Part 76
„Een uur lang staan wij het vuur zijner kartetsen kloekmoedig door; te vergeefs wachten wij op den onderkoning, die zich tot ons doorslaan en tot Krasnoe baan breken zoude. Hij moest eveneens door een machtigen vijand zijn aangegrepen, want wij hoorden achter en in de verte vóór ons het gedonder der kanonnen. Van Smolensko tot Krasnoe scheen de weg één slagveld te zijn. Eindelijk, daar wij voor ons uit geen redding meer zien, besluiten wij, om te keeren en tot den onderkoning door te breken, van wien dichte colonnes ons reeds begonnen af te snijden. Wij rotten in massa samen en dringen terug, weder dieper de wildernis van oud-Rusland in. De tot dicht aan den grooten weg opgerukte vijand schijnt aanvankelijk onze bedoeling niet te begrijpen; hij deinst en laat ons een eindweegs voortrukken; daar wij zijne linie voorbijsnellen, eischt hij, dat wij ons aan hem overgeven. Wij hooren niet; zij, die ons naderen, ontvangen slechts geweerschoten en sabelhouwen ten antwoord. Nu breekt zijne woede in dolle onstuimigheid los. Op hetzelfde oogenblik geven tienduizend geweren en dertig mortieren vuur op ons, en de helft onzer dapperen ligt verpletterd op de bloedige sneeuw neergestrekt. De overigen echter rukken onophoudelijk, gesloten voorwaarts; geen blik wenkt den gevallenen kameraden vaarwel toe. De vuurmonden des vijands spelen rusteloos achter ons voort; zijne kogels maaien gansche gelederen weg. Echter is een kleine schaar eindelijk gelukkig genoeg de vrienden te bereiken, die hen met open armen ontvangen. Ook ik meende het gevaar reeds ontworsteld te zijn, toen de duivel ons een pak kozakken op het lijf zendt, die thans eerst wagen nader te komen, om de verstrooide achterblijvers gevangen te nemen. Zoo geraakte ook ik in hunne klauwen—het overige weet gij.”
„Wij verheugen ons, het van u zelf gehoord te hebben,” sprak Rasinski en reikte hem de hand. „Maar de onderkoning? Weet gij iets van zijn lot?”
„Zeker, zeker, Rasinski; ware hij verongelukt, ik zou niet van mij zelf het eerst gesproken hebben. Hij vocht den ganschen dag als een leeuw—nu, gij zult er wellicht de sporen van zien. Eindelijk nam hem de duisternis in hare bescherming. Hetzij dat de Russen hem heden ontzien wilden, want, bij God! wij verkochten ons leven duur genoeg, hetzij dat zij hunne overwinning volkomen zeker achtten, althans zij deden geen beslissenden aanval, om de zaak ten einde te brengen, maar zorgden slechts, alle stellingen en uitgangen bezet te houden. Maar tegen den morgen was het nest toch ledig en de zon ging juist tijdig genoeg op, om den Russen te toonen, hoe de dappere schaar, reeds buiten de mogelijkheid van achterhaald te worden, op Krasnoe aantrok. Ik zelf zag hunne bajonetten in de morgenzon flikkeren en—spot er mede, zooveel gij wilt—maar waarachtig, ik deed een dankgebed, zooals ik er sinds mijne kinderjaren geen gedaan heb.”
„Doch hoe was die marsch mogelijk?” vroegen Rasinski en Jaromir als uit één mond.
„Ditmaal zijn wij aan u, brave Polen, onze redding verschuldigd,” antwoordde Regnard met aandoening; „en als Frankrijk een goed geheugen heeft, dan zal het zich zoolang er Franschen en Polen bestaan, met dankbaarheid herinneren, dat het aan u het behoud van een gansch armeekorps te danken heeft en bovendien het leven van den dappersten en menschelijksten veldheer, die immer fransche soldaten heeft aangevoerd.”
Rasinski was tot het uiterste gespannen.
