Part 72
„Laat ons kort zijn, mijne lieven,” antwoordde Bianca, „want de oogenblikken zijn kostbaar. Ik vrees, dat ons geheim half en half verraden is. Wij moeten gisteren beluisterd zijn. Toen ik u verliet en naar de gravin ging, vond ik haar in groote spanning; zij zat bijna geheel gekleed op de sofa en schreef. Bij mijn binnenkomen raapte zij haastig hare papieren bijeen en sprak over onverschillige dingen; doch de hevigste onrust was op haar gelaat niet te miskennen. Ik vermoedde wel, wat er kon geschied zijn, doch om hare achterdocht niet nog meer gaande te maken, vroeg ik niets, doch begaf mij dadelijk door mijne werkkamer, die aan het woonvertrek der gravin paalt, naar mijne slaapkamer, waar Jeannette, mijne kamenier op mij wachtte. Ik liet mij spoedig ontkleeden en zond haar weg; vol ongerustheid bleef ik op. Ik opende de deur mijner slaapkamer een weinig en hoorde, dat de gravin nog op was, ja zelfs met iemand sprak. Ik kon niet onderscheiden wat, doch meende aan de stem een kamerdienaar van den graaf te herkennen. Eindelijk werd het stil; ik begaf mij te bed. In den nacht echter hoorde ik duidelijk de poort openen en eene slede wegrijden. Dezen morgen begaf ik mij al vroeg naar mijne pleegmoeder. Zij had iets achterdochtigs in hare blikken, zoodat ik niet kon twijfelen, of zij had ons geheim gedeeltelijk ontdekt; doch zij liet niet het minste bemerken. Zelf reeds had ik mij voorgenomen, het ontbijt op mijn kamer te nemen, om geen argwaan te wekken; ik zou evenwel des middags aan tafel zijn gekomen. Doch de gravin liet zich ontvallen, dat zij hoopte, dat ik den dag bij haar zou doorbrengen, daar het niet paste, dat ik, terwijl zij zelve ziek was, met de beide vreemden alleen at, zij voegde er bij, dat zij het onbehoorlijk zou vinden, wanneer ik u weder sprak, voor dat de graaf terug was gekomen. Ik voegde mij naar haren wil, doch het werd mij hoe langer hoe duidelijker, dat er iets moest zijn voorgevallen. Gedurende den voormiddag ging ik in mijne kamer en zag bij toeval, dat de deur naar de gang gesloten en de sleutel er uitgetrokken was. Nu doorzag ik alles; ik was eene gevangene der gravin; zij moet ons geheim kennen. De kamerdienaar heeft zich den ganschen dag niet vertoond; ik gis dat hij naar den graaf gezonden is.—Daarom besloot ik u, mijn broeder, van alles te onderrichten, en zond Jeannette met het briefje. Het gesprek met u door het venster kon echter gevaarlijk worden; ik liet dus Jeannette laat op mijne kamer komen, onder voorwendsel, dat ik verlangde, dat zij bij mij zoude slapen, daar ik niet recht wel was. Zoodra zij vast sliep, deed ik stil hare kleeding aan en ging zoo onbemerkt door de kamer der gravin. Thans echter vraag ik u, mijn broeder, wat zullen wij doen?”
„Snelle vlucht schijnt mij het eenige redmiddel,” hernam hij eindelijk. „Zou het mogelijk zijn, Smolensko dezen nacht te bereiken?”
„Mogelijk is het. Maar zullen wij het uiterste wagen, vóór het uiterste ons dringt? O mijn broeder, schoon ook de heiligste band van vrome kinderlijke liefde en van vertrouwen op hen, welke ik als mijne ouders eerde, smartelijk vaneengescheurd is, voel ik mij toch nog door duizend draden van gewoonte en dankbaarheid aan hen gebonden. Als ik mij, heimelijk vluchtend, in den nacht van hen moest losrukken, zou toch eene diepe smart mijne ziel doorgrieven en mijne borst zich door de beschuldiging van ondankbaarheid gekweld voelen.”
