1812: Historische roman

Part 75

Chapter 753,865 wordsPublic domain

Rasinski droeg dit verlies met die mannelijke kracht, waardoor hij steeds gewoon was, zich boven de gevoeligste slagen van het lot te verheffen; Jaromir benijdde in zijne innerlijke verbrijzeling hen, die van den last des levens bevrijd waren; Boleslaw gevoelde de diepste smart van broederlijke vriendschap, maar was aan het knagen van verborgen wonden reeds gewoon geworden; zijn kalm gelaat verried weinig.

Zoo gaf hij zich dan ook thans aan stille mijmeringen over en liet zijne blikken over den trein zweven, die zich voor hem in den grauwen morgennevel verloor; de wagens der gekwetsten vormden de achterhoede. Een bijna onmerkbaar opstijgende bergrug doorsneed den weg, maar was op zijne helling met sneeuwijs bedekt, zoodat de vermoeide paarden, niettegenstaande de vloeken en zweepslagen der voerlieden, de onbeduidende hoogte niet konden beklimmen. Zoo moesten de wagens en kanonnen halt houden, en terwijl ruiters en voetvolk voorbijtrokken, bleven zij terug. Intusschen waren de meeste voertuigen toch gelukkig genoeg, dezen hinderpaal te boven te komen en, daar het ijs brak, kostte dit ook minder moeite aan de later nakomenden. Reeds waren de laatste wagens, waartoe Boleslaw mede behoorde, aan de beurt gekomen, toen een van deze, die met vrouwen en pakgoederen beladen was, trots alle inspanning van paarden en geleider in zijn voortgang gestuit werd. De wachtenden vloekten en tierden en drongen er op aan, dat men dit voertuig, dat alle andere ophield, zoude achterlaten. Men zoude het van ter zijde zijn voorbijgereden, doch reeds had men de minst steile punten van den weg uitgezocht, en uit dien hoofde zoude elke poging, om de hoogte op eene andere plaats te bestijgen, oneindig bezwaarlijker geweest zijn. Zoo martelden de twee ellendige paarden zich dan te vergeefs af, om de gladde helling te beklimmen; menschenhanden konden hier ook niet van dienst zijn, want op de wagens bevonden zich slechts krachtelooze zieken en gekwetsten en zelfs de voerlieden behoorden onder dit getal. Eindelijk, ter halver hoogte van den heuvel, zonken de gekwelde rossen uitgeput neder, en daar zij den wagen niet meer konden houden, rolde deze terug en sleepte de paarden mede naar beneden. Een luide angstkreet werd aangeheven, zoowel door hen, die zich op de wagen zelve bevonden, als door de personen, die volgden en door het omlaag rollend voertuig vreesden verpletterd te worden. Echter werden slechts de eersten in gevaar gebracht; want hun span gleed zijdelings af, geraakte met het eene wiel in eene diepe groeve, stiet met het andere op een ijsblok en sloeg krakend om.

Reeds hadden eigen nood en zucht naar zelfbehoud het menschelijk gevoel zoo verstompt, dat de overigen meer vreugde over het uit den weg ruimen van dien hinderpaal voor hun verder voortkomen gevoelden, dan zij medelijden met het lot hunner kameraden en der hulpelooze vrouwen, die op den verbrijzelden wagen gezeten hadden, aan den dag legden. Deze echter hadden zich spoedig van den eersten schrik hersteld en ijlden, hun eigen voertuig onbruikbaar ziende, op de naaste wagens toe, ten einde daarop eene plaats te vinden. Doch zij werden met geweld teruggewezen, daar er werkelijk geen mogelijkheid bestond om hen op te nemen.

Toen Boleslaw gewonde krijgers met verbittering afgewezen en kermende vrouwen met zweepslagen verdreven zag, ging hem die jammer met gloeiende priemen door het hart. „Vrienden,” riep hij, zich oprichtende, „laat uwe kameraden niet in den steek! Oude, kom hier, wij willen u opnemen,” dus wendde hij zich tot een grijzen, zwaar gekwetsten grenadier; „een van ons allen kan van tijd tot tijd te voet gaan.—Ik wil de eerste zijn, die het beproeft.” Met deze woorden reikte hij den ouden krijgsman de hand en hielp hem, terwijl hij zelf afklom, op den wagen.

Dit voorstel werkte; men besloot op elken wagen één gekwetste op te nemen. Echter was het getal der hulpbehoevenden grooter dan dat der wagens, en eene jonge, zorgvuldig in een pelsmantel gewikkelde vrouw, met een ongeveer driejarig kind op den arm, werd overal teruggewezen, terwijl haar beide gezellinnen reeds plaats gevonden hadden.

