Part 77
„Hm!” mompelde deze; „Krasnoe hebben zij zekerlijk gelukkig bereikt; wat echter tusschen de morgenzon van gisteren en die van heden ligt, kan ik evenmin weten, als ik verzekeren durf, dat _wij_ morgen nog op russische sneeuw zullen wandelen. Evenwel, zoo wij binnen het uur niet aangegrepen worden, zou ik het bijna gelooven. Maar zie eens, bid ik u, hier links van den weg.”
„Daar hebben mannen gevochten!” riep Rasinski uit; „een ellendeling, die het durft loochenen.”
Zij hadden thans, naar het scheen, dat gedeelte van het slagveld bereikt, waar het vijandelijk vuur de grootste verwoesting had aangericht. Lange rijen van dooden lagen op de sneeuw neergestrekt en tot in de verte bespeurde men roode schemering der bloedstroomen, die hier tot ijs gestold waren. Nimmer leverde eenig slagveld zulk een afgrijselijk schouwspel des doods op; de gesneuvelden schenen in de houding, waarin hun de laatste adem ontvloden was, tot roerlooze beelden versteend, om zoo, tot eene herinnering voor den versten nakomeling, als koude gedenkzuilen van den slag bewaard te blijven. Wie hunne gelaatstrekken gekend had, zou zijn vrienden spoedig hebben wedergevonden, zoo geheel onveranderd waren zij gebleven. Op bijna elk gelaat echter bespeurde men de krampachtige sporen van den doodstrijd, en de verstijvende adem des winters had wezenstrekken verhinderd, weder den stillen, vriendelijken glimlach aan te nemen, dien de scheidende ziel gewoonlijk op het aangezicht achterlaat, nadat zij den kamp met de machtige boeien des levens volstreden heeft en zich nu omhoog heft naar de gewesten des lichts. Hier was het niet zoo; het scheen of de ruwe hand des winters nog vroeger dan die des doods op de warme vormen des levens haar kouden, onuitwisbaren stempel had ingedrukt. Daarom zag men op geen verhelderd voorhoofd, op geen vriendelijk glimlachenden mond de uitdrukking der bevrijding van kwalen des levens; alle trekken waren in de diep ingesneden vouwen van de smart, van den angst der vertwijfeling en der woede blijven staan. Hoewel hij zijne aandoening uiterlijk wist te verbergen, moest de maarschalk toch waarschijnlijk aan zich zelf gevoelen, dat deze stomme wandeling door de woestenijen des doods weinig geschikt was, om den moed zijner dapperen te doen ontvonken. Elk toch zag in deze onbegraven, op het koude ijs achtergelaten krijgers, als in een profetischen spiegel, het beeld zijner eigen toekomst. Wel is waar hadden de met wonden bedekte helden den dood op honderd slagvelden in menigerlei vreeselijke gestalte onder de oogen gezien, en niet als nieuwelingen ontvingen zij den ernstigen groet, welken hij hun ook hier weder aanbood, maar vroeger rustten de gevallenen op velden der overwinning, groenden lauweren om hunne slapen, reikte de godin des roems aan levenden en dooden den krans toe en was de val ook tevens een triomf. Doch hier?—Wat valt den overblijvenden ten deel, anders dan nieuwe kwalen en worstelingen? En wat den dooden, die op den vijandelijken grond achterblijven, die geen vriendenhand met aarde bedekt, wier graf geen gedenkteeken voor de nakomelingschap versiert, die spoorloos wegzinken in het diepe rijk der vergetelheid, in het onmetelijke niets? De koele aarde neemt hunne lijken niet eenmaal in haren schoot op, maar de roofvogels des hemels, de hongerige wolven der vlakte verslinden den aanzienlijkste met den geringste, en de lentezon, die de sneeuw doet smelten, zal slechts afgeknaagde beenderen te voorschijn brengen.
Het korps was in gestadig versnelden marsch een diep dal genaderd, waarin de weg afdaalt, om van daar weder tot aan de breede vlakte van Katowa op te stijgen.
„Herkent gij dit terrein?” dus wendde Rasinski zich tot Jaromir.
