1812: Historische roman

Part 78

Chapter 783,650 wordsPublic domain

Kutusow, zich op zijne heuvels veilig achtende, schijnt intusschen weinig genegen, om zich meer van nabij met krijgslieden in te laten, van welke de geringste een onverzettelijken heldenmoed ten toon spreidt; uit de verte echter zendt hij onafgebroken den dood in hunne rijen. Terwijl de manschappen zich weder ordenen en verzamelen, overziet de maarschalk het slagveld met een vorschenden blik des veldheers. Zijn gelaat is ernstig, zijn voorhoofd gefronst, doch fier en trotsch. Elk soldaat heeft het oog op hem gevestigd, want slechts van hem neemt men de verzekering aan, dat alle hoop op redding vervlogen is; zoolang hij ze niet heeft uitgesproken, blijft men nog aan een minder rampspoedigen uitslag geloof hechten. Uit zijn ernstig peinzen kan men genoegzaam opmaken, dat hij over een anderen uitweg nadenkt. Geen oogenblik verliest hij den vijand en zijne bewegingen uit het oog; slechts nu en dan werpt hij een smartelijken blik op de plaats, waar hij de vluchtigste zege, maar tevens ook den onvergankelijksten roem binnen weinige minuten met het leven van zoovele dierbare kameraden betaald heeft. Intusschen duurt het moorddadige vuur onafgebroken voort, en de ruimte, die het kleine leger beslaat, is zóó gering, dat de kogels door zijn gansche diepte en breedte heendringen. Hetzelfde schot dat in de voorste gelederen eenige manschappen heeft weggeraapt, brengt nieuwe verwoestingen teweeg onder de wapens in de achterhoede, waar de gekwetsten, de zieken, de vrouwen en kinderen in hulpelooze onmacht aan het verderf zijn prijsgegeven. Welke hand zal thans redden?—Daar laat de heilige duisternis haar schemerenden sluier allengs dieper op de aarde neerzinken en omhult de verlorenen met haar beschaduwend weefsel. Thans schijnt de maarschalk den uitweg uit den doolhof des doods te hebben gevonden. Hij meet met de oogen den afstand en de stelling van den vijand, zijne blikken vliegen naar alle zijden in het rond, men ziet, dat hij den grond, waarop men zich bevindt, met nieuwe inzichten gadeslaat en dat hij nieuwe voordeelen daaraan denkt te ontwringen. Nu is de gedachte rijp geworden; hij heeft geen krijgsraad belegd, slechts zijn eigen moed, zijn eigen doorzicht heeft hij geraadpleegd. Hij wenkt Regnard, Rasinski, benevens eenige andere hoofdofficieren, en deelt aan elk hunner de noodige bevelen uit. Deze ijlen naar hunne korpsen terug. Het bevel tot den afmarsch weergalmt door het geheele leger en van alle zijden breken de colonnes op. Maar waarheen? Tegen den vijand? Neen. En toch het vreeselijkste verderf te gemoet, want men keert terug, om de onmetelijke wildernissen van Rusland weder dieper in te dringen. De vijand staart van zijne hoogten deze beweging met verbazing aan; hij schijnt een soortgelijk ontwerp te vermoeden, als twee dagen vroeger door den onderkoning van Italië is ten uitvoer gebracht. Derhalve breidt Kutusow de flanken van zijn leger naar beide zijden nog verder uit en vergroot zoo het net, waarin hij den leeuw hoopt te verstrikken. Hij had hem kunnen vernietigen, één aanval ware voldoende geweest, om de weinige dapperen onder de overstelpende menigte hunner bestrijders te verpletteren, maar den koelbloedigen grijsaard scheen er meer aan gelegen te zijn, hen als gevangenen in zijne legerplaats te zien, nadat honger, koude en uitputting hen tot het nederleggen der wapenen zouden genoodzaakt hebben. Dat er andermaal eene mogelijkheid bestaan zou, om dezen tiendubbelen ringmuur van gevaren te boven te komen, dit scheen den ouden Rus geheel ondenkbaar. Het stond dus thans in zijne macht, den beroemdsten veldheer van het Fransche leger te vernietigen; doch dat was voor zijne wraak en trotschheid niet genoeg. Hij wilde hem vernederen en niet zijn hoofd, maar zijn degen aan keizer Alexander overleveren.