„Maar wat wilt gij doen, mijne lieve,” hernam Bernard, „wanneer gij zelve verklaart, dat gij uw broeder voor uwe ouders niet durft erkennen? Heeft dan liefde hunne daden jegens u bestuurd? Of hebben zij u opgevoed, alleen om u op te offeren, om met uwe schoonheid onwaardig voordeel te zoeken?”
„Gij spreekt de waarheid—doch de liefde en de eerbied, die achttien jaren in mijn hart gebloeid hebben, zijn daarin vastgeworteld. Eenmaal beminde ik mijne ouders onuitsprekelijk; want ik had slechts weldaden, ofschoon ik thans gevoel, koud en streng toegemeten, van hen ontvangen. Maar heeft mijn hart ook de vrije, schoone, heilige liefde verloren, het kan zich toch niet vrijspreken van de plichten der dankbaarheid. Het goede, dat ons gedaan is, boeit ons, ook al is het niet uit de zuivere bron der liefde gevloten. Broeder, raad mijn twijfelend hart, leen mij uw vasten mannelijken arm in dezen storm van tegenstrijdige gevoelens, die mij geheel dreigt te overstelpen.”
Bij deze woorden nam zij zijne hand, als wilde zij hem smeeken, en richtte haar vochtig oog naar het zijne, dat donker vlamde, omhoog.
„Gij hebt recht, lieve zuster,” hernam hij. „Recht, met uw vrouwelijk, duldend, alles vergevend hart; ik, met mijn trotsch mannenhart, denk anders en heb ook gelijk.”—„Wij moeten weg,” sprak hij met hevigheid, „ik dwing er u toe en neem de zedelijke schuld geheel op mij. Gij _moet_ mij volgen, mijne zuster, en wel dadelijk; bij God, gij moet!”
„Ja, ik geloof, dat hij gelijk heeft,” zeide Lodewijk bescheiden doch vast en trad nader bij zijn geliefde. „De rechten des broeders zijn heiliger.”
„En de uwe sinds gisteren de heiligste!” riep Bernard, hem in de rede vallende. „Bloos niet, lieve zuster, en mistrouw de waarheid niet daarom, wijl zij tevens het hoogste geluk uws harten uitmaakt. Ik weet het wel, edele zielen aarzelen zelfs het goede te doen, wanneer het één is met hunne wenschen, maar niet altijd is slechts het zich opofferende hart het meest deugdzame. Vertrouw op mij; ik beslis, doch zonder hartstocht. Verbreek de boeien, die, half door liefde en half door dwang gesmeed, de vrije bepaling van uw wil verhinderen.”
„Welnu, het zij dan zoo,” sprak zij na eenige oogenblikken van stillen, inwendigen strijd; „ik gehoorzaam u, mijn broeder.”
„En dadelijk,” viel Bernard in; „want iedere minuut toevens brengt gevaar aan.”
„En waarheen wilt gij vluchten?” vroeg Bianca.
„Naar Smolensko.”
„Hoe!” riep zij verschrikt, „en zweeft daar het zwaard des doods niet boven uwe hoofden?”
„Sinds onze verbitterde aanklagers door hun vreeselijk noodlot achterhaald zijn,” hernam Lodewijk, „vrees ik van die zijde niets meer voor ons. Niet onze schuld, maar de wil om ons schuldig te vinden, bracht ons gevaar aan.”
„Dan volg ik ook u daarheen.—Willhofen zal ons paarden en eene slede bezorgen.”
„Wij wachten hem ieder oogenblik hier, daar hij mij te middernacht naar u zoude voeren,” antwoordde Bernard.—„Maar hoort gij niets?—Dat zijn zweepslagen en bellengerinkel! Zeer duidelijk!”
Bianca verbleekte. „Eene slede, die de slotpoort nadert! Dat is mijn vader!”
„Hij of een ander,” riep Bernard; „thans is het geen tijd tot vluchten. IJl naar uwe kamer terug, zuster, eer de aankomst der slede de lieden in huis wekt. Zoodra het rustig is, ben ik onder uw venster.”