Deze zag opmerkzaam in het rond en antwoordde: „Wanneer de sneeuw mij niet bedriegt, is dit de plaats, waar wij voor drie maanden Newerowskoi sloegen en den keizer op zijn geboortedag met de veroverde kanonnen een eeresalvo brachten.”
„Zeer juist,” hernam Regnard, die vraag en antwoord gehoord had; „gij hebt een goeden militairen blik, jonge vriend. Wat dunkt u, zullen wij ook nu nog victorie roepen?”
Jaromir wilde juist antwoorden, toen een dof, schoon niet ver verwijderd kanonschot de diepe stilte afbrak. Dit teeken, dat de vijand in de nabijheid was, drong als een electrieke schok in de gemoederen. Het geoefende oor der soldaten schatte dadelijk den afstand, waarop het schot gevallen was, terwijl het oog zich naar de richting wendde, in welke men het gehoord had. De gespannen verwachting, of het herhaald zoude worden, of het een aanstaand gevecht, dan slechts enkel een signaal aanduidde, was op aller gelaat te lezen. De maarschalk liet halt houden en achtte het niet raadzaam zijne manschappen juist in dit oogenblik in de diepte te doen afdalen, daar het beklimmen der steile hoogten aan de overzijde bij de uitgeputte krachten van paarden en menschen, vooral voor de artillerie, de grootste inspanning vereischen zou. Rasinski alleen kreeg bevel, met zijn weinige ruiters vooruit te rukken, ten einde op de hoogten van Katowa uit te vorschen, of de vijand zich werkelijk in de nabijheid bevond; de overige troepen legerden zich intusschen, om hunne krachten voor het op handen zijnde gevecht te verzamelen.
Rasinski had de vlakte van Katowa spoedig bereikt, maar te vergeefs zocht zijn oog den vijand. Hij ontdekte niets dan de lange, eenvormige liniën van donkere pijnbosschen, die zich in eene onafzienbare reeks langs den gezichteinder uitstrekten. Met de uiterste behoedzaamheid reed hij den grooten weg een half uur op, verdeelde vervolgens zijne manschappen en beval Jaromir de rechterzijde van den weg tot op een kanonschot te verkennen, terwijl hij zelf de linker doorzoeken wilde. Op dezen rit naderde hij den zoom van het woud. Hier bespeurde hij sporen van paarden op de sneeuw, die, hoe verder hij voortreed, gedurig talrijker werden. Dit bewees hem, dat de vijand zich in den omtrek moest ophouden, want ten deele was de hoefslag nog geheel versch. In de uiterste spanning hield hij het oog op den zoom van het woud gevestigd, dat het verderf met een diep zwijgen scheen te omhullen. Van tijd tot tijd liet hij halt houden en luisterde, of zich nergens eenig gedruisch liet vernemen; maar alles bleef stil als in de woning des doods. Plotseling fladderde een troep raven met heesch gekrijsch uit het hout op en verspreidde zich naar alle windstreken. „Die vogels zijn opgejaagd,” sprak Rasinski tot de naast hem rijdenden; „ik ben verzekerd, dat hier troepen verborgen zijn.”
„Zie, zie, overste!” riep de vlugge Bliski, terwijl hij zich bukte, om onder de takken der boomen door te zien; „waarachtig hier marcheert een troep.”
Inderdaad was men juist aan eene plaats gekomen, die een vrij uitzicht tot in het binnenste des wouds vergunde, en toen Rasinski zich tot onder den zadel nederboog, zag hij eene zwarte colonne, die zich vermoedelijk op een breeden weg midden in het bosch bevond, in de verte voorbijtrekken. In allerijl sprong hij van het paard en liet zijne geleiders vooruitrijden, opdat deze niet uit de woudopening zouden bemerkt worden. Hij zelf, op de sneeuw neergebukt, bespiedde de colonne.
Haar marsch hield een geruimen tijd aan; het was infanterie. Daar hij de diepte niet kon overzien, was het hem onmogelijk hare sterkte te schatten. Thans echter kwam ook de artillerie, en Rasinski kon zonder eenige moeite de stukken tellen. Toen hij tot dertig gekomen was, wist hij genoegzaam, dat de strijdkrachten van den vijand die des maarschalks verre overtroffen. Hij wierp zich dus weder in den zadel en haastte zich, den veldheer van het een en ander te verwittigen.