„Zoo luistert! En het is de waarheid, want een stervende landsman, die helaas slechts den halven weg ter redding kon afleggen, heeft het mij verhaald. Het was nacht geworden. De onderkoning achtte zich verloren. Echter wilde hij nog eene wanhopige poging wagen, om aan den vijand te ontsnappen. Daar deze, door des prinsen bewegingen daartoe genoopt, zijn grootste macht op de linkerzijde van den weg had bijeengetrokken, besloot de veldheer hem op zijn linkervleugel, rechts van den weg namelijk, voorbij te sluipen. Met de grootste behoedzaamheid breekt hij midden in den nacht op, doch laat zijne vuren branden. Met ingehouden adem en bedachtzamen tred trekt hij midden over de sneeuwvelden langs de lange russische linie voort. Daar komt de maan, alsof alle krachten der natuur ons in dit land vijandig gezind waren, geheel onverhoeds van achter dichte, zwarte wolken te voorschijn en werpt een helder licht op de breede vlakte. De onzen zien de Russen zoo duidelijk voor zich, dat ook deze hen zoo klaar als op helder lichten dag bemerken moeten. Den dappersten zelfs ontzinkt hier den moed. Een russische schildwacht bespeurt onraad en roept aan. En thans was Frankrijks edelste veldheer, thans waren de dapperste soldaten onherroepelijk verloren geweest, wanneer niet een Pool hen gered had. Overste Kliski....”
„Ha, wakkere landsman!” viel Rasinski, die den samenhang reeds vermoedde, den verhaler met fonkelende oogen in de rede.
„Overste Kliski springt, zonder zich een oogenblik te bezinnen, uit de gelederen te voorschijn en roept den rus met eene gesmoorde stem toe: „Waanzinnige! Zult gij zwijgen! Ziet gij dan niet, dat wij van Ouwarows korps zijn en den vijand in den rug willen vallen?”
„De soldaat, in zijne volkstaal aangesproken, staat aan den grond genageld. Verscheidenen zijner kameraden, ook eenige officieren, die deze woorden mede hadden aangehoord, treden nader en wenschen een goeden avond. Kliski houdt stil, spreekt hen vriendschappelijk toe, verzoekt hun de kozakken tegen te houden, wijl hij vreest, dat deze voorbarigheid nadeelig zou kunnen worden, en wacht zoo, midden onder zijne vijanden, tot hij ziet, dat de onzen op den goeden weg zijn. Thans rent hij zijne makkers na, en binnen het uur zijn allen in veiligheid.”
In Rasinski's oogen parelden mannelijke vreugdetranen, toen hem de daad van zijn landsman verhaald werd. „Brave Kliski,” herhaalde hij nogmaals, „Polen moge altijd trotsch op u zijn. Uw naam zal onder ons in gezegend aandenken blijven!”
„Ja, Frankrijk is u oneindig veel verschuldigd, u Polen,” vervolgde Regnard; „~en het ware diep verachtelijk, indien het zulks niet eeuwig erkennen en u vergelden wilde, wanneer zich de gelegenheid daartoe aanbiedt~.”
„Van wien hebt gij uw bericht?” vroeg Rasinski.
„Van kapitein Lebrun van het veertigste regiment; een brave jongen, wien ik een beter lot had toegewenscht.”
„Ik ken hem,” sprak Jaromir niet zonder aandoening, „in Moskou hadden wij hetzelfde kwartier en deden den eersten avond nog te zamen eene wandeling.—En hij is gevallen?”
„Des morgens reeds had hij eene wonde bekomen,” hernam Regnard met merkbare ontroering; „maar hij spande nog alle krachten in, om het op den reddingsmarsch uit te houden. Het leger was reeds in zekerheid, toen zijne krachten hem begaven; hij bleef achter en werd door de rondzwervende kozakken gevangen genomen. Het toeval deed ons elkander ontmoeten; hij verhaalde mij, wat er gebeurd was. De beestachtige behandeling, die hij ondergaan moest—want te eten gegeven heeft men ons ook niet—het bloedverlies—kortom, het werd hem te zwaar. Nu ligt hij gerust op de koude sneeuw, en duizenden met hem. Eén meer of minder—wien raakt dat! Maar—het was toch een brave jongen!”