Hij dreef haar voort; zij zweefde met vlugge schreden de lange gang door. Nauwelijks was zij in de binnenvertrekken verdwenen, of de naderende slede hield voor de poort van het slot stil en er werd zoo hevig en luid aangeklopt, dat men niet behoefde te twijfelen, of het was de eigenaar zelf, die begeerde binnengelaten te worden.
De poort werd geopend; Bernard loerde door de reet der halfgeopende deur. Twee mannen kwamen de trappen op, doch een verward gedruisch van stemmen liet gissen dat er nog andere nieuw aangekomenen beneden waren gebleven. Thans herkende Bernard den kamerdienaar, die, met een armblaker in de hand, een dicht in een pels gewikkelden heer voorlichtte. Lodewijk verzekerde, dat het de graaf was; ook richtte hij zijne schreden terstond naar de vertrekken der gravin. Daarop werd het stil; men hoorde niets meer. Een kwartier brachten Bernard en Lodewijk in gespannen verwachting door. Toen werd er zacht aan hunne deur getikt; het was Willhofen. De goedwillige, slimme oude had bijna den ganschen samenhang der dingen geraden. Hij was van meening, dat er voor dezen nacht niets meer te wagen was, zonder den stand der zaken gevaarlijker te maken. Daarom nam hij op zich, der prinses een briefje van Bernard in het venster te werpen, dat haar van het genomen besluit onderrichtte.—Hij voerde dit gelukkig uit, bracht daar bericht van en beloofde waakzaam te zijn, om, zoodra het minste gebeurde, hun een wenk te geven.
De nacht verliep voor hen allen in eene onrustige spanning, die nauwelijks eene meermalen afgebroken sluimering toeliet.
HOOFDSTUK X.
De gravin Dolgorow had de betrekking van Bianca tot de gasten meer vermoed, dan geweten. Door een toeval was Jeannette de verraderes geweest; want deze was het, die dadelijk na het oogenblik, dat Bianca haar braven broeder het eerst herkend had, de gezelschapskamer naderde. Zij hoorde luid en heftig spreken en vernam de woorden: Broeder, Zuster! Verwonderd stond zij stil en luisterde onwillekeurig, ten minste zonder erg. Toen naderden Willhofen en eenige bedienden, en de klank hunner voetstappen werd door Lodewijk vernomen, die de zachtere schreden van het meisje niet had bemerkt. Hunne nadering brak de eerste zoete vertrouwelijkheid van broeder en zuster af; doch Jeannette bemerkte dadelijk bij het binnenkomen, dat er iets ongewoons was voorgevallen. De kamerdienaar van den graaf, Jacques, was haar minnaar; haar eerste werk was dus, dezen geslepen mensch haar vermoeden mede te deelen, waarbij zij zekerlijk niet begreep, hoezeer zij het geluk harer beminde meesteres in de waagschaal stelde. Doch Jacques had een scherpen blik voor zulke intrigues. „Hoor, Jeannette,” zeide hij, „wanneer de prinses zich over niets uitlaat, doe dan ook, als vermoeddet of wist gij niets. Voor bedienden is niets gevaarlijker, dan de geheimen hunner meesters tegen den wil van deze te weten. Wanneer het ook in het begin voordeel schijnt, bekomt het ons later nog altijd slecht. Somtijds wordt men op geheel vreemde wijze tot zwijgen gebracht.” Het meisje was door deze waarschuwing zoo bevreesd gemaakt, dat zij zich inderdaad niet het geringste tegen hare meesteres liet ontvallen, maar, zoo eerlijk was zij, ook niet tegen iemand anders. Jacques daarentegen legde zich op den loer en wist dit zoo behendig te doen, dat hij, eer het een uur verder was, ten minste met zekerheid wist, dat Bianca haar geheim voor de gravin verborg. Thans achtte hij de omstandigheden geschikt, om ze tot zijn eigen voordeel aan te wenden. Hij ging naar de gravin en ontdekte aan deze, eerst slechts uit de verte, doch, daar de uitgestrooide vonk met een onverwachten spoed tot eene heldere vlam opsloeg, toen in zijn geheelen omvang alles wat hij wist. Zij beloofde hem eene rijke belooning, wanneer hij tegen iedereen zweeg en slechts hare bevelen in deze zaak geheel wilde opvolgen. Jacques, hebzuchtig, loos, ondernemend, beloofde alles, zonder evenwel aan Jeannette, wier trouw aan hare meesteres hij kende, een woord te zeggen.
