienden. Met de uitdrukking van diepen weemoed in stem en gelaatstrekken nadert hij de slede, waarop Bianca met Jeannette gezeten is. „Vorstin,” spreekt hij haar aan, „de nood wil, dat gij u aan eene harde beproeving zult onderwerpen. Wagens en sleden zijn niet over de rivier te brengen; met de paarden zal ons dit, hoop ik, gelukken. Voorzie u dus van het onontbeerlijkste. Zonder twijfel bereiken wij spoedig eene bewoonde plaats, waar wij voor vrouwen ten minste hulp zullen weten te vinden!”

Bianca sloeg den sluier terug, stond op en antwoordde met aandoening: „Gij zijt zoo goed—maar ik vrees deze beproeving van het lot niet,” ging zij met meer kalmte voort; „ik voel moed, deze bezwaren te verduren. Slechts het lijden van al deze hulpeloozen heeft mij zoo hevig ontroerd en verlamde mijne eigene kracht. Thans zal een strengen dwang mij heilzaam zijn.”

De paarden werden afgespannen en met eenige bagage, doch niet te zwaar, beladen. Willhofen geleidt het eene, een van Rasinski's ruiters, van welke reeds eenigen te voet gingen, het andere. Rasinski zelf gaat vooruit, wijl hij de baan, welke men volgen moet, het best kent. Bianca wordt door Lodewijk en Bernard, Jeannette door Jaromir en Boleslaw ondersteund.

Daar de weg naar den oever door wagens, pakgoederen en honderden ongelukkigen, welker angstgeschreeuw de lucht vervult, versperd is, laat Rasinski de zijnen een omweg maken. Plotseling verneemt Bianca's angstig luisterend oor het kermen van een kind.

„Mijn hemel,” roept zij, „zou hier ergens een kind hulpeloos zijn achtergelaten? Wanneer wij al de anderen niet kunnen redden, dit onschuldige leven mogen wij toch niet prijsgeven.” Haar blik volgt het oor, zij luistert, heeft de richting gelukkig gevonden. Het arme schepsel moet zich tusschen de wagens bevinden. Zij snelt er heen en vindt werkelijk een in stroo en dekens gewikkeld, verlaten, op een wagen liggend kind, dat zij met teederheid opheft. „Arme kleine,” spreekt zij op zachten toon, „kon uwe moeder u zoo vergeten? Ik wil uwe moeder zijn, tot zij terugkeert.” Zij neemt het in haren arm en duldt niet dat Lodewijk of Bernard haar van den zoeten last ontheffen. Vriendelijk stelt zij de angstig weenende kleine gerust, die zich spoedig vol vertrouwen aan haar vastklemt. Eene zalige vreugde doorgloeit hare borst bij de gedachte, dat zij ten minste één wezen uit dezen afgrond des verderfs gered heeft. Zoo keert zij terug en toont aan Jeannette en de overigen den kostelijken schat, dien zij gevonden heeft. Boleslaw herkent het kind; het is Alisette's dochter. In de hevige ontroering ontvalt dit woord dochter aan zijne lippen. Jaromir hoort het, vraagt, vorscht en blijft, daar zijn vriend een bepaald antwoord tracht te ontwijken, met verdubbelde hevigheid op eene verklaring aanhouden.

„Zeg mij de waarheid,” roept hij uit, „de volle, zuivere waarheid. Boleslaw, zoo gij u mijn vriend noemt—bij deze gevaren, die wij deelen, bij de trouw, die wij elkander altijd bewezen—zeg mij de waarheid!”

Zoo vernam Jaromir Alisette's ondergang en doorzag tevens het gansche weefsel van huichelarij en bedrog, waarmede zij hem omsponnen had.—Hij was hevig geschokt, doch geen traan welde in zijn oog op, geen woord vloeide van zijne lippen. Hij smoorde de stomme smart, dit bittere mengsel uit bedrogen liefde, bedriegelijke begoocheling der zinnen, verachting, medelijden en diep berouw, in de binnenste schuilhoeken zijner hijgende borst, en leed zwijgend, zag bleek als een marmerbeeld.