Hoezeer Regnard ook moeite deed, den drogen, korten toon zijner gewone wijze van spreken te behouden, zoo konden toch zij, die hem meer van nabij kenden, uit het beven zijner stem de ontroering opmaken, door welke hij tot diep in zijn binnenste geschokt werd. De laatste dagen trouwens waren dan ook bij uitnemendheid geschikt, om den ruwsten man het hart week te maken, den ongevoeligsten soldaat het vocht in de oogen te drijven.
Inmiddels had men het bivak weder bereikt; Jaromir was in somber gepeins verdiept, want de herinnering aan Lebrun riep hem alle voorvallen van den dag, die zoo noodlottig voor hem werd, met vernieuwde levendigheid voor den geest terug. Zelfs de afgrijselijke tooneelen van jammer en ellende, door welke hij zich dagelijks omringd zag, hadden slechts bleeke verven tegen die beelden der gloeiende herinnering. Zoo is elk lijden en elk geluk van den mensch in het diepste zijner ziel gegrond, en geen uiterlijk voorval prent zich zoo diep in zijne borst, als de smart en vreugde, waarvan hij zelf de oorzaak is.—Van Alisette's lot was hem intusschen nog niets bekend, daar Boleslaw, die vermoeden kon, hoe hevig het bericht daarvan hem schokken moest, het gebeurde zorgvuldig had verzwegen.
Rasinski en Regnard begaven zich naar den maarschalk Ney, die met de uiterste belangstelling de berichten aanhoorde, welke de laatste hem aangaande de gebeurtenissen van den vorigen dag kon mededeelen. Hij deed nauwkeurig onderzoek naar de sterkte en het vermoedelijk opzet van den vijand; de antwoorden konden niet geruststellend uitvallen.
„Ik zie een heeten dag tegemoet, maar hij zal een dag der eere zijn,” sprak hij op een bedaarden, vasten toon; „doch laat ons den soldaat heden nog rust gunnen; morgen zal hij tijdig genoeg gewaar worden, dat wij niet slechts alle verschrikkingen der natuur, maar ook een overmachtigen vijand te bestrijden hebben. Ik hoop, dat wij over beide zullen zegepralen. Twee uren na middernacht breken wij op.”
De beide oversten verwijderden zich; aan het wachtvuur vonden zij Boleslaw en Jaromir, de eenige officieren, die van het regiment nog in leven waren. Regnard vroeg naar Lodewijk en Bernard. Een sombere blik van Rasinski liet hem niet aan hun lot twijfelen. „Dus ook dood!” zuchtte hij en schudde het hoofd. „Deze met ijs ompantserde grond is bloeddorstiger dan een vampyr!”
Den overste berichtende, wat van het lot der beide verlorenen was bekend geworden, trachtte Jaromir hun behoud nog als niet geheel onmogelijk te doen voorkomen; doch Rasinski, vroeger nog altijd vol moed en vertrouwen, waar anderen ze reeds lang verloren hadden, schudde ongeloovig het hoofd. „Hier hoop ik niets meer,” sprak hij; „daarom vrees ik ook dáár,”—hij wees met de hand de richting aan, welke het leger nemen moest,—„wat mij zelf betreft, het ergste niet. Zoo komt alles weder te recht.”
„Mij ligt nog eene andere zorg op het hart,” dus nam Regnard na eenig zwijgen het woord op. „Mijn jonge vriend dáár zal mij vergeven, zoo ik hierdoor wellicht oude, verdrietelijke herinneringen bij hem opwek; maar de ijzeren tijd dien wij thans beleven, heeft immers de lichte sporen van vorige, achteloos doorleefde dagen genoegzaam uitgewischt, om alles, wat vandaar komt, in de zee der vergetelheid te doen verzinken. Weet niemand uwer, wat van Alisette geworden is?”