De bevelen des maarschalks werden door de fransche soldaten met verbazing ontvangen. Hoe, sprak elk bij zich zelf, op nieuw zullen wij omdolen in die koude, akelige wildernissen, waaraan wij nog zoo onlangs niet dan met doodsgevaar ontworsteld zijn? Opnieuw keeren wij het vaderland den rug toe en wagen ons in dat vreeselijke land, waar de mensch nog ruwer en barbaarscher is dan de natuur zelve?—Met heimelijken afkeer deden zij elke schrede achterwaarts; intusschen, zij gehoorzaamden, want hun veldheer had het bevolen, en het vertrouwen op hem was het eenige steunsel van hun kracht.

De duisternis scheen de vale vlucht heurer wieken te bespoedigen en daalde lager en lager naar het koude sneeuwleger af. Reeds waren de door den vijand bezette hoogten in eene twijfelachtige schemering weggezonken en nog slechts nu en dan sloeg een zware kogel in de gelederen der aftrekkenden neder, als tot een teeken, dat de opmerkzame vijand zijn buit niet uit het oog verloor.

Zwijgend, met slependen tred en de borst met bange zorgen vervuld, waadden de krijgers langs ongebaande wegen door de diepe sneeuw voort. De maat van hun lijden was echter nog niet gevuld. Van lieverlede, aanvankelijk met een hol gesuis, vervolgens met gestadig heviger rukken verhief zich de orkaan; ditmaal niet de gewone, ijzige adem van het noorden, maar een vochtige stormwind uit het zuidwesten, die de zwangere wolken aan het gewelf des hemels opeenpakte en tegelijk dwarrelende sneeuwzuilen van de aarde opjoeg. Alsof een vijandelijke demon dezen draaistroom van storm en sneeuw in beweging bracht, om de ongelukkigen daarin, als in de golvende kolken eener Charybdis, te versmoren, wervelden de gierende luchthoozen in het rond en maakten het ademhalen onmogelijk. Paarden en menschen hijgden naar lucht, de laatste kracht dreigde te bezwijken. De wind streek met dof gebulder over de vlakte; nu eens sloeg hij om in kloven en krochten, dan brak hij op den zoom der wouden en keerde afstuitend, zich zelf kruisend terug, zoodat hij, de vermoeiden mochten hunne schreden wenden, waar zij wilden, hun steeds het aangezicht rauw zweepte. De marsch werd onzeker, week links, week rechtsaf. Hier versperden diepe sneeuwkuilen den weg en men moest op zijne schreden terugkeeren, onzeker, of men den vijand naderde, dan zich van hem verwijderde; daar dwongen steile, met ijzel bedekte heuvelhellingen tot eene veranderde richting. De nacht werd duister als het graf; zwarte, dichte wolken, uit wier schoot de sneeuwvloeden dwarrelend nederstortten, bedekten den hemel. Niets bleef voor het oog zichtbaar, dan het spookachtig schemerende, witte lijkkleed, dat over de onmetelijke doodbaar der aarde lag uitgespreid. Eindelijk waren de uitgeputte krachten bezweken; de verstijfde voet vermocht geen stap meer te doen; aan de verkleumde hand ontzonk het wapen. Zelfs de veldheer scheen alle hoop op te geven en het edele hoofd onder den verpletterenden slag der vernietiging te willen buigen. Er moest ten laatste midden op de sneeuw en het ijs gerust worden, opdat de ongelukkigen althans adem tot nieuwe inspanningen scheppen mochten. De maarschalk bevond zich, te midden van Rasinski's ruiterbende, aan de spits van het korps. Regnard was bij hem.

„Weet gij nog, Rasinski,” fluisterde hij dezen in het oor, „waar zuid of noord is, of de vijand voor of achter ons staat, of wij ons rechts, dan links van den grooten weg bevinden?—Een kompas ware hier eene provincie waard!”

„Als het sneeuwgestuif ophoudt, laten zich wellicht eenige sterren zien,” antwoordde Rasinski; „het duurt zoo reeds drie uren, het moet toch eens minder worden.”

„Ik geloof niet, dat er voor ons nog starren blinken,” sprak Regnard en schudde mismoedig het hoofd.