Jaromir was reeds weder bij het korps teruggekeerd, zonder een spoor van den vijand ontdekt te hebben. Daar zich een mastbosch in de nabijheid bevond, hadden de soldaten inmiddels hout gekapt en vuren ontstoken, en de maarschalk gebood hun, zich te verwarmen en te verkwikken, opdat zij te beter in staat zouden zijn den aanval des vijands te weerstaan.
Toen Rasinski thans zijne berichten overbracht, liet zich de wanhopige toestand, waarin zich het korps bevond, geen oogenblik langer betwijfelen. „Voorzeker,” sprak de maarschalk, „houden de Russen de bosschen op de hoogte van Katowa bezet en wachten slechts, dat wij ons daarboven vertoonen, om ons van alle zijden aan te tasten en, door het bezetten van dat dal hier voor ons, elken uitweg af te snijden. Doch ik hoop, dat wij er ons gelukkig zullen doorslaan. Echter moeten wij het gevecht nog eenige uren trachten te verschuiven, totdat de duisternis ons te hulp komt. Hoe laat is het?”
„Half twee,” antwoordde Rasinski.
„Goed; te vier uren is het volkomen donker. Dan willen wij opbreken. Tot zoolang kunnen wij nog uitrusten.”
Rasinski keerde tot de zijnen terug. Daar men nog een kleinen voorraad hooi en haver bezat, had Jaromir de paarden reeds laten voederen, en ook de manschappen waren bezig hun armoedigen maaltijd gereed te maken. Zoo ging een uur in bange verwachting voorbij.
HOOFDSTUK IV.
„Rasinski!” riep Jaromir en sprong driftig op; „ziet gij het, daarboven op de hoogte?”
„Kozakken! Waarachtig! Maar mijn hoofd verpand ik, dat zij niet alleen zijn!”
Op den heuveltop vertoonden zich drie ruiters, die echter slechts om te verspieden schenen vooruitgezonden. Spoedig werden zij door allen bemerkt en de troepen geraakten in die onrustige beweging, men hoorde dat doffe gemompel door de gelederen loopen, waardoor zich het op handen zijn van een beslissend oogenblik gewoonlijk pleegt aan te kondigen.
„Werp u te paard, Jaromir,” gelastte Rasinski, „en rijd daar tot den woudzoom op, dan hebt gij een ruim gezicht over de landstreek.”
De jongeling, die het beste paard van allen bezat, vloog als een pijl over de sneeuwvlakte, om den last te volvoeren. Bijna nog sneller keerde hij terug en meldde, dat de gansche hoogte met kozakken bezet was, terwijl ook infanterie-colonnes uit de diepte van het bosch kwamen opdagen.
Juist reed ook Regnard voorbij, die op bevel van den maarschalk eveneens eene verkenning gedaan had. „Wij zullen het warm krijgen, Rasinski,” riep hij; „het bosch wemelt van Russen.”
De trommen roffelden; de troepen traden onder het geweer. De ongeregelde massa's der marketentsters, der zieken en der ongewapenden rotteden zich tot een dichten hoop samen.
„Voor ons kan de slag eene vreugde zijn,” sprak Rasinski; „maar Boleslaw en de andere gekwetsten hebben een hard lot. Wij moeten het van hen zoeken af te wenden. Doch wie komt daar?”
Een russisch officier kwam de hoogte afjagen en wuifde reeds in de verte met een witten doek.
„Wat gij verlangt, mijnheer,” mompelde Rasinski trotsch en verdrietig, „is vergeefsche moeite. Zoolang wij wapens hebben, onderhandelen wij niet.”
De maarschalk hield zich met het regelen en in slagorde stellen der troepen bezig, vloog door de gelederen, was overal zelf tegenwoordig, ordende, bemoedigde, gaf bevelen. Rasinski zond dadelijk een ruiter naar hem af, ten einde hem van het naderen van een parlementair te verwittigen. Doch nog eer de maarschalk terugkeerde, had de Rus de voorposten reeds bereikt, en daar hij Rasinski's ruiters aan hunne uniform voor Polen herkende, riep hij hun in het poolsch toe, dat zij zich aan de overmacht zouden overgeven. Maar als een grimmige leeuw sprong Rasinski op hem toe en riep: „Gij stookt onze manschappen op, gij poogt hen tot verraad over te halen! Dat is niet de rol van een parlementair, mijnheer. Gij zijt mijn gevangene!”