Zal de moeder om haar kindswil in deze wildernis versmachten? dacht Boleslaw en een koude rilling liep hem over de leden. Doch nog grooter afgrijzen beving hem, toen hij zag, hoe de rampzalige haar kind in de sneeuw slingerde en, van dien last bevrijd, alléén op den wagen vóór hem toesnelde. „Zoo neemt dan mij alleen op,” riep zij op een doordringenden toon van angst; „dan redt gij ten minste nog één leven!”

Deze onnatuurlijke daad eener moeder vervulde echter zelfs de harten der ruwste mannen met schrik en afgrijzen. Boleslaw sprong op het weenende kind toe, dat reeds half in de sneeuw verzonken was, en hief het driftig omhoog. Doch welk een onbeschrijfelijk smartelijk gevoel verscheurde hem de borst, toen hij in het kleine wezen Alisette's pleegdochter en in de in radelooze vertwijfeling om redding smeekende deze zelve herkende. „Almachtige God!” riep hij geheel verpletterd; „dat is Uwe straffende vergelding!”

Door deze daad der ongelukkige was het gevoel des medelijdens in de borst der krijgslieden geheel uitgedoofd. In plaats daarvan verstrekte het hun tot een gruwzame voldoening, deze hemeltergende wandaad op staanden voet te kunnen wreken.

„Breng ons het kind, het arme kind, dat zullen wij redden!” riep een jager van den wagen, dien Alisette vruchteloos trachtte te beklimmen, terwijl hij de rampzalige moeder met harde vuistslagen terug dreef. Boleslaw gaf aan deze uitnoodiging gehoor, bijna zonder te weten, wat hij deed. De jager strekte de armen naar hem uit, hij reikte het kleine wezen over, en de ruwe baardige soldaat nam het op zijn schoot en kuste en troetelde het vriendelijk. Alisette was inmiddels in waanzinnigen angst op den volgenden wagen toegevlogen en zocht daar door kermen en handenwringen het medelijden op te wekken. Maar een diep afgrijzen had zich van alle harten meester gemaakt en een oude grenadier duwde haar ook hier met een donderende stem de woorden toe: „Weg, ravenaas! Loop te voet door de sneeuw!”

„O, heb medelijden met mijne jeugd!” jammerde de verstootene en wierp zich op de knieën in de sneeuw neder.

Thans trad Boleslaw op haar toe, legde de hand op haar schouder en sprak ernstig, maar vriendelijk: „Bedaar, Alisette, draag uw lot met geduld en onderwerping. Gij zijt niet verloren; ik zal u leiden en ondersteunen, zooveel ik kan.”

De ongelukkige, die nog immer op de knieën lag, had hem gedurende deze woorden sprakeloos en met smeekende blikken aangestaard; eerst toen hij uitgesproken had, scheen zij hem te herkennen.

„Hoe?” riep zij met verwrongen wezenstrekken. „O, gij kondt zoo deemoedig om een lied smeeken in mijne goede dagen! En nu wilt gij mij aan een nameloos lijden prijsgeven! Ik zou in deze wildernis omkomen!”

Driftig sprong zij op, stortte wederom op den wagen toe, waar het kind zich sidderend aan de borst des jagers vastklemde, en eer men haar voornemen nog zelfs vermoeden kon, had zij het onschuldige wezen opnieuw aangegrepen, slingerde het andermaal op den grond en riep: „Laat het hier, het weet nog niet hoe schoon het leven, hoe vreeselijk de dood is; redt mij, mij moet gij redden, ik weet, hoe schoon de wereld is, ik heb betere dagen gekend!” Met krampachtige inspanning wilde zij zich nu aan den wagen vastklemmen en scheen zelfs de stooten en slagen niet te achten, waardoor de ruwe vuist des jagers haar trachtte terug te houden. „Weg, weg, giftige adder!” riep deze, in woede ontbrand; „weg slang! wie u opneemt, laadt zich Gods toorn op den hals. De wolven mogen u hier vaneenscheuren, gij, erger dan eene wolvin.”

Tegelijk brak hij met alle inspanning van krachten en door zijne buurman ondersteund de vastgeklemde handen met geweld open en wierp haar van zich, zoodat zij bedwelmd op den harden grond nedertuimelde.