Rasinski pijnigde zich af, om een middel te verzinnen, geschikt, om den marsch met eenige zekerheid voort te zetten. Juist was hem een gelukkig denkbeeld ingevallen, toen de maarschalk hem driftig toevoegde: „Hebben uwe manschappen en paarden nog eenige krachten behouden, volg mij dan terstond; ik hoop een middel te hebben uitgedacht, om de richting naar den Dnieper zelfs door deze sneeuwwoestijn te ontdekken.”

„Ook mij is iets ingevallen,” riep Rasinski; „kon men slechts den loop van de beek ontdekken, die door de bedding heenstroomt, aan welke wij voor een half uur genoodzaakt waren, om te keeren.”

„Wij verstaan elkander,” hervatte de maarschalk met merkbare vreugde; „juist dat is ook mijne gedachte. Wij zullen zien, of wij de plaats kunnen wedervinden; gij met uwe ruiters en eenige sappeurs zult mij vergezellen.”

Men begaf zich terstond op weg. De nog niet geheel verwaaide en onder nieuwe sneeuw bedolven sporen der kanonnen wezen den weg aan, dien het leger genomen had, en binnen een half uur had men de bedding bereikt. De sneeuw was door den storm tot meer dan manshoogte daarin opgehoopt; echter raapten de sappeurs hunne laatste krachten bijeen, om ze weg te ruimen, en stuitten werkelijk op een vasten ijsspiegel.

„Zoo de vorst bij dit ondiepe water maar niet tot den bodem is doorgedrongen,” sprak de maarschalk, terwijl de sappeurs reeds bezig waren het ijs door te hakken.

„Dat vrees ik niet,” antwoordde Rasinski; „al deze beken hebben een warmen, drassigen grond en vriezen alleen bij de strengste koude geheel toe. Wij vinden buiten allen twijfel nog water, te meer, daar het sinds gisteren reeds gedooid heeft.”

Hij had zich niet bedrogen, want juist drong de bijl door de ijskorst en er trad water in de opening. Met eenige slagen was de bijt verbreed, en men kon den loop van het water duidelijk onderkennen.

„Nu zijn wij gered,” riep de maarschalk. „Deze beek moet ons naar den Dnieper geleiden, die niet ver meer zijn kan. Hebben wij dien achter den rug, dan, denk ik, zijn wij het zwaarste te boven en zullen wij onze kameraden voor ons uit spoedig inhalen.”

Zonder verwijl zond hij thans de marschbevelen aan het korps af, dat zich inmiddels eenigermate van de doorgestane vermoeienis hersteld had. Gestadig den loop der beek volgende, bereikte men nog binnen het uur een dicht woud en was nu meer tegen den storm beschut, terwijl ook het stuiven der sneeuwvlokken allengs minder werd. De geringste gunstige wending der omstandigheden doet in dergelijke gevallen den verloren moed ongelooflijk spoedig terugkeeren. Vandaar ging de marsch schielijk voorwaarts. Het vertrouwen der soldaten wies nog door het gelukkige toeval, dat Rasinski in de half ingestorte hutten van een verwoest dorp een oude, kreupele boer opspoorde, die met de landstreek nauwkeurig bekend was. Deze berichtte, dat de rivier in de nabijheid was, doch dat men ze bezwaarlijk zou kunnen overtrekken, daar het ijs nog niet sterk genoeg geweest was, om tegen het dooiweder bestand te zijn. Was de overgang nog mogelijk, dan zou ze slechts op eene enkele plaats kunnen geschieden, waar de sterke kromming van den stroom de ijsschollen gewoonlijk deed opeenkruinen en dus nog eene tamelijk vaste oppervlakte aanbood, wanneer andere gedeelten reeds geheel van ijs bevrijd waren.

Rasinski beloofde den grijsaard eene rijke belooning, wanneer hij hem die plaats wilde aanwijzen; terwijl hij hem tevens met den vreeselijksten dood bedreigde, zoo hij verraad pleegde.

„Wees onbezorgd,” was het antwoord; „ik ben niet uit oud-Rusland, maar van den anderen oever, waar men niet zoo erg op u verbitterd is als hier. Volgt mij slechts; gij zult spoedig zien, dat ik u niet bedrieg.” Hij werd dus de gids van het leger en bracht het gelukkig aan den oever van den stroom, die de redder of de verderver van deze dappere schaar zoude worden.

