1812: Historische roman

Part 71

Chapter 713,507 wordsPublic domain

„Uwe eerste ontmoeting was eene gezegende,” hernam zij; „gij reddet de zuster uit den dringenden nood, waarin zij met hen, aan wie zij haar hart geheel gewijd had, verkeerde.”

„Neen! Ik kende u reeds veel vroeger,” zeide hij lachend. „Niet in eene romanesk gelegen hut, maar midden in den glans der rijke, bedorven wereld heb ik u het eerst gezien. Maar ik ontdekte den reinen diamant uwer ziel midden onder de menigte van valsche steenen, daar ik ze aan een anderen diamant zag toetsen. Het was te Londen in de _Romeo en Julia_, dat ik in uwe tranen spoedig echte parelen zag. Ik wilde de schoone schelp rooven—herinnert gij het u niet meer, mijne zuster?”

„Hoe?” vroeg zij verwonderd en zocht door het levend beeld haars broeders dat harer herinnering te verjongen; „hoe waart _gij_ die jonge schilder?”

„Niemand anders dan ik,” hernam Bernard. „En gisteren nog zou ik u het bewijs hebben kunnen leveren, want Lodewijk had uw portret sinds lang. De schelm Beaucaire heeft het ons ontroofd.—Doch wie was die trotsche, engelsche gek, die mij uitdaagde en zich naderhand niet vinden liet?”

„O, mijn broeder,” antwoordde Bianca met levendigheid, „dan dank ik u reeds eene onmetelijke weldaad. Die Engelschman, lord Glower, was de voor mij bestemde bruidegom. Dit voorval verwekte een twist tusschen hem en mijn vader, wijl deze afkeurde, dat de lord zich aan het tweegevecht onttrokken had. Zoo werd door den beleedigden trots van den Engelsman eene betrekking verbroken, welke mijne gebeden en tranen te vergeefs getracht hadden af te wenden.”

„Men wilde u alzoo dwingen?” vroeg Bernard.

„De dochter,” antwoordde Bianca zacht en bepaald, „meende te moeten gehoorzamen; haar hart kende toen de liefde nog niet. Maar zij alleen werpt een zuiver licht op de verwarde paden der plichten en voert, gelijk de morgenster, den dwalenden voet aan het doel.”

„Doch gij waart gehuwd, lieve zuster?” vroeg Bernard.

Lodewijk beefde inwendig bij deze vraag.

Bianca bloosde sterk en sloeg beschaamd hare oogen neder. „Het was door dwang, dat ik den naam eener prinses Ochalskoi draag,” zeide zij zacht; „doch gij zult uwe zuster voorzeker vrijspreken.”

Zij verhaalde thans met weinige woorden de geschiedenis van haar huwelijk. Lodewijk werd daardoor hevig ontroerd, doch het trotsche hart van Bernard zwol van toorn. Hij stond op en ging met onrustige schreden door het vertrek op en neder.

„Lieve zuster,” sprak hij na eenige minuten, „uit alles, wat gij verhaalt, zie ik, dat ons heil hier aan een haar over een afgrond hangt. Wij hebben een uur in de zoetste rust ons geluk genoten; doch de nood dwingt ons te handelen. Zeg mij, weet graaf Dolgorow, dat het geheim uwer geboorte u bekend is?”

„Hij weet het niet; ik zweeg, om Ruschka's broeder niet in het ongeluk te storten, en om ongehinderd naar u te kunnen vernemen.”

„En zoudt gij nog schroomen, u aan hem te ontdekken?”

„Voorzeker,” riep zij snel.

„Zoudt gij dan vreezen....”

„Alles, mijn broeder, voor u, voor mij—voor uw vriend,” voegde zij er zachter bij.

„Dan moeten wij ons zelven den weg banen. Strenge bewaring van het geheim is ten eerste noodig.—Mijne zuster, ik heb u slechts eene vraag te doen; wilt gij met ons naar Duitschland gaan? Kunt gij rang, macht en rijkdom verzaken, om een broeder en een vriend te volgen, die u niets aanbieden dan hun hart, hun hoofd en in het ergste geval hunne werkzame handen?”

„O mijn broeder!” riep Bianca en sloeg haren arm om hem heen, „vraagt gij mij waarlijk, of ik de vurigste wenschen mijns harten wil vervullen?”

