Part 73
Zoo bleef Dolgorow natuurlijk in de kwellende onzekerheid, of zijn geheim inderdaad ontdekt was, dan of slechts toevallige omstandigheden of half begrepen woorden of uitdrukkingen den schijn eener ontdekking hadden voortgebracht.
Om niet door al te veelvuldig, angstig vragen verdenking te wekken, sloeg hij zijnen gasten eene partij op het schaakbord voor. Lodewijk, die van het spel maar zeer weinig verstond, verontschuldigde zich, Bernard nam den voorslag schijnbaar zeer gaarne aan. De kamerdienaar bracht een schaakbord; zij zetten zich tot spelen; Lodewijk bleef in het vertrek en zag toe.
„Ik heb een gevaarlijke partij,” merkte de graaf na de eerste zetten aan; „ik zal moeite hebben, mij te verdedigen.”
„Uw oordeel na zoo weinige zetten, heer graaf, bewijst uwe meerdere sterkte,” antwoordde Bernard.
Zij speelden ondertusschen voort, en schenen, ofschoon beiden hunne gedachten inwendig op geheel iets anders gevestigd hadden, toch met de grootste aandacht op hun spel te letten. Bernard bezat geestkracht genoeg, om zich tot opmerkzaamheid te dwingen en niet door verstrooidheid te verraden, dat de overwinning in het spel hem op dit oogenblik de onverschilligste zaak ter wereld was.
Zoo verliep de voormiddag; het etensuur naderde. De gravin zoowel als Bianca zouden aan tafel verschijnen. Toen de graaf des morgens bij zijne dochter was geweest, had hij daarvan als van een onvermijdelijken huiselijken plicht gesproken, die gisteren alleen om de gezondheidstoestand der gravin had mogen verzuimd worden. Bianca echter die de geslepenheid van Dolgorow, om zich te beheerschen en zijn wezen in allerlei gedaanten te plooien, reeds uit zijn vroeger diplomatisch leven kende, liet zich door zijn gedrag niet misleiden. Toen hij echter door de deur, die de bijzondere uitgang van hare kamer was, trachtte te gaan en zich verwonderd hield dat deze gesloten was, bekwam zij de volkomen zekerheid, dat hij veinsde, te meer daar hij dadelijk en met zekeren ijver, dien eene onverschillige zaak niet had kunnen teweegbrengen, aan Jeannette bevolen had, den kamerdienaar te vragen, of hij den sleutel had, en hem te gelasten, zorg te dragen, dat de deur geopend werd. Ondertusschen ging hij, en spoedig daarop werd de deur inderdaad geopend. Bianca wist echter te goed, dat zij daardoor niet hare wezenlijke vrijheid, maar slechts den schijn daarvan had teruggekregen, en dat men nu hare schreden des te zorgvuldiger zoude bewaken. Evenwel scheen de vlucht haar niet onmogelijk, en daarenboven was deze het eenige middel, dat haar overbleef. Haar hart zocht derhalve meer naar raad dan naar verstand. Zij moest oude, heilige verplichtingen verbreken—nieuwe, oneindig dierbaarder, op zich nemen; van hare ouders, haar vaderland, zelfs van haar naam plotseling afstand doen en in eene gansch andere wereld treden. Hoezeer haar hart haar ook daarheen trok, ondervond hare edele ziel echter nu eerst, in het oogenblik der beslissing, met hoeveel onzichtbare draden het leven ons omzweeft, welke dan eerst houden en binden, wanneer wij ze voor altijd willen losscheuren. In deze spanning schreef zij aan Gregorius, haren vaderlijken vriend en raadgever, die met haar geheim bekend was en bad hem dringend, zoo spoedig het hem eenigszins mogelijk was, naar het jachtslot te komen. Doch zij was voorzichtig genoeg, hem den grond voor hare bede niet te melden. Zij wist, dat hij eene zoo dringende uitnoodiging toch zoude volgen. Willhofen beloofde den brief door een vertrouwden bode te zullen doen bezorgen, en meldde een uur daarna, dat het hem gelukt was.