Jaromir staarde somber voor zich uit en wikkelde zich dieper in zijn mantel. Boleslaw scheen in tweestrijd, wat te antwoorden.
„Ik had mij,” vervolgde Regnard, die in dit opzicht met de, den meeste mannen eigene lichtzinnigheid over het onzedelijke zijner betrekking tot het meisje dacht en dus niet schroomde, rondborstig voor alles uit te komen, „ik had mij sinds dat voorval te Moskou van haar gescheiden. Dat zij lichtzinnig was, wist ik vroeger reeds, doch op zulk eene wijze kon ik niet vermoeden. Het ontbinden van onze betrekking zal waarschijnlijk ook haar zelve niet onaangenaam geweest zijn. Thans echter stel ik toch belang in haar lot en nog meer in dat van ons kind. Immers, waarom zou ik ontkennen, dat ik de vader ben? Ik zal het nimmer loochenen. Nu reeds zou ik Alisette van de zorg voor dat kind ontheven hebben—want het arme wicht moet eene andere opvoeding ontvangen, dan de moeder het geven kan—wanneer het niet, zoolang de veldtocht duurt, bij haar het veiligst geweest was. Een vrouwelijke verzorgster had het toch noodig, en zoo was de moeder immers de naaste. Ik voorzag haar dus in Moskou van wagen en paarden en gaf haar overvloedig reisgeld. Thans echter wordt dit alles geheel ontoereikend; sedert de eerste dagen van onzen afmarsch heb ik niet het geringste van haar vernomen; hoe licht kan haar eenig ongeluk zijn overkomen. In mijne gevangenschap daar ginder had ik zoo mijne eigene gedachten, die men, helaas! vóór het mes op de keel staat, vooraf hier in dit krijgsgewoel, maar al te licht van zich afzet. Thans zal het mijne eerste zorg zijn, naar haar en het kind onderzoek te doen; want ik ben daarvoor verantwoordelijk, daar het op mijn aanhouden was, dat zij mij naar Rusland volgde; gij, mijne vrienden, zult mij voorzeker daarin behulpzaam zijn.”
Boleslaw zweeg in pijnlijke verlegenheid, want hij gevoelde diep, hoe hevig het vernemen der waarheid Jaromir ontroeren moest; doch het kind leefde, was zelfs in de nabijheid, en dit mocht voor den vader, die de zorg voor het schepseltje op zich wilde nemen, geen oogenblik verzwegen worden. Het was hem derhalve hoogst welkom, dat Jaromir, dien het gehoorde en de daardoor opgewekte herinneringen de tranen in de oogen joegen, opstond en met haastige schreden de plaats verliet.
„Hm! dat doet mij leed,” sprak Regnard, die de oorzaak giste; „ik kan evenwel niet begrijpen, hoe een man zoo weekhartig kan zijn.”
„Laten wij ons verheugen, overste,” hiermeê nam Boleslaw het woord op, „dat wij alleen zijn. Ik kan u helaas! met het lot der ongelukkige bekend maken.”
Hij verhaalde hierop het voorval, waarvan hij dezen morgen getuige geweest was, en dat hem thans eerst, nu hij vernomen had, dat Alisette werkelijk de moeder van het schuldelooze wezen was, met het diepste afgrijzen van deze aan waanzin grenzende ontaarding vervulde. Slechts de bedwelming, waarin de vreeselijkste ellende een gemoed moest doen wegzinken, dat nooit gewoon was, zich tot iets hoogers dan het aardsche te verheffen, gaf hem eenige verklaring en verontschuldiging van deze wandaad.
„Het monster!” riep Regnard met gloeiende verontwaardiging. „Maar waar is het kind; is het gered? Zeg mij alles!”