„Goed dan,” zeide Bernard bedaard; „zoo is de weg, dien wij in te slaan hebben, te zwijgen en te vluchten, wanneer zich eene gunstige gelegenheid voordoet, maar vooral om thans te scheiden, opdat ons laat bijeenblijven geen argwaan wekke. Morgen zal de zon ons immers wel weder beschijnen.”

In Bernards toon lag iets gebiedends, dat bijna onwillekeurige gehoorzaamheid vond. Zoo gehoorzaamde Bianca hem dan ook en scheidde, na eene innige omarming, met liefdevollen blik, terwijl zij door de deur naar de vertrekken der gravin verdween. Bernard en Lodewijk begaven zich naar hunne slaapkamer.

In de voorzaal wachtte Willhofen, die hun bijzonder als bediende was toegevoegd, en lichtte hen door de gang naar hun vertrek.

Toen zij binnengetreden waren, sprak Lodewijk hem aan: „Vriend, trouwe, eerlijke knecht mijns vaders, zult gij zijn zoon evenzoo aanhangen als hem?”

„Ach, mijnheer,” riep Willhofen vroolijk, „reeds omdat gij een Duitscher zijt en mijne taal spreekt, zoude ik alles voor u doen. Maar mag ik een openhartig woord spreken?—Lieve heeren, uwe zaken staan hier gevaarlijk—de graaf en de gravin denken anders dan de prinses; zij is eene engelachtige vrouw.”

„Willhofen,” zeide Lodewijk, „wij zijn niet blind voor ons gevaar, maar juist gij moet ons raad geven, hoe wij het ontkomen. Gij weet te veel om niet alles te weten; de prinses is de zuster mijns vriends en mijne verloofde. Zij is bereid, ons naar Duitschland te volgen. Is dat nu of spoedig uit te voeren?”

„Mogelijk is het zeker, doch zeer moeielijk,” hernam Willhofen. „Meent gij dan, dat, wanneer het zoo gemakkelijk was, ik niet reeds voor lang zou gevlucht zijn? Slechts daarom heb ik in mijne oude dagen de wapenen weder opgenomen, om den duitschen grond nader bij te zijn; want ik hoopte gelegenheid te vinden om te vluchten. Tot nu toe is het echter onmogelijk geweest, vooral nu, daar de landstorm, de boeren, de kozakken en de fransche legers rondom alles bedekken. Wien wij ook in handen vallen, wij zijn altijd verloren! Ik zeg _wij_, lieve heeren; want gij zult mij toch toestaan, met u te vluchten?”

„Wij hopen dit, mijn vriend,” hernam Lodewijk.

„Maakt gij onze vlucht mogelijk, oude,” zeide Bernard, „dan zult gij in Duitschland een zorgeloozen ouderdom hebben.”

„O God,” riep de oude man, „wanneer de zon mijns levens toch nog vroolijk onderging! Ik zal beproeven, wat mogelijk is. Ik sta nog al goed bij de gravin, ik wil zien, of zij mij haar vertrouwen schenkt; want vooral moeten wij te weten komen, of zij kwaad vermoedt. Is haar argwaan reeds opgewekt, dan hebben wij geen tijd te verliezen; anders kunnen wij met iederen dag uitstel slechts winnen.”

„Doe wat gij kunt, beste vriend,” zeide Lodewijk, „en breng ons zoo spoedig mogelijk bericht.”

Willhofen vertrok.

„Zal onze nacht zoet of onrustig bewogen zijn?” vroeg Lodewijk, toen hij zich met Bernard alleen zag. „Vriend, welk een dag was dit!”

„Op aarde ben ik niet veel geweest,” hernam Bernard, „maar eene reis of twee, drie in den hemel en in de hel. Thans echter moet ik bekennen, dat al de zenuwen mijner ziel zoo afgemat en moe zijn, als mijn lichaam, waarin ik langzamerhand de vermoeidheid des doods voel binnensluipen. Het noodlot met zijn donder en bliksem heeft mij elk kwartier uit den slaap opgejaagd. Maar gij weet, er komt een tijd, wanneer de afgematte zelfs door het verdoovende kraken van een nevens hem neerstortenden sneeuwval noch verschrikt, noch gewekt wordt. Thans ben ik zoo ver; ik kon, zooals eenige manschappen, die in doodsvermoeidheid op marsch nedergestort waren, een twaalfponder tegen mijne voeten zien rijden en het der moeite niet waard rekenen, ze op zij te trekken.”