Thans voelde haar hart zich wonderbaar verlicht; haar vertrouwen op den dierbaren leeraar was onbegrensd; zij hield zich verzekerd, dat zijne tegenwoordigheid haar bescherming en redding zoude aanbrengen, want het was zijn plicht, haar beide aan te bieden, en zij wist, dat, waar deze hem riep, zijn moed onverzettelijk was.
Zij ging met hare moeder naar de eetzaal. Hier zag zij Lodewijk en Bernard na de haar zoo lang en smartelijk gevallen scheiding weder. Haar hart klopte, doch zij beheerschte hare gewaarwordingen met geweld, om zich niet te verraden. Vriendelijk, welwillend kon zij immers zijn, want zij was dit steeds, en thans konden dankbare gevoelens haar bovendien het gunstige voorwendsel daartoe zijn. De oefening der groote wereld hielp daar de uren aan tafel te boven komen, zonder door iets hare stemming te verraden. De bedrevenheid haars broeders, die zich van het gesprek meester maakte, het op Schotland en Engeland, op zijne reizen aldaar en op de kunst in het algemeen leidde en alzoo ook Lodewijk, die over ernstige en belangrijke zaken altijd met verstand wist te spreken, in het gesprek trok, kwam haar heerlijk te stade. Dolgorow zelf liet zijne achterdocht reeds half en half varen en gaf zich aan de hoop over, dat alle bekommeringen slechts op toevallige omstandigheden berustten. Eindelijk stond men van tafel op, en de vrouwen wilden zich verwijderen. Daar vond Bianca een, naar zij geloofde, onbewaakt oogenblik en fluisterde Bernard de woorden toe: „Houd goeden moed, ik heb hoop, op eene gelukkige wending van ons lot.”
Doch Dolgorow, die juist eenige door Jacques gebrachte brieven geopend had en las, wierp toevallig een blik over het papier op een spiegel, waarin hij Bernard en Bianca's gestalten geheel en al zag. Hij zag hunne vertrouwelijkheid, bemerkte hun fluisteren en den indruk, welke de woorden op Bernards gelaat teweeg brachten. Wel is waar had hij geen woord verstaan, doch in beider trekken lag eene uitdrukking van vertrouwelijkheid, die slechts door eene zeer nauwe betrekking kon ontstaan zijn en te meer verwondering baarde, daar beiden, toen de deur onverwachts openging, opeens de uitdrukking hunner trekken veranderden en de stijve houding der beleefdheid weder aannamen. Wat hier gebeurd was, kon geen plaats vinden tusschen de prinses Ochalskoi en een vreemdeling zonder rang of naam. Derhalve had Dolgorow opeens de ontegensprekelijkste bewijzen voor de gegrondheid van zijne achterdocht. Het verraste hem nu hij er bijna van terug gekomen was, zóó sterk, dat hij, die onder de moeielijkste omstandigheden bezonnen en koel bleef, voor een oogenblik zijne bedaardheid verloor en zich een half onderdrukten uitroep van verbazing liet ontvallen. Doch even spoedig als hij zijne bedaardheid verloren had, had hij die teruggekregen, terwijl hij voorbedachtelijk dien uitroep herhaalde en hevig op den grond stampte, doch den schijn aannam, alsof het de berichten, die hij in zijne brieven vond, waren, welke hem zoozeer aandeden. „Het is ongehoord! onvergeeflijk!” riep hij uit en kneep den brief hevig in elkander; „men zou dol worden over zulk eene handelwijs!”
Zelfs Bernard liet zich door dit mom bedriegen en vermoedde niet, dat zijn geheim in dit oogenblik ontdekt en verraden was. Behendig met den graaf instemmend, zeide hij half vragend, half deelnemend: „Gij ontvangt zulke onaangename tijdingen heer graaf?”