Thans had men den stroom bereikt; de gevaarlijke overtocht begon en de beschermende hand des hemels leidde de schreden der beangsten gelukkig tot het doel. Van hoe nabij het gevaar hen ook aangrensde, hoe dikwijls de grond ook onder hen kraakte en de voet bij zwarte afgronden uitgleed—de waakzame redding was gestadig nader dan het loerende verderf. Zij betraden den anderen oever en haalden weder vrij adem.

Diep ontroerd drukten de vrienden elkander aan het hart, keerden zich tot Rasinski, die zij gevoelden dat hun redder geweest was en overstelpten hem met bewijzen van dankbaarheid en liefde.

„Zoek daar boven den Helper,” sprak deze en hief de hand ten hemel. „Hem, die boven de sterren woont, wiens oog door nacht en nevel blinkt, Hem komt de eer toe en niet mij!”

Plotseling drong een man met woeste onstuimigheid door het dichtste gewoel en wilde Rasinski voorbijsnellen; deze herkende Regnard. „Waarheen?” riep hij hem toe en hield hem staande.

„Laat mij!” gaf deze driftig ten antwoord en wilde zich losrukken; „ik moet naar den anderen oever terug. De ongelukkige, die mijn kind bewaken zou, heeft het achtergelaten. Ik moet het redden.”

„Het is gered!” riep Rasinski.

„Hoe? Waar?” stamelde Regnard en blikte angstig in het rond.

Rasinski wees den van vreugde bevende naar Bianca. Deze had het gesprek aangehoord en trad hem te gemoet.

„Gij arme kleine!” riep de vader met roerende teederheid en nam het kind op zijne armen; „zijt gij dan waarlijk ten tweeden male gered?”

Zijne vreugde was zoo groot, dat hij bijna aan geen dankbetuigingen denken kon; half beschaamd wendde hij zich echter tot Bianca, en zeide: „Gij waart de beschermengel van dit hulpelooze wezen! Eisch mijn leven, zoo gij wilt; als man van eer geef ik u mijn woord, dat ik het gaarne voor u wil opofferen. Maar blijft gij dan ook de moeder van deze verlatene wees?”

„Vertrouw thans het kind aan mij toe,” sprak Bianca vriendelijk; „het zal zijne moeder niet missen!”

„Ja, dat wil ik,” hervatte Regnard; „zoo de Almachtige u spaart, is ook dat jonge wezen behouden. Gij zult het niet vergeten in het uur des gevaars!”

„Voorzeker niet,” sprak Bianca; „en zij zal eer mij beschermen, dan ik haar, want Gods engelen waken over dit schuldelooze hoofd.—Ook heeft zij mij reeds hartelijk lief, niet waar, kleine?”

De koude Regnard, wiens ijzeren voorhoofd bijna nimmer door een vriendelijk lachje ontrimpeld werd, vertoonde thans in al zijn gelaatstrekken de hevigste ontroering en heldere tranen rolden langs zijne wangen. Hij kon niet spreken, of wilde niet, daar hij zijne aandoening zocht te verbergen.

Bernard beschouwde hem met innige deelneming en fluisterde zijnen vriend in het oor: „Aan hem ziet men, dat het noodlot ijzer tot was kneedt. Het moet hem dan ook met reuzenvuisten hebben aangegrepen, dat het tranen uit zijn stalen hart perst en warme vonken uit zijn koude marmerborst slaat.”

„Gij bedriegt u, mijn vriend,” antwoordde Lodewijk; „niet de slagen van het lot hebben hem verpletterd, die blijft hij als altijd het hoofd bieden, maar de warme zon der liefde doet door hare stralen het ijs van zijne borst versmelten en ontlokt geurige bloemen aan den grond van graniet. O, geloof mij, in de diepte van elke borst ligt de gouden zaadkorrel der liefde verholen en ontkiemt ook, zoodra een zonnestraal tot haar doordringt.”