Lodewijk, die slechts door geweldige gemoedsaandoeningen geslingerd was geworden, maar bijna geen lichamelijke vermoeienissen had ondervonden, voelde zich minder uitgeput. Met schrik zag hij derhalve Bernard onder het spreken al bleeker en bleeker worden, en bemerkte aan zijne dof slepende stem, dat het bewustzijn hem begaf. Snel sprong hij op hem toe, greep hem bij den arm en riep: „Bernard, wat scheelt u? Zijt gij ziek?”

„Neen, beste—maar—geheel—dood af—,” antwoordde hij in afgebroken woorden en zonk in de armen zijns vriends ineen.—Zoo was dan ook eindelijk de uitgeputte kracht van dezen sterke, die tot nu toe door de uiterste inspanning van zijn geest de natuur getrotseerd had, gebroken. Lodewijk droeg hem zacht op een rustbed en liet aan den slaap over, hem met zijne versterkende kracht opnieuw te doen opleven.—Spoedig verzonk hij ook zelf in zoete verdooving, welke nauwelijks door zwakke droombeelden werd afgebroken.

Toen hij ontwaakte, was het klaar dag en een schitterende lichtstroom drong hem in de oogen. Willhofen stond voor hem en zeide glimlachend: „Gij hebt een gezonden slaap, mijnheer, dat moet ik zeggen. Ik heb reeds driemaal te vergeefs aan de deur geklopt en moest eindelijk binnentreden.—Maar de heer dáár slaapt nog vaster.”

Lodewijk had eenige oogenblikken noodig, om de hem omringende voorwerpen in samenhang te brengen met zijne morgendroomen, die hem, gelijk zoo dikwijls in zijn vaderland hadden overgebracht. Hij richtte zich op. Als een wonder kwam hem de frissche kracht zijner leden voor; hij voelde den vollen levenslust, den jeugdigen levensmoed zoo goed als ooit te voren in zijne beste dagen. „Ja, alles is wezenlijk,” zeide hij en zag den oude vroolijk in het brave gelaat.

„O, welk een geluk is zulk ontwaken!”

Hij sprong op en beschouwde Bernard; ook in hem was de levenskracht teruggekeerd; hij ademde vol, maar licht: een toonbeeld van mannelijke gezondheid.

„Bernard!” zeide hij en nam zijne hand. „Bernard!” Hij ontwaakte niet, voordat zijn vriend hem de hand op het voorhoofd legde. Toen sloeg hij zijne oogen op en zeide: „Lodewijk, zijt gij het, die mij zoo vriendelijk wekt? Gij hebt een schoonen droom verjaagd; doch hij ontvliedt voor eene nog schoonere waarheid.”

„De prinses is reeds voor lang opgestaan,” zeide Willhofen; „doch zij heeft uitdrukkelijk bevolen, dat ik u niet zoude wekken. Eindelijk scheen het mij echter toch tijd toe daar het bijna middag is.”

„Middag?” vroeg Bernard en een soort van schaamte kleurde zijne wangen. „Foei, dat wij ons hier dadelijk als een paar slaapkoppen moesten tentoonstellen!”

„O, de gravin ligt ook nog te bed,” antwoordde Willhofen, „en zelfs de gevangenen zijn nog niet afgemarcheerd; de dag van gisteren was voor ons allen hard.”

„Welke gevangenen?” vroeg Bernard.

„De Franschen, die wij gisteren in onze macht kregen,” hernam de oude man. „Zie daar, juist worden zij gemonsterd, om verder in het binnenland gevoerd te worden.”

Bernard trad aan het venster. Het gezicht der twintig ongelukkigen, die met bleeke gezichten, slecht gekleed, half verhongerd voor hem stonden en van koude of vrees voor hun lot beefden, sneed hem door het hart. „Waar brengt men hen heen?” vroeg hij.

„Denkelijk daarheen,” antwoordde Willhofen, „waar ik zoovele jaren versmacht heb, naar Siberië; de weg daarheen is gemakkelijk gevonden, maar terug is hij moeielijk.”

