1812: Historische roman

Part 74

Chapter 743,985 wordsPublic domain

Dolgorow keerde zich trotsch om. Hij voelde zich inwendig getroffen, ja, hij ondervond voor de eerste maal in zijn leven de stille, geheime onrust van het kwaad geweten. Doch juist daarom kantte zich zijn verhard gemoed daartegen aan, als tegen een schandelijke vlucht, en zocht hij zijne ontroering achter verdubbelden trots te verbergen. Met een spottenden lach hernam hij derhalve: „Meent gij? Ik denk u evenwel te toonen, dat men _mijn_ toorn en _mijne_ gerechtigheid nog minder ontkomt.”

In dit oogenblik liet zich opeens van beneden een dof geraas en luid geschreeuw van verwarde stemmen hooren.

Allen stonden verrast en luisterden; het gedruisch kwam nader.

„Wat is daar te doen!” riep Dolgorow. „Gaat een van allen naar beneden en ziet, wat dit misbaar beteekent.”

Doch toen een der bedienden dit bevel wilde gehoorzamen, hoorde men de menigte reeds met geschreeuw de trappen opstormen. Een vlammende gloed toonde aan, dat zij met lantaarnen of fakkels kwamen.

Dolgorow snelde thans, ongerust geworden, zelf naar de trap. Het geschreeuw der aanstormenden wies met ieder oogenblik. „Hierheen, hier!” riep eene stem; „volgt mij.”

Lodewijk herkende de stem van Willhofen. Een voorgevoel, dat hij redding aanbracht, doordrong zijn borst. Doch nauwelijks was deze gedachte bij hem opgekomen, toen een schot en dadelijk daarop een tweede, gevolgd van een vreeselijk woedend geschreeuw, zich liet hooren.

Dolgorow, op wien de schoten gemunt waren geweest, keerde haastig terug; hij hield de hand aan zijne gekwetste zijde, doch moedig zwaaide hij nog zijne sabel en riep de bedienden te hulp. Deze waren ongewapend en aarzelden.

„Vecht of ik stoot u neder,” brulde Dolgorow en stampte met den voet, dat de bodem dreunde. De verschrikte slaven lieten Lodewijk en Bernard los en snelden naar hun meester. Daar vervulde opeens een helder rood fakkellicht het geheele gewelf, en Lodewijk zag den trouwen Willhofen, die, in zijne rechterhand eene sabel, in de linker eene helder lichtende fakkel zwaaiend, op de bovenste trede van den trap verscheen. Snel drong hij voorwaarts, eene menigte menschen met knuppels en stokken achter hem. Woedend stormden zij op Dolgorow en de zijnen aan; dezen gingen op de vlucht en vloden langs den gang. Dolgorow wilde standhouden, doch hij werd overweldigd en ter aarde geworpen; de schaar drong voort en voordat Lodewijk zich bezinnen kon, drukte Willhofen hem de hand, en schudde haar en riep juichend uit: „Wij zijn gered, mijnheer!”

Lodewijk viel den trouwen dienaar om den hals en hield hem dronken van vreugde in zijne armen geklemd.

Bianca knielde op den grond; het hoofd van haar gevallen broeder lag op haar schoot. Zij vouwde de handen over zijn bleek, bloedig gelaat. Hare bevende lippen waren niet bij machte eenig geluid voort te brengen, doch in haar ten hemel gericht oog gloeide de reinste dankbaarheid aan den Algoede. „Broeder, open gij slechts uwe oogen weder!” stamelde zij na eenige oogenblikken en trachtte zijn neergezonken hoofd op te richten. Daar keerde zijn bewustzijn terug. Hij sloeg zijne oogen op en vroeg: „Waar ben ik?”

„Aan het hart uwer zuster,” riep Bianca met den juichtoon der vreugde en hare hijgende borst vermocht nauwelijks te ademen.

Lodewijk had zich tot haar nedergebogen en hielp haar den gekwetste weder oprichten. Hij veegde hem met zijn zakdoek het bloed van het voorhoofd en vroeg: „Smart de wonde u? Is zij diep?”