De Gravin deed dezelfde vraag, doch meer bepaald.
„Wat zou het zijn,” antwoordde Dolgorow, „dan nieuwe redenen tot oude klachten. Geheel verkeerd handelen, onzinnig veranderen, tegenstrijdige bevelen, welke alles in de war brengen, wat men met eigen krachten der liefde van het vaderland onderneemt!—Vergeef mij, maar ik moet eenige oogenblikken alleen zijn, om mijne drift te doen uitwoeden.”
Met deze woorden boog hij zich en ging naar zijne kamer, terwijl de vrouwen tegelijk de haren opzochten. Bianca nam ondertusschen afscheid met de vriendelijke vertroostende woorden: „Ik hoop, dat wij elkander bij de thee wederzien.”
Zoodra Dolgorow op zijne kamer was gekomen, schelde hij den kamerdienaar, om hem nogmaals nauwkeurig omtrent alles te ondervragen, waarop hij zijn vermoeden gegrond had. Jacques die lang gemerkt had, hoe gewichtig deze zaak voor den graaf was, verzweeg, gedeeltelijk omdat hij niet gaarne de verdienste der ontdekking met iemand wenschte te deelen, gedeeltelijk om in de gunst van Jeannette te blijven, niet alleen wat deze hem gezegd had, maar zelfs, dat zij hem inderdaad het gewichtigste ontdekt had. Daarom waren zijne verklaringen voor den graaf geheel onvoldoende. Hij gebood hem te vertrekken en bleef peinzend in zijne kamer, terwijl hij zich kwelde, een middel te vinden, om de waarheid te ontdekken. Opeens werd het hem helder. „Dwaas!” riep hij, „hoe kunt gij zoo dom zijn en niet dadelijk daarop komen? Hij of zij moeten hier een of andere brieven, documenten, of andere herkenningsteekenen hebben; het was anders onmogelijk, dat zij elkander gevonden hadden!—Dat moet mij licht geven. Vooreerst willen wij het gemakkelijkste beproeven en Feodorowna's kamer in stilte doorzoeken.”
Hij schelde. Jacques trad binnen.
„Is de prinses op hare kamer?”
„Neen: hare hoogheid werkt bij de genadige gravin.”
„Het is goed!—Gij kunt vertrekken.”
Zoodra de kamerdienaar vertrokken was, stak Dolgorow eene kleine dievenlantaarn aan, nam die onder zijn mantel en ging naar Bianca's kamer. Het gelukte hem, er onbemerkt binnen te sluipen.—Dadelijk sloot hij de deuren naar beide kanten dicht en begon zijn onderzoek. Hij had eenige loopers bij zich gestoken, waaraan geen slot gemakkelijk weerstand bood en die hij nog uit den tijd van zijne gevaarvolle diplomatieke betrekkingen bezat, toen hij de papieren zijner ondergeschikten steeds in het geheim zorgvuldig nazag, om zich van hunne trouw te overtuigen. Met behulp dezer werktuigen gelukte het hem spoedig, Bianca's gesloten secretaire te openen. Na eene poos gezocht te hebben, vond hij onder hare brieven dien van Ruschka boven op liggen, daar zij hem eergisteren eerst weder geborgen had. Deze nam allen twijfel weg; en toen hij nu de portefeuille ontdekte en opende, waarin de portretten der beide ouders zich bevonden, wier gelijkenis met de kinderen niet te miskennen was, had hij verder geene de minste verklaring of navorsching noodig, om te weten dat Bernard de teruggevonden broeder was. Zorgvuldig legde hij alles weder op zijne plaats, ontsloot de deur en snelde naar zijne kamer terug.