Zoo reisde hij dan nog in dienzelfden nacht met brieven van de gravin aan haren gemaal af, en was ook thans met hem teruggekeerd. Het ontvangen bericht moest voor den graaf van een allerverontrustend gewicht zijn; hij had zelfs zijn ijver tegen de vijanden zijns vaderlands voor een oogenblik ter zijde gesteld, om zijne eigene aangelegenheden te behartigen.
Hij vond de gravin, wier ongesteldheid hoofdzakelijk in te groote lichamelijke vermoeienis bestaan had, nog gekleed; de beweging, in welke haar geest zich sinds gisteren bevond, had haar hare volle krachten teruggegeven.
„Welnu, wat zegt gij van mijne ontdekking?” vroeg zij hem, zoodra zij zich met hem alleen bevond; „wat zijt gij voornemens te doen?”
„Vóór alle dingen,” hernam Dolgorow, „moet ik weten, in hoeverre gij zeker van uwe zaak zijt, en in hoeverre Feodorowna van uw weten bewust is?”
De gravin verhaalde, en vergat ook de maatregelen van voorzichtigheid niet, die zij genomen had, om eene samenkomst tusschen broeder en zuster te verhinderen. Dolgorow ging gedurende het geheele verhaal met over elkander geslagen armen op en neder en schudde menigwerf zijn hoofd, ten teeken van afkeuring.
„En wie van de beide vreemdelingen moet dan nu de broeder zijn?” vroeg hij, toen de gravin ophield.
Met eene soort van schaamte bekende de gravin, dat zij dit niet wist. Zij had onvoorwaardelijk aangenomen, dat het Lodewijk was, waartoe de door haar met zooveel ergernis opgemerkte neiging van Bianca tot dezen haar vrij natuurlijk verleid had. Thans eerst, nu de graaf haar de vraag ook met betrekking tot Bernard voorlegde, zag zij in, dat zij volstrekt geen bepaalden grond voor haar vermoeden bezat.
„Hadt gij slechts dien ongelukkigen maatregel met dat halve gevangen houden niet genomen!” zeide Dolgorow met nauw onderdrukten toorn. „Ik begrijp niet, wat u dit helpen kan. Het was niets, dan een overblijfsel der gewoonten uwer moederlijke gestrengheid en willekeur, die evenwel na Feodorowna's huwelijk in geen geval meer te pas komen. Hoe nam zij het op?”
„Zij heeft er zich volstrekt niet over uitgelaten,” hernam de gravin bedeesd.
„Dan hebben wij misschien nog hoop, dat zij het niet bemerkt heeft?” viel de graaf haar haastig in de reden.
De gravin wist het tegendeel zeer goed, daar zij het daaruit kon opmaken, dat hare kamer de doorgang voor Jeannette was geworden, doch zij bevestigde Dolgorows vermoeden om zijne verdere, juist niet zeer beleefde verwijtingen te ontgaan.