„Neen, mijn beste vriend,” zeide Bernard, „ik voel mij zeer verruimd en wel. Doch wat is er gebeurd?”

„Ik weet het zelf nog nauwelijks,” hernam Lodewijk, „doch eerst moet gij geholpen worden.” Zijn vriend en zijne zuster voerden hem naar zijne kamer. Hier wiesch Bianca hem zelve zijne wonde en verbond die met haren zakdoek. Ondertusschen trad Willhofen binnen. Lodewijk wees op dezen en zeide: „Zie hier onzen redder; doch hoe hij het geworden is, heeft hij ons nog niet verklaard.”

„Waarachtig, ik weet het zelf nauwelijks,” hernam Willhofen. „Ik stond buiten op de brug en wachtte op u, toen ik opeens een luid geschreeuw en dadelijk daarop een schot hoorde. Daar keerde ik mijn paard om en zag de bedienden uit de wachtkamer naar de slede loopen. Nu wist ik, wat er gaande was. Onzeker, of ik vluchten of blijven zoude, zag ik van buiten het leven mede aan. Toen echter de kerels de trappen opvlogen en de poort ledig werd, kwam de gedachte bij mij op: de gevangene Franschen moeten ons helpen! Als de wind vlieg ik het plein op; de kerel met zijn oud geweer, die voor de deur van het hek, waar zij opgesloten zaten, op schildwacht stond, dacht om geen aanval; want van het paard te springen, hem op den grond te werpen, hem zijn geweer te ontrukken en met een kolfslag het roepen te beletten, was het werk van een oogenblik. De deur is van buiten alleen gegrendeld; ik ruk de grendels los; spring er in, in de tweede deur steekt de sleutel, ik draai ze om en de gevangenen zijn vrij. Snel raap ik het beetje fransch dat ik nog van mijne jeugd onthouden heb, bij elkander en vraag hun, of zij den moed hebben, zich te bevrijden? Ik behoefde het voor den duivel geen tweemaal te vragen. „Zoo komt dan,” riep ik, en zij volgden mij naar het plein. Toen ik hen hier in de open lucht had, bracht ik hen bij een hoop hout, die rechts om den hoek lag, beval hun, hier ferme knuppels te nemen en mij dan naar de poort te volgen. Ondertusschen loop ik vooruit, sluit de buitenpoort, opdat mij de knapen niet vlak voor mijn neus in het bosch naar den duivel zouden loopen en ons hier in den steek laten, pak uit de kachel in de wachtkamer een paar brandhouten en trommel en wenk hen toen naderbij. Zij vliegen als de wind toe, mij na, de trappen met gehuil en geschreeuw op en—het overige weet gij immers. Thans zijn wij meester van het slot. Maar wij zullen toch weldoen met nog in dit uur af te trekken, want men kan niet weten wat het volgende zal opleveren.”

„Brave kerel!” riep Bernard, „gij zijt een Duitscher gebleven, midden in Ruslands woestijnen. Ik voel mij sterk genoeg, mijne vrienden! Laat ons haast maken, om in het vrije veld te komen.”

„De slede is nog aangespannen,” antwoordde Willhofen, „wij kunnen oogenblikkelijk voort. Maar hoor, wat is dat?”

Men hoorde aan de poort kloppen en daarbuiten zweepslagen en het schellengerinkel van een slede.

Allen schrikten.

„Slechts bedaard! Wij zullen zien, wie het is,” zeide Willhofen, „zijn er velen, dan laten wij hen niet binnen. Tegen weinigen hebben wij de overmacht, want onze vijanden hier zijn onschadelijk gemaakt.” Met deze woorden ging hij naar buiten, om uit een der voorste vensters te zien, wie er was.

Binnen drie minuten keerde hij terug en berichtte: „Er is geen gevaar bij, uwe hoogheid! Het is vader Gregorius.”