Thans hielden hem de plannen, hoe hij het naderend onheil het best zoude afweren, bezig. Spoedig was hij besloten. Hij moest Feodorowna's lippen evenzoo verzegelen, als die van Ruschka, door bedreigingen tegen wat haar het dierbaarst op aarde was. Die taak viel den gewetenlooze licht, doch hij had de middelen niet dadelijk bij de hand. Bernard en Lodewijk moesten het lot der gevangen Franschen deelen. Dan zoude hun lot daarvan afhankelijk gemaakt worden, of Feodorowna op de hostie wilde zweren, nimmer het geheim harer geboorte te verraden. Doch daartoe had men meer manschappen noodig, dan men in het slot had. Buiten de bedienden, van welke de meesten lijfeigenen van Feodorowna waren, op wie Dolgorow zich in een beslissend oogenblik niet durfde verlaten, was er niemand op het slot. Bernard en Lodewijk alleen konden een zoo dapperen tegenweer bieden, dat men ten minste genoodzaakt zoude zijn hen te dooden, en dan was de borgtocht voor het geheim verloren. Feodorowna's leven echter zelf durfde Dolgorow niet aantasten; gedeeltelijk wijl hare lijfeigenen in zulk eene daad eene vreeselijke, onverzoenlijke misdaad zouden gezien hebben, gedeeltelijk omdat hij vooruit zag, dat de gravin hare toestemming zoude weigeren, eindelijk ook wel, omdat hij hier de inwendige maat van zijn misdadig pogen gevuld gevoelde. Want ieder, zelfs de slechtste, heeft eene grens van zijn misdadig willen in zich, welke hij niet kan overschrijden. Zelfs de diepste afgrond der misdaden wordt eenmaal gevuld, en er is een punt, waar het heilige gebod der zedelijkheid zich zoo onverwinnelijk doet gelden, dat de meest ontaarde, al moest hij daardoor de vrucht van al zijne vorige misdaden verliezen, al moest hij zelf der aardsche vergelding ten buit worden, evenwel zijne wilskracht tot het booze verlamd gevoelt en den laatsten slag, welke hem aan het doel zoude voeren, niet waagt toe te brengen. Zoo grijpt de onzichtbare arm des Almachtigen zelfs in het raderwerk der boosheid en beveelt een onherroepelijken stilstand.
Dolgorows besluit stond vast. Hij wilde genoegzame manschap in de nabijheid van het slot doen komen, om iederen wederstand onmogelijk te maken. Dan zouden Lodewijk en Bernard naar buiten gelokt, onverwachts overvallen, gegrepen, gekneveld en zoo stil mogelijk weggevoerd worden, zoodat niemand in het slot het gewaar werd. Wanneer men aldus het binnenste van het bosch bereikt had, wilde Dolgorow hun verklaren, dat hun lot en dat van Feodorowna van de bewaring van hun geheim afhing, en hen dan met de overige gevangenen binnenslands wegvoeren. Eerst nadat alles volbracht was, zou Feodorowna den afloop der zaak vernemen, en dan zou het zeker gemakkelijk zijn, haar de belofte eener eeuwige geheimhouding door bedreiging tegen de gevangenen af te persen.
Willhofen was een verdacht getuige voor Dolgorow. Hij besloot derhalve, zich van hem te ontdoen en tevens door hem zijn doel te bereiken, daar hij hem als bode uitkoos, om het bevel over te brengen, dat de manschap op het slot zoude komen, maar tevens den houtvester, die het bevel over dit gedeelte der als landstorm verzamelde boeren had, verzocht Willhofen niet mede terug te zenden, maar hem tot nader order met iets anders bezig te houden.
De snelle daad volgde op het weldoordachte besluit. Hij schreef het bevel, verzegelde het, schelde en liet, toen Jacques binnen kwam, Willhofen roepen.
„Hier is een brief van gewicht te bestellen, Solanow,” dus sprak hij hem toe; „gij moet dadelijk zadelen en rijden. Ik stel er u verantwoordelijk voor, dat het bevel uiterlijk binnen drie uren overhandigd is.”
De oude boog zich zwijgend, nam den brief en vertrok.
Thans schepte Dolgorow lucht. Het gevaar scheen afgewend, de dreigende wolk verdeeld. Hij vermoedde niet, dat zijn plan verongelukt was, nog eer het tot de uitvoering kwam.