Verschrikt wilde de officier zijn paard omwerpen, doch reeds had Rasinski de teugels aangegrepen, en zijne toesnellende ruiters hadden den Rus zoo spoedig van alle zijden omringd, dat aan vlucht of tegenweer niet te denken was.
„Gij zoudt u aan den onschendbaren persoon eens parlementairs willen vergrijpen!” riep de Rus.
„Om onschendbaar te zijn, hadt gij op een behoorlijken afstand moeten afwachten, of het ons goeddunken zou, u als parlementair te ontvangen,” was het antwoord. „Op deze wijze mag niemand een leger in slagorde naderen, dat is tegen het krijgsgebruik.”
„Laat mij naar uw bevelhebber geleiden,” sprak de Rus; „hij zal mijne welgemeende voorslagen op prijs weten te stellen. Het onmogelijke is zelfs den dappersten onmogelijk; u blijft geen andere weg open, dan die van onderhandeling.”
„Wij zullen zien, wij zullen zien,” hernam Rasinski, die van de standvastigheid des maarschalks verzekerd was. „Daar komt de opperbevelhebber. Gij staat voor den maarschalk Ney; dit zij u genoeg, om te weten, dat uwe woorden vruchteloos zullen zijn.”
De maarschalk kwam, Rasinski reed hem te gemoet en meldde, wat hij gedaan had. „Gij hebt als man van eer gehandeld,” ontving hij ten antwoord; „ik zou mij schamen, minder hooghartig te denken dan gij.—Doch ik wil den officier spreken.” Hij reed op dezen toe en vroeg hem wat hij wilde.
„De maarschalk Kutusow zendt mij,” begon de Rus; „hij zou zulk een beroemden krijgsman en veldheer den voorslag niet doen, de wapens neer te leggen, wanneer er nog een andere uitweg overbleef. Op deze omliggende hoogten staan tachtig duizend man en honderd vuurmonden. Wanneer gij twijfelt, zal het u vrijstaan, een officier te zenden, dien ik door de gelederen der onzen wil rondleiden.”
„Ik hoop uwe manschappen zelf zoo nabij te komen, dat ik hen tellen kan,” gaf de maarschalk met flonkerende oogen ten antwoord. „Zeg den vorst, dat de maarschalk Ney nog nooit de wapens heeft nedergelegd, en dat de geschiedenis nimmer eene dergelijke handelwijze van hem melden zal. Daar ligt het doel, mij door plicht en eer aangewezen; ik zal mij midden door uwe gelederen den weg banen, al werden ook deze bosschen in legers herschapen!”
„Zij zullen het,” antwoordde de parlementair; maar nog eer hij ten volle had uitgesproken, deed een vreeselijk gekraak de nabijgelegen heuvels sidderen en een hagel van kartetsen kletterde op den ijsspiegel der omliggende velden neder.
„Dat is verraad!” riep de maarschalk driftig, terwijl hij het oog opsloeg en de hoogten van alle zijden met zwarte troepenmassa's en veldgeschut bekroond zag. „Onder het vuur onderhandelt men niet! Gij zijt mijn gevangene!”
De onthutste officier, die door de onvoorzichtigheid der zijnen op deze wijze werd prijsgegeven, gaf zijn degen gewillig over.
„Breng hem naar de achterhoede!” beval de maarschalk.—„Generaal Ricard, voorwaarts! Gij tast den vijand met de bajonet aan. U zij de eer gelaten van ons de baan te breken.”
De generaal met ongeveer vijftienhonderd man rukte onverschrokken voorwaarts. De kleine schaar smolt bijna weg in de onbegrensde ruimte, die voor haar lag; de onderneming, om tegen de dichte massa's van den vijand op te rukken, die als dreigende onweerswolken zich gestadig zwarter en zwarter op de hoogten samenpakten, scheen aan waanzinnigheid te grenzen. Doch de maarschalk had het bevolen, en het vertrouwen, dat de krijgslieden in hem stelden, was onbegrensd; op zijn gebod, zoo waanden zij, kon de overwinning niet achterblijven. Zonder bedenking stortten zij zich dus langs den steilen weg in de diepte neder, om aan gene zijde de hoogte te bestormen.