„Toch wel niet, voor en aleer het scherpe ploegijzer van het ongeluk den harden grond van alle zijden heeft losgewoeld.”

„Is dat zoo, dan willen wij den hemel dankbaarder zijn voor de smart dan voor de vreugde, die hij ons verleent,” sprak Lodewijk met aandoening.

„Daartoe heeft men ook dikwijls reden,” vervolgde Bernard; „en zijn ook wij niet in die school geweest? Hoe diep en dikwijls moest de pijn der smart, het vuur des toorns, het ijs der versmading, ja zelfs het gif der zonde mij door het hart dringen en daarin branden en invreten, eer het week en vruchtbaar werd voor de heilige zaden van vriendschap en liefde!”

„En lagen deze dan niet altijd in u?” antwoordde Lodewijk. „Gij miskent en misvormt u zelf, mijn vriend!”

„Zoo iets droeg ik er zeker van bij mij,” sprak Bernard, „maar geen echt, gelouterd metaal; en nog is het niet van alle slakken gezuiverd. Wellicht duurt het nog lang, eer het zulk een helderen, gouden klank geeft als bij haar!” Hij wees op Bianca, die nog met Regnard sprak.

„Zij, ja,” hernam Lodewijk, „is als eene vaas van het zuiverste kristal, die, wanneer men haar aanroert, de welluidendste toonen doet hooren!”

Gedurende dit gesprek hadden de troepen zich verzameld en weder in beweging gezet. Willhofen bracht de beide paarden, die hij voor Bianca en Jeannette met dekens gezadeld had, de vrouwen werden opgetild, Bianca nam het kind vóór zich en de oude bediende sloeg de teugels om den arm, ten einde de paarden te geleiden. Spoedig nam een dicht woud de vluchtenden op, en onder de bescherming der duisternis schenen de dreigendste gevaren gelukkig afgewend.

HOOFDSTUK VI.

Bij het groote leger hadden de diepste droefheid en bekommernis geheerscht, wijl men niet meer hopen durfde, dat de prijs gegeven held Ney uit de sneeuwvelden van oud-Rusland, welks grenzen door tallooze vijanden bewaakt werden, een uitweg vinden zou. Wanneer de garde des keizers, toen zij, om Eugenius en Davoust te redden, onder diens eigen aanvoering terugkeerden, reeds zulk een vreeselijken kamp moest doorstaan, wanneer de armee van Italië slechts door een wonder had kunnen gered worden—wat kon men dan nog van hen verwachten, die, meer dan twee dagmarschen achter, van alle zijden door den vijand waren ingesloten? Eene sombere mistroostigheid had zich van allen meester gemaakt; zelfs in zijne eigene redding mocht niemand zich verheugen, zoolang de koene, edele leeuw in den kerker des vijands versmachtte of wellicht onder de knodslagen der overmacht verpletterd werd. De keizer zelf, schoon hij uiterlijk en waar hij zich voor het oog der soldaten als mensch of veldheer moest vertoonen, zijne onverzettelijke kalmte en bedaardheid bleef behouden, kon zijne bezorgdheid en zijn kommer voor zijn nadere vertrouwden niet langer verbergen. Men zag hem somber, met gefronst voorhoofd, de handen op den rug gekruist, in de armoedige, half ingestorte hutten van Krasnoe, Lyadi, Rasasna en Orsza, waar de beheerscher van Europa thans zijn nachtverblijf moest nemen, op en neder wandelen. Zijne vertrouwden zaten of stonden zwijgend om hem heen en hadden den moed niet de diepe stilte af te breken. De smart over het verlies van zoovele duizenden zijner getrouwen, den smaad zijner nederlagen, de vernietiging van alle zijne verwachtingen had hij met onbezweken standvastigheid gedragen; het verlies van zijn koensten veldheer, van zijn warmsten vriend bedwong zelfs dezen kolos, die gewoon was, te midden der stormen en vlagen van het noodlot als eene rots vast te staan en de onweders op zijne kruin te doen afstuiten.