HOOFDSTUK XI.
Bianca immers wist reeds, dat en hoe zij verraden was. Jeannette had namelijk in de kamer der prinses gezeten en gewerkt. Toen het licht haar begon te begeven, zette zij zich op een leuningstoel in de, door de dikke muren van het slot ruime vensterholte en werkte, zoolang zij zien kon. In de schemering hield zij op en zonk, daar zij eenigen tijd ledig bleef zitten, in slaap. Opeens wordt zij door een geruisch gewekt, richt zich op en ziet met verbazing den graaf voor de geopende secretaire der prinses staan. Onwillekeurig getuige dezer handeling zijnde, vreest zij, zich te verraden; de groote zijden gordijnen bedekken de vensters zoo, dat zij niet kan bemerkt worden. Zij besluit daarom zich niet te verroeren en zich slapende te houden. Doch zij slaat acht op alles, wat Dolgorow doet. Eindelijk gaat hij, nadat hij eerst de beide vroeger in het slot gedraaide deuren zachtjes ontsloten heeft. Deze omstandigheid overtuigt het meisje, dat hier iets geheimzinnigs tegen de prinses ondernomen wordt, daar zij de treurige verwijdering tusschen deze en hare ouders reeds lang kent. Zij brengt dit in verband met hetgeen zij gehoord en aan Jacques toevertrouwd heeft; zij wordt bevreesd, door hare onvoorzichtigheid hare zoo oprecht beminde meesteres in gevaar gebracht te hebben, haar geweten laat haar geen rust, zij moet derhalve bekennen, wat zij meent te weten, wat zij gezien heeft. Met dit voornemen, om door de eerlijkste oprechtheid zoo mogelijk haar misgreep goed te maken, wil zij naar de prinses snellen, toen deze zelve onverwacht binnentreedt. Jeannette verhaalt, wat er gebeurd is. Bianca vermoedt den samenhang; zij doorziet, dat zij geheel verraden is, dat zij geen tijd te verliezen heeft. Dadelijk besluit zij, met haren broeder te spreken. Jeannette moet de kamer sluiten en krijgt bevel, zoodra zich iemand aan de deur laat hooren, te antwoorden, dat de prinses bezig is zich te verkleeden en voor het oogenblik niemand kan binnenlaten. Intusschen ijlt Bianca, door dezelfde muts van Jeannette, welke zij haar gisteren gedurende hare sluimering heimelijk ontvreemd heeft, voor herkenning bewaard, naar de kamer van Lodewijk en Bernard en verhaalt hun, wat geschied is. Er wordt besloten nog dezen nacht te vluchten. Gregorius zal de hulpeloozen opnemen, wanneer men zijne woning kan bereiken voordat hij op weg naar het slot is, of wanneer het toeval het zoo gelukkig doet uitkomen, dat men hem ontmoet. Wordt deze hoop niet vervuld, dan blijft Smolensko, nog door de Franschen bezet, hun als toevluchtsoord overig.