Boleslaw had intusschen het weenende, thans ook door den ruwen val bloedende kind ten tweede male in de armen genomen en gaf het opnieuw aan den ouden soldaat over. Toen hij Alisette als verpletterd, met loshangende haren, ruggelings op den grond zag uitgestrekt, kwam hem hare ellende toch nog grooter voor dan hare waanzinnige misdaad. Hij naderde haar en richtte haar op. Toen zij van hare bedwelming bijkwam en gewaar werd, dat het andermaal Boleslaw was, die haar met mannelijken ernst moed insprak, wierp zij zich buiten zich zelve van angst voor hem neder, omklemde zijn knieën en kermde: „Gij _moet_ mij redden! Gij kunt mij niet aan mijn lot overlaten! Ik laat u niet los, eer gij zweert, mij te redden!”

Zij hield zijne voeten zoo vast omstrikt, dat hij, door zijne wonden verzwakt, niet bij machte was zich los te rukken. Vergeefs riep hij haar toe, dat zij bedaard blijven en opstaan zou: in hare verbijstering hoorde zij niets meer. Intusschen waren de wagens langzamerhand vooruit geraakt; twee hadden de hoogte reeds bestegen, die, waarop Boleslaw zijn plaats had, was alle zwarigheden ook reeds te boven; vier slechts waren nog achter en hielden eenige oogenblikken rust. Het werd hoog tijd, dat zij, die zich uit medelijden hadden aangeboden, om beurtelings een eindweegs te voet te gaan, hun weg voortzetten. Deels om zich bij den officier aan te sluiten, wiens hoogere rang hun onwillekeurig vertrouwen inboezemde, deels ook om van het schrikwekkende tooneel getuigen te zijn, waren vijf of zes dezer krijgslieden Boleslaw genaderd. Daar deze thans door de wanhopige zoo vast omklemd werd, dat hij niet in staat was zich los te scheuren, grepen zij toe, trokken de ongelukkige met geweld van hem af en slingerden haar in de sneeuw terug. „Voorwaarts, heer officier,” riep een jong soldaat, „voorwaarts, anders halen wij de wagens niet meer in. Het vrouwspersoon heeft immers gezonde voeten, zij kan beter voortkomen dan wij; kom, kom!” Dit zeggende greep de jongeling hem bij den arm, terwijl een dragonder hem van achteren voortduwde en zoo sleepte men hem mede. Bij zijne verzwakte krachten had dit akelige tooneel hem zoo hevig geschokt, dat hij zich nauwelijks kon staande houden. Echter wendde hij zich nog eenmaal om en riep aan de radelooze, die in vertwijfeling op de aarde rondkroop, de woorden toe: „Verlies den moed niet, ongelukkige, en draag, wat het lot over u beschikt heeft.”

Doch zij was doof voor deze bemoedigende woorden, die van hare, slechts voor zinnelijke aandoeningen vatbare ziel matigden, geduld en beradenheid vorderden. Wel is waar met innerlijk afgrijzen, maar toch in de waanzinnige verblinding, die de oogen met geweld voor de mogelijkheid van een dreigend onheil toesluit, had zij de jammeren van dezen oorlog van dag tot dag om zich heen zien aangroeien. Dat ze eindelijk ook haar zouden bereiken, deze akelige gedachte had zij altijd zoo verre van zich verwijderd gehouden, dat zij thans nu dat oogenblik daar was, alle kracht miste, om wederstand te bieden. Niets ware nog verloren geweest, wanneer zij in de wezenlijk harde noodzakelijkheid, om zich aan drukkende bezwaren te onderwerpen, niet reeds een onvermijdelijken ondergang gezien had. Zoo richtte zij zich zelve te gronde; de vreeselijke Nemesis eener onzedelijke gezindheid, die van het leven slechts genot verlangde en ook dat alleen met alle krachten en alle middelen had nagejaagd, trof thans haar hoofd met verpletterende zwaarte. Op dagen van lijden en tegenspoed was zij niet voorbereid; hier ontzonken haar de krachten, zij had slechts tranen en klaagtonen, die door het hart sneden. „Hulp, erbarmen, redding!” kermde zij en wrong de handen, doch zij miste de kracht, om tot het besluit te komen zelve iets tot die redding bij te dragen. Eerst toen de laatste wagen zich nu ook in beweging zette, de paarden onder wild geroep en klemmende zweepslagen de hoogte naderden en het denkbeeld, dat zij nu geheel verlaten was, haar met helschen angst vervulde, toen eerst richtte zij zich op en ijlde radeloos, met loshangende haren de van daar trekkenden na. In hare razernij wilde zij zich aan den laatsten wagen vastklemmen; maar de soldaten, die reeds vreesden, dat hunne paarden bezwijken zouden, dreven haar met sabels en bajonetten terug en brachten haar diepe, bloedige wonden toe. Door doodsangst gedreven, omvatte zij thans een der, door de koude en op de gladde ijsbaan vastgeraakte achterraderen en liet zich mede voortslepen; doch daar deze last de reeds uitgeputte dieren nog meer vermoeide, kreeg een kurassier zijn pistool te voorschijn en dreigde vuur te geven, wanneer zij niet losliet. Door den onverhoedschen schrik verlamd, zonken hare handen machteloos neder en kermende en krimpende bleef zij op de plaats liggen. Zoo zag haar Boleslaw, toen hij den laatsten blik terugwierp; hij was met zich in tweestrijd, of hij nog eenmaal zoude omkeeren, doch zijne kameraden trokken hem met geweld voort en zijn jonge geleider riep uit: „Laat haar, laat haar! De moeder die haar kind wilde ombrengen, mag men niet aanraken, anders laadt men den vloek des hemels op zich. Laat haar, het is de welverdiende straf, die haar treft.”