„Dien zendt de hemel zelf mij toe,” riep Bianca. „O, die brave grijsaard, die nacht noch winter ontziet, om aan mijne bede, zoo snel hij kan, gehoor te geven.—Doe open, doe open—neen, ik zelve wil hem ontvangen.”

Zij snelde zoo ras naar beneden, dat Willhofen haar nauwelijks kon volgen. Na eenige minuten keerde zij aan de zijde des grijsaards, aan wien zij zich als een liefderijken vader vertrouwelijk aansloot, terug. „Zie mijn vader—hier is hij—hij is waarlijk mijn broeder.”

Bernard stond eerbiedig op, want het gelaat van Gregorius geleek dat van een heilige; eene zachte vreugde temperde den ernst zijner gelaatstrekken, zijne oogen schitterden, eene eerbiedige bewondering van de schikkingen des Almachtigen straalde uit den vroom omhoog geheven blik.

„Zoo wonderbaar leidt de Onnaspeurlijke onze schreden,” sprak hij, onwillekeurig stilstaande, „zoo bestuurt Hij ons lot aan onzichtbare draden, welke Hij alleen kan aanknoopen en ontbinden! Wees gegroet, mijn zoon!” voer hij, naderkomend voort en legde zijne hand op Bernards gebogen hoofd, „de zegen des hemels ruste op u! Zie, de Algoede is kennelijk met u, hier, waar zijne wraakengelen den overmoed der misdadigen straffen, hier in de verlaten wouden en sneeuwwoestijnen van het noorden, waar het akelig verderf alle die duizenden genaakt, die het heiligdom van onzen haard, ons land en onzen God aantasten—hier laat Hij voor u de liefelijkste bloem ontspruiten en geeft ze aan uwe zorg, aan uwe bescherming, aan uwe bewaring over. Gij kwaamt met het zwaard, doch de engel des Heeren ontneemt het u en biedt u den palmtak aan.”

„Ik ontvang dien met ontroering en dankbaarheid,” hernam Bernard en boog zich bewogen over de hand van Gregorius.

„O, mijn vader!” sprak Bianca hem biddend toe, „gij zult de verzoener zijn, uwe vrome hand zal den bloesemtak des geluks van den haat en het bloed reinigen, die hem bezoedelden. De heiligste plicht, de machtigste stem des harten volgende, moest ik andere, oudere banden verbreken; gaarne had ik ze zacht ontbonden, doch thans heeft het zwaard der tweedracht ze verscheurd. Wees gij de bemiddelaar tusschen mij en mijne pleegouders; ik verdien hun haat niet, doch zelfs de onrechtvaardige vloek zou onheilbrengend aan mijn geluk knagen.—Waar is mijn vader? waar mijne moeder?”

„Ik laat hen boven op de zaal bewaken,” antwoordde Willhofen.

„Dan willen wij tot hen gaan,” smeekte Bianca dringend. „Mijn broeder, zoudt gij mij kunnen begeleiden?—Lodewijk, wilt gij mij ook volgen?—Buigt uwe harde mannenharten tot het werk der verzoening en der liefde.”

„Welk hart zou deze zachte bede wederstaan?” zeide Lodewijk. „De verschrikkelijkste ijzeren woede zoude, indien zij mijne borst vervulde, verdwijnen, gelijk de sneeuw smelt voor het zachte oog der lente.”

Bernard had haar bij de hand gevat en zeide, terwijl hij die zacht drukte: „Ik ben driftig, ontoombaar; ach, ik weet het, er is weinig goeds in mij, wilden man! Maar, mijne zuster, gij—aan een haar uwer zijden lokken kunt gij mij leiden en gij zult mij daarmede vaster boeien, dan door tienvoudige ketenen. Door u werd ik misschien nog goed, mijne beste!—Doch laat ons gaan.” Zij gingen.

In de zaal vonden zij Dolgorow met donkere blikken, bleek van inwendige woede, op en neder gaan. De gravin zat in een leuningstoel, afgemat en weenende.