Willhofen zal hen op de vlucht vergezellen. Hij wordt van alles onderricht en belooft paarden en een slede gereed te houden. Om de noodige voorbereidselen daartoe te maken, heeft hij juist de kamer verlaten, toen Jacques hem ontmoet en bij den graaf ontbiedt. Met een voorgevoel van hetgeen er geschieden zal, treedt hij bij dezen binnen, doch bewaart volkomen zijne geruste en gewone houding. Zonder argwaan geeft Dolgorow hem den brief, dien Willhofen dadelijk naar Bernards kamer brengt, waar Bianca zich nog bevindt. Men opent hem; Bianca leest het in 't russisch geschreven bevel; de meening van Dolgorow is duidelijk. Bernard vermoedt zijn plan, ofschoon niet in de volle afschuwelijkheid, daar de brave nooit zoo diep in de ziel van de boosdoeners indringt, dat hij hunne ontwerpen in den geheelen omvang overziet. Thans is ieder oogenblik kostbaar en er is geen tijd te verliezen; de vlucht moet nog in dit uur geschieden. Terwijl Willhofen naar beneden snelt, om, onder voorwendsel van zijn paard te zadelen, de paarden voor de slede te spannen, voorziet Bianca zich op hare kamer van de noodwendigste zaken. Zij kan er thans niet buiten, Jeannette deelgenoote van haar geheim te maken; deze wil van hare gebiedster niet wijken, maar bidt met tranen, in haar lot te mogen deelen. Bianca moet inwilligen, haar mede te nemen, te meer daar het meisje van Dolgorows toorn alles te vreezen heeft, wanneer hij slechts vermoeden kan, dat zijn geheim door haar kon verraden zijn. Deze pakt derhalve in alle haast kleedingstukken en wat haar verder onmisbaar schijnt in, terwijl hare meesteres zich van geld voorziet en hare juweelen, papieren, brieven en kleinigheden in een kistje bijeen legt. Bernard en Lodewijk hebben zich inmiddels, op raad van Willhofen, met pistolen, die den bedienden toebehooren, gewapend. Lodewijk gaat naar beneden naar het plein, om, zoodra Willhofen te paard stijgt, met de slede te volgen. Bernard ijlt naar zijne zuster, om haar te geleiden. Een teeken, dat hij uit het venster aan de benedenstaanden geeft, geeft blijk, dat de vrouwen gereed zijn.
In angstvolle spanning stond Lodewijk op het plein en hield de oogen onafgewend op Bianca's venster gericht. Het dringende gevaar, de mogelijkheid om verraden te worden, de val in de diepste ellende, welke alsdan op de schoone droomen eener namelooze zaligheid moest volgen, dit alles veranderde voor de op de pijnbank gespannen verwachting de seconden in eene eeuwigheid.
Eindelijk trad Bernard met een licht aan het venster en blies het uit. Dit was het afgesproken teeken. Willhofen sprong te paard en reed naar de poort toe, welke hij beval te openen. Lodewijk volgde hem met de slede: onder de poort aan de trap, zoo luidde de afspraak, zou hij stilhouden, Bernard en Bianca opnemen en dan, zoo snel de paarden vermochten, den vooruitgaanden Willhofen volgen. Dat zij niet dadelijk vervolgd konden worden, daarvoor had de voorzichtige Willhofen gezorgd, doordien hij de tuigen van alle overige paarden, die in het slot waren, bijeengenomen en over een ingevallen vak van den muur in de slotgracht geworpen had, die wel toegevroren was, doch waar niemand deze dingen zoude zoeken. Het was derhalve te verwachten, dat zij vóór het aanbreken van den dag niet zouden gevonden worden. De duisternis begunstigde hunne onderneming; zacht, zoodat men de voetstappen der paarden over de sneeuw nauwelijks hoorde, kwam Lodewijk tot onder de poort. Willhofen was er reeds buiten en hield aan de brug stil. Bij den matten schijn der lamp, die het verwulf verlichtte, zag Lodewijk met een kloppend hart de drie gedaanten op de trappen staan. Hij hield stil. „Zijt gij het, Bernard?” fluisterde hij. „Wij zijn het,” was het antwoord en metéén naderde Bianca, om in te stijgen.
Daar klonk op eenmaal Dolgorows vreeselijke stem: „Verraad! Holla! Sluit de poort, grijpt de verraders!” In hetzelfde oogenblik flikkerde eene getrokken sabel over Bernards hoofd en, door den houw getroffen, stortte deze ter aarde.
Bianca gaf een luiden gil, wierp zich over den gevallene heen en Dolgorow in den weg, die den arm reeds tot een tweeden slag ophief.
„Om Gods wil erbarming, houd op—het is mijn broeder!” riep zij op een toon, die door de ziel sneed.