Weldra vernam Boleslaw nog slechts eenige hartverscheurende jammerkreten; doch ook deze werden allengs flauwer en flauwer en stierven eindelijk geheel weg in het gebulder van den storm, die zich met onstuimige woede over de vlakte verhief en de glinsterende sneeuw in dichte dwarrelingen deed opstuiven.

HOOFDSTUK II.

Bij Korithnia werd het leger door den nacht overvallen; men betrok het bivak of zocht tusschen de bouwvallen van het ellendige dorpje eene plaats te vinden. Rasinski had, als gewoonlijk, door zijne onvermoeide zorg, door zijn aanzien en zijne behendigheid nog zooveel voor de zijnen gewonnen, dat zij in vergelijking met anderen een gelukkig lot troffen. Maar nauwelijks hadden zij de vermoeide leden om de legervuren uitgestrekt, of een donderend gekraak deed zich in de nabijheid hooren en eene hagelbui van kogels suisde boven hunne hoofden door de lucht.

„Wij worden aangevallen,” riep Rasinski en sprong haastig op; „te wapen, spoedig te paard!”

In hetzelfde oogenblik zat hij zelf in den zadel en begon zijne manschappen reeds te ordenen, toen de maarschalk Ney in vollen galop kwam aanrennen en hem toeriep:

„Overste, verken met uw volk de linkerflank des legers en breng mij dadelijk bericht, wanneer gij op den vijand stoot.”

De maarschalk rende verder de legerplaats op en ordende en regelde de verschrikte soldaten. Rasinski, aan de spits zijner kleine, doch moedige schaar, trok in de duisternis voort, ten einde den vijand op te zoeken, die zich zoo vreeselijk had aangekondigd. Het bevreemdde hem wel eenigszins, dat diens artillerie slechts één salvo had gegeven en nu zoo plotseling zweeg, doch de gevechten op dezen terugtocht, die meestal bij nacht, in bosschen en op ongebaande sneeuwvelden geleverd werden, waren zoo rijk aan zeldzame voorvallen en ontmoetingen, dat men bijna elken dag iets zag gebeuren, dat tot hiertoe in de geschiedenis der krijgvoering ongehoord was.

Eene dicht aan de legerplaats grenzende hoogte bereikende, meende Rasinski op den witten sneeuwgrond eenige zwarte massa's gewaar te worden. „Is dat struikgewas of zijn het troepen?” vroeg hij Jaromir.

„Nog laat zich niets onderscheiden,” antwoordde deze.

„Er op los dan, in Gods naam,” beval Rasinski en reed vooruit. Spoedig echter helde de grond naar eene diepte af, langs welker steilen rand men niet kon afdalen; men moest dus den loop van dezen volgen. Daar stoven plotseling vijftien tot twintig kozakken als opgejaagde vogels uit eene kromming der kloof te voorschijn en beklauterden met hunne kleine vlugge paarden de minder steile hoogte aan de overzijde. Meer om hen te verschrikken, dan wijl men hun schade kon toebrengen, liet Rasinski vuur geven; vliegend renden zij over de vlakte voort en verdwenen in het duister. Eenige minuten later geraakten ook de zwarte massa's op het sneeuwveld in beweging en men vermoedde hieruit, dat het eene grootere afdeeling der kozakken was, die op het bericht, dat de kleine verstrooide bende van de aannadering des vijands overbracht, terugtrok.