HOOFDSTUK V.

De maan trad juist van achter dichte wolken te voorschijn en goot haar bleek licht over het landschap uit, toen Rasinski, die naast den gids voortreed, den zoom van het woud bereikte en voor het eerst de doodsche landstreek overzien kon. Slechts de tusschen lage, maar steile oevers ingesloten Dnieper was zichtbaar en scheen eene zwarte reuzenslang, die kronkelend over de witte sneeuw voortkroop; want helaas, geen ijsdek was meer op den breeden stroom te bespeuren en slechts enkele schollen en schotsen werden door zijne bruisende golven voortgekruid. Rasinski, die, om zich te verzekeren dat men geen verraad had te duchten, de colonne ettelijke honderden schreden was vooruit gereden, bevond zich hier met zijn zwijgenden geleider geheel alleen en liet zijn vorschend oog over de akelige wildernis ronddwalen, in welke zich slechts het doffe gekraak en geknars der op elkander hortende ijsklompen liet vernemen.

„Daar,” sprak de Rus en wees met den vinger naar eene plaats, waar de loop van den stroom zich achter steile zandheuvels scheen te verliezen, „daar staat het ijs, want in de enge kromming stapelen zich de ijsschollen opeen en, zoo zij sedert gisteren niet is weggedooid, heeft er zich ook eene baan vastgezet.”

Rasinski wendde zijn paard naar de aangewezen plaats. Terwijl hij langs den zoom van het bosch voortreed, hoorde hij plotseling een gerucht in de struiken en spoedig daarop het knallen eener zweep en het snuiven van heftig aangezette paarden. Verwonderd luistert hij toe, want de wagens van de achterhoede konden onmogelijk reeds zoo nabij zijn, en bovendien geen enkel span der uitgeputte trekdieren waren thans tot zulk eene rassche beweging in staat geweest. „Loopt hier een weg door het woud?” vroeg hij den Rus. „Ja, heer,” gaf deze ten antwoord, „de weg van Syrokorenje naar Gosinoe komt hier uit. Het zijn wellicht boeren uit den omtrek. Gevaar heeft het zeker niet, want het schijnt immers eene slede te zijn.” Intusschen oordeelde Rasinski het toch raadzaam, den komenden met behoedzaamheid gade te slaan en hen, zoo noodig, aan te houden. Zoodra hij dus de slede ontdekte, trok hij een pistool uit den gordel, wierp zich midden op het wagenspoor en riep in het russisch: „Halt, of ik vuur!”

De in een dichten pels gewikkelde voerman der slede deed zijne paarden stilhouden en antwoordde in dezelfde taal: „Wat wilt gij? Wij zijn eerlijke Russen, waarom ons aan te houden?” Rasinski reed nader op het voertuig toe, doch hield het pistool met overgetrokken haan in de hand. „Van waar komt gij, wie zijt gij en waarheen is de reis? Op deze vragen eisch ik voldoend antwoord,” sprak hij op een bedaarden, maar mannelijk vasten toon. De menner der slede wendde zich, in stede van te antwoorden, naar zijne reisgenooten om en fluisterde in het duitsch: „Zij zijn met hun tweeën, zal ik met het pistool antwoorden en doorrijden?”

Rasinski had thans de onbekenden nader in oogenschouw genomen; naar hunne kleeding te oordeelen, waren het twee mannen en twee vrouwen. Daar hij uit de ten deele opgevangen woorden des geleiders opmaakte, dat het geen Russen waren, kwam hij op het denkbeeld, dat het wellicht voortvluchtige officieren van de armee zijn konden. Ten einde zich zekerheid te verschaffen, bracht hij zijn paard dicht aan de slede, hield een der mannen het pistool op de borst en sprak in het duitsch: „Wij beiden zijn niet, wat wij willen schijnen; het moet blijken, of wij vrienden of vijanden zijn. Nogmaals vraag ik....”