Door gevechten en inspanningen vermoeid, had het leger met een tragen tred, want de keizer wilde de geopende baan der redding niet betreden, zoolang hij zijn kostelijkst edelgesteente aan den vijand verpand had, tegen den laten avond Orsza bereikt. Eugenius, Davoust en Mortier legerden zich met hunne troepen in de stad en vonden hier, na eene maand van lijden en ontbering, voor de eerste maal eene veilige schuilplaats, een dak tegen de snijdende winterkoude en eene legerstede, waarop zij de vermoeide leden konden uitstrekken. Men scheen de pijnlijke vermoeienissen te boven te zijn en met den ijzeren dwang der gebiedende noodzakelijkheid weken ook de krachten, die de wil alleen niet tot zulk eene vreeselijke gehoorzaamheid vermocht te dwingen. Uitgeput waren de krijgslieden op hunne legersteden nedergezonken en vergaten in de armen van den slaap het doorgestane lijden.

Het was nacht.

Daar hoort de nog in het late uur voor de zijnen wakende Eugenius de stille straten van het stadje van luiden hoefslag weergalmen. Luisterend buigt hij zich uit het venster, ziet ruiters naderen en roept hen aan.

„Werda?”

„Poolsche cavalerie!”

„Van waar?”

„Van het korps van maarschalk Ney!”

Dit antwoord dringt den koning als een gloeiende vuurstraal door het hart. „Leeft hij? Is hij gered?” vraagt hij driftig.

„Hij komt op den rechteroever des Dniepers aanrukken,” hervat Rasinski, die door den maarschalk was uitgezonden; „doch de Russen vervolgden hem en ik kom hulp vorderen.”

„Gij zult ze hebben,” juicht de veldheer en verschijnt na weinige oogenblikken met zijne officieren op de straat. De tamboers slaan den generalen marsch, men ijlt van huis tot huis, om de soldaten op te roepen. Doch welk een eisch! Nauwelijks hebben ze eindelijk de eerste plaats van rust en zekerheid bereikt, nauw heeft de slaap de uitgeputte soldaten in zijne zachte armen gesloten en reeds wederom zouden zij naar buiten in den onmetelijken oceaan van ijs en sneeuw, zouden zij terugkeeren in de wildernis, aan welke zij zoo even eerst met doodsgevaar ontworsteld zijn! Wie kan hen daartoe noodzaken! Liever kiezen zij den dood, dan de vernieuwing van dat lijden. De roffelende trommen hooren zij niet, met zoo vaste banden houdt de slaap hen omstrikt; met moeite opgeroepen en opgericht tuimelen zij half bewusteloos weder op de warme legerstede terug. Laat de vijand, dien zij wanen, dat de stad overvallen heeft, hen vermoorden; elke tegenstand is toch vruchteloos; waarom zouden zij de verlamde spieren nog eens op de pijnlijke folterbank spannen, waarom de martelingen vernieuwen en verlengen?

Nog één middel is onbeproefd gebleven. „Gij moet den maarschalk Ney redden,” schreeuwt men den bedwelmden in het oor. „Hij is in de nabijheid! Op, om hem te redden, hem te beschermen!”

De naam van den vereerden, betreurden, verloren geachten Ney doet het eergevoel der dapperen ontwaken; zulk een veldheer te verlaten, is smadelijker dan verraad en vlucht. De oproeping dringt met wegslepend vermogen in de ziel der krijgslieden door; Ney is de held, die alles waagt, hij is de redder, waar niemand anders meer redden kan. En hij keert van de poorten des doods terug! Niets is meer te vreezen, wanneer hij weder in ons midden verwijlt!

De heugelijke tijding vliegt van mond tot mond, van huis tot huis; bij gansche scharen stroomen de soldaten toe; elk wil de eerste zijn, die den vergoden held te hulp snelt. Zelfs de bevelhebbers betwisten elkander dezen roem; slechts door zijn hoogeren rang vermag de onderkoning zijn recht daarop te doen gelden.