„Dat redt ons,” zeide hij geruster; „en heeft de prinses ook al iets bemerkt, dan moet het geheel als eene vergissing worden voorgesteld, welke men aan den kamerdienaar kan wijten.—Voorloopig willen wij dus niets meer beginnen; morgen zal ik zelf zien en opmerken. Om 's hemels wil geene gewelddadige maatregelen in deze zaak, tot wij ze geheel niet meer kunnen vermijden of ten minste juist weten, in hoever ons geheim verraden is. Ook dat die Jacques er iets van vernomen heeft, is hoogst onaangenaam. Wel is hem de waarheid geheel en al onbekend en, zooverre ik bemerken kan, twijfelt hij er niet aan, dat Feodorowna onze dochter is; doch hij houdt den onverwacht teruggekeerden broeder voor een zoon, welken wij, wie weet waarom, verwijderd moeten hebben. Ja, ik geloof, dat hij eigenlijk van meening was, uwe jaloezie door deze ontdekking op te wekken. Ondertusschen, dat is hetzelfde; zeer onaangenaam blijft het voor ons, dat een zoo vreemd niet te vertrouwen mensch ook maar eenig vermoeden van zoodanige betrekkingen heeft.—Misschien,” vervolgde Dolgorow na eenige oogenblikken, gedurende welke hij zwijgend en nadenkend op en neder was gegaan, „misschien is het geheel een loos alarm. Wie zegt ons, dat Jacques goed gehoord heeft? Evenwel, des te voorzichtiger moeten wij te werk gaan, want men kan niet weten, of Feodorowna en haar vermoedelijke broeder elkaar niet reeds sinds langen tijd kennen en zorg gedragen hebben, hunne bewijzen op plaatsen neder te leggen, die voor ons ontoegankelijk zijn. In dit geval kunnen wij in den moeilijksten toestand geraken.—Ja, ik ben besloten! Morgen zal ik het geheele geval kennen. Wel kwam ik hier met het besluit, om dadelijk de meest beslissende stappen te doen, en ik meen, gravin, dat gij mij genoeg kent, om te weten, dat ik voor de noodzakelijkheid niet als een kind terugbeef,—wij zijn in Rusland nog zoo angstig of weekhartig niet; ik weet zoo goed als anderen in dit rijk, dat men een rotsblok, dat ons in den weg ligt, moet doen springen;—doch zonder overijling! Misschien gelukt het mij, een betere en zekerder weg te vinden, die er omheen leidt.—Goeden nacht! Ik zal geruster slapen, dan ik geloofde. Nog iets, opdat wij ons zelve niet tegenspreken. Mijne aankomst hier was geheel toevallig, hoort gij, gravin, toevallig! Voor het overige zal ik morgen de eerste zijn, die Feodorowna goeden dag zegt en zich over de geslotene deur verwondert.”
Met deze woorden nam hij afscheid en ging met Jacques, die hem in de voorzaal wachtte, naar zijne kamer.
Doch de onrust van zijn gemoed liet hem niet toe te slapen; het lang sluimerende geweten was machtig ontwaakt. Er mocht thans bedrog of waarheid in het spel zijn, hij leerde, dat het zaad der schuld, mocht het nog zoo diep begraven, nog zoover door den storm des tijds verwaaid zijn, voortkiemt, tot zijne bittere vruchten rijp zijn.
„Dwaas,” sprak hij tot zich zelf, „wat maakt gij u voor zorgen? Uw doel is bereikt, gij zijt in het bezit, wie wil u verjagen?—Hm! wanneer echter de Ochalskoi's vernamen, dat er een bedrog had plaats gehad? Slechts als vader van Feodorowna zijn uwe rechten geldig!—Doch wie zal ze u betwisten? Den eenigen, die spreken kon, zijn de lippen verzegeld. Ruschka slaapt. Schrikgestalten van een dwazen waan! Herschenschimmen!”