Doch een juichende uitroep belette hem uit te spreken. „Rasinski, Rasinski!” klonk het van de lippen der gedreigden en Lodewijk wierp zich buiten zich zelf van vreugde aan zijne borst. Tegelijk herkende hij ook de stem van Bernard, die met woeste drift uit de slede sprong, om van de andere zijde op hem toe te snellen. Rasinski sprong van het paard en klemde de vrienden aan het kloppende hart. „O God, welk een dank ben ik U voor deze genade schuldig!” snikte hij, hevig ontroerd, en warme vreugdetranen rolden van zijne mannelijke wangen.

Hoe wisselden thans vragen en antwoorden elkander met eene verbazende snelheid af! Het hart was niet in staat te bevatten, wat de bevleugelde woorden ontdekten. Het dreigende doodsgevaar, ongeloofelijkste redding, het vinden der meest geliefde wezens, nieuwe gevaren en uitreddingen aan de eene zijde; aan de andere daarentegen onuitsprekelijke zorgen, vreeselijke angst, gestadig nieuwe tegenspoeden en worstelingen en thans dit wedervinden der vrienden aan den dorpel der redding.

„Leeft Jaromir?” „Waar is Boleslaw?” vroegen Bernard en Lodewijk uit een mond. Thans eerst herinnerde Rasinski zich, dat een leger hem op den voet volgde; hij keerde zich om, wees op het bosch en antwoordde: „Daar komen zij met de onzen.”

Juist zag men de eerste ruiters te voorschijn komen. Rasinski wierp zich weder in den zadel en haastte zich, den maarschalk van de aanwijzingen van den gids bericht te geven. Hierop zocht hij Jaromir op, dien hij bij den wagen van Boleslaw aantrof, zoodat hij aan beiden tegelijk de blijde tijding kon overbrengen. De jongelingen, Rasinski op den voet volgende, ijlden met onstuimig ongeduld naar de wedergevondenen toe en begroetten hen met al het vuur der jeugdige vriendschap. Het was sinds langen tijd de eerste lichtstraal in beider neergedrukte ziel. Rasinski liet hun den tijd, hun geluk ten volle te beseffen, daar hij zelf zich met de zorg voor de troepen belastte.

Zoo vernamen nu ook de jongelingen de aan het wonderbare grenzende ontmoetingen hunner beide innigste vrienden en zij mochten de bruid en de zuster met warme hartelijkheid begroeten. Ook Bianca gevoelde zich gelukkig door het geluk van hen, die haar het dierbaarst op aarde waren, en haalde vrijer adem, daar zij zich nu eerst van hare redding verzekerd achtte. Met nog menigerlei gevaren toch hadden de vluchtenden, sedert zij het jachtslot verlieten, te worstelen gehad. Bernard was door zijne wonde zoodanig verzwakt geworden, dat het hem onmogelijk werd de reize dadelijk voort te zetten. Onder het gastvrije dak van vader Gregorius vonden zij wel is waar eene schuilplaats, maar toch slechts eene zeer onzekere, daar zij den volgenden dag reeds vernamen, dat Dolgorow zijne vrijheid had terug bekomen. Elk oogenblik hadden zij nu des graven wraak te vreezen en moesten zich derhalve des daags in een grafgewelf der kerk schuil houden, tot zij onder de bescherming der duisternis door Gregoor naar een van zijne ambtsbroeders konden worden overgebracht, die hen vijf dagen lang in zijn huis verborgen hield. Van daar zetten zij, daar Bernard weldra genoegzaam hersteld was en de russische legers van alle zijden naderden, wederom in het geheim en bij nacht hunne vlucht voort. Den vorigen dag hadden zij in het dichtste van het woud doorgebracht, in dezen nacht hoopten zij het werk der redding te voleindigen en het fransche leger te bereiken. Willhofen, die het best met de landstreek bekend was, bestuurde de slede; Jeannette was Bianca's getrouwe gezellin gebleven. Aller lot scheen nu, zoodra zij den anderen oever der rivier zouden bereikt hebben, beslist te zullen worden.