„Wij zullen het weinige schreden van hier in een gerusten slaap vinden,” antwoordde Boleslaw; „ik wil u derwaarts brengen.”
Hij geleidde hem naar het bivak, waar de gewonde jager, die de zorg voor het kind met de zieke weduwe eens tamboers deelde, gelegerd was. De oude soldaat stond eerbiedig op, toen hij de overste zag naderen.
„Kameraad,” stamelde deze in de hevigste gemoedsbeweging, „meer dan mijn leven ben ik u schuldig, want gij hebt mijn kind gered.”
„Zooveel had de moeder er niet voor gegeven!” antwoordde de jager. „Maar nu is het kostelijk verzorgd, heer overste! Zie hier slechts, het ligt daar en slaapt als eene kleine prinses.”
Zorgvuldig in hooi en mos gepakt, lag het in eene soort van mand, die met een lichten doek overdekt was; de weduwe van den bij Wiasma gesneuvelden tamboer zat er naast. Met diepe ontroering staarde Regnard de kleine aan en kuste haar behoedzaam op het heldere voorhoofd. Hierop wendde hij zich tot de vrouw en den jager. „Vrienden, voert God ons naar Frankrijk terug, dan kunt gij op mijne warmste dankbaarheid staat maken; ik zal vergelden, wat in mijn vermogen is. Thans ben ik arm en bloot als gij, want de Russen hebben mij uitgeplunderd. Maar houdt u aan mij; gezamenlijk zullen wij de zorg voor den kleinen engel op ons nemen. Voor het oogenblik kan ik u echter niets anders aanbieden, dan dezen dankbaren handslag.”
„Waarachtig, dat is ook het beste, heer overste,” riep de jager en sloeg duchtig toe. „Zulk eene hand, waarop men zich verlaten kan, is thans meer waard dan bergen gouds. Niet waar, gij trekt mij toch uit de sneeuw, als ik ergens blijf steken? In de laatste dagen heb ik menigeen gekend, die nog leven zou, zoo zijn kameraad niet te moe en te vertwijfeld geweest ware, om drie minuten bij hem achter te blijven en hem uit een sneeuwkuil te trekken, waarin men zich als kind honderdmaal op een dag zou hebben laten neertuimelen, om er even spoedig weer uit te springen. Op zulk eene hand, heer overste, daar rekenen wij op.—Maar goud? dat is hier niet bijster in trek. Toen wij voor vier dagen Smolensko binnentrokken, zat een kanonnier voor de poort met een klomp klinkklaar zilver, zoo groot als een kinderhoofd, en denkt gij, dat iemand er hem een brood en een flesch brandewijn voor geven wilde? Hij was blij genoeg, toen een Italiaan er hem een brokje brood zoo groot als mijne hand, en een kleinen slok uit zijne veldflesch voor aanbood, dingen met elkaar nog geen _sou_ waard. Ja, zoo veranderen de tijden, mijn kolonel; maar een fransch soldatenhart verandert nooit. Zoo denk ik er over, heer overste! Top ik sla toe! Hand tegen hand! Met mijne wonden, hoop ik, zal het dra beter gaan, en dan kunnen wij elkander wellicht nog uit den nood helpen.”
De oude zou misschien nog een uur hebben voortgesnapt, ware Regnard hem niet in de rede gevallen met de vraag, hoe hij heette en bij welk regiment hij stond; iets dat zich onmogelijk liet gissen, daar de uniformteekens bijna geheel onkenbaar waren geworden en menig vreemd kleedingstuk de soldatendracht avontuurlijk genoeg veranderd had.
„En gij blijft met de goede vrouw daar op één wagen?” vroeg Regnard verder.
„Ja zeker; zoo lang onze paarden loopen willen. Is echter het voeder nergens beter dan hier, zoo zal dat niet lang meer wezen.”
„En gij heet?”
„Jacques Desiré Pallier, heer overste! en zij is de weduwe René.”