Zijne plannen waren echter nu rijp geworden, en hij bezat behendigheid en kracht, om ze uit te voeren. Zijn eerste gang was naar Bernard en Lodewijk, die hij als gasten des huizes welkom heette. Met de geslepenheid eens hovelings speelde hij den voorkomenden gastheer, vroeg naar hun welstand, naar den aard hunner ontvangst, zonder ook slechts met een woord iets kwaads te laten blijken. Lodewijk, die de wereld minder kende en wiens rechtschapen hart ook den argwaan niet zoo licht toeliet of, wanneer hij zich vertoonde, met gemoedelijken weerzin verwierp, had zich door dit gedrag laten bedriegen. Bernard daarentegen werd te bezorgder, naarmate de graaf zich minder achterhoudend aanstelde; hij vermomde zich dus met hetzelfde masker tegen hem en nam den schijn aan van een zorgeloos, lichtzinnig vertrouwen, terwijl hij zijne geheime gedachte zorgvuldig verborg. Het gelukte hem volkomen, den geruste te spelen; hij ging hierin zoover, dat hij den graaf zijn Londensch avontuur met Bianca openhartig bekende. „Ik ben schilder,” zeide hij met de losheid van een luchthartigen kunstenaar, „en wij beschouwen een schoon gelaat in zeker opzicht als een eigendom, dat ons niemand mag betwisten. Daarmede, heer graaf, moet gij die daad, die zekerlijk de gewone regels der welvoegelijkheid niet tot rechter mag hebben, verontschuldigen.”
„Wij zijn zulke barbaren hier in Rusland niet,” hernam Dolgorow glimlachend, „om den kunstenaar niet zoodanige vrijheid willig toe te staan. Maar bezit gij het portret?”
„Ik heb het gehad tot voor twee dagen, of veeleer mijn vriend, dien ik het, daar het bij hem zulke aangename en tegelijk raadselachtige herinneringen opwekte, geschonken had. Zijne portefeuille, waarin het lag, werd hem door den ellendeling afgenomen, dien, zoo ik hoor, eene vreeselijke vergelding heeft getroffen; in wiens handen het gekomen is, weet ik niet.”
„Gisteren,” zeide Dolgorow, „zijn mij twee portefeuilles, die men bij de gevangenen had gevonden, ter hand gesteld, doch ik beken, dat ik nog geen tijd gehad heb om ze te openen. Ik ben toch inderdaad nieuwsgierig om te zien, of de uwe daarbij is.”
Met deze woorden snelde hij naar zijne kamer en keerde spoedig daarop met twee brieventasschen terug, waarvan hij er eene open in de hand hield. Het was die van Lodewijk. De graaf hield Bernard het portret voor en zeide: „Herkent gij dit voor uw werk?”
„Hoe zoude ik niet?”
„Dan is het billijk, dat gij uw eigendom terugneemt.”
„Het is, zooals ik zeide, niet meer het mijne, maar dat van mijn vriend.”
De graaf overhandigde Lodewijk de portefeuille, waaruit echter alle papieren verdwenen waren. Dolgorow had ze er eerst uitgenomen, wijl hij er naricht in hoopte te vinden; hij verontschuldigde zich daarmede, dat hem de portefeuille ledig ter hand was gesteld en Beaucaire haar dus waarschijnlijk reeds geledigd zou hebben. De tweede was noch Bernards noch Lodewijks eigendom; de graaf behield haar alzoo en verwijderde zich daarmede, om Feodorowna zijn morgenbezoek te brengen.
„Het is mij oneindig veel waard, dat dit portret weder in mijn bezit is gekomen,” zeide Lodewijk. „Ik ben nu veel geruster; alle gevaar schijnt voorbij en de graaf is een man, die toch wel vertrouwen verdient.”
„Waarlijk, men zou er om lachen,” zeide Bernard, „dat een zoo verstandig mensch als gij, zoo blind en dwaas kan zijn. O, Lodewijk! gij zijt te goed voor deze wereld—en ik vrees, dat mijne zuster het ook is en zich laat bedriegen. Zult gij dan eeuwig zulke kinderen in het leven blijven, dat gij u eene slang aan den boezem laat leggen, omdat zij eene glinsterende huid heeft? Wilt gij dan nooit leeren, dat de bontgevlekte tijger zich slapend houdt, wanneer hij het scherpst loert? Wie overdekt dan een wolvenkuil met adders? Rozen strooit men er over! Rattenkruid moet er als suiker uitzien, anders vreten de ratten het niet.—Lodewijk, Lodewijk! Deze lachende vriendelijkheid is mij bedenkelijker, dan wanneer hij met getrokken zwaard voor mij stond!”