„Wat wilt gij?—Zijt gij ook in de samenzwering, en van uw vaderland en uwen God afvallig geworden, Gregorius?”—beet Dolgorow den naderenden grijsaard boosaardig toe.

Deze hernam met eene zachte stem: „Spreek geen woorden van haat in dit uur, waarin de eeuwige Bestuurder aller dingen u zijn dreigend aanschijn heeft getoond. Spreek geen woorden van haat, thans, daar wij in liefde naderen. Gij hebt heilige banden der natuur verbroken, maar Gods oog waakte en voerde hen te zamen, die elkaar toebehoorden. Wees niet gramstorig op hen, die geene schuld hebben, verzoen de strenge daad door zachte liefde. Zij, die u zoo lang vader noemde, zij gaat van u, want een nieuwe plicht roept haar; laat haar in liefde en verzoening scheiden.”

Dolgorow zweeg en wendde zich af.

„Mijn vader, mijne moeder!” sprak Bianca met bevende stem en trad bevreesd nader: „Ik zou deze heilige namen, die ik door u leerde kennen, niet gaarne vergeten. Ik leed veel, doch ik genoot ook veel goeds. Daarvoor zal mijn hart steeds dankbaar zijn. Scheiden moet ik, want ik zou hier eeuwig eene vreemdelinge gebleven zijn. Geen gewoonte, geen levenswijze heeft de zucht kunnen smoren, welke de natuur in mijn hart heeft geplant. Andere gevoelens en neigingen zijn mij ten erfdeel geworden, ik moet uit deze kringen, waarin ik mij nooit te huis bevond, terugtreden. Mij trekken heilige, dierbare plichten. Niet slechts de band, die de zuster aan den broeder verbindt, ook eene andere, niet minder heilige trekt mij met onverbreekbare kracht. Mijn hart heeft gekozen. Ik voel, dat mijne liefde aan een goddelijk bevel gehoorzaamde, daarom belijd ik haar vrij en openlijk. Zoo moeten de oude banden worden losgemaakt. O, mijne ouders, laat het niet met geweld geschieden. Bespaar u en mij eene smart, welke wij slechts door vrijen wil kunnen ontgaan! Laat ons in liefde scheiden!”

Biddend was Bianca de gravin genaderd en vatte hare nederhangende hand. „Heb ik ooit mijn kinderplicht jegens u verzuimd, mijne moeder? Zelfs het smartelijkste offer heb ik bloedende, doch zwijgende gebracht; een offer, dat, thans gevoel ik het, zelfs de macht der ouders te boven ging. Een allesbesturend God heeft mijne banden verbroken, nog eer mij hun smaad had aangeraakt. Zie daarin den wenk des Almachtigen! Buig u voor Zijn wil, en zegen met liefde, wat gij niet meer kunt veranderen. Dat zij mijn loon voor dat uur van onvergetelijken jammer, toen ik mij naar uwen wil voegde en alle verwachtingen des levens begroef. Zij zijn weder opgestaan, machtig opgestaan door den wonderbaren raad des Eeuwigen. O, giet den milden dauw des zegens over de jonge bloesems en vergiftig ze niet met de koude droppels van den haat!”

De gravin wendde zich wel is waar weenend, doch ongeroerd af. Hare tranen waren slechts die der verbittering. Dolgorow stond stom en onbewegelijk.

„Vrome vader Gregorius!” smeekte Bianca met gesmoorde stem, „o laat gij nog eenmaal uwe zachte woorden hooren. Uw geheiligde stem zal dieper indruk maken, dan de bede der dochter.”

De grijsaard trad nader tot de gravin, doch sprak tot beiden gekeerd: „Hebt uwe vijanden lief, doet wel dengenen, die u haten, eischt het bevel des Heeren van ons. Gij moet slechts den geringeren plicht vervullen, door liefde met liefde te vergelden, door slechts daar niet toornig te zijn, waar geene schuld is. Dat gebod oefent de wilde tegen den wilde uit. Gij zult het niet overtreden. Bij de genade van den Allergenadigsten, welke gij in uw laatste uur zult behoeven—en weet gij dan, of niet het volgend uur uw laatste is?—bij de verzoenende liefde des Heilands vermaan ik u, handelt volgens het goddelijk en menschelijk gebod en verhardt u niet in uwen toorn!”