Met behoedzaamheid deed Rasinski de zijnen thans op eene minder steile plaats afdalen. Hier ontdekte men spoedig de oorzaak van het gedruisch, dat men voor een aanval der artillerie had gehouden. Men vond namelijk een aantal kanonnen en veldstukken, die vernageld en bij gebrek van middelen tot vervoer hier achtergelaten waren. Een weinig verder werd men de overblijfsels van verbrijzelde proviandwagens en kruitkarren gewaar. Waarschijnlijk hadden de zoo even gevluchte kozakken verscheidene dezer voertuigen in de lucht doen springen en waren ze in hun voornemen, om ook de overige te vernielen, slechts door Rasinski's komst gestoord geworden.

Deze laatste was verheugd, de ware oorzaak van het alarm te hebben opgespoord, en wilde derhalve in allerijl met zijne manschappen terugkeeren, ten einde den maarschalk hiervan bericht te brengen. Toen hij echter door den hollen weg voortreed, zag hij boven op de hoogte, ongeveer dertig schreden voor zich uit, een man in vollen loop voortijlen. Vermoedende, dat het een Rus zijn zou, riep hij hem in de volkstaal aan en beval hem, te staan. De vluchteling scheen eene poos besluiteloos, doch vervolgde weldra zijn loop met verdubbelde snelheid. Daar echter de hoogte hier niet steil was, hadden Rasinski en Jaromir die spoedig beklauterd, en twee ruiters volgden hen, ten einde den Rus, die wellicht van de nabijheid des vijands belangrijke narichten kon geven, het ontkomen onmogelijk te maken. Deze liep wat hij kon, doch na weinige schreden zonk hij uitgeput in de diepe sneeuw neder en werd door zijne vervolgers gegrepen. Tot Rasinski's niet geringe verwondering riep de gevangene, terwijl hij zich overgaf, in het fransch uit: „Is er iemand onder u, die fransch spreekt?”

„Bij den hemel, die stem heb ik meer gehoord,” antwoordde Rasinski in dezelfde taal; „wie zijt gij?”

„Rasinski, gij zelf? Is het mogelijk?” riep de gevangene en strekte jubelend de armen naar hem uit. „Ik ben Regnard, herkent gij mij niet?”

„Regnard! In 's hemels naam, hoe komt gij hier?” vroeg Rasinski met verbazing.

„De historie is kort en bondig, maar stichtelijk is zij niet,” hervatte Regnard; „gij zult ze uitvoeriger vernemen, dan u lief is; doch ik raad u, hier niet te vertoeven, maar eene veiliger plaats op te zoeken. In vertrouwen gezegd, er zijn meer Russen hier in de nabijheid, dan boomen in deze dennenbosschen. Maar hoe komt gij hier?”

„Met Maarschalk Ney uit Smolensko; ons nachtkwartier is nauwelijks vijfhonderd schreden van hier.”

„Laten wij het dan zoo spoedig mogelijk trachten te bereiken. Onder het gaan zal ik u alles vertellen.”

Jaromir bood den overste zijn paard aan, doch deze wees het van de hand en stapte tusschen hem en Rasinski driftig voort.

„Gij weet,” dus begon hij, „dat ik met den onderkoning van Italië Smolensko uittrok. Gisteren werden wij drie uren van hier door de Russen aangegrepen en ik geraakte gevangen. De kozakken zweepten mij met den knoet voor zich uit, tot ik een russischen generaal aantrof, dien ik in het Fransch toeriep, dat hij mij van deze schandelijke mishandeling bevrijden zoude. De hond lachte mij in mijn gezicht uit en was van oordeel, dat de knoet der kozakken naar stand of rang van een soldaat niet behoefde te vragen; ik moest mij maar geduldig in mijn lot schikken.”

Rasinski knarste van woede op de tanden. „Die beulshonden!” riep hij grimmig uit; „doch ja, zij, die zelven met zweepslagen en voetschoppen moeten geregeerd worden, kunnen ook de eer van een dapper vijand niet ontzien. Verder, verder!”