„Gij ziet alles te donker in, mijn waardste,” hernam Lodewijk.
„Meent gij?” vroeg Bernard spottend. „Het beteekent wel niets, dat Bianca eene gevangene is?—En deze onverwachte aankomst, midden in den nacht? Lodewijk, zoo de deur openstond, ik ging er liever uit, zooals ik hier voor u sta, dan nog een uur hier te blijven. Ja, was het niet om mijne zuster, gij moest op stel en sprong mede.”
Willhofen trad binnen en brak hun gesprek af met de vraag, of zij wilden komen ontbijten.—Zij gingen.
Eenige minuten bleven zij alleen in de zaal. Hierop trad Dolgorow binnen. Hij was zoo beleefd als te voren, verzocht hun plaats te nemen, en schonk zelf de chocolade.
„Onze dames,” zeide hij, „staan wat laat op. Wij zullen haar wel voor het eten niet te zien krijgen. De gravin was gisteren ongesteld, dat heeft ook de vorstin van het genoegen beroofd, de plichten van gastvrouw jegens u te vervullen. Ik denk, dat de dames het verzuimde heden zullen inhalen.”
Bernard vroeg naar den staat der politieke omstandigheden.
„Daarover doen wij het best liever niet te spreken,” hernam Dolgorow beleefd; „ik als Rus zou misschien geheel anders moeten denken, dan gijlieden, die ten minste uwe oude kameraden bij het leger hebt.—Het heeft voor mij een bijzonder belang, dat ik u reeds te voren ontmoet heb,” voer hij na eenige oogenblikken voort, zich tot Lodewijk wendende. „Toen wij aan den voet van den Simplon, dien wij door uwe hulp zoo gelukkig overgekomen zijn, door toeval gescheiden werden, wendde ik mij door het gebergte naar Bern, ging van daar naar Tyrol en kwam op den grooten weg naar Munchen. In Duitschland hadden wij verder geen avontuur, doch wel in Warschau, waar wij bijna verraden waren geworden en het ons eerst, na ons verscheiden dagen bij goede vrienden verborgen te hebben, in den nacht gelukte te ontvluchten.”
„Wij zijn ook in Warschau geweest,” zeide Lodewijk.
Bernard gaf hem een verholen wenk, om voorzichtig te zijn, en nam snel zelf het woord op, om geheel onbepaald en algemeen van hun verblijf aldaar te spreken. De graaf vroeg naar het een en ander; hij sprak van Engeland, vernam naar Bernards reizen, naar zijne vroegere woonplaats; kortom, hij zocht op eene geschikte wijze den levensloop en de betrekkingen van beiden zoo nauwkeurig mogelijk uit te vorschen. Bernard antwoordde met groote omzichtigheid; doch alles liet zich niet verzwijgen, en voornamelijk waren Lodewijks betrekkingen spoedig voor Dolgorow in zoover duidelijk, dat hij niet meer twijfelen kon, of Bernard moest Feodorowna's broeder zijn, indien het een van deze twee was. Met opmerkzaamheid beschouwde hij zijne gelaatstrekken, om uit de gelijkenis zijne vermoedens te bevestigen; doch hier was het toeval hem niet gunstig, daar Bernard sprekend op zijn vader, Bianca op hare moeder geleek, en tusschen hen veeleer een merkwaardig verschil in gelaatstrekken dan eene overeenkomst bestond, ofschoon zich al eenige gelijkende trekken lieten vinden. Doch wanneer men ze zoeken wilde, dan bood het gelaat van Lodewijk oneindig meer waarschijnlijkheid voor de bloedverwantschap aan. Bernard had daarenboven met behendigheid in zijn gesprek weten in te vlechten, dat hij uit Dresden geboortig en de zoon van een armen voorzanger aan de kruiskerk was, die hem, gelijk hij er lachend bijvoegde, toen hij voor drie jaren stierf, bij zijn _laatsten_ wil niets had nagelaten, dan den _vrijen_ wil, om te gaan waar hij wilde.