„En waarom kwaamt gij daar?” zeide Lodewijk. „Wie had het recht, een ongelukkigen schipbreukeling in balling te zenden?”

„Het geschiedde volkomen naar de wet,” zeide Willhofen met bitterheid; „ik was naakt en bloot aan de kust geworpen. Een russisch herbergier borgde mij vijf roebels, weergeven kon ik ze niet. Toen werd ik met het gebruik van mijn dienst zijn eigendom en hij verkocht mij aan prins Ochalskoi, die juist eene fabriek op zijne goederen bij Bern oprichtte.”

„Dus voor vijf roebels!”

„Zuchtte ik achttien jaren lang naar mijn vaderland en al de mijnen.”

„Wees getroost, oude,” klopte Bernard hem op de schouders, „van nu af zal het beter gaan. Het is altijd een mooie dag geweest, wanneer de avond helder is.—Doch wat beteekent dat? De gevangenen schijnen immers weer uiteen te gaan?”

Willhofen zag uit. Een kozak was het plein opgereden en sprak met de boeren, die het transport begeleidden. „Ik wil dadelijk zien, wat er gaande is,” zeide hij en ijlde naar buiten.

Na eenige minuten keerde hij met de tijding terug, dat Dolgorow bevolen had, de lieden hier nog op te houden, daar hij morgen en overmorgen door gelukkige aanvallen op de fransche achterhoede het getal der gevangenen hoopte te vermeerderen. Dan konden zij allen tegelijk worden vervoerd.

„Zoo doe mij den dienst, vriend,” zeide Bernard, „en zorg, dat die ongelukkigen, die reeds half dood zijn, zoo goed mogelijk verzorgd worden.”

Willhofen beloofde het en vertrok.

Beide vrienden hadden zich intusschen aangekleed en begaven zich naar de zaal, waar, zooals hun bericht was, Bianca met het ontbijt op hen wachtte. Doch toen zij binnen kwamen, vonden zij het vertrek ledig, ofschoon de tafel voor het ontbijt was gedekt. Een bediende, die spoedig daarna binnentrad, meldde hun vanwege de gravin Dolgorow, dat de prinses niet zou verschijnen.

Lodewijk was ontsteld, doch Bernard scheen er niet bijzonder op te letten en zette zich aan tafel. Toen de knecht zich verwijderd had, vroeg Lodewijk: „Wat mag er gebeurd zijn? Zou de ziekte der gravin eene gevaarlijke wending hebben genomen?—Ik had mij zeer op dezen vriendelijken morgengroet verheugd; want de heldere, klare dag kan ons, dunkt mij, eerst de volle zekerheid van ons geluk geven. En nu....”

„Als hier maar niets ergers achter verborgen ligt,” bromde Bernard en stond op. „Ik vermoed niets goeds. Mijne zuster zou het zonder dringende reden niet van zich hebben kunnen verkrijgen, haren broeder, eerst gisteren gevonden, heden niet opnieuw te begroeten. Laat ons daarom voorzichtig zijn en toch niet door te veel vragen ons zelven verraden.”

„Gelooft gij dan, dat er zich iets gevaarlijks voor ons heeft opgedaan?” vroeg Lodewijk verwonderd.

„Ik geloof evengoed niets als alles; want beide is even mogelijk,” antwoordde Bernard ras.—„Hm! misschien is het ook maar voorzichtigheid van mijne zuster; zij houdt zich met voordacht van ons verwijderd, om zich niet te verraden.—Ik ken de gewoonten van Rusland niet genoeg, om te weten, wat voor eene gastvrouw vreemd zoude staan of niet. Men moet haar vertrouwen, want zij heeft evenveel verstand als liefde getoond.—Geduld slechts, en alles zal zich ophelderen.”

Lodewijk, ongerust geworden, ging zonder spreken op en neder.

Spoedig daarop kwam Willhofen terug en verhaalde, dat de gevangenen op bevel der prinses goed verzorgd werden, zoodat het meer bezorgdheid voor hun toekomstig lot was, dat hen kwelde, dan wel de tegenwoordige ongemakken.

Intusschen verliepen er een, twee, drie uren en Bianca liet zich niet zien.

HOOFDSTUK IX.

Bernard sloeg aan Lodewijk eene wandeling in de open lucht voor; hij nam dit aan. Zij gingen het slotplein over en namen de ligging van het gebouw nader op.