„Goed, Pallier! Goed, madame René! Wij vinden elkander weder.—Voor heden goeden nacht, en zorgt toch, dat onze kleine warm blijft.”
Zij keerden naar het bivak terug, waar hunne vermoeidheid hen spoedig den slaap deed vinden.
HOOFDSTUK III.
Een bleek maanlicht viel door grijze wolken, de wind streek met dof gesuis over de woudtoppen en sneeuwsteppen heen, toen de krijgslieden opnieuw opbraken. Geen trom of horen verried den afmarsch. In diepe stilte, zoo luidde het bevel, maakte men zich tot den moeielijken tocht gereed. Regnard had van den maarschalk een paard ontvangen en bleef als adjudant in zijne nabijheid. Daar men een aanval te gemoet zag, marcheerde Rasinski met de zijnen aan de spits en nam de grootste behoedzaamheid in acht.
De maarschalk was in den beginne overal tegenwoordig, waar het oogenblik zijn bijzijn vereischte; nadat de trein door zijn ontzag zooveel mogelijk geordend was, geloofde hij zich naar die plaats te moeten begeven, waar men den aanval des vijands het eerst verwachten moest.
Intusschen legde men verscheiden uren door de diepe sneeuw af, zonder op eenige wijze verontrust te worden. De koude was in de laatste dagen eenigszins minder geworden, zoodat men door haar niet meer zooveel te lijden had; het scheen zelfs, dat men dooiweder verwachten kon.—De hemel, hier en daar met dunne wolken bezet, voorspelde voor het oogenblik geen nieuwe sneeuwvlagen.—Thans begon de zon in den rug van het leger de lucht te kleuren en eene matte schemering breidde zich over het doode landschap uit. Men was er reeds aan gewoon geworden, in elke diepte, in elke maar eenigszins steile kloof weggeworpen wapens, ransels, helmen, geweren, dikwijls ook kanonnen en proviandwagens te vinden, en niet zelden lagen enkele, door verzwakking of honger ontzielde soldaten daarnaast uitgestrekt. Hier echter hoopten zich deze teekenen eener vreeselijke vernieling en verstrooiing der geregelde legermassa's op eene ontzettende wijze opeen. Hoe akelig de nacht met zijn alles omhullenden sluier ook mocht geweest zijn, de dag, die aanbrak, dreigde nog schrikverwekkender te zullen worden.
Eensklaps werd de oostelijke hemel geheel ontwolkt en de juist boven den gezichteinder oprijzende zon stond donkerrood achter het leger en wierp hare stralen als een langen bloedigen stroom over de besneeuwde vlakte. De schaduwen van menschen en paarden rekten zich als zwarte reuzenbeelden tot eene onmetelijke lengte uit en kruisten elkander in duizendvoudige verwarring. Zonderling verrast wierp elk een blik terug. Sedert langer dan een week had men het gelaat der zon niet gezien, heden vertoonde het zich weder voor het eerst; maar het liefelijk beeld, dat anders veerkracht en vreugde zelfs in de borst der versaagdsten uitstort, verwekte thans slechts schrik en huivering.
Als een gloeiend oog toch stond het daar, onder de wenkbrauw van dreigend saamgepakte wolken, en het scheen zijn zwarten sluier slechts te hebben weggeschoven, om met een vreeselijker blik op het tooneel van dood en verderf, hetwelk de aarde aanbood, neder te zien.
„Zoo ging de zon bij Mosaisk op,” fluisterde Jaromir Rasinski in het oor; „de keizer noemde haar die van Austerlitz.”
Rasinski wilde deze toespeling opzettelijk niet opmerken. „Ik geloof, dat wij een helderen dag zullen hebben,” hervatte hij daarom; „zoo de wind niet omslaat...”