„Het is genoeg!” riep Dolgorow, verbitterd opstuivend. „Gij zijt de afvallige priester der vijanden geworden! Wat wilt gij thans van mij? Ik ben uw gevangene. De prinses Ochalskoi, een dochter van Rusland, laat den graaf Dolgorow, haren vader, den verdediger des vaderlands, door verraders boeien! Het is haar gelukt, zij kan nu verder hare bevelen geven!”

„O hemel, dat is te veel!” riep Bianca uit en verborg haar hoofd aan de borst van Gregorius, die zijn arm zacht om haar heen sloeg. „Mijne zuster, kom, anders breek ik mijne belofte,” sprak Bernard dringend, van toorn bevend.

Lodewijk trad in eene edele houding vooruit en wendde zich tot Dolgorow. „Kunt gij het verdragen, aldus voor den rechter van uw eigen hart te staan? Laat af, het reinste hart met onwaardigen laster te krenken! Hier vindt gij geen oor, dat door zulke woorden bedrogen wordt.”

Dolgorow antwoordde niet.

Toen hief Gregorius zijne handen ten hemel en bad met nadruk: „Hemelsche Vader! schenk Gij aan deze reine Uwe genade. Zij is onschuldig voor U!” Hierop legde hij zijne hand zegenend op Bianca's hoofd. „Ontvang hier den zegen des Heeren! Zijne zachte vleugelen zullen zich over u uitbreiden en u beschermen voor de grimmigheid der boozen! En al volgde u zelfs de vloek van een waren vader na, hij zoude onmachtig afglijden bij het schild, hetwelk de Heer door mij over u uitstrekt. Trek nu in vrede, waarheen de heilige stem des harten u roept. Rein zijt gij van alle schuld; zoo zal ook het gezegende lot der goeden u geworden!”

Met deze woorden wendde hij zich af en ging op de deur der kamer toe. Wankelend volgde hem Bianca; Bernard en Lodewijk ondersteunden en begeleidden haar.

„Stijgt maar spoedig in de slede, mijne heeren,” bad Willhofen, die hen buiten wachtte. „Wij moeten waarlijk voort. Doch dekt u goed, want de nacht is koud. Ik ben dadelijk hier gereed en zet mij dan te paard, om mij warm te rijden.”

Lodewijk volgde den raad van den eerlijken vriend. Hij hielp Bernard bij het instijgen zijner zuster, zette zich als voerman op de slede en nam ten tweedenmale de teugels in handen.

Bianca hield haren broeder, die zich toch door het bloedverlies zeer afgemat en in de snerpende koude ook de pijnen van zijne wond voelde, zacht in hare armen. Jeannette plaatste zich, daar Bernard, om gemakkelijker te zitten, nu meer plaats noodig had, bij Gregorius in de slede.

Willhofen had intusschen de gevangen Franschen verzameld, die zich volgens krijgsrecht in allerijl van de kleederen, levensmiddelen en wapenen voorzien hadden, die in het slot te vinden waren geweest. Hij nam hun aanvoerder, een jong officier, ter zijde en beduidde hem, wat hij te doen had.