Lodewijk stond onbewegelijk. Doch snel bezon hij zich, hij sprong van de slede, greep een pistool en schoot op Dolgorow. Hij trof hem licht aan den schouder, zoodat de gewonde een oogenblik wankelde en terugtrad. „Vlucht, ongelukkige,” riep Lodewijk nu en wilde Bianca omvatten, doch reeds waren drie bedienden, die in de wachtkamer naast de poort gezeten hadden, toegesneld en rukten hem achterover op den grond. „Pakt de schelmen! Bindt hen!” riep Dolgorow woedend, en de knechts, welker getal spoedig door eenige van het plein komenden vermeerderde, wierpen zich op de ongelukkigen. Hij zelf greep Bianca aan, rukte haar omhoog en droeg haar, daar zij zich wilde verzetten, met geweld de trappen op. Hare kracht ging in hare smart te gronde; zij kon geen weerstand bieden. Jeannette volgde hare gebiedster. De knechts rukten, zonder verdere bevelen af te wachten, den bewusteloozen Bernard en den verstommenden Lodewijk met zich voort en sleepten hen den graaf na.
Boven op den gang ontmoette hem de gravin, die het geraas en het schot gehoord had, zonder de reden te weten, en thans uit hare kamer kwam, om naar deze te vernemen.
„Neem uwe dochter tot u, gravin,” riep Dolgorow, „de eer van ons huis staat op een gevaarlijk spel.”
„Niet uwe dochter!” riep Feodorowna, die tot haar bewustzijn terugkeerde, van smart buiten zich zelve: „ik erken uwe rechten niet meer! Gij hebt mijn broeder vermoord!” Met geweld rukte zij zich thans uit de armen van den graaf los en snelde de bedienden te gemoet, welke Bernard en Lodewijk medesleepten. „Gij zijt mijne lijfeigenen!” riep zij dezen te gemoet met eene kracht, die de vertwijfeling haar verleende; „ik beveel u, dezen ongelukkige los te laten en den bloedende ter hulp te komen.”
Dolgorow was haar nagevlogen. „Wie mijne bevelen niet gehoorzaamt,” dreigde hij met hoog opgeheven sabel, terwijl hij zijne stem vreeselijk verhief, „dien kloof ik den kop! Wie waagt het, mij te trotseeren?”
De lijfeigenen der vorstin stonden besluiteloos, daar zij tusschen vrees en plichtgevoel wankelden. Twee van Dolgorows eigen lieden echter bogen zich slaafs deemoedig en zeiden: „Alleen onze gebieder zal ons bevelen geven, wat wij te doen hebben.”
„Ik deed dit reeds,” snauwde Dolgorow hun toornig toe; „bindt deze honden en werpt hen in het diepste gewelf van het kasteel.”
„Neen, het is onmogelijk,” riep Bianca uit en sloeg hare beide armen om haar broeder en drukte zijn bloedend hoofd aan hare borst: „ik verlaat u niet mijn broeder, in mijne armen zult gij sterven.”
Door een schuwen eerbied aangegrepen, weken thans de ruwe slaven terug en schenen een anderen plicht, dan dien der deemoedige gehoorzaamheid gehoor te geven.
Dolgorow stampte kwaadaardig op den grond. „Werpt haar mede in het hok, wanneer zij hem niet verlaten wil!” riep hij woedend uit en trad zelf naar de ongelukkige toe, om haar van het hart haars broeders af te rukken.
Lodewijks boezem werd op dit oogenblik van namelooze smart doorgriefd. Daar doordrong hem op eenmaal het gevoel van de alomtegenwoordigheid van den hoogsten Rechter, en in de zedelijke kracht zijner overtuiging richtte hij zich trotsch tusschen de slaven, die hem de armen gebonden hielden, op en riep den graaf met al de meerderheid der deugd toe: „Houd op! Vrees voor eene vergelding! de Almachtige is getuige van iedere daad, Zijne gerechtigheid ontkomt geen mensch!”