Een doffe kreet van angst en verbazing, die zich voor en om hem verhief, deed hem in het midden zijner rede afbreken. Verwonderd sloeg hij het oog op en overzag nu met een enkelen blik de oorzaak der ontzetting, die de soldaten had aangegrepen. Men had juist een kleinen heuvel bestegen en zag thans de gansche vlakte voor zich uitgebreid. Daar lagen, zoover het oog reikte, de lijken van menschen en paarden, de overblijfsels van verbrijzelde veldstukken, wagens en wapenen in een zwarten mengelklomp op het witte sneeuwveld uitgestrekt.
Het was het slagveld, waar de onderkoning twee dagen vroeger van alle zijden was aangegrepen en zich zoo moedig verdedigd had.
Eene diepe stilte heerschte in de gelederen der soldaten; het vreeselijk gezicht had zich geheel onverhoeds als een reusachtig spooksel aan hunne blikken vertoond en drong, alle warme levenskracht versteenend, tot diep in hun boezem door. Zelfs geen ademtocht liet zich hooren; het was alsof niemand het wagen durfde, het plechtige zwijgen van dit lijkenveld, waar de dood zelf in de armen des winters verstijfd was, door een menschelijk geluid af te breken. Ook de maarschalk toonde eene hevige ontroering; doch slechts een oogenblik. In het volgende liet hij reeds de arendsblikken des veldheers over het landschap rondzweven en zocht den vijand in de stelling, waar hij hem met het meeste voordeel kon afwachten.
„Soldaten,” dus sprak hij de scharen aan, die dichter en dichter de hoogte opdrongen, „soldaten, hier hebben onze kameraden een dag des roems gevierd en zich midden door den vijand den weg gebaand. Hun voorbeeld strekke u ter navolging! Wellicht doet het geluk ons heden denzelfden roem verwerven.”
Ook Rasinski bleef in zijne gelaatstrekken de mannelijke vastheid behouden, die hem, uiterlijk ten minste, nimmer verliet. „Vrienden,” sprak hij tot de zijnen, „die hier neerliggen stierven een roemrijken dood. Deze sneeuw is met edel bloed gekleurd. Het moet uwe woede ontvlammen, u tot wraak aansporen. Denkt daaraan, wanneer ik u den vijand toonen kan.” Terwijl hij sprak flikkerde de heldenmoed uit zijne donkere oogen. Fier verhief hij het hoofd en onwillekeurig sloeg hij de hand aan het gevest van zijne sabel. Als een bliksemstraal schoot het vuur uit zijne oogen in het hart der krijgslieden; onder zulk een aanvoerder kon de moed niet bezwijken. De koude keten van den schrik, die een blik op dat zwijgend veld des doods om het hart had geslagen, was door dien eenen heldenblik als versmolten, en met nieuwe veerkracht repten zich de wieken van den moed.
De trein zette zich in beweging. Den zacht hellenden heuvel langzaam afdalende, kwam men het slagveld, dat men van de hoogte slechts in zijn geheel had kunnen overzien, allengs nader en bevond zich eindelijk te midden van de teekenen der verwoesting. De maarschalk reed aan de spits en overzag ernstig, maar kalm het veld des roems en des doods. Het begon thans kenbaarder te worden en liet de stellingen, welke de troepen gedurende den slag hadden ingenomen, duidelijk onderscheiden. Regnard reed naast Rasinski en wees hier en daar de dooden aan, uit welke men kon opmaken, welke regimenten hier gevochten hadden. „Daar stond de veertiende divisie,” riep hij en wees op eene plaats aan den weg, waar de blinkende platen van verbrijzelde chakots het regimentsnommer lieten onderkennen.
„Daar moet de garde van Italië hebben gevochten,” hervatte Rasinski, „want daar liggen vele dooden. Waar mogen de levenden zich thans wel bevinden?”
Deze laatste woorden sprak hij met eene gesmoorde stem, daar hij zijne bekommering niet verraden wilde; maar een blik, dien hij op Regnard wierp, gaf duidelijk genoeg te kennen, wat hij dacht.