„Volg het spoor van de sleden maar,” zeide hij, „dan komt gij tot bij drie groote dennen, nevens welke een wegwijzer staat. Daar gaat gij rechts, wanneer onze sleden zich links wenden. Dan bereikt gij Smolensko in twee uren. De nacht is door de starren en de sneeuw vrij helder, gij zult genoeg zien. De gravin moet gij maar hier op het slot laten, doch neem den graaf als gijzelaar mede, voor het geval gij misschien onderweg een troep Russen mocht ontmoeten. Ik sta u borg, dat zij u geen haar zullen krenken wanneer zijn leven er aan hangt. En volgt gij mijn raad, laat hem dan aan de poorten der vesting vrij; want het is niet goed, de wraak zijner vijanden te erg aan te zetten, en laat gij hem goedschiks naar huis keeren, zoo kan het u misschien nog eenmaal te pas komen. In alle geval echter, haast u het slot te verlaten, want hier zijt gij geen uur zeker voor ongenoodigde gasten. Wilt gij rijden, dan staan er in den stal nog verscheidene paarden, maar het tuig ligt in de sneeuw van de slotgracht achter den ouden muur. Nu, vaarwel!”

Thans sprong de oude te paard en vloog de slotpoort uit. De beide sleden volgden hem. Spoedig na hen verlieten ook de bevrijde gevangenen met Dolgorow als gijzelaar in hun midden in een kleinen, welgeregelden troep het slot.

Nog eenmaal wendde Bianca het hoofd om. Naarmate de torens van het slot verder achter haar verdwenen, haalde zij vrijer adem. Thans, daar het donkere woud haar omgaf, legde zij het hoofd zacht tegen de borst haars broeders en vergoot weemoedig zoete tranen.

TWAALFDE BOEK.

HOOFDSTUK I.

De dag was nog niet aangebroken, toen Rasinski aan de spits zijner weinige getrouwen en te midden der kleine, door het aftrekkende korps van Ney gevormde legerafdeeling de ringmuren van Smolensko verliet. De hemel was somber betrokken, geen star drong door den donkeren wolkensluier; slechts de matte schemering van het sneeuwdek, dat zich over de velden uitbreidde, wierp eenig licht in het diepe duister. In het rond alles stom en zwijgend; alleen het ratelen der weinige kanonnen, die nog te vervoeren waren, en het kletteren der wapenen deden zich door de akelige stilte hooren; de soldaat zelf gaf taal noch teeken van zich, maar waadde stom en in sombere mijmeringen verdiept door de sneeuwwoestijn voort.

Na verloop van een uur had de schaar dezer krijgers, de laatste troepen, die uit het onherbergzame Rusland terugtrokken, een dicht mastbosch bereikt. Plotseling deed zich een dof gekraak uit de verte hooren en tegelijk flikkerde een lichtschijnsel op de toppen der steile dennen. Alles luisterde, want in het eerste oogenblik waande men het gedonder van vijandelijke kanonnen te vernemen.

„Het is niets,” sprak Rasinski tot Jaromir, die naast hem reed; „men laat de torens en muren der vesting in de lucht springen. Het is het oude krijgsrecht, ook den vijand niet te gunnen, wat men zelf niet behouden kan.”

Het akelig dof gedreun hield een tijdlang aan. Thans begon ook de dag aan te breken en de lange trein van krijgers en voertuigen werd langzamerhand zichtbaar. „Houd gij een oog op de manschappen, Jaromir,” sprak Rasinski; „ik ga zien, hoe het met onze arme gekwetsten gesteld is.” Met deze woorden reed hij, de gelederen door, op de wagens toe, waarop men de gewonden, die nog hoop op leven en herstel gaven, medevoerde; de overigen had men aan de menschelijkheid van den vijand moeten overlaten.

Boleslaw, die door een niet gevaarlijk schot in de zijde getroffen was, bevond zich, benevens eenige andere kameraden van het regiment, op een wagen, dien Rasinski's onvermoeide voorzorg hem had weten te verschaffen.

„Nu, hoe gaat het, vrienden?” sprak deze de zijnen aan en drukte Boleslaw de hand.

„Zoo goed het kan,” antwoordde de jongeling, zich met een bleek gelaat en het hoofd tegen de snerpende koude met een zwarten doek omwonden, van zijne plaats oprichtende.—„Hebt gij nog niets van hen vernomen?”