„Men zou mij wel gaarne uit den weg geruimd hebben, naar Tobolsk of Irkutsk, maar gelukkig of ongelukkig had men te weinig gevangenen gemaakt, om een transport aan te vullen, en ik werd dus door de kozakken meê rondgesleept. Voor tien minuten heeft een dozijn dier kerels hier eene, door ons in den steek gelaten batterij in de lucht doen springen; zij moeten echter door u of anderen zijn gestoord geworden, althans de helden kwamen, wat hunne kleine katten door de sneeuw loopen konden, bij de pulk, dat daar in het bosch gelegerd is, terug, en meldden, dat de vijand in vollen aantocht was. De kozak is echter slechts dapper tegen een vluchtenden, vermoeiden, weerloozen vijand. Laat men hem de tanden zien, dan zet hij het op een loopen. Dat deden ook de schurken daarboven, en zoo maakte ik van het oogenblik van verwarring gebruik, om een heenkomen te zoeken. Daar viel ik in uwe handen! Nu, uw gevangene blijf ik, Rasinski; gij behoeft niet te vreezen, dat ik u ontsnappen zal.”

„Maar gij spreekt daar van een gevecht, dat de onderkoning heeft moeten leveren. Hoe is het daarmede toegegaan?” vroeg Rasinski bekommerd.

„Ik reed,” vervolgde Regnard meer ernstig, „aan de zijde van den prins; wij gaven ons aan onze sombere gedachten over, die door de akelige wildernis om ons heen gedurig nieuw voedsel bekwamen. Ongeveer twee uren van Krasnoe kwam er eensklaps eene ongewone beweging onder de verstrooide, maar talrijke soldaten, die buiten rij en gelid, aan hunne eigene willekeur overgelaten, om ons heen marcheerden. Zij pakten zich opeen, vormden een klomp. Thans werden wij opmerkzaam. Daar zijn de hoogten voor ons plotseling met zwarte massa's gekroond en met schrik zien wij overmachtige strijdkrachten tusschen ons en het vaderland oprijzen, die ons den uitweg uit de sneeuwwoestijnen van Rusland met ijzeren deuren dreigen te versperren. Doch wat elk soldatenhart nog heviger ontroeren moest, deze onbeklimbare muur stapelt zich tusschen ons en onzen grooten keizer, voor den vice-koning tusschen vader en zoon op. Thans eerst ontwaren wij, dat de sneller tred onzer paarden ons korps wel omstreeks een uur achter ons heeft doen blijven, dat de weg slechts van uitgeteerde, krachtelooze, ongewapende vluchtelingen wemelt. Op hetzelfde oogenblik komt een russisch officier aanrennen en eischt, dat wij ons overgeven. Twintig duizend Russen sluiten u den weg, roept hij, vijftig kanonnen staan gereed u te verpletteren; de keizer met zijne garde is volkomen geslagen en wellicht op dit oogenblik reeds in onze handen.—Ik bespeur, dat gramschap en woede den onderkoning in zijne spraak belemmeren en hem beletten, dadelijk te antwoorden. Driftig neem ik voor hem het woord op: „Weg met u! Hebt gij twintig duizend man, wij hebben er tachtig duizend. Een fransch veldheer geeft zich niet vóór den slag over.” De Rus rijdt terug. Binnen twee minuten zijn de heuvels voor en ter zijde met batterijen beplant. Het bliksemt en eene dichte rookwolk stijgt boven de witte sneeuw op, alsof de muilen van den ijzigen Hekla om ons gaapten; een hagel van kartetsen en granaten klettert op ons neder. De ongewapende vluchtelingen pakten zich opeen, als eene schuwe kudde, die door den wolf bedreigd wordt. De onderkoning is buiten zich zelf over de verwijdering van zijn korps; hij beseft, dat hij zich aan de spits moet stellen, en toch kan hij niet besluiten, de hulpelooze schaar aan haar lot over te laten.

„De chef van zijn staf, generaal Guilleminot, drong er echter op aan dat hij zou terugkeeren, terwijl wij de onthutste manschappen bijeenverzamelden en tot tegenstand aanmoedigden. Onder de verstrooiden waren eene menigte officieren, oversten, ja zelfs generaals, die allen te voet gingen. Dezen nemen het commando over de in een oogenblik tijds gevormde compagnieën op zich. De generaal wordt kapitein, de overste luitenant, deze laatste treedt als soldaat in het gelid. Ieder behelpt zich met het wapen, dat hij bewaard heeft; slechts weinigen hebben geweren, de meesten alleen de sabel, die zij op het bivak tot houtkloven gebruikten, velen enkel den knuppel, waarop zij nog voor eenige minuten hun afgemarteld lichaam moesten voortsleepen. Maar de moed en het ontvlamde gevoel van eer vergoedden alles. Zoo rukten wij, terwijl de onderkoning terugsnelt, onverschrokken tegen den vijand op.