Maar hoeveel onheil, jammer en namelooze ellende stapelde zich nog op den smallen weg opeen, die tusschen hen en de gehoopte redding gelegen was! Het gansche leger had zich reeds in zwart gewemel over de naar den stroom afdalende sneeuwvlakten verspreid; maar met verbazing zag men, dat het zich steeds dichter en dichter aan den oever opeendrong, zonder dat aan de overzijde iemand zichtbaar werd. Willhofen wilde thans ook met zijne slede naar de rivier afdalen; doch het gedrang was reeds zoo groot geworden, dat hij den oever onmogelijk bereiken kon. Rasinski wist zijne vrienden in de steeds toenemende verwarring te vinden en berichtte met niet weinig bezorgdheid, dat geen wagen en misschien zelfs geen paard de rivier kon overtrekken, daar het ijsdek voor zulk een last te zwak was en nog slechts uit eenige opeengeschovene schollen bestond, die òf reeds onder water stonden, òf niet dan door eene zeer dunne ijskorst werden saamgehouden. Slechts enkele manschappen hadden het derhalve gewaagd, naar den anderen oever over te trekken, en van hen waren nog verscheidenen verongelukt, die in de diepe spleten en kloven tusschen de schotsen wegzonken. De maarschalk had dus voor het oogenblik elke verdere poging verboden, vooral daar zijne menschelijkheid niet kon toelaten, dat men den overgang bewerkstelligde, zonder die duizenden gewonden, vrouwen en kinderen af te wachten, die met hunne uitgeputte krachten niet in staat geweest waren, den vreeselijken marsch door storm en sneeuwvlagen vol te houden. Er waren dus drie uren tot uitrusten en ter herzameling der krachten toegestaan, gedurende welk tijdsverloop men nog het mogelijke beproeven wilde, om, door de niet te breede gaten met stroo en takken aan te vullen en de overige althans voor het oog kenbaar aan te duiden, den overgang minder gevaarlijk te maken.

Bianca zag zich dus thans door de zonderlinge aaneenschakeling harer lotgevallen op eenmaal midden in het krijgsgewoel verplaatst. Ofschoon hare maagdelijke schuwheid haar dit woeste bedrijf der mannen met huivering en schrik deed gadeslaan, gevoelde zij zich toch door Lodewijks en Bernards nabijheid gesterkt en opgebeurd. Tegen uitwendige gevaren was zij met den moed van edele zielen gewapend, die zich staande houden door het bewustzijn, dat er buiten dit leven nog iets beters en eeuwigs bestaat, hetwelk geen vreemd geweld, maar slechts onze eigene afval van de waarheid ons kan ontrukken. Echter moest zij zich nog met andere krachten toerusten, dan met die, waardoor men tegen zijn eigen lot bestand is; zij was bestemd, getuige te zijn van den onbeschrijfelijken jammer der vele duizenden rampzaligen, die hier den dood zouden vinden.

Tegen middernacht gaf de maarschalk, die zich dit korte uitstel met onverzettelijke koelbloedigheid had ten nutte gemaakt, om zich door een verkwikkenden slaap tot nieuwe vermoeienissen te sterken, bevel, den overgang in geregelde orde te beproeven. Stil, ernstig, in gesloten gelederen rukte een regiment lichte infanterie op de rivier aan, doch nauwelijks hadden de eerste rotten eenige schreden voorwaarts gedaan, of plotseling deed zich een dof gekraak onder hunne voeten hooren en de bodem begon te waggelen. Door driftig voortdringen hoopten zij zich nog te zullen redden en verdubbelden derhalve hunne schreden; doch daar andere massa's volgden, werd de drukking op de ijsvlakte gestadig sterker. Zij zonken met de schollen tot aan de knieën in het water; de voet kantelde, gleed uit, zij stortten neder. Daar scheurde het ijs met luid gekraak vaneen, een diepe, zwarte afgrond opende zich en verzwolgen waren de ongelukkigen, die zich aan de verraderlijke schots hadden toevertrouwd! Een luid angstgeschreeuw verhief zich; ontzet en verbijsterd keerden de naastvolgenden om en wierpen zich, met geweld terugdringende, in de gelederen hunner kameraden, die reeds op den stroom aanrukten.

De maarschalk was overal zelf tegenwoordig. Geheel verpletterd zag hij zijne dapperen in den gapenden afgrond wegzinken. Nog verhief zich hier en daar een hoofd, een arm, en een jammerende angstkreet verscheurde het hart; doch na eenige seconden was alles verdwenen en eene huiveringwekkende stilte legerde zich op de golven.

„Zóó is het onmogelijk,” sprak de maarschalk, zich met geweld vermannende. „Een voor een moeten wij het beproeven.”