„Alle moeite was vruchteloos,” luidde het somber antwoord; „het onverzadelijke oorlogsmonster, dat reeds zooveel goeden en dapperen verslonden heeft, verlangde ook dezen buit. Waren zij van de onzen geweest, ik zou niet klagen! Zij zijn voor de schoone zaak van het vaderland gevallen, zou ik mij troosten; de krijg was hunne roeping, zij moesten goed en bloed daarbij op het spel zetten, even goed als wij overigen zulks doen. De een valt het donkere lot des doods, den andere het lichte des levens ten deel—wij zijn op beide voorbereid, weten wat ons te wachten staat en mogen niet klagen. Maar onze vrienden! Niet hun hart voerde hen derwaarts. De oorlog, die boven elk ander hoofd een vernielend zwaard zwaait, zou boven het hunne een schild tegen vijandelijke pijlen houden. Ik was het, die hun de gevaarlijke schuilplaats heb aangeboden; doch deze alles verzwelgende draaikolk van ellende en verschrikking heeft nu ook hen naar den afgrond gesleept.—Wij moeten het dragen, Boleslaw; daartoe zijn wij mannen. Al breekt ons het hart, ons stervend oog mag geen versagend hart verraden!”

„Wie weet,” hernam Boleslaw zwaarmoedig, „hoe spoedig wij weder met hen vereenigd zijn.”

„Ik hoop niets meer!” antwoordde Rasinski, die zijne bedoeling niet vatte.

„De dood scheidt vrienden hier niet langen tijd vaneen, wil ik zeggen,” sprak de jongeling en schudde langzaam het hoofd, terwijl hij uit de groote, zwarte oogen een blik, eerst op de jammergestalten om hem heen en vervolgens op den verren gezichteinder wierp, als wilde hij de bezwijkende krachten dezer lijdenden met de onmetelijke afstanden vergelijken, welke zij, eer men de vaderlandsche haardsteden bereikte, nog hadden af te leggen.

„Bedoelt gij het zoo? Ja, dan hebt gij gelijk;—maar zijt gij zoodanig door uwe wonden verzwakt, dat zij u reeds aan den dood doen denken?”

„Neen dat niet; ik voel mij beter. Misschien kan ik binnen eenige dagen wel weder te paard zitten. Nu reeds zou ik in staat zijn, een eindweegs te rijden of te wandelen.”

„Nu, houdt u verder goed!” riep Rasinski, bevreesd dat zijn gevoel hem overmeesteren zoude, en wendde driftig den teugel. „Kinderen, ik zal verder het oog op u houden,” sprak hij, terwijl hij zich tot de overigen wendde, gaf zijn paard de sporen en keerde naar Jaromir terug.

Boleslaw, die bij zijn ernstig, weinig mededeelzaam karakter alles dieper gevoelde, dan hij het uiterlijk placht te kennen te geven, was ook door het verlies van Bernard en Lodewijk ten diepste getroffen geworden. En het was bijna onmogelijk, iets anders dan hun dood te vermoeden; want daar zij moesten vernomen hebben, dat Rasinski eensklaps bevel had ontvangen, om met zijn regiment naar het korps van Ney terug te trekken, hadden zij hem voorzeker òf zoeken in te halen, òf hem ten minste in Smolensko opgewacht. Velen waren nog in die stad aanwezig, die hen op het spoor hadden kunnen brengen, onder anderen de overste Regnard, die met den onderkoning van Italië de vesting eerst verliet, toen Rasinski ze met de zijnen reeds weder was ingerukt. Doch tot niemand hadden zij zich gewend, niemand had het geringste spoor van hen kunnen ontdekken. Waren zij daarentegen voorwaarts getrokken, hadden zij eene gelegenheid gevonden, om langs veiliger wegen hun vaderland te bereiken, dan voorzeker zouden zij gezorgd hebben, dat Regnard en door hem Rasinski daarvan naricht bekomen had. Met zekerheid echter wist niemand iets van hun lot op te geven, en zij werden dus onder het gestadig toenemende getal van dezulken gerangschikt, die dagelijks, zonder eenig spoor na te laten, uit de gelederen hunner kameraden verdwenen.