Inmiddels vliegt de veldheer door de gelederen der overigen en ordent hen tot den kamp. Regnard komt op Rasinski toeijlen en gelast hem met zijn, tot op zestig man gesmolten regiment, den linkervleugel tegen de aanvallen der kozakken te dekken. De artillerie maakt front tegen den vijand en hare kleine kanonnen ondernemen het, zich tegen de vreeselijke overmacht der russische vuurmonden te verdedigen.
Op de besneeuwde heuvelkruinen, welke de vijand bezet, heerscht sinds dat eerste salvo, waarmede de aanval begonnen is, eene akelige doodsche stilte. Maar alsof de scharen, gelijk de geharnaste mannen van Cadmus, uit de aarde oprezen, werd het zwart gewemel van paarden en menschen op den witten grond gestadig dichter en dichter.
[Illustratie: „Zeg den Vorst dat maarschalk Ney nog nooit de wapens heeft nedergelegd.”]
Rasinski had ettelijke honderden schreden links van den weg post gevat, waar hij door een besneeuwden heuvel tegen het vijandelijke kanonvuur, althans gedeeltelijk, beschut was en toch het gansche slagveld overzien kon. Zijn voorkomen was ernstig, gelijk altijd in het gevecht, maar overigens even bedaard, even moedig, welberaden en vrij, als drie maanden vroeger, toen hij bij Mosaisk aan de spits van zijn regiment met leeuwenmoed tot in 's vijands gelederen doordrong. Terwijl hij zijne vlammende blikken over het slagveld liet gaan, reed Jaromir op hem toe en fluisterde: „Wij zullen eervol vallen, Rasinski; mocht gij in het leven blijven en haar wederzien,”—Lodoiska's naam uit te spreken waagde hij niet—„zeg haar dan, hoe innig mijn berouw was. De vergeving, welke de levende onwaardig was, zal den doode aan gene zijde de rust schenken.”
„Wat spreekt gij, Jaromir!” hernam Rasinski met merkbare ontroering; „denk aan het leven. Hier zijn nog vele uitwegen.”
„O, ik vrees den dood niet,” sprak Jaromir met drift, en een edele blos kleurde zijn bleeke wangen bij het denkbeeld, dat Rasinski hem van versaagdheid verdacht hield; „doch gij zelf ziet, dat slechts zeer weinigen zich hier leven en redding mogen voorspellen. Het is anders eene gruwzame scherts van de geluksgodin, dat zij den dapperste nu zoo schandelijk verraadt. Evenwel, zij is toch altijd eene Delila, die haar Simson gebonden overlevert.”
„Laat ons afwachten,” hernam Rasinski met waardigheid, „of hij zijne banden nog misschien niet verbreken zal.”
Gedurende dit gesprek had Ricard met zijne manschappen den weg door de diepte afgelegd en rukte aan gene zijde in stormmarsch tegen de russische batterijen op de hoogte van Katowa op. Thans bliksemde het, als bij het opkomen van een onweder, langs den geheelen horizon, en zoover het oog reikte, werden de heuveltoppen in zwarte rookwolken gehuld. Een oogenblik later scheurde eene donderende ontploffing den dampkring vaneen, en met suisend huilen en sissen gierde een kogel- en kartetsenzwerm, als een heir onzichtbare, vliegende draken, door de lucht. Van rondom kletterden zij op de harde sneeuw- en ijskorst, waarmede het veld overdekt was, neder, zoodat deze tot stof vergruisd werd en in duizend glanzige wolken opstoof. Een blik op Ricards dapperen moest het hart verscheuren, want deze ééne seconde had de helft van hen op de koude, wintersche doodbaar ter neder gestrekt. De zooeven nog dicht gesloten gelederen waren dermate gedund, dat zich de levenden als verspreide boomstammen van een neergehouwen woud aan het oog voordeden. Doch de aanvoerder is niet gevallen; zijne stem herzamelt de onverzeerden, hij rukt opnieuw tegen de den dood brakende hoogten op. Daar maait een tweede ontzettende laag der batterijen vóór hem zijne gelederen andermaal weg. Slechts weinigen worden door den vernielenden sikkel des doods gespaard; daar de overwinning onmogelijk wordt, doen schrik en ontzetting hun allen moed ontzinken en in ademlooze vlucht stormen zij terug, om in de rijen hunner wapenbroeders redding te zoeken.