Het was rondom door dichte, hooge dennenbosschen omgeven, door welke evenwel vier breede wegen waren uitgehouwen, die elkander rechthoekig sneden. Deze waren vrijwel gebaand, doch in het overige lag de sneeuw los en hoog, zoodat het zoowel te voet als met een slede even moeilijk scheen, wanneer men den grooten weg verliet door het woud te dringen.

„Het gebouw schijnt oud,” zeide Bernard; „Gothische, nieuw-grieksche, barbaarsche stijl, alles door elkander. Deze beide ronde hoektorens met hunne lange, dunne spitsen moeten van oude dagteekening zijn.—Hoever wij hier wel van den grooten weg af zijn?”

„Ik hoorde Willhofen zeggen, omtrent vier of vijf uren,” antwoordde Lodewijk, „en Smolensko ligt zeven uren van hier.”

„Zoo rekende ik ook,” stemde Bernard hem toe; „in die richting moet het liggen. Wij zouden den weg door die breede laan moeten nemen.”

„Het is dezelfde, waardoor wij gisteren hierheen gekomen zijn,” meende Lodewijk.

„Hoort gij niets?” vroeg Bernard opeens en luisterde, terwijl hij zijn hoofd op zijde boog en de hand, om het geluid op te vangen, aan zijn oor hield.—„Dat is eene kanonnade, in de richting van den grooten weg, doch zeer ver.”

„De bosschen houden den klank tegen,” zeide Lodewijk en luisterde ook naar de enkele doffe schoten, welke men hoorde.

„Het kon het leger van Ney wel zijn, dat daar aan den dans is, en misschien is Rasinski bij het gevecht,” zeide Bernard.

„Rasinski!” riep Lodewijk; „hoe zal die brave vriend misschien over ons bezorgd zijn! O, wanneer wij hem eenig bericht konden doen geworden.”

„Zekerlijk zou dat goed zijn,” zeide Bernard en bewoog nadenkend, doch toestemmend zijn hoofd. „Over het geheel moet ik u zeggen, dat ik mij, hoe gemakkelijk het hier in het slot voor ons zij, toch liever met mijne zuster onder zijne bescherming zou bevinden dan hier. Eens moeten toch die vreeselijke vermoeienissen een einde nemen. Met iederen dag komen wij het vaderland en de verzorgingstoestellen voor het leger nader. De weg werd vast, effen—ik geloof dat wij het ergste geleden hadden.”

„Ach,” zuchtte Lodewijk, „wanneer wij maar eerst den voet weder op vaderlandschen bodem konden zetten!”

Naar het verwijderde gevecht luisterende, gingen de vrienden nog eenigen tijd op en neder. Ondertusschen was het reeds laat geworden en begon het te schemeren. Zij keerden naar huis terug, daar hun dit uur als dat des middagmaals was aangewezen. De tafel was reeds gedekt, doch slechts voor hen beiden alleen; zelfs Willhofen wist niets naders te berichten over het uitblijven der prinses, dan dat zij waarschijnlijk de zieke gravin gezelschap moest houden.

„Houd u slechts goed voor de bedienden,” fluisterde Bernard Lodewijk toe; „geen schepsel hier mag gissen, dat wij ongerust zijn.”

Bij deze woorden schonk hij een glas wijn in en klonk met Lodewijk op de bewoneressen van het huis. Gedurende het eten was hij voortdurend opgeruimd en schertste veel, zelfs met de bedienden, wie hij eenige russische woorden afleerde, om zich dan, hoe gebrekkig ook, met hen in hunne moedertaal te onderhouden.

Het was donker geworden en men bracht licht. Bernard begon, om het gesprek gaande te houden, van Schotland te vertellen. Lodewijk hoorde hem verstrooid aan; zijne bezorgdheid wies met iedere minuut.—Het was thans zeven uur, de burgerlijke beleefdheid jegens gasten zoude reeds lang gevorderd hebben, dat de vrouw des huizes hen begroet had. Er moest eene dringende reden zijn, die Bianca weerhouden had.

Gedeeltelijk om zich te verstrooien, gedeeltelijk om hunne onrust te verbergen, hadden zij ieder uit eene kast een deel van Voltaire genomen; zij zetten zich aan eene andere tafel en lazen. De bedienden namen inmiddels de tafel af en verwijderden zich.