De maarschalk Ney rukt echter zelf reeds aan de spits zijner beste soldaten tegen den vijand op. Dicht opeengepakt, een ijzeren hart in den boezem, door den dood hunner makkers in grimmige woede ontbrand, vast besloten den laatsten bloeddroppel aan eer en wraak ten offer te brengen, stormt deze onweerswolk van helden, de koensten aan het hoofd, op den dood en verderf neerslingerende vulkanen der russische batterijen aan. Thans voelt ook de vijand, die tot hiertoe op zijne heuvels onbewegelijk had stand gehouden en slechts uit de verte den dood op zijne tegenpartij had uitgebraakt, zijne eergierigheid opgewekt. De eerste russische linie, driemaal sterker dan de gansche legermacht der Franschen, voortreffelijk gewapend, uit krachtvolle, nog geheel versche troepen samengesteld, trekt de koene aanvallers te gemoet en meent hen te omvleugelen, te verstikken, te vermorzelen.
Nu is het oogenblik daar, dat Rasinski handelen moet. Hij zet zich met zijne kleine schaar in beweging, daalt neder in de diepte, rent links de hoogte op en werpt zich op de rechterflank van den vijand. Tegelijk brengen ettelijke honderden mannen lichte troepen, het waren Illyriërs, dezelfde beweging op de linkerflank ten uitvoer. Eene stomme verbazing maakt zich, bij dit gezicht, van den vijand meester. Daar hij ziet, dat de Franschen de overwinning zeker achten, begint hij aan de mogelijkheid daarvan geloof te hechten. De koene onverschrokkenheid der aanvallers beneemt hem het zelfvertrouwen. Hij wankelt, deinst terug. Nu breekt Ney met zijne grimmige schaar in de waggelende linie door, werpt haar neder en jaagt ze voor zich uit, gelijk een bergstroom, die, boven den oever opbruisende, zijne machtige golven op eene vluchtende kudde nederstort. Jubelend dringt hij op de zoo vaak betreden baan der overwinning voorwaarts. Doch ach, thans verlaat hem de trouwelooze godes! Een tweede leger, als het vernieuwde hoofd der Hydra uit den grond opgerezen, rekt uit duizend ijzeren monden de roode, bliksemende tongen naar hem uit. De grond schijnt te bersten, het firmament te scheuren bij het dreunen der mortieren, die in dit oogenblik een stroom van lood en ijzer tegen hem uitspuwen. Alles wankelt; slechts Ney staat vast in dezen orkaan. Doch welk een schouwspel ontwaart hij om zich heen! Al zijne generaals zijn gesneuveld of gekwetst en verven de sneeuw met hun bloed; zijne scharen zijn vreeselijk geteisterd, de grond is met dooden zwart bedekt! Nog eens roept hij: „Voorwaarts!” en tracht de overblijfsels van zijn leger te verzamelen, maar daar ontlaadt de vreeselijke donderwolk zich ten tweede male en slingert den duizendvoudigen dood in de verstrooide rijen. Thans dringt de onzichtbare godin der verwarring tot de scharen door en de zwerm stuift angstig naar alle zijden uiteen. Rasinski's dapperen zijn de laatsten die wijken; hij zelf beveelt de vlucht, daar deze alleen nog de mogelijkheid van redding aanbiedt. De veldheer erkent den wil van het noodlot, waartegen de sterveling zich te vergeefs tracht aan te kanten; met smartelijke verontwaardiging in de borst onderwerpt ook hij zich aan de harde noodzakelijkheid, die hem thans, daar geen andere uitweg meer open staat, de smadelijke vlucht tot eene verplichting maakt. Tot de zijnen teruggekeerd, houdt hij te midden van den grootsten hoop zijn paard staande.