Doch nauwelijks waren zij eenige oogenblikken alleen geweest, toen Willhofen binnentrad, voorzichtig omzag, of er ook iemand in den omtrek was, en toen Bernard een stukje papier toereikte.

Daarop zag hij met potlood in het engelsch geschreven: „Mijn broeder, wanneer alles slaapt, kom dan onder het venster van mijne slaapkamer.”

„Weet gij, wat dit papier behelst?” vroeg hij Willhofen, nadat hij het gelezen had.

„Ik geloof bijna; de kamenier der prinses, Jeannette, heeft het mij gegeven.”

Bernard ging onrustig op en neder. „Kent gij de ligging van het slaapvertrek der prinses, Willhofen?” vroeg hij dezen.

Deze knikte.

„Wanneer alles in huis slaapt, moet ik mij onder haar venster vervoegen; kunt gij mij zonder gevaar daar brengen?”

„Eene kleinigheid! Ik zal wel zorgen, dat het den portier zwaarder zal vallen, zijne oogen, dan ons de oude, verroeste poort te openen.”

„Wanneer gaat men hier slapen?”

„Vóór middernacht; tegen twaalf uur zijn we zeker, buiten de muizen op den korenzolder, geen schepsel meer wakker te zullen vinden.”

„Kom dan op dat uur bij ons op onze slaapkamer, vriend; gij kunt ons daardoor een gewichtigen dienst doen.”

Willhofen ging heen.

Bernard en Lodewijk gingen naar hunne kamer en wachtten in ongeduldige spanning op het uur van middernacht. Langzaam kroop de tijd voorbij. Angstig luisterden zij naar ieder geluid in het slot, naar het geraas van open- en toegaande deuren, het loopen der knechts door de gangen, en of het roepen en antwoorden niet eindelijk eens een einde zoude nemen.—Dikwijls was het minuten aaneen doodstil; dan brak het geluid van een openspringend slot of de lompe, zware, door de lange gangen dreunende tred van een knecht de diepe stilte opeens weder af. Eindelijk, na elf uur, scheen alles in slaap gedompeld te zijn.

„Het slot is stil als het graf,” zeide Bernard, terwijl hij zachtjes de deur opende en naar buiten zag. „Het is nabij middernacht. Ik wenschte, dat Willhofen kwam, opdat de onzekerheid een einde had.”

Lodewijk was door sombere voorgevoelens en bekommernissen gekweld; doch hij uitte geen woord, om Bernards zichtbare onrust niet nog te vermeerderen.

„Wat blaast de wind door het slot!—Het zal weer een heerlijke nacht buiten zijn!—Mij dunkt ook, dat het weer kouder geworden is. Onze vensters bevriezen, niettegenstaande de gloeiende kachel.—Maar hoor, ruischt daar niet iets op de gang? Waarachtig, het komt langzaam nader. Denkelijk zal het Willhofen zijn; de oude is een vos, hij komt langzaam op zijne teenen, en is, denk ik, zonder schoenen.” Hij luisterde; het kwam allengs nader en nader. Bernard opende eventjes de deur en vroeg door de reet: „Zijt gij het, vriend?”—„Ik ben het,” antwoordde fluisterend eene vrouwelijke stem; tegelijk opende de aankomende de deur, en de kamenier der prinses trad in eene bevallige dracht, een klein mutsje op, doch met een doek om het gelaat, binnen.

Beide vrienden schrikten. Bernard vermoedde een verliefd avontuur en zeide vrij norsch: „Gij zijt verdwaald, mijn kind.” „Neen, ik heb de rechte deur niet gemist,” hernam het meisje met eene bekende stem, terwijl zij tevens den doek afnam, die haar gelaat half bedekte.—Het was Bianca.

„Gij zelve, lieve zuster! in deze kleeding?” riep Bernard zachtjes, terwijl hij een schrede terugtrad; „om 's hemels wil, wat beteekent dit?”

„De nood dwong mij tot deze vermomming,” hernam Bianca, „ik ben eene gevangene en kon slechts in dit kleed naar u toesluipen.”

„Gij eene gevangene?” riep Bernard verwonderd; Lodewijk trad